Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:1995

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-06-2021
Datum publicatie
28-06-2021
Zaaknummer
20-003788-17
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2017:6262, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ten aanzien van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan jarenlange verkrachting en het plegen van ontuchtige handelingen bij de twee jeugdige minderjarige nichtjes van zijn vriendin die geregeld bij hen logeerden en oppasten op hun kinderen. Door dit feit te plegen heeft verdachte langdurig ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en lichamelijke integriteit. Dat het misbruik heeft plaatsgevonden in onder andere de woning van de verdachte, waar de slachtoffers regelmatig logeerde en waar een van de slachtoffers naar toe vluchtte als veilige haven en de verdachte iemand was waarbij zowel de slachtoffers zich veilig zou moeten kunnen voelen, maakt de impact voor hen des te groter. Dit alles heeft de verdachte er niet van weerhouden om zich hieraan schuldig te maken. Verdachte heeft zich tijdens de verkrachtingen en de ontuchtige handelingen geen enkele rekenschap gegeven van de belangen van de slachtoffers en heeft zich slechts bekommerd om de bevrediging van zijn eigen lustgevoelens. De verdachte heeft met zijn handelen het leven van de slachtoffers blijvend beïnvloed. Dat deze feiten moeten worden bestraft met een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf spreekt dan ook voor zich. Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 64 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0548
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-003788-17

Uitspraak : 28 juni 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zitting houdende te ’s-Hertogenbosch, van 30 november 2017, in de strafzaak met parketnummer 01-865017-16 tegen:

[verdachte 1] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 1990,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen en opnieuw rechtdoende verdachte ter zake van de feiten 1, onderdelen A en B en 2, onderdelen A en B, zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 57 maanden met aftrek van voorarrest. Voorts is gevorderd ten aanzien van de vorderingen benadeelde partijen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] conform de rechtbank te beslissen.

Namens de verdachte is primair vrijspraak bepleit. Subsidiair is een voorwaardelijk verzoek gedaan om een betrouwbaarheidsonderzoek te laten verrichten naar de verklaring van [slachtoffer 1] . Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de raadsman gelet op de bepleite vrijspraak de niet-ontvankelijkheid bepleit.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep – tenlastegelegd dat:

1
A

hij, meermalen, althans eenmaal,

in of omstreeks de periode van 01 januari 2010 tot en met 01 november 2014 te Grave en/of Nijmegen en/of Escharen en/of Schaijk, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum 2] ),

(telkens) door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] ,

immers heeft hij, verdachte,(telkens):

- zijn penis in de vagina en/of mond van die [slachtoffer 1] gebracht en/of

- een vibrator in de vagina van die [slachtoffer 1] gebracht en/of

- die [slachtoffer 1] ge(tong)zoend en/of

- de vagina van die [slachtoffer 1] gelikt en/of

- vagina en/of billen en/of borsten, in elk geval het lichaam van die [slachtoffer 1] betast en/of

- zichzelf laten aftrekken door die [slachtoffer 1] ;

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld en/of andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat hij, verdachte, (telkens):

- die [slachtoffer 1] naar een bos heeft gebracht en/of

- situaties heeft gecreeërd en/of van gelegenheden gebruik heeft gemaakt waardoor hij, verdachte, alleen kon zijn met die [slachtoffer 1] en/of

- die [slachtoffer 1] heeft ontkleed en/of

- de enkel(s) van die [slachtoffer 1] vast heeft gehouden en/of

- die [slachtoffer 1] heeft laten ruiken aan een middel (in een potje) (aanwezig bij verdachte) (met een bedwelmende en/of duizeligmakende en/of spierverslappende werking), althans [slachtoffer 1] aan een (bij verdachte aanwezig) (vluchtig) middel heeft laten ruiken (met (een voor [slachtoffer 1] niet gewilde) invloed op het lichaam) en/of

- tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd dat zij niets mocht vertellen en/of

- misbruik heeft gemaakt van de kwetsbare positie waarin die [slachtoffer 1] zich bevond en/of

- fysiek en/of psychisch en/of feitelijk overwicht op die [slachtoffer 1] heeft gehad vanwege het (grote) leeftijdsverschil en/of de verstandelijke beperking van die [slachtoffer 1] en/of de afhankelijkheidsrelatie, waardoor die [slachtoffer 1] niet, in elk geval onvoldoende in staat is geweest weerstand te bieden aan hem, verdachte, en/of

(aldus) voor die [slachtoffer 1] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

en/of

B

hij, meermalen, althans eenmaal,

in of omstreeks de periode van 01 januari 2010 tot en met 10 augustus 2013 te Grave en/of Nijmegen en/of Escharen en/of Schaijk, in elk geval in Nederland, met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, (telkens) een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] ,

immers heeft hij, verdachte, (telkens):

- zijn penis in de vagina en/of mond van die [slachtoffer 1] gebracht en/of

- een vibrator in de vagina van die [slachtoffer 1] gebracht en/of

- die [slachtoffer 1] ge(tong)zoend en/of

- de vagina van die [slachtoffer 1] gelikt en/of

- de vagina van die [slachtoffer 1] betast en/of

- zichzelf laten aftrekken door die [slachtoffer 1] ,

zulks terwijl die feiten althans een meermalen:

- werd(en) begaan tegen een aan zijn, verdachtes, zorg of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige en/of

- werd(en) begaan tegen een persoon bij wie misbruik van een kwetsbare positie werd gemaakt;

2
A

hij, meermalen, althans eenmaal,

in of omstreeks de periode van 25 december 2010 tot en met 01 december 2014 te Grave, in elk geval in Nederland,

[slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum 3] ),

(telkens) door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] ,

immers heeft hij, verdachte, (telkens):

- zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 2] heeft gebracht en/of

- zijn penis in de vagina en/of mond van die [slachtoffer 2] heeft gebracht en/of

- een vibrator, in elk geval een voorwerp, in de vagina van die [slachtoffer 2] gebracht en/of

- een seksspeeltje (bal voor in mond), in elk geval een voorwerp, in de mond van die [slachtoffer 2] heeft gebracht en/of

