Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:2011

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-06-2021
Datum publicatie
15-07-2021
Zaaknummer
200.271.587_01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

vordering uit onrechtmatige daad tegen assurantietussenpersoon omdat deze nalatig zou zijn geweest bij het ondernemen van stappen om te komen tot wijziging van de begunstiging van een levensverzekering na wijziging van de persoonlijke omstandigheden van de verzekerde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2021, afl. 5/6, p. 245
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.271.587/01

arrest van 29 juni 2021

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. L.J. van Langevelde te Bergen op Zoom,

tegen

H&G Financieel Adviesbureau B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als H&G,

advocaat: mr. R. Bosman te Rotterdam,

op het bij exploot van dagvaarding van 20 december 2019 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 25 september 2019, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, gewezen tussen [appellant] als eiser en H&G als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/352650 / HA ZA 18-812)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het tussenvonnis van 27 februari 2019.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord;

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten. Deze feiten zijn vastgesteld door de rechtbank in het vonnis waarvan beroep en tegen de feitenvaststelling zijn geen grieven aangevoerd. Om die reden zal het hof van dezelfde feiten uitgaan.

3.1.1.

[appellant] is de vader van [de zoon] (hierna:

[de zoon] ).

3.1.2.

Medio 2009 heeft [de zoon] een affectieve relatie gekregen met [partner van de zoon]

(hierna: [partner van de zoon] ).

3.1.3.

In september en oktober 2009 hebben [de zoon] en [partner van de zoon] ieder een

overlijdensrisicoverzekering afgesloten bij BNP Paribas Cardif (hierna: Cardif), welke

verzekering recht gaf op een uitkering van respectievelijk € 300.000,- in het geval van

overlijden van [de zoon] en € 200.000,- in het geval van overlijden van [partner van de zoon] . Als

begunstigden op de polissen waren achtereenvolgens vermeld verzekeringnemer(s), de

echtgen(o)ot(e) of geregistreerd partner van verzekeringnemers), kinderen van de

verzekeringnemer(s) en erfgenamen van verzekeringnemer(s) (hierna: de

standaardbegunstiging).

3.1.4.

De verzekeringsovereenkomsten zijn tot stand gekomen door bemiddeling van

H&G, assurantietussenpersoon, in de persoon van [assurantietussenpersoon] (hierna:

[assurantietussenpersoon] ). H&G was ook reeds als bemiddelaar opgetreden bij de totstandkoming van andere

verzekeringen van [de zoon] , zowel privé als zakelijk. [de zoon] en [assurantietussenpersoon] waren neven van

elkaar. [assurantietussenpersoon] was bevriend met zowel [de zoon] als [partner van de zoon] .

3.1.5.

Bij e-mail van 10 oktober 2010 heeft [de zoon] aan [naam medewerker 1] (hierna: [naam medewerker 1] ) van

H&G het volgende meegedeeld:

“Onlangs ontving ik de 2 polissen van Cardif maar deze zijn volgens mij nog niet

aangepast. Op [partner van de zoon] [toevoeging hof: [partner van de zoon] ] zijn Life Care

overlijdensrisicoverzekering moet volgens mij mijn naam als verzekerde staan en andersom.

Ik heb dit al eerder aangekaard bij [assurantietussenpersoon] [toevoeging hof: [assurantietussenpersoon] ], die weet er

meer vanaf. ”

3.1.6.

Bij brief van 25 oktober 2010 heeft [naam medewerker 1] aan Cardif namens [de zoon] en [partner van de zoon]

verzocht om de begunstiging van de overlijdensrisicoverzekeringen aan te passen, in die zin

dat [partner van de zoon] als eerste begunstigde op de polis van [de zoon] en [de zoon] als eerste

begunstigde op de polis van [partner van de zoon] werd vermeld. Naar aanleiding van dit verzoek

heeft Cardif de begunstiging van de verzekeringen gewijzigd.

3.1.7.

Omstreeks juli 2014 is de affectieve relatie tussen [de zoon] en [partner van de zoon]

geëindigd.

3.1.8.

[de zoon] is op 14 juli 2016 overleden. Na het overlijden van [de zoon] , heeft Cardif de

verzekerde som uitgekeerd aan [partner van de zoon] .

3.2.

