Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:1966

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-06-2021
Datum publicatie
12-07-2021
Zaaknummer
200.283.663_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

omgangsregeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 24 juni 2021

Zaaknummer: 200.283.663/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/02/358564 / FA RK 19-2475

in de zaak in hoger beroep van:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. R.S. Gerritsen,

tegen

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. R.A.W. van Oudheusden.

Deze zaak gaat over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] .

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

Regio Zuidoost Nederland,

Locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 26 juni 2020.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 25 september 2020, heeft de vader het hof verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende:

I te bepalen dat hij recht heeft op contact met de [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats], gedurende:

 de eerste acht weken één keer in de twee weken op zaterdag voor de duur van twee uur, in onderling overleg te bepalen al dan niet in aanwezigheid van de moeder;

 de volgende acht weken één keer in de twee weken op zaterdag van 10:00 uur tot 18:00 uur zonder de aanwezigheid van de moeder;

 de daarop volgende acht weken eens per veertien dagen op zaterdag 10:00 uur tot zondag 12:00 uur;

 vervolgens eens per veertien dagen van vrijdag uit school tot zondag 18:00 uur waarbij de vader [minderjarige] uit school haalt en de moeder [minderjarige] bij de vader;

dan wel een andere regeling vast te leggen die het hof juist acht;

II te bepalen dat de vader recht heeft op omgang met [minderjarige] gedurende de helft van de schoolvakanties, alsmede de helft van de feestdagen, dan wel een andere regeling vast te leggen die het hof juist acht.

Kosten rechtens.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 11 november 2020, heeft de moeder het hof verzocht om de verzoeken van de vader af te wijzen als ongegrond en/of onbewezen en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen. Kosten rechtens.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 mei 2021.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de vader, bijgestaan door mr. Gerritsen;

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Van Oudheusden;

  • -

    de raad vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad].

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de vader d.d. 19 november 2020;

  • -

    de brief met bijlagen van de advocaat van de vader d.d. 19 mei 2021.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

Uit deze relatie van partijen is geboren:

- [minderjarige] (hierna: [minderjarige]) op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats].

De vader heeft [minderjarige] erkend. De moeder oefent alleen het gezag over [minderjarige] uit.

[minderjarige] heeft het hoofdverblijf bij de moeder.

3.2.

Bij beschikking de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 3 september 2019 heeft de rechtbank de raad verzocht een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in die beschikking onder rechtsoverweging 4.3. gestelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren. De rechtbank heeft de behandeling aangehouden tot 25 februari 2020 en iedere verdere beslissing aangehouden.

3.3.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking, heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, bepaald dat de moeder de vader uiterlijk eenmaal per maand schriftelijk informeert omtrent belangrijke gebeurtenissen met betrekking tot [minderjarige], waarbij informatie wordt verstrekt over haar schoolprestaties, gezondheid, doktersbezoeken, medische behandelingen, medicijngebruik, hobby’s en activiteiten, onder overlegging van kopieën van schoolrapporten, alsmede een goedgelijkende foto van de minderjarige. Deze foto’s zijn bestemd voor de vader en zullen niet gedeeld worden op sociale media of via andere kanalen.

De rechtbank heeft de verzoeken van de man om een omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] te bepalen alsmede te bepalen dat hij recht heeft op omgang gedurende de helft van de schoolvakanties, feestdagen dan wel een andere regeling vast te leggen die de rechtbank juist achtte, afgewezen.

3.4.

De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De vader voert, kort samengevat, aan dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek om omgang te hebben met [minderjarige] heeft afgewezen. De rechtbank heeft ten onrechte aangenomen dat hij onvoldoende duurzaam stabiel is.

Hoewel de vader erkent dat hij in het verleden geen stabiel leven leidde en daardoor nauwelijks contact had met [minderjarige], is zijn situatie op dit moment stabiel, werkt hij aan zijn problemen en neemt hij zijn verantwoordelijkheden.