- een seksspeeltje (dolfijn en/of metalen voorwerp), in elk geval een voorwerp, in de vagina en/of anus van die [slachtoffer 2] heeft gebracht en/of

- met een zweep op/tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft geslagen en/of

- de vagina en/of borsten en/of billen, in elk geval het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft betast en/of

- zichzelf laten aftrekken door die [slachtoffer 2] en/of

- die [slachtoffer 2] heeft gedwongen om een voorbinddildo, in elk geval een voorwerp, in de anus van hem, verdachte, te brengen,

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld en/of andere feitelijkhe(i)d(en), hierin dat hij, verdachte, (telkens):

- met een zweep op/tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft geslagen en/of

- situaties heeft gecreeërd en/of van gelegenheden gebruik heeft gemaakt waardoor hij, verdachte, alleen kon zijn met die [slachtoffer 2] en/of

- die [slachtoffer 2] heeft ontkleed en/of

- armen en/of handen van die [slachtoffer 2] vast heeft gehouden en/of

- die [slachtoffer 2] heeft laten ruiken aan een middel (in een potje) (aanwezig bij verdachte) (met een bedwelmende en/of duizeligmakende en/of spierverslappende werking), althans [slachtoffer 2] aan een (bij verdachte aanwezig) (vluchtig) middel heeft laten ruiken (met (een voor [slachtoffer 2] niet gewilde) invloed op het lichaam) en/of

- tegen die [slachtoffer 2] heeft gezegd dat zij niets mocht vertellen en/of

- voorbij is gegaan aan de verbale en/of non-verbale tekenen van onwil/verzet van die [slachtoffer 2] en/of

- misbruik heeft gemaakt van de kwetsbare positie waarin die [slachtoffer 2] zich bevond en/of

- fysiek en/of psychisch en/of feitelijk overwicht op die [slachtoffer 2] heeft gehad vanwege het (grote) leeftijdsverschil en/of de afhankelijkheidsrelatie, waardoor die [slachtoffer 2] niet, in elk geval onvoldoende in staat is geweest weerstand te bieden aan hem, verdachte, en/of (aldus) voor die [slachtoffer 2] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

en/of

B

hij, meermalen, althans eenmaal,

in of omstreeks de periode van 25 december 2010 tot en met 01 december 2014 te Grave, in elk geval in Nederland,

met [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum 3] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, (telkens) een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] ,

immers heeft hij, verdachte:

- zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 2] gebracht en/of

- zijn penis in de vagina en/of mond van die [slachtoffer 2] gebracht en/of

- een vibrator, in elk geval een voorwerp, in de vagina van die [slachtoffer 2] gebracht en/of

- een seksspeeltje (bal voor in mond), in elk geval een voorwerp, in de mond van die [slachtoffer 2] heeft gebracht en/of

- een seksspeeltje (dolfijn en/of metalen voorwerp), in elk geval een voorwerp in de vagina en/of anus van die [slachtoffer 2] gebracht en/of

- met een zweep op/tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] geslagen en/of

- de vagina en/of borsten en/of billen, in elk geval het lichaam van die [slachtoffer 2] betast en/of - zichzelf laten aftrekken door die [slachtoffer 2] en/of

- die [slachtoffer 2] gedwongen om een voorbinddildo, in elk geval een voorwerp, in de anus van hem, verdachte, te brengen,

zulks terwijl die/dat feit(en) telkens, althans een- of meermalen:

- werd(en) begaan tegen een aan zijn, verdachtes, zorg of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige en/of

- werd(en) begaan tegen een persoon bij wie misbruik van een kwetsbare positie werd gemaakt;

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1
A

hij, meermalen, in de periode van 01 januari 2010 tot en met 01 november 2014 te Grave en/of Escharen en/of Schaijk, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum 2] ), telkens door (een) andere feitelijkhe(i)d(en) heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] ,

immers heeft hij, verdachte, telkens:

- zijn penis in de vagina en/of mond van die [slachtoffer 1] gebracht en/of

- een vibrator in de vagina van die [slachtoffer 1] gebracht en/of

- die [slachtoffer 1] ge(tong)zoend en/of

- de vagina van die [slachtoffer 1] gelikt en/of

- vagina en/of billen van die [slachtoffer 1] betast en/of

- zichzelf laten aftrekken door die [slachtoffer 1] ;

en bestaande die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat hij, verdachte, telkens:

- die [slachtoffer 1] naar een bos heeft gebracht en/of

- situaties heeft gecreeërd en/of van gelegenheden gebruik heeft gemaakt waardoor hij, verdachte, alleen kon zijn met die [slachtoffer 1] en/of

- die [slachtoffer 1] heeft ontkleed en/of

- de enkel(s) van die [slachtoffer 1] vast heeft gehouden en/of

- die [slachtoffer 1] heeft laten ruiken aan een middel in een potje aanwezig bij verdachte met een bedwelmende en duizeligmakende en spierverslappende werking, en

- tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd dat zij niets mocht vertellen en/of

- misbruik heeft gemaakt van de kwetsbare positie waarin die [slachtoffer 1] zich bevond en/of

- fysiek en/of psychisch en/of feitelijk overwicht op die [slachtoffer 1] heeft gehad vanwege het leeftijdsverschil en de afhankelijkheidsrelatie, waardoor die [slachtoffer 1] niet, in elk geval onvoldoende in staat is geweest weerstand te bieden aan hem, verdachte, en

aldus voor die [slachtoffer 1] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

en

B

hij, meermalen, in de periode van 01 januari 2010 tot en met 10 augustus 2013 te Grave en/of Escharen en/of Schaijk, in elk geval in Nederland, met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, telkens ontuchtige handelingen heeft gepleegd die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , immers heeft hij, verdachte, telkens:

- zijn penis in de vagina en/of mond van die [slachtoffer 1] gebracht en/of

- een vibrator in de vagina van die [slachtoffer 1] gebracht en/of

- die [slachtoffer 1] ge(tong)zoend en/of

- - de vagina van die [slachtoffer 1] gelikt en/of

- de vagina van die [slachtoffer 1] betast en/of

- - zichzelf laten aftrekken door die [slachtoffer 1] ,

zulks terwijl die feiten althans eenmaal:

- werden begaan tegen een persoon bij wie misbruik van een kwetsbare positie werd gemaakt

2
A

hij, meermalen, in de periode van 25 december 2010 tot en met 01 december 2014 te Grave, [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum 3] ), telkens door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] ,

immers heeft hij, verdachte, telkens:

- zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 2] gebracht en/of

- zijn penis in de vagina en/of mond van die [slachtoffer 2] gebracht en/of

- een seksspeeltje (bal voor in mond), in de mond van die [slachtoffer 2] gebracht en/of

- een seksspeeltje (dolfijn en/of metalen voorwerp), in de vagina en/of anus van die [slachtoffer 2] gebracht en/of

- met een zweep tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] geslagen en/of

- de vagina en/of borsten van die [slachtoffer 2] betast en/of

- zichzelf laten aftrekken door die [slachtoffer 2] en/of

- die [slachtoffer 2] heeft gedwongen om een voorbinddildo in de anus van hem, verdachte, te brengen, en

bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat hij, verdachte, telkens:

- met een zweep tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft geslagen en/of

- situaties heeft gecreeërd waardoor hij, verdachte, alleen kon zijn met die [slachtoffer 2] en/of

- die [slachtoffer 2] heeft ontkleed en/of

- armen en/of handen van die [slachtoffer 2] vast heeft gehouden en/of

- die [slachtoffer 2] heeft laten ruiken aan een middel in een potje aanwezig bij verdachte met een duizeligmakende werking en/of

- tegen die [slachtoffer 2] heeft gezegd dat zij niets mocht vertellen en/of

- voorbij is gegaan aan de verbale en/of non-verbale tekenen van onwil/verzet van die [slachtoffer 2] en

aldus voor die [slachtoffer 2] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

en

B

hij, meermalen, in de periode van 25 december 2010 tot en met 01 december 2014 te Grave, met [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum 3] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, telkens ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] , immers heeft hij, verdachte:

- zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 2] gebracht en/of

- zijn penis in de vagina en/of mond van die [slachtoffer 2] gebracht en/of

- een seksspeeltje (bal voor in mond), in de mond van die [slachtoffer 2] heeft gebracht en/of

- een seksspeeltje (dolfijn en/of metalen voorwerp), in de vagina en/of anus van die [slachtoffer 2] gebracht en/of

- met een zweep tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] geslagen en/of

- de vagina en/of borsten van die [slachtoffer 2] betast en/of

- zichzelf laten aftrekken door die [slachtoffer 2] en/of

- die [slachtoffer 2] gedwongen om een voorbinddildo, in de anus van hem, verdachte, te brengen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Ten behoeve van de leesbaarheid van dit arrest zijn de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een bijlage bij dit arrest. Deze bijlage wordt aan het arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

I.

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Onder 1A en 2A is bewezenverklaard dat de verdachte zich jegens [slachtoffer 1] (onder IA) en [slachtoffer 2] (onder 2A) gedurende enkele jaren heeft schuldig gemaakt aan verkrachting. Voor een bewezenverklaring van verkrachting volgens artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht is vereist dat een verdachte iemand heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die (mede) bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam. De dwang moet dan bestaan uit: (i) geweld of een andere feitelijkheid/feitelijkheden of (ii) bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid/feitelijkheden. Van dwang in de zin van artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht kan worden gesproken wanneer de geweldshandelingen of andere feitelijkheden die van de verdachte uitgaan zijn gericht op het bewerkstelligen van seksueel contact en deze van een zodanig kaliber zijn dat de ander zich daartegen redelijkerwijs niet heeft kunnen verzetten. Met andere woorden, de dwang moet van dien aard zijn dat de ander zich naar redelijke verwachting niet tegen de seksuele handelingen heeft kunnen verzetten dan wel door toedoen van de verdachte in een zodanig bedreigende situatie is gebracht dat deze zich daaraan niet heeft kunnen onttrekken. Of dat het geval is, laat zich niet in het algemeen beantwoorden, maar hangt af van de concrete omstandigheden van het geval.

Ten tijde van het misbruik was [slachtoffer 1] minderjarig (vanaf circa haar 13e - 17e jaar) en minderbegaafd en zocht ze vanwege problemen thuis op diverse momenten een veilige haven bij het gezin van de verdachte. Juist op deze momenten heeft de verdachte situaties gecreëerd of gebruikt gemaakt van de gelegenheden zodat hij met [slachtoffer 1] alleen kon zijn en misbruik gemaakt van haar kwetsbare positie, waarvan het incident in het bos in Escharen het meest sprekende is. Door [slachtoffer 1] voor het seksuele misbruik te laten ruiken aan een bruin-zwart potje met vloeistof, werd haar weerbaarheid nog verder aangetast. Tezamen met de andere bewezenverklaarde elementen zoals haar ontkleden ondanks haar verzet daartegen, maken dat het hof van oordeel is dat [slachtoffer 1] door de verdachte zozeer is gedwongen tot het ondergaan van deze seksuele handelingen dat zij zich daartegen redelijkerwijze niet heeft kunnen verzetten.

Ook [slachtoffer 2] was heel jong ten tijde van het misbruik (vanaf circa haar 12e – 15e jaar) en logeerde regelmatig bij de verdachte en zijn gezin. Naar het oordeel van het hof is sprake van verkrachting nu de verdachte door middel van geweld of andere feitelijkheden voor [slachtoffer 2] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan. Zo heeft de verdachte met een zweep tegen het lichaam van [slachtoffer 2] geslagen. Heeft hij diverse situaties gecreëerd waardoor de verdachte alleen was met [slachtoffer 2] . Zo heeft de verdachte voorafgaande aan het misbruik de deuren op slot gedraaid waardoor [slachtoffer 2] niet weg kon gaan. Voorts heeft de verdachte de armen en/of handen van [slachtoffer 2] vastgehouden op het moment dat ze dat niet wilde. Hierover heeft [slachtoffer 2] verklaard dat het geen zin had om boos te worden op de verdachte nu het de verdachte niets deed en hij haar dan nog harder ging vastpakken. Hierbij is de verdachte voorbijgegaan aan de verbale en non-verbale tekenen van onwil/verzet van de zijde van [slachtoffer 2] . Voorts moest [slachtoffer 2] – net als [slachtoffer 1] – van de verdachte voorafgaande aan de seksuele handelingen veelal aan een bruin-zwart potje met vloeistof ruiken waardoor ze duizelig werd en nog minder weerstand kon bieden aan de verdachte. Al de bewezenverklaarde elementen tezamen maken dat het hof van oordeel is dat ook [slachtoffer 2] door de verdachte zozeer is gedwongen tot het ondergaan van deze seksuele handelingen dat zij zich daartegen redelijkerwijze niet heeft kunnen verzetten

II.