[appellant] stelt zich in de onderhavige procedure op het standpunt dat hij door onrechtmatig handelen van H&G schade heeft geleden (namelijk het mislopen van de uitkering op basis van de verzekeringspolis van [de zoon] ad € 300.000,-), welk onrechtmatig handelen jegens hem hierin heeft bestaan dat H&G niet heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend assurantietussenpersoon mocht worden verwacht. Primair verwijt [appellant] in dit verband aan H&G dat H&G ten onrechte geen uitvoering heeft gegeven aan een opdracht van [de zoon] om, na de breuk met [partner van de zoon] , de begunstiging op de verzekeringspolis te wijzigen naar de standaardbegunstiging; subsidiair verwijt [appellant] aan H&G dat zij [de zoon] , na de breuk met [partner van de zoon] , niet heeft geattendeerd op het belang om de verzekeringspolis in bovengenoemde zin te wijzigen.

[appellant] vorderde in eerste aanleg:

I. voor recht te verklaren dat H&G de op haar rustende zorgplicht jegens [de zoon] heeft geschonden;

II. H&G te veroordelen om aan [appellant] te betalen een bedrag van

€ 300.000,-, althans enig ander bedrag dat de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

III. H&G te veroordelen in de kosten van het geding, de kosten van de advocaat en het griffierecht daaronder begrepen, en in de nakosten, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis en - voor het geval voldoening van de

kostenveroordeling binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de kostenveroordeling vanaf bedoelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening, dan wel een beslissing te nemen die de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren.

3.3.

De rechtbank heeft in het vonnis waarvan beroep de vorderingen van [appellant] afgewezen. Wat betreft de primaire grondslag overwoog de rechtbank, kort gezegd, dat [appellant] in het licht van de gemotiveerde betwisting van H&G, onvoldoende heeft onderbouwd dat [de zoon] na de breuk met [partner van de zoon] aan H&G opdracht heeft gegeven om de begunstiging op de verzekeringspolis te wijzigen. Wat betreft de subsidiaire grondslag overwoog de rechtbank, kort gezegd, dat, indien er veronderstellenderwijs van uit wordt gegaan dat op H&G de verplichting rustte om na de breuk met [partner van de zoon] er op te attenderen dat deze nog als eerste begunstigde op de verzekeringspolis was vermeld, schending van die verplichting weliswaar een tekortkoming jegens [de zoon] als opdrachtgever oplevert, maar geen onrechtmatige daad jegens [appellant] , aangezien door [appellant] geen, althans onvoldoende feiten en omstandigheden zijn gesteld, op grond waarvan H&G bekend was of behoorde te zijn met de belangen van [appellant] .

[appellant] is door de rechtbank in het vonnis waarvan beroep veroordeeld in de proceskosten, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente.

3.4.

[appellant] kan zich niet verenigen met het vonnis van de rechtbank en heeft hoger beroep ingesteld. Hij heeft vier grieven tegen het vonnis aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en het alsnog toewijzen van zijn vorderingen, zoals geformuleerd in de inleidende dagvaarding, met dien verstande dat hij de onder I geformuleerde vordering heeft aangevuld met de zinsnede “en deswege onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellant] .”

Het hof zal in hoger beroep recht doen op basis van de gewijzigde vordering van [appellant] .

3.5.1.

De eerste grief van [appellant] heeft betrekking op de afwijzing door de rechtbank van zijn vorderingen op de primaire grondslag. Hij stelt zich (ook in hoger beroep) op het standpunt dat H&G ten onrechte geen uitvoering heeft gegeven aan een opdracht van [de zoon] om de begunstiging op de overlijdensrisicoverzekeringspolis te wijzigen naar de standaardbegunstiging.

H&G heeft betwist dat [de zoon] een dergelijke opdracht aan haar heeft gegeven.

3.5.2.

Ter onderbouwing van haar voormelde stelling heeft H&G gewezen op de volgende feiten en omstandigheden:

- de (als productie 7 bij inleidende dagvaarding overgelegde) interne e-mailwisseling van [assurantietussenpersoon] en [naam medewerker 1] , beiden werkzaam bij H&G, na het overlijden van [de zoon] , te weten een e-mail van [assurantietussenpersoon] aan [naam medewerker 1] van 29 november 2016 met (onder meer) de volgende inhoud: “Mij stond bij dat [partner van de zoon] (toevoeging hof: [partner van de zoon] ) hier niet meer als begunstigde op stond en [de zoon] dit had laten wijzigen. Ik kan niet meer bij het dossier kan jij nog eens kijken. Graag rechtstreeks aan [naam 1] / [naam 2] mailen i.v.m. mijn vakantie”, en het antwoord van [naam medewerker 1] aan [assurantietussenpersoon] van 30 november 2016 met (onder meer) de volgende inhoud: “Zojuist navraag gedaan bij [naam medewerker 2] van Cardif en op beide polissen is de standaardbegunstiging van toepassing (…)”;