Verder meent de vader dat de raad bevooroordeeld was bij het opmaken van het raadsrapport en er ten onrechte alleen is gekeken naar zijn verleden en niet naar hoe het nu gaat.

3.5.1.

Ter mondelinge behandeling van het hof heeft de vader toegelicht dat hij is behandeld bij Novadic Kentron in verband met een cocaïneverslaving. Deze behandeling is afgerond. Omdat de vader het fijn vindt om nazorg te hebben indien dit nodig is, kan hij daar nog wel terecht met vragen. De eerder verplichte urinecontroles zijn niet doorgegaan in verband met de beperkingen rondom het corona-virus.

Ook zijn de trajecten bij de reclassering en NEOS afgerond. Het huurhuis dat hij via het traject bij NEOS heeft gekregen staat inmiddels op zijn naam. Hiertoe heeft hij het daarvoor bestemde traject met goed gevolg afgerond.

Zijn financiën zijn op orde en stabiel, er is sprake van een meerderjarigenbewind en hij ontvangt elke week € 60,- leefgeld.

Samen met zijn huidige partner heeft hij op dit moment ook de verantwoordelijkheid over hun dochter [dochter] (geboren op [geboortedatum] 2019). Zij wonen niet samen, wel is de vader dagelijks bij zijn partner en dochter. Inmiddels is er een tweede kindje op komst.

De vader geeft aan dat hij, mede gelet op de onderhavige procedure, (te) afwachtend is geweest naar [minderjarige] toe omdat hij dacht dat hij anders [minderjarige] te onverwacht zou benaderen of teveel zou belasten.

3.6.

De moeder voert, kort samengevat, aan dat de rechtbank het verzoek van de vader terecht en op goede gronden heeft afgewezen, waarbij de rechtbank het oordeel gegrond heeft op het advies van de raad. De probleemanalyse en het advies van de raad waren en zijn nog steeds actueel.

Het verbaast de vrouw dat de man zegt dat de raad bevooroordeeld was; hij heeft dit niet eerder benoemd en heeft juist geuit begrip te hebben voor het advies.

De onderbouwing van de vader van zijn stellingen dat hij persoonlijke stappen heeft gezet acht de moeder onvoldoende; zij wijst erop dat dit geen nieuwe informatie is op grond waarvan een andere beslissing moet worden genomen.

De aard en de omgang van de multiproblematiek aan de kant van de vader en het gegeven dat hij bij een toename van spanningen teruggrijpt naar drugsgebruik en/of alcohol doen de moeder tot conclusie komen dat de huidige situatie van de vader te fragiel is om een omgangsregeling met [minderjarige] toe te staan; er is geen sprake van een stabiele situatie..

De moeder vreest voor de veiligheid van [minderjarige] indien een of meer hulpverleners van de vader wegvalt en wat dat met de vader zelf zal doen.

3.6.1.

Ter mondelinge behandeling heeft de moeder nogmaals benadrukt dat de vader

een zorgwekkend en turbulent verleden achter de rug heeft. Dit zorgt voor veel wantrouwen aan de kant van de moeder. Zij waardeert het dat de vader aan de slag is gegaan met zijn problemen maar meent dat deze zorgen niet zomaar voorbij zijn. De moeder wijst erop dat er door de vader geen verklaringen en rapporten zijn overgelegd waaruit blijkt dat de diverse hulpverleningstrajecten zijn afgerond. De moeder vindt dat daarvan te weinig in het geding is gebracht om te concluderen dat er sprake is van duurzame stabiliteit.

3.7.

De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling van het hof het in eerste aanleg gegeven advies gehandhaafd en aangegeven dat het op dit moment nog te vroeg is om een traject van (al dan niet begeleide) omgangsmomenten op te starten. De raad stelt voor dat de vader eerst een kaartje aan [minderjarige] stuurt en op termijn op bijzondere momenten een cadeautje gaat brengen. De raad adviseert de vader om aan de hand van een hulpvraag met een van zijn hulpverleners te overleggen over hoe hij dit het beste aan kan pakken. Ook is het raadzaam om met de moeder te communiceren over de interesses van [minderjarige] om daarbij zoveel mogelijk aan te kunnen sluiten.

Op termijn kan er dan wellicht worden toegewerkt naar een begeleide omgang via BOR Humanitas. Er dient dan te worden gekeken of de vader kan aansluiten bij [minderjarige]. De moeder heeft op die manier de rust dat een en ander op een veilige manier gebeurt en dat er wordt gekeken naar de behoeften van [minderjarige] in plaats van die van de vader. De raad wijst er op dat daarbij ook een rol speelt dat er bij [minderjarige] sprake is van een fragiel evenwicht; zij zal eerder dan een gemiddeld kind last hebben van hetgeen in haar omgeving gebeurt. Daar dient aandacht voor te zijn, aldus de raad.

3.8.

Het hof oordeelt als volgt.

Omgangsregeling

3.8.1.

Ingevolge artikel 1:377a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) stelt de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast.

3.8.2.

Ingevolge artikel 1:377a lid 3 BW ontzegt de rechter het recht op omgang slechts indien:

- omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind;

- de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang;

- het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken;

- omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

3.8.3.

Net als de rechtbank heeft het hof begrip voor het standpunt van zowel de vader als de moeder. De vader heeft verklaard dat hij zijn leven anders heeft ingericht en daarvoor al de nodige stappen te hebben gezet. Hij begrijpt echter ook het wantrouwen en de zorgen van de moeder, en dat het contactherstel tussen hem en [minderjarige] geleidelijk zal moeten gaan.

Het wantrouwen van de moeder wordt gevoed door haar ervaringen met de vader vanaf het moment dat [minderjarige] is geboren maar ook gedurende de jaren daarna. De moeder is verbolgen over de afwezigheid van de vader in het leven van [minderjarige]. Zij wil [minderjarige] beschermen tegen teleurstellingen op het moment dat vader - opnieuw - afhaakt en er niet kan zijn voor [minderjarige].

Het hof begrijpt dat de ouders ieder andere verwachtingen hebben. Dit gelet op hun achtergronden en de manier waarop zij de afgelopen jaren hebben beleefd.

De moeder wil graag de intentie zien bij de vader dat hij inderdaad zijn verantwoording neemt en er klaar voor is om de vaderrol nader in te vullen. Die intentie kan in kleine dingen tot uiting komen. De moeder heeft de afgelopen jaren veel moeite gedaan bij eerdere pogingen tot contactherstel tussen vader en [minderjarige] en is daarin betrouwbaar geweest. Zij gunt [minderjarige] een stabiele vader die [minderjarige] kan vertrouwen.

De moeder heeft ter mondelinge behandeling verklaard dat zij zich kan vinden in het advies van de raad om te beginnen met kleine stapjes als kaartjes en een cadeautje. Zij heeft desgevraagd ter mondelinge behandeling van het hof verklaard dat als dit goed verloopt, zij liever zelf - in onderling overleg met de vader - een contactregeling zou willen opstarten. Zij geeft aan dat zij er de voorkeur aan geeft om het contact in huiselijke kring te laten plaatsvinden, gelet op de kwetsbaarheid van [minderjarige].

De vader heeft zijn aarzeling uitgesproken over dit voorstel van de moeder, omdat hij dan afhankelijk wordt van haar medewerking. De vader is bang is dat hij niet aan de verwachtingen van de moeder kan voldoen.

3.8.4.

In aanvulling op hetgeen de rechtbank in de bestreden beschikking, in het bijzonder ten aanzien van hetgeen de rechtbank onder rechtsoverweging 3.4., heeft overwogen, overweegt het hof als volgt.

Het hof heeft het vertrouwen, zoals ook desgevraagd namens de raad ter mondelinge behandeling is uitgesproken, dat partijen de volgende stap in het contactherstel tussen de vader en [minderjarige] zelf kunnen zetten. Dit gelet op aan de ene kant de positieve ontwikkelingen in het leven van de vader en aan de andere kant de wens van de moeder om een en ander zelf te regelen en om daar in de huiselijke sfeer uitvoering aan te geven.

Hoewel het hof vaders opmerking over zijn afhankelijkheid van de medewerking van de moeder begrijpt, is het steeds de moeder geweest die zich in de voorafgaande jaren betrouwbaar heeft opgesteld jegens de vader. Het is nu aan de vader om zijn wens om weer contact met [minderjarige] te krijgen nader vorm te geven en daarbij de situatie van [minderjarige] in acht te nemen. Hierbij acht het hof van belang dat de vader hulp vraagt om zich hierbij te laten begeleiden, bijvoorbeeld door WIJ Eindhoven, waar hij al contact mee heeft.

3.8.5.

Conform het advies van de raad ter mondelinge behandeling zal het hof een tijdspad bepalen gedurende welke periode door het hof aan de ouders het vertrouwen wordt gegeven om zelfstandig, zonder hulpverlening, het contactherstel tussen de vader en [minderjarige] te regelen. Het hof acht het van belang dat de vader binnen twee weken na de onderhavige beschikking begint met het versturen van kaartjes aan [minderjarige], waarbij het hof het wenselijk acht dat de vader elke veertien dagen een kaartje aan [minderjarige] stuurt. De vader doet er verstandig aan om bij het schrijven van de kaartjes hulp in te schakelen.

De moeder dient de vader, conform de bestreden beschikking, eenmaal per maand te blijven informeren over [minderjarige] en daarbij meer de nadruk te leggen op de interesses van [minderjarige], zodat de vader in de kaartjes kan aansluiten bij wat [minderjarige] bezig houdt.

Vervolgens dient er, medio september 2021, tussen de vader en de moeder te worden afgesproken wanneer de vader bij de moeder thuis langskomt om een cadeautje voor [minderjarige] af te geven. De moeder kan wellicht de vader helpen bij de keuze van dit cadeautje, zodat dit aansluit bij hetgeen [minderjarige] leuk vindt.

Het hof gaat er dan vanuit dat de moeder, in de aanloop naar dit moment, [minderjarige] in de gelegenheid stelt om een neutraal vaderbeeld te vormen en haar voorbereidt op dat contact.

Daarna dienen de moeder en de vader (al dan niet bijgestaan door een hulpverlener), afhankelijk van hoe een en ander verloopt en op welke manier [minderjarige] reageert, gezamenlijk te bekijken op welke manier er, medio oktober 2021, vorm kan worden gegeven aan de verdere kennismaking tussen de vader en [minderjarige].

3.8.6.

Het hof zal de verdere behandeling van de zaak aanhouden, in afwachting van het verloop van het contactherstel tussen de vader en [minderjarige], tot de hierna te noemen pro forma datum. Het hof verzoekt partijen om uiterlijk vier weken voor deze datum aan het hof te berichten over hun wensen ten aanzien van het verloop van deze procedure.

3.8.7.

Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden tot PRO FORMA 23 december 2021.

4 De beslissing

Het hof:

draagt partijen op uitvoering te geven aan hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 3.8.5. is overwogen;

verzoekt partijen uiterlijk vier weken vóór de hierna te noemen pro forma datum het hof, al dan niet gezamenlijk, te berichten over hun wensen ten aanzien het verloop van de onderhavige procedure, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de andere partij en de raad;

houdt de verdere behandeling en iedere verdere beslissing aan tot PRO FORMA 23 december 2021.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, E.P. de Beij. A.M. Bossink en is op 24 juni 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.