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van beide feiten vrijspraak bepleit. Daartoe is – op de gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – in de kern het volgende aangevoerd:

Volgens de verdediging staat in ieder geval vast dat zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] regelmatig bij de verdachte verbleven. Ze hebben daar geslapen, op de kinderen gepast en verbleven daar vanwege de gezelligheid. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hadden de mogelijkheid om zonder wetenschap van de verdachte de seksattributen onder het bed van de verdachte te onderzoeken/aan te raken. Het feit dat het DNA van [slachtoffer 2] op één seksattribuut is aangetroffen zegt volgens de verdediging daarom niet veel. Bovendien is op maar één seksspeeltje DNA van [slachtoffer 2] aangetroffen en niet op de overige spullen, terwijl deze goederen ook niet waren ‘schoongemaakt’. Het is volgens de verdediging dan ook niet uit te sluiten dat [slachtoffer 2] zonder wetenschap van de verdachte de betreffende bal in haar mond heeft gestopt waardoor haar DNA op de inbeslaggenomen bal voor de mond is aangetroffen.

Voorts is volgens de verdediging niet sprake van verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] die afzonderlijk van elkaar en zonder wederzijdse beïnvloeding tot stand zijn gekomen. Er is onderling contact geweest en er was één persoon, te weten [naam vader] , die een grote invloed had op de inhoud van de verklaringen. In de zaak van [slachtoffer 1] blijkt namelijk dat [naam vader] op alle belangrijke kernmomenten bij de openbaring van het vermeende misbruik is betrokken terwijl [slachtoffer 1] in die periode door [naam vader] seksueel werd misbruikt. Tevens blijkt uit de verklaringen in het dossier dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] onderling gesproken hebben over het vermeende misbruik waarbij [naam vader] wederom een onmiskenbare schakel is geweest. Hij heeft namelijk zelf verklaard dat hetgeen bij [slachtoffer 2] zou zijn gebeurd een exacte kopie was van hetgeen bij [slachtoffer 1] zou zijn gebeurd. Zowel [naam vader] als [slachtoffer 1] hebben wisselend verklaard over het moment van de disclosure van [slachtoffer 1] en ten overstaan van wie dat is gebeurd. Dit alles maakt, zo begrijpt het hof de verdediging, de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet betrouwbaar en onbruikbaar zijn voor het bewijs van de aan de verdachte tenlastegelegde feiten.

De verdediging kan voorts niet met zekerheid stellen dat de e-mail die door [slachtoffer 1] zou zijn geschreven vanuit het e-mailadres van [naam vader] ook daadwerkelijk door [slachtoffer 1] zelf is geschreven. In de verhoren wordt namelijk tegenstrijdig verklaard omtrent het gebruikte e-mailadres waarmee de mail is verstuurd.

Volgens de verdediging is het bovendien opvallend dat zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] niets hebben verklaard over de duidelijk zichtbare littekens van de verdachte op zijn billen en de grote moedervlek in zijn liesstreek. Dit zijn volgens de verdediging intieme kernmerken van de verdachte die, indien het misbruik zou hebben plaatsgevonden, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zouden moeten zijn opgevallen.

De verdediging heeft tot slot nog een voorwaardelijk verzoek geformuleerd in de zin dat indien het hof uitgaat van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 1] naar haar verklaring een betrouwbaarheidsonderzoek dient te worden verricht. Het staat namelijk vast dat [slachtoffer 1] een zeer moeilijke periode achter de rug heeft waarbij ze door haar vader meermaals is misbruikt. Voorts zijn er elementen van beïnvloeding en loyaliteit die een rol hebben kunnen spelen bij het afleggen van haar verklaringen.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 1]

Uit de in het dossier aanwezig verklaringen leidt het hof de volgende gang van zaken met betrekking tot de disclosure af.

1. Circa twee/drie maanden vóór 23 maart 2015 heeft [slachtoffer 1] slechts in het algemeen tegen [naam vader] gezegd dat ze door de verdachte is misbruikt. Dit leidt het hof onder ander af uit het proces-verbaal informatief gesprek zeden gehouden op 20 maart 2015 waarin [naam vader] heeft verklaard dat ‘ongeveer 2 tot 3 maanden geleden heeft [slachtoffer 1] aangegeven dat ze seksueel misbruikt was’.1Dit wordt bevestigd door [slachtoffer 1] zelf in haar e-mail van 23 maart 2015 waarin is vermeld ‘sinds de eerste keer heeft hij mijn bijna elke keer lichamelijk misbruikt en omdat ik bang ben durf ik er met niemand over te praten. Ik heb het twee maanden geleden tegens ons pap verteld.’2 Ook de uit de door de onafhankelijke getuige [leidinggevende] gemaakte samenvatting van het app-verkeer tussen haar en [slachtoffer 1] op 13 maart 2015 bevestigt dit. Hierin staat namelijk ‘Vader van [slachtoffer 1] wil dat [slachtoffer 1] alles vertelt over [verdachte 1] . [slachtoffer 1] zegt tegen mij … wil je het aan papa vertellen.’3 Ook hieruit volgt namelijk dat [slachtoffer 1] tegen haar vader toen kennelijk enkel nog had gezegd dát ze was misbruikt door de verdachte, maar niet waar dat misbruik uit had bestaan. Tot slot verklaart [slachtoffer 1] daarover bij de rechter-commissaris d.d. 3 oktober 2017 ‘De raadsman vraagt of ik toen al met hem over [verdachte 1] gesproken had, dus voordat ik bij mijn vader ging wonen. Ja. Ik weet niet meer wanneer. De raadsman vraagt waar ik het hem verteld heb. In de auto. De raadsman vraagt of ik het op dat moment al aan iemand anders had verteld. Tegen [leidinggevende] . De raadsman vraagt mij of zij de eerste was die ik het vertelde. Ja.’4

