Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:1834

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-06-2021
Datum publicatie
18-06-2021
Zaaknummer
200.283.969_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

wijziging kinderalimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 17 juni 2021

Zaaknummer: 200.283.969/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/349438 / FA RK 19-3841

in de zaak in hoger beroep van:

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in principaal hoger beroep,

verweerster in incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M.C.S. Lalesse,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in principaal hoger beroep,

verzoeker in incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. L.M. Bakker.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 30 juni 2020.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De vrouw is op 29 september 2020 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 30 juni 2020.

2.2.

De man heeft op 7 december 2020 een verweerschrift ingediend. Tevens heeft de man hierbij incidenteel hoger beroep ingesteld.

2.3.

De vrouw heeft op 18 januari 2021 een verweerschrift in incidenteel hoger beroep ingediend.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 april 2021. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de vrouw, bijgestaan door mr. Lalesse;

  • -

    de man, bijgestaan door mr. Bakker.

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- een V-formulier met producties van de advocaat van de vrouw d.d. 15 april 2021;

- een V-formulier met producties van de advocaat van de man d.d. 16 april 2021.

2.6.

De tijdens de mondelinge behandeling door de advocaat van de man overgelegde stukken (een inmeet overeenkomst van [naam] d.d. 16 december 2019 met begeleidende brief) zijn ingekomen buiten de in het procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven gestelde termijn. De vrouw heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Gelet op de omstandigheid dat de man de betreffende stukken recent heeft ontvangen en deze stukken kort en eenvoudig te doorgronden zijn, heeft het hof beslist dat deze stukken worden toegelaten.

3 De feiten

In het principaal en in het incidenteel hoger beroep

3.1.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad en hebben met elkaar samengewoond tot eind 2015. Uit de relatie van partijen zijn geboren:

- [minderjarige 1] , op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] , en

- [minderjarige 2] , op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] .

De man heeft de kinderen erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen. De kinderen hebben het hoofdverblijf bij de vrouw.

3.2.

Partijen zijn in een document met de titel ‘omgangsregeling’, ondertekend door partijen op 10 december 2015 (hierna te noemen: de overeenkomst van 10 december 2015), overeengekomen dat de niet-verzorgende ouder met ingang van december 2015 maandelijks voor de 25e een bedrag van € 300,- ten titel van kinderalimentatie aan de verzorgende ouder zal voldoen, met toepassing van de wettelijke indexering.

Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt de kinderalimentatie per 1 januari 2020 € 329,26 per maand en per 1 januari 2021 € 339,14 per maand.

3.3.

Bij beschikking van 14 december 2016 heeft de rechtbank het verzoek van de vrouw tot verhoging van de kinderalimentatie afgewezen.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking van 30 juni 2020 heeft de rechtbank de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn zelfstandige verzoek tot wijziging van de alimentatie en heeft bepaald, met wijziging in zoverre van de overeenkomst van 10 december 2015, dat de man aan de vrouw als bijdrage aan de vrouw in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen betaalt:

- vanaf 9 augustus 2019 tot en met 31 december 2019 € 204,28 per kind per maand;

- vanaf 1 januari 2020 een bedrag van € 163,94 per kind per maand.

Het meer of anders verzochte is afgewezen.

4.2.

De vrouw verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat – met wijziging van de overeenkomst van 10 december 2015 – de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen betaalt vanaf 9 augustus 2019 tot en met 31 december 2019 € 279,- per kind per maand en vanaf 1 januari 2020 € 282,- per kind per maand, althans een door het hof in goede justitie te bepalen hogere bijdrage dan de door de rechtbank vastgestelde bijdrage. Kosten rechtens.

4.3.

De man verzoekt in principaal hoger beroep het verzoek van de vrouw als zijnde ongegrond en onbewezen te ontzeggen dan wel een zodanige voorziening te treffen als het hof juist acht.

De man verzoek in incidenteel hoger beroep bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking:

  • -

    voor wat betreft de vastgestelde ingangsdatum en het niet meenemen van de schulden, te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat het verzoek van de vrouw, om de kinderalimentatie met terugwerkende kracht tot 9 augustus 2020 vast te stellen c.q. te wijzigen, af te wijzen;

  • -

    te bepalen dat de kinderalimentatie met ingang van de door het hof te bepalen ingangsdatum op nihil wordt gesteld;

  • -

    dan wel een zodanige ingangsdatum en bijdrage vast te stellen als het hof juist acht,

met veroordeling van de vrouw in de kosten van de procedure in hoger beroep. Kosten rechtens.

4.4.