- de schriftelijke verklaring, afgelegd door [getuige] (productie 15 bij inleidende dagvaarding) met (onder meer) de volgende inhoud: “Zoals besproken hier bij mijn twee anekdotes met [de zoon] . Toen ik in zij huis was voor de aanleg voor zijn nieuwe cv installatie kwam zijn relaties ter spraken met [partner van de zoon] en [naam 3] . Hij vertelde dat hij met [partner van de zoon] een relatie zo als in een hetero huwelijk had. Maar deze nu een vrouw en een kind had. En het met [naam 3] niks zou worden. En van het eennaar het ander. Zij hij dat hij alleen zijn vader had en mocht hem iets overkomen deze alles zou erven ook gezien de verantwoording maar de zaak want daar werkte ook zijn vrienden. De tweede maal dat dit ter spraken kwam was in de auto toe wij naar de zaak reden van af België dit ging nog al erg hard. (…) Ik zij ik denk dat je vader het ook wel op prijs steld dat we heel aankomen gezien zijn belangen (de geldlening die [de zoon] had van zijn vader) buiten dat hij denk je ook niet wil missen. Hij antwoordde wederom lachend ben goed verzekerd heeft hij het in eens”;

- de verklaring van [appellant] bij gelegenheid van de comparitie van partijen bij de rechtbank, onder meer inhoudende dat hij [de zoon] tijdens een autorit naar België heeft gevraagd hoe het nou moest met het terugbetalen van zijn lening als [de zoon] ooit wat zou overkomen, waarop [de zoon] heeft geantwoord dat hij zich geen zorgen hoefde te maken omdat hij dan zijn centen terug zou krijgen omdat hij een levensverzekering had.

3.5.3.

H&G heeft met betrekking tot de hiervoor weergegeven interne e-mailwisseling verklaard dat na het overlijden van [de zoon] bij [assurantietussenpersoon] twijfel was gerezen over de oorspronkelijke gedachte dat [partner van de zoon] als eerste begunstigde op de overlijdensrisicoverzekering van [de zoon] was vermeld omdat [appellant] hem bij herhaling meedeelde dat de uitkering aan hem toekwam, terwijl Cardif onduidelijkheid liet bestaan over de begunstiging. Zij stelt dat Cardif aanvankelijk het clausuleblad waarin werd afgeweken van de standaardbegunstiging over het hoofd had gezien en dat later, anders dan Cardif eerder had meegedeeld, is gebleken dat [partner van de zoon] als eerste begunstigde op de polis was vermeld.

3.5.4.

Het hof stelt bij de beoordeling van de eerste grief van [appellant] voorop dat op [appellant] , die zich beroept op onrechtmatig handelen van H&G jegens hem, de verplichting rust om voldoende feiten en omstandigheden te stellen en – in het geval van betwisting – te bewijzen, die het door hem gestelde onrechtmatig handelen kunnen schragen.

Net als de rechtbank, is het hof van oordeel dat [appellant] zijn stelling dat H&G ten onrechte geen uitvoering heeft gegeven aan een opdracht van [de zoon] om de begunstiging op de verzekeringspolis te wijzigen naar de standaardbegunstiging, onvoldoende heeft onderbouwd. De interne e-mailwisseling tussen [assurantietussenpersoon] en [naam medewerker 1] kan niet als een toereikende onderbouwing worden aangemerkt, mede in het licht van de gemotiveerde betwisting van H&G.

Hier komt bij dat een concretisering van de gestelde opdracht aan H&G ontbreekt. Niet aangegeven is wanneer die opdracht zou zijn gegeven, aan welke persoon en op welke wijze. Van belang in dit verband is dat ingevolge artikel 7:966 lid 1 BW een wijziging van de begunstiging schriftelijk dient te geschieden. Dat sprake zou zijn van een schriftelijk stuk waaruit de opdracht aan H&G zou kunnen blijken, is niet gesteld of gebleken.

3.5.5.

Wat betreft de uitlatingen van [de zoon] aan [getuige] en aan [appellant] is het hof van oordeel dat, ook als uitgegaan wordt van de juistheid van de verklaringen van [getuige] en [appellant] , daaruit niet kan worden geconcludeerd dat H&G op enig moment de opdracht van [de zoon] heeft ontvangen om de begunstiging ingevolge de overlijdensrisicoverzekering te wijzigen in de door [appellant] bedoelde zin en dat H&G zou hebben nagelaten aan die opdracht gevolg te geven.

3.5.6.

Het voorgaande betekent dat de eerste grief van [appellant] faalt. Aan bewijslevering met betrekking tot de hier bedoelde stelling van [appellant] komt het hof niet toe.

3.6.1.

De grieven 2, 3 en 4 van [appellant] hebben betrekking op de afwijzing van zijn vorderingen op de subsidiaire grondslag, inhoudende dat H&G heeft nagelaten om [de zoon] , na de breuk met [partner van de zoon] , te attenderen op het belang om de begunstiging op de verzekeringspolis wijzigen.

3.6.2.

Het hof stelt, ook ten aanzien van deze subsidiaire grondslag, voorop dat de stelplicht en bewijslast bij [appellant] berusten.

3.6.3.

H&G heeft als verweer tegen de hier bedoelde stelling van [appellant] onder meer aangevoerd dat wel degelijk door haar (in de persoon van [assurantietussenpersoon] ) met [de zoon] is gesproken over de wijziging van zijn persoonlijke situatie door de breuk met [partner van de zoon] en over de mogelijke consequenties voor zijn overlijdensrisicoverzekering en testament. H&G heeft in dit verband verwezen naar de schriftelijke verklaring van [assurantietussenpersoon] die als productie 6 bij conclusie van antwoord is overgelegd, in welke verklaring door [assurantietussenpersoon] wordt bevestigd dat hij dit onderwerp in juni 2016 met [de zoon] heeft besproken.

3.6.4.

Gelet op deze gemotiveerde betwisting van H&G kan de stelling van [appellant] dat H&G heeft nagelaten het hier bedoelde onderwerp met [de zoon] te bespreken, niet worden aanvaard, Bewijs voor deze stelling ontbreekt, evenals een voldoende concreet bewijsaanbod op dit punt.

3.6.5.

Hier komt bij dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat [appellant] geen, althans onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan H&G bekend was of behoorde te zijn met de belangen van [appellant] bij de onderhavige kwestie. [appellant] gaat er kennelijk van uit dat [de zoon] , indien H&G zou hebben voldaan aan haar verplichting om [de zoon] te wijzen op het belang de begunstiging op zijn verzekeringspolis te wijzigen, zou hebben gekozen voor de standaardbegunstiging. Enige onderbouwing hiervoor ontbreekt. Bovendien zou de keuze van [de zoon] voor de standaardbegunstiging niet hebben betekend dat [appellant] aanspraak kon maken op de verzekeringsuitkering. Immers: [de zoon] overleed weliswaar ongehuwd of zonder een geregistreerd partnerschap te zijn aangegaan en zonder kinderen, zodat zijn erfgenaam/erfgenamen in die situatie in aanmerking zou(den) komen als begunstigde(n), maar blijkens de verklaring van erfrecht (productie 16 bij inleidende dagvaarding) was [partner van de zoon] enig erfgenaam van [de zoon] en zou daarmee – ook ingeval de standaardbegunstiging van toepassing zijn geweest – de rechthebbende op de verzekeringsuitkering zijn geweest. De omstandigheid dat [partner van de zoon] de nalatenschap van [de zoon] niet heeft aanvaard doet hieraan niet af, dit gelet op het bepaalde in artikel 7:967 lid 4 BW.

3.6.6.

Het voorgaande betekent dat ook de grieven 2, 3 en 4 van [appellant] falen.

3.7.

Omdat geen van de grieven van [appellant] slaagt, dient het vonnis waarvan beroep te worden bekrachtigd, met aanvulling van de gronden zoals in het voorgaande is overwogen.

3.8.

[appellant] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep zoals hierna zal worden vermeld.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van H&G op € 5.382,- aan griffierecht en op € 4.064,- aan salaris advocaat, en wat betreft de nakosten op € 163,-- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 248,-- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat de bedragen van € 5.382,- en € 4.064,- binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak en het bedrag van € 163,-- binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak dan wel het bedrag van € 248,-- vermeerderd met explootkosten binnen veertien dagen na de dag van betekening moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart de voormelde proceskosten veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. O.G.H. Milar , E.J. van Sandick en C.B.M. Scholten van Aschat en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 29 juni 2021.

griffier rolraadsheer