2. Begin januari 2015 appt [slachtoffer 1] aan [tante] , de tante van [slachtoffer 1] en de vriendin van de verdachte, dat de verdachte haar zou hebben misbruikt. Het hof acht hierbij de door getuige [tante] afgelegde verklaring d.d. 15 februari 2016 van belang, namelijk ‘V: Toen wij jou vroegen of jij enig idee had wie er aangifte had gedaan tegen [verdachte 1] , zei jij [slachtoffer 1] . Waarom denk jij dat [slachtoffer 1] aangifte gedaan heeft tegen [verdachte 1] ? A: Omdat zij mij een keer heeft geappt met het verhaal dat [verdachte 1] haar misbruikt zou hebben. Toen appte zij dat [verdachte 1] haar misbruikt zou hebben. V: Wanneer was dit? A: Het was de eerste Zumbales na de kerstvakantie, dus dat was op 5 of 7 januari 2015, op een maandag5.’

3. Op 13 maart 2015 komt [slachtoffer 1] ten overstaan van [leidinggevende] , de leidinggevende van [slachtoffer 1] bij de AH, met de inhoudelijke invulling van het beweerdelijke misbruik door de verdachte. Dit blijkt volgens het hof genoegzaam uit de door [leidinggevende] gemaakte samenvatting van het app-verkeer van belang. Hierin staat namelijk ‘[slachtoffer 1] zegt tegen mij… wil jij het aan papa vertellen. Ik heb gezegd dat dat geen goed plan is want als ze aangifte wil doen zal ze ook moeten praten. Dus ik heb haar geadviseerd alles op te schrijven. Ze appt mij het volgende: het is nu inmiddels al 3 jaar bezig en ik heb het nog nooit durven zeggen tegen iemand. Nu weten enkele mensen dat hij me heeft verkracht, geneukt, gebeft en hij heeft alles gedaan. Ik moest ook dingen bij hem doen. Pijpen en zo. Zo een beetje goed? Ik weet ook niet goed hoe ik het moet zeggen. Ik zeg haar dat het goed is. Wanneer was de eerste keer, wanneer de laatste keer en hoe vaak is het ongeveer gebeurd. Zij zegt: Eerste keer is bij hen thuis. Laatste keer is toen ik hun 400 euro heb geleend. Eerst ging ik ieder weekend bij hen slapen en toen is het elke keer gebeurd.’6 In deze samenvatting van het appverkeer tussen [slachtoffer 1] en [leidinggevende] wordt bevestigd dat ze het inmiddels in het algemeen tegen enkele mensen heeft gezegd (blijkens bovenstaande: [naam vader] en [tante] ) en dat de eerste echte meer inhoudelijke disclosure pas komt tegenover [leidinggevende] en wel eerst nadat [leidinggevende] haar daartoe expliciet heeft uitgenodigd. Zo verklaart ook [slachtoffer 1] bij de rechter-commissaris: ‘De raadsman vraagt of ik het op dat moment al aan iemand anders had verteld. Tegen [leidinggevende] . De raadsman vraagt mij of zij de eerste was die ik het vertelde. Ja.’7

4. Op 16 maart 2015 heeft [slachtoffer 1] aan haar moeder een briefje gegeven waarop stond dat ze door de verdachte is misbruikt. Dit leidt het hof onder ander af uit het proces-verbaal informatief gesprek zeden waarin [naam vader] heeft verklaard dat ‘Eerst koos [slachtoffer 1] ervoor om het niet aan haar moeder te vertellen. Ze durfde het niet. Vader stimuleerde [slachtoffer 1] het allemaal op te schrijven en het briefje dan aan haar moeder te geven. Dit deed [slachtoffer 1] .8Voorts leidt het hof dit af uit de e-mail van [slachtoffer 1] waarin is vermeld ‘en pas op 16-3-15 heb ik het tegen ons mam verteld via een briefje.’9Voorts blijkt dit uit de door [slachtoffer 1] afgelegde verklaring bij de rechter-commissaris d.d. 3 oktober 2017, namelijk ‘De raadsman vraagt of ik me kan herinneren dat ik een briefje aan mijn moeder heb gegeven. Ja. Het was een kort briefje. Ik wijs nu naar een memoblaadje.’ 10

5. In de week van en vóór vrijdag 20 maart 2015 vertelt [slachtoffer 1] in de auto aan [naam vader] voor het eerst iets inhoudelijks over het misbruik door de verdachte. Dit leidt het hof onder ander af uit het proces-verbaal informatief gesprek zeden gehouden op 20 maart 2015 waarin [naam vader] heeft verklaard dat ‘ bracht [naam] (hof: de broer van [slachtoffer 1] ) naar [tante] en ging zelf met [slachtoffer 1] een boodschap doen. [slachtoffer 1] begon toen plotseling hevig te huilen. Ze vertelde toen dat zij verkracht werd door [verdachte 1] en daardoor ontmaagd was. [verdachte 1] zou haar gedrogeerd hebben waardoor ze rustig werd. Het was begonnen op de camping. Toen was [verdachte 1] dronken en [slachtoffer 1] ondersteunde hem toen. Hij stak toen zijn hand in haar broek en begon haar te kussen’ (hof, etc.).11Voorts heeft [slachtoffer 1] hierover zelf verklaard bij de rechter-commissaris d.d. 3 oktober 2017, namelijk ‘De raadsman vraagt waar ik het hem verteld heb. In de auto.’12

6. Op 23 maart 15 wordt door [slachtoffer 1] een e-mailbericht aan politie verzonden. Op advies [naam vader] schrijft ze over het misbruik. Zowel [naam vader] als [slachtoffer 1] blijven erbij dat [slachtoffer 1] dit e-mailbericht zelfstandig heeft geschreven. Dit leidt het hof af uit de e-mail van [slachtoffer 1] waarin is vermeld ‘omdat ik moeilijk kan praten zet ik alles even op papier. Ik hoop dat ik op deze manier mijn boosheid en emotie kwijt kan.’13 Voorts heeft [slachtoffer 1] hierover zelf verklaard bij de rechter-commissaris d.d. 3 oktober 2017, namelijk ‘De raadsman vraagt naar een e-mail en toont mij die en vraagt of ik me dat nog herinner. Een beetje wel. De raadsman vraagt of ik hulp heb gehad bij het typen. Nee. De raadsman vraagt of ik het helemaal zelf gemaakt heb. Ja.’14 Bij deze verklaring is [slachtoffer 1] gebleven ten tijde van het studioverhoor d.d. 4 februari 2021, namelijk ‘G: Gewoon van me eh af gaan schrijven, typen. Wat eh gebeurd is. Dat dat makkelijker is dan praten. V: op welke computer had je dat gedaan? G: Bij [naam vader]. V: en heeft iemand jou geholpen bij t schrijven van die brief? G: Nee, dat heb ik zelf gedaan.15

Uit het vorenstaande leidt het hof af dat [slachtoffer 1] voor het eerst in algemene zin over het misbruik tegen [naam vader] en [tante] heeft gesproken en voor het eerst inhoudelijk over het misbruik tegen [leidinggevende] . Uit deze gang van zaken is het niet aannemelijk geworden dat [slachtoffer 1] op het moment van de disclosure aan [leidinggevende] en gedurende haar verklaringen op enige wijze is beïnvloed door [naam vader] .

De stelling van de verdediging dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] onder invloed van [naam vader] elk zijn gekomen tot “hetzelfde verhaal”, is ook feitelijk onjuist. [slachtoffer 2] verklaart bijvoorbeeld over de vele seksattributen daar waar [slachtoffer 1] “enkel” over het potje en een vibrator spreekt. Ook de plaatsen waar en de specifieke omstandigheden waaronder het misbruik van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] plaatsvond verschillen.

Het feit dat het e-mailbericht via het mailadres van [naam vader] is verzonden doet daar niets aan af. Anders dan door de verdediging is gesuggereerd heeft [slachtoffer 1] bij het verhoor door de raadsheer-commissaris namelijk niet gezegd dat ze het e-mailbericht via haar eigen account heeft verzonden. Ze antwoordt daar immers -jaren later- op de vraag hoe dat is gegaan:

‘V: wie heeft dat dan gemaild of gestuurd naar de politie?

A: Als het gemaild is dan heb ik dat gewoon zelf gedaan. Maar ik weet niet meer hoe ’t is gegaan.

V: Waarom denk je dat je dat dan zelf hebt gedaan?

A: Dat ik gewoon mailen kan’.

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat ze niet meer weet of het gemaild is. Als het gemaild is dan is het via haar eigen mailadres verzonden omdat ze zelf kan mailen.

Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat [slachtoffer 1] in de kern consistent, gedetailleerd en authentiek heeft verklaard over het seksuele misbruik door de verdachte. Het hof heeft geen enkele reden om aan de inhoud van de voor het bewijs gebruikte verklaring van [slachtoffer 1] te twijfelen. De omstandigheid dat tussen haar verklaringen enige verschillen zitten, is voor het hof geen reden om tot een ander oordeel te komen. Die verschillen zijn niet zodanig essentieel dat aan de verklaringen afgelegd door [slachtoffer 1] geen geloof kan worden gehecht.

De betrouwbaarheid van haar verklaringen wordt voorts bevestigd in het feit dat haar verklaringen steun vinden in de overige door het hof gebezigde bewijsmiddelen. Zo hebben de verdachte, [tante] en [moeder] overeenkomstig [slachtoffer 1] verklaard over het blijven logeren tijdens de vierdaagse, het logeren bij hen thuis, de aanwezigheid van [slachtoffer 1] op de camping en de aanwezigheid van [slachtoffer 1] in het bos te Escharen alwaar zij met de verdachte zou moeten spreken. Voorts is onder de verdachte daadwerkelijk een paarse vibrator en diverse potjes met onder andere poppers in beslaggenomen. Verder verwijst het hof in dit kader op het feit dat ook [slachtoffer 2] verklaart dat de verdachte haar voorafgaande aan de seksuele handelingen liet ruiken aan een zwart/bruin potje met vloeistof waar ze duizelig van werd.

Voor wat betreft het door de verdediging gedane voorwaardelijk verzoek acht het hof het gelet op het bovenstaande niet noodzakelijk om een betrouwbaarheidsonderzoek te laten verrichten zoals verzocht.

Met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 2]

Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat [slachtoffer 2] in de kern consistent, gedetailleerd en authentiek heeft verklaard over het misbruik. Het hof heeft geen enkele reden om aan de inhoud van de voor het bewijs gebruikte verklaringen van [slachtoffer 2] te twijfelen. Het door de verdediging bepleite alternatieve scenario dat het DNA van [slachtoffer 2] toevallig op het seksattribuut “bal voor in mond met riem” is gekomen en dat [slachtoffer 2] die zonder medeweten van de verdachte heeft aangeraakt, acht het hof in strijd met de gebezigde bewijsmiddelen waaruit volgt dat [slachtoffer 2] zeer authentiek heeft verklaard over het seksuele gebruik van onder andere dit attribuut door de verdachte jegens haar.

Dit attribuut was één van de vele seksattributen van verdachte die de verbalisanten [slachtoffer 2] zonder duiding dat deze aan de verdachte toebehoorden, werden voorgehouden.

Ook de uitingen van [slachtoffer 2] ten opzichte van andere attributen waren dusdanig authentiek en specifiek dat er bij het hof geen enkele twijfel bestaat dat de verdachte deze jegens [slachtoffer 2] seksueel heeft aangewend op de wijze zoals zij heeft verklaard. Op de voorbinddildo, dong, vibrator, vaginapomp en vorenbedoelde bal is DNA-onderzoek uitgevoerd (dossierpagina’s 486 e.v.). Dat er “maar op één” attribuut DNA van [slachtoffer 2] is aangetroffen, maakt dat niet anders.

De betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 2] wordt voorts bevestigd in het feit dat haar verklaringen steun vinden in de overige door het hof gebezigde bewijsmiddelen. Zo verklaren de verdachte en [tante] over het logeren door [slachtoffer 2] en heeft [vriend slachtoffer 2] verklaard over de berichten die de verdachte aan [slachtoffer 2] stuurde om met haar af te spreken.

Anders dan door de verdediging is betoogd, is het hof van oordeel dat niet is gebleken dat [naam vader] op enige wijze invloed heeft gehad op de disclosure en de door [slachtoffer 2] afgelegde verklaringen. [slachtoffer 2] en [naam vader] hebben beiden verklaard dat [slachtoffer 2] niet inhoudelijk met [naam vader] heeft gesproken over het misbruik door de verdachte (zie hun verklaringen bij de rechter-commissaris d.d. 3 oktober 2017, steeds op pagina 1). Overigens is die beïnvloeding ook uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk geworden.

Met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]

Ten aanzien van het verweer van de verdediging dat zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] niets hebben verklaard over de specifieke intieme kenmerken van de verdachte, zoals de brandwonden op de billen en de moedervlek in de lies, merkt het hof nog op dat dit op zichzelf hun verklaringen nog niet onbetrouwbaar maakt.

Het verweer dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] over die door de verdachte gebruikte “poppers” hebben kunnen verklaren, omdat de verdachte die in gewone huiselijke kring gebruikte, wordt verworpen. Zowel [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] verklaren specifiek over het gebruikt van het potje in de context van de seksuele gedragingen. Hierbij heeft [slachtoffer 2] ook specifiek verklaard over hoe aan het potje gesnoven moet worden. Voorts hebben [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] specifiek verklaard over wat de inhoud van het potje deed met hun lichaam, namelijk dat het een bedwelmende, duizeligmakende of spierverslappende werking had. Tot slot neemt het hof hierbij in aanmerking dat de verdachte in eerste instantie het gebruik van het potje heeft ontkend. Pas in een later stadium is de verdachte gekomen met de bovenstaande lezing.

Het hof verwerpt het verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.

Het hof is van oordeel dat met betrekking tot de onderdelen A en B onder de feiten 1 en 2 sprake is van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 en 2 bewezenverklaarde levert op:

1A en 2A steeds: verkrachting, meermalen gepleegd

in eendaadse samenloop met

1B en 2B steeds: van met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd

en met betrekking tot 1A en 1B: althans eenmaal tegen een persoon (bij 1A: tegen een persoon beneden de leeftijd van achttien jaar) bij wie misbruik is gemaakt van een kwetsbare positie.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten aanzien van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan jarenlange verkrachting en het plegen van ontuchtige handelingen bij de twee jeugdige minderjarige nichtjes van zijn vriendin die geregeld bij hen logeerden en oppasten op hun kinderen. Door dit feit te plegen heeft verdachte langdurig ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en lichamelijke integriteit van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Dat het misbruik heeft plaatsgevonden in onder andere de woning van de verdachte, waar [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] regelmatig logeerde en waar [slachtoffer 1] naar toe vluchtte als veilige haven en de verdachte iemand was waarbij zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] zich veilig zou moeten kunnen voelen, maakt de impact voor hen des te groter. Verdachte wist van de emotionele toestand en de problematiek van [slachtoffer 1] . Dit alles heeft de verdachte er niet van weerhouden om zich hieraan schuldig te maken. Verdachte heeft zich tijdens de verkrachtingen en de ontuchtige handelingen geen enkele rekenschap gegeven van de belangen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en heeft zich slechts bekommerd om de bevrediging van zijn eigen lustgevoelens. De verdachte heeft met zijn handelen het leven van de slachtoffers blijvend beïnvloed. Dat deze feiten moeten worden bestraft met een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf spreekt dan ook voor zich.

Voorts heeft het hof in het nadeel van verdachte rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte op geen enkel moment tijdens het strafproces blijk heeft gegeven van enig inzicht in het kwalijke van zijn handelen.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 8 april 2021, waaruit blijkt dat verdachte voorafgaand aan onderhavig feit niet eerder voor zedendelicten is veroordeeld.

Voorts heeft het hof kennisgenomen van de retourzendingen van de reclassering d.d. 22 mei 2016 en 12 juli 2017 en hetgeen door en namens de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht.

Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak nog het volgende.

Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.

In de onderhavige zaak is de redelijke termijn aangevangen 15 februari 2016, de dag van de inverzekeringstelling. De rechtbank heeft op 30 november 2017 vonnis gewezen. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn bij de behandeling in eerste aanleg niet is overschreden.

De aanvang van de termijn in hoger beroep stelt het hof vast op de datum waarop namens verdachte hoger beroep is ingesteld, te weten 4 december 2017. Het einde van de termijn stelt het hof op 28 juni 2021, de datum waarop het hof arrest zal wijzen. Daarmee is de redelijke termijn in hoger beroep, die voor deze fase doorgaans op twee jaren wordt gesteld, overschreden met bijna1 jaar en zeven maanden.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Zonder schending van de redelijke termijn acht het hof een onvoorwaardelijk gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren (72 maanden) passend en geboden. Nu de redelijke termijn is geschonden, zal worden volstaan met het opleggen van onvoorwaardelijk gevangenisstraf voor de duur van 64 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1)

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 14.059,64. Deze vordering valt uiteen in een bedrag aan € 59,64 aan reiskosten en een bedrag van € 14.000,- aan smartengeld te vermeerderen met de wettelijke rente.

De rechtbank heeft de vordering bij vonnis waarvan beroep integraal toegewezen vermeerderd met de wettelijke rente.

De benadeelde partij heeft de vordering in hoger beroep gehandhaafd.

De verdediging heeft de vordering van de benadeelde partij inhoudelijk niet betwist.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat bij de gevorderde materiële schade tevens zijn opgenomen de kosten voor vervoer naar de rechtbank, begroot op € 10,40. Gelet op de geldende jurisprudentie dienen deze reiskosten te gelden als proceskosten.

De gevorderde reiskosten voor het bezoek aan de politie betreffen geen materiële schade die voor vergoeding als rechtstreekse schade, geleden door de strafbare feiten in aanmerking komt. Deze kosten kom ook niet in aanmerking als kosten gemaakt ter vaststelling van de aansprakelijkheid op grond van artikel 6:96, tweede lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Het hof zal de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk verklaren. Gelet op het bepaalde in artikel 241 Rv komen deze kosten ook niet voor vergoeding in aanmerking als proceskosten.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] door het onder 1 verklaarde rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet uit vermogensschade bestaat. Dit is aan de verdachte toe te rekenen. Het hof is derhalve van oordeel dat de gevorderde immateriële schadevergoeding onder het bereik van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt. Het hof begroot de immateriële schade naar billijkheid op een bedrag van € 14.000,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 augustus 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij. Het geheel wordt tot op heden begroot op € 10,40.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer 1] is toegebracht tot een bedrag van € 14.000,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op

te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 augustus 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] (feit 2)

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 14.050,23. Deze vordering valt uiteen in een bedrag aan € 50,23 aan reiskosten en een bedrag van € 14.000,- aan smartengeld te vermeerderen met de wettelijke rente.

De rechtbank heeft de vordering bij vonnis waarvan beroep tot een bedrag van € 14.025,12 toegewezen vermeerderd met de wettelijke rente.

De benadeelde partij heeft de vordering in hoger beroep gehandhaafd.

De verdediging heeft bepleit dat de vordering van de benadeelde partij inhoudelijk niet betwist.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat bij de gevorderde materiële schade tevens zijn opgenomen de kosten voor vervoer naar de rechtbank, begroot op € 20,70. Gelet op de geldende jurisprudentie dienen deze reiskosten te gelden als proceskosten. Hierbij zal het hof slechts de helft van de gevorderde kosten voor het vervoer naar de rechtbank als proceskosten toewijzen, nu de benadeelde partij dezelfde vergoeding ook heeft gevorderd in de zaak van [verdachte 2] .

De gevorderde reiskosten voor het bezoek aan de politie betreffen geen materiële schade die voor vergoeding als rechtstreekse schade, geleden door de strafbare feiten in aanmerking komt. Deze kosten kom ook niet in aanmerking als kosten gemaakt ter vaststelling van de aansprakelijkheid op grond van artikel 6:96, tweede lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Het hof zal de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk verklaren. Gelet op het bepaalde in artikel 241 Rv komen deze kosten ook niet voor vergoeding in aanmerking als proceskosten.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] door het onder 1 verklaarde rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet uit vermogensschade bestaat. Dit is aan de verdachte toe te rekenen. Het hof is derhalve van oordeel dat de gevorderde immateriële schadevergoeding onder het bereik van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt. Het hof begroot de immateriële schade naar billijkheid op een bedrag van € 14.000,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 december 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij. Het geheel wordt tot op heden begroot op € 10,35.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer 2] is toegebracht tot een bedrag van € 14.000,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op

te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 december 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 55, 57, 63, 242, 245 en 248 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 A en B en 2 A en B tenlastegelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 64 (vierenzestig) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 14.000,00 (veertienduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 augustus 2013 tot aan de dag der voldoening;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 10,40 (tien euro en veertig cent);

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 14.000,00 (veertienduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 augustus 2013 tot aan de dag der voldoening;

bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 105 (honderdvijf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;

bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 14.000,00 (veertienduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 december 2014 tot aan de dag der voldoening;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 10,35 (tien euro en vijfendertig cent);

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 14.000,00 (veertienduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 december 2014 tot aan de dag der voldoening;

bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 105 (honderdvijf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;

bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Aldus gewezen door:

mr. C.M. Hilverda, voorzitter,

mr. S.V. Pelsser en mr. A.H.T. de Haas, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R.M. Gloudemans, griffier,

en op 28 juni 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Zie het proces-verbaal informatief gesprek zeden d.d. 3 april 2015, pagina 34 (dossier Kythera 1).

2 Zie hiervoor ook bewijsmiddel 1.

3 Zie hiervoor ook bewijsmiddel 6.

4 Zie het proces-verbaal van verhoor getuige bij de rechter-commissaris d.d. 3 oktober 2017, inhoudende de afgelegde verklaring van [slachtoffer 1] , pagina 1 en 2.

5 Zie hiervoor bewijsmiddel 7.

6 Zie hiervoor ook bewijsmiddel 6.

7 Zie het proces-verbaal van verhoor getuige bij de rechter-commissaris d.d. 3 oktober 2017, inhoudende de afgelegde verklaring van [slachtoffer 1] , pagina 1 en 2.

8 Zie het proces-verbaal informatief gesprek zeden d.d. 3 april 2015, pagina 34 (dossier Kythera 1).

9 Zie hiervoor ook bewijsmiddel 1.

10 Zie het proces-verbaal van verhoor getuige bij de rechter-commissaris d.d. 3 oktober 2017, inhoudende de afgelegde verklaring van [slachtoffer 1] , pagina 2.

11 Zie het proces-verbaal informatief gesprek zeden d.d. 3 april 2015, pagina 34 (dossier Kythera 1).

12 Zie het proces-verbaal van verhoor getuige bij de rechter-commissaris d.d. 3 oktober 2017, inhoudende de afgelegde verklaring van [slachtoffer 1] , pagina 1 en 2.

13 Zie hiervoor ook bewijsmiddel 1.

14 Zie het proces-verbaal van verhoor getuige bij de rechter-commissaris d.d. 3 oktober 2017, inhoudende de afgelegde verklaring van [slachtoffer 1] , pagina 2.

15 Het proces-verbaal van studioverhoor met daarbij het verslag verbatim van [slachtoffer 1] d.d. 4 februari 2021, pagina 15 en 16.