De vrouw verzoekt in incidenteel hoger beroep de man in zijn verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, althans zijn verzoek af te wijzen en de bestreden beschikking waarvan beroep, zo nodig onder aanvulling en/of verbetering van gronden te bekrachtigen voor zover hiertegen namens de vrouw geen hoger beroep is ingesteld. Kosten rechtens.

4.5.

De grieven van de vrouw in het principaal hoger beroep zien op de draagkracht van de man. De grieven van de man (beiden aangeduid als grief 1) in het incidenteel hoger beroep zien op zijn draagkracht en de ingangsdatum.

Het hof zal de grieven van partijen per onderwerp bespreken.

5 De motivering van de beslissing

In het principaal en in het incidenteel hoger beroep

Omvang van het geschil

5.1.

Het hof zal hierna het principaal en het incidenteel hoger beroep beoordelen dat ziet op het verzoek van de vrouw tot verhoging van de kinderalimentatie.

5.2.

Voor zover de man betoogt ook op te komen tegen de beslissing van de rechtbank om de man in zijn zelfstandig verzoek tot verlaging van de kinderalimentatie niet-ontvankelijk te verklaren, overweegt het hof als volgt. Uit de inhoud van het verweerschrift, tevens houdende zelfstandig verzoek, blijkt niet dat de man tegen die beslissing hoger beroep heeft ingesteld. In het petitum van het incidenteel hoger beroep is dit onvoldoende duidelijk gemaakt en evenmin blijkt dit voldoende uit de grieven in het incidenteel hoger beroep in samenhang met het verweer in het principaal hoger beroep. Immers, de grieven van de man in het incidenteel hoger beroep gaan over de door de rechtbank gehanteerde ingangsdatum en de berekening van de draagkracht door de rechtbank en niet over de overweging op grond waarvan de rechtbank de man in zijn zelfstandig verzoek niet ontvankelijk heeft verklaard. De stelling van de man tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep, dat hij wel heeft beoogd hoger beroep in te stellen tegen die beslissing en dit in zijn grieven als zodanig moet worden gelezen, is tardief. De grieven hadden duidelijk kenbaar in het incidenteel beroepschrift moeten worden geformuleerd en door dit pas voor het eerst tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep te doen is dit in strijd met de goede procesorde.

5.3.

Uit het voorgaande vloeit voort dat in dit hoger beroep alleen de beslissing van de rechtbank op het verzoek van de vrouw voorligt en daarmee de ondergrens van dit hoger beroep de alimentatie op grond van de overeenkomst van 10 december 2015 is.

Ingangsdatum

5.4.

De man stelt in grief 1 in incidenteel hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de kinderalimentatie met ingang van 9 augustus 2019 opnieuw wordt beoordeeld. Hij mocht er op vertrouwen dat hij de tussen partijen overeengekomen bijdrage moest betalen, gezien de uitspraak van de rechtbank in december 2016 waarin het verzoek van de vrouw om verhoging van de kinderalimentatie is afgewezen. Eventuele wijziging van de alimentatie dient in te gaan met ingang van de datum van de beschikking van de rechtbank. De man heeft al veel schulden en hij kan geen geld vrijmaken om een bedrag aan achterstallige alimentatie te voldoen. Bovendien heeft hij vanaf 1 mei 2018 ook veel kosten van kleding voor de kinderen betaald.

5.5.

De vrouw meent dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de man met ingang van de dag waarop het wijzigingsverzoek is ingediend er daadwerkelijk rekening mee heeft kunnen houden dat zijn onderhoudsbijdrage gewijzigd zou kunnen worden. De man beschikte met ingang van die datum ook daadwerkelijk over een hoger salaris.

5.6.

Het hof is, gelijk aan de rechtbank, van oordeel dat de man met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift rekening heeft kunnen houden met een eventuele wijziging van de kinderalimentatie. Grief 1 van de man in incidenteel hoger beroep faalt in zoverre, behoudens het navolgende.

Het hof zal vanwege pragmatische redenen– in plaats van 9 augustus 2019 – 19 augustus 2019 als ingangsdatum hanteren, omdat de inkomenssituatie van de man per laatstgenoemde datum is gewijzigd. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling verklaard daarmee akkoord te zijn.

Behoefte

5.7.

De behoefte van de kinderen is in hoger beroep niet in geschil. Deze bedraagt, na indexering, per 1 januari 2019 € 776,86 per maand, per 1 januari 2020 € 796,28 per maand en per 1 januari 2021 € 820,17 per maand.

Draagkracht

Draagkracht van de man

inkomen uit loondienst

5.8.

In grief 1 in principaal hoger beroep stelