Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:2080

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-06-2021
Datum publicatie
30-11-2021
Zaaknummer
20-002622-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gepubliceerd in verband met ingesteld cassatieberoep

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-002622-19

Uitspraak : 17 juni 2021

TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 9 augustus 2019, in de strafzaak met parketnummer 03-103071-19 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde.

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zal bewezen verklaren hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd, met dien verstande dat ook het onderdeel medeplegen bewezen zal worden verklaard, en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 116 dagen, met aftrek van voorarrest. Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de bewaring van de inbeslaggenomen voorwerpen ten behoeve van de rechthebbende zal gelasten.

De verdediging heeft primair bepleit dat het hof de verdachte zal vrijspreken van het tenlastegelegde. Subsidiair heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 25 april 2019 in de gemeente Maastricht, in elk geval binnen het arrondissement Limburg, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, acht, althans een hoeveelheid, brillen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n), te weten aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [benadeelde 2] (met kracht) (weg) te duwen, waardoor die [benadeelde 2] (hard) ten val is gekomen.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 25 april 2019 in de gemeente Maastricht tezamen en in vereniging met een ander een hoeveelheid brillen, die geheel aan een ander dan aan de verdachte en/of zijn mededader toebehoorden, te weten aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd gevolgd van geweld tegen die [benadeelde 2] , gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [benadeelde 2] met kracht weg te duwen, waardoor die [benadeelde 2] ten val is gekomen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

In het geval tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging bepleit dat het hof de verdachte dient vrij te spreken van het tenlastegelegde. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het signalement dat is opgenomen in het proces-verbaal van aangifte van de persoon die de aangeefster geduwd zou hebben, ziet op medeverdachte [medeverdachte] en niet op de verdachte en dat dit derhalve niet overeenkomt met de verklaring van de aangeefster bij de fotoconfrontatie. Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verdachte niet de rennende persoon met de witte gympen is op de foto’s op pagina 53 van het dossier. Tevens heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de herkenning van de verdachte door de aangeefster niet betrouwbaar is, doordat de fotoconfrontatie ongeveer 5 maanden na het tenlastegelegde heeft plaatsgevonden. Tot slot heeft de raadsvrouw aangevoerd dat uit het proces-verbaal van bevindingen van de fotoconfrontatie volgt dat de aangeefster eerder met foto’s van de verdachte is geconfronteerd.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Op basis van het dossier stelt het hof voorop dat vaststaat dat op 25 april 2019 een diefstal, gevolgd van geweld, heeft plaatsgevonden in de winkel [benadeelde 1] , gelegen aan de [adres] .

Ten aanzien van het eerste verweer overweegt het hof als volgt. In het proces-verbaal van aangifte geeft de aangeefster op pagina 16 het signalement van één van de personen die op 25 april 2019 in haar winkel een aantal brillen heeft weggenomen. Zij spreekt onder meer over een man met zwarte haren, een lichte baard en een Arabische neus. Wanneer het hof dit signalement vergelijkt met de foto’s van de verdachte op pagina 79 van het dossier, komt het hof tot de conclusie dat de verdachte wel degelijk aan het genoemde signalement voldoet. De omstandigheid dat uit het signalement van de aangeefster blijkt dat de persoon donkerblauwe kleding droeg en de verdachte zwarte kleding droeg, doet aan het voorgaande niet af, nu het in beide gevallen donkerkleurige kleding betreft. Het hof kan de raadsvrouw dan ook niet volgen in haar verweer dat het signalement van medeverdachte [medeverdachte] zou zijn, te meer nu het signalement dat de aangeefster heeft gegeven van de medeverdachte (pagina 17) overeenkomt met de foto’s van die [medeverdachte] , opgenomen op pagina 103 van het dossier.

Ten aanzien van het verweer dat de verdachte niet de rennende persoon met de witte gympen is op de foto’s op pagina 53 van het dossier overweegt het hof als volgt. De foto’s op pagina 53 maken deel uit van hetzelfde proces-verbaal van de analyse van de videobewakingsbeelden (pagina 36 e.v. van het dossier), en van dezelfde reeks foto’s, als de foto’s op pagina 42 van het dossier. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard zichzelf te herkennen op de foto’s op pagina 42 van het dossier. Voorts heeft de verdachte verklaard de jongen met de witte gympen te zijn. Het hof constateert daarnaast dat het tijdsverloop tussen de beelden slechts enkele minuten bedraagt. Het hof verwerpt mitsdien het verweer.

Het hof ziet voorts geen aanleiding aan de betrouwbaarheid van de herkenning van de verdachte door de aangeefster tijdens de fotoconfrontatie te twijfelen. Tijdens de fotoconfrontatie herkende de aangever de verdachte direct voor 100% als degene die op 25 april 2019 de diefstal in haar winkel mede heeft gepleegd. De aangeefster verklaarde de verdachte aan zijn gehele gezicht te herkennen. Ook het feit dat de fotoconfrontatie pas enige tijd na het feit geschiedde, is voor het hof geen reden te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de herkenning van de verdachte door de aangeefster.

Voor zover de raadsvrouw heeft willen betogen dat uit het proces-verbaal van bevindingen van de fotoconfrontatie op pagina’s 129 en 130 van het dossier volgt dat de aangeefster eerder dan de fotoconfrontatie op 20 augustus 2019 is geconfronteerd met foto’s van de verdachte, constateert het hof dat de raadsvrouw van een andere lezing uitgaat van dit proces-verbaal van bevindingen dan het hof en dat hetgeen de raadsvrouw hieromtrent naar voren heeft gebracht geen steun vindt in dit proces-verbaal van bevindingen.

Het hof verwerpt mitsdien de tot vrijspraak strekkende verweren van de verdediging in al zijn onderdelen.

Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het hof heeft het navolgende in aanmerking genomen.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan – kort gezegd – diefstal met geweld. Hiertoe zijn de verdachte en de medeverdachte op klaarlichte dag de winkel [benadeelde 1] , gelegen aan een (drukke) winkelstraat, ingelopen en hebben vervolgens direct brillen uit de rekken gepakt. Op het moment dat de eigenaresse van de winkel de verdachte en zijn mededader is genaderd geeft één van hen de eigenaresse een harde duw en vervolgens rennen zij de winkel uit. De verdachte heeft zich kennelijk laten leiden door financieel gewin, zonder er bij stil te staan dat slachtoffers van delicten als het onderhavige in de regel nog geruime tijd lijden onder de psychische en lichamelijke gevolgen van hetgeen hun is aangedaan.

Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 26 maart 2021, betrekking hebbend op het justitieel verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.

Het hof heeft voor de bepaling van de straf aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden, en bij die straffen die door dit hof in gevallen vergelijkbaar met het onderhavige worden opgelegd. Voor winkeldiefstal met na betrapping eenvoudig geweld is het uitgangspunt de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.

In strafverzwarende zin heeft het hof echter rekening gehouden met het feit dat de verdachte het bewezenverklaarde tezamen en in vereniging met een ander heeft gepleegd. Daarnaast heeft het hof de brutaliteit van het handelen van de verdachte en zijn mededader in aanmerking genomen. Tot slot heeft het hof ten nadele van de verdachte acht geslagen op het feit dat de verdachte samen met zijn mededader goederen, brillen, met een aanzienlijke waarde heeft weggenomen.

Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde feit, in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Alles overziend is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden is.

Beslag

Ten aanzien van in de beslissing als zodanig te noemen inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen is voor het hof niet genoegzaam vast komen te staan wie in juridische zin als rechthebbende kan worden aangemerkt. Het hof zal de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens gold dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens geldt.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

1. STK Simkaart van zaktelefoon;

2. 1 STK Broek;

3. 1 STK Rugzak;

4. 1 STK Broek;

5. 1 STK Broek;

6. 1 STK Trui;

7. 6 STK Papier;

8. 2 STK Schoeisel;

9. 1 STK Kleding;

10. 1 STK GSM (omschrijving: zwart, merk: Samsung);

11. 1 STK GSM (omschrijving: grijs, merk: Asus);

12. 1 STK Kleding.

Aldus gewezen door:

mr. E.A.A.M. Pfeil, voorzitter,

mr. A.C. Bosch en mr. H. von Hebel, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.H.A. Dibbits, griffier,

en op 17 juni 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. A.C. Bosch en mr. H. von Hebel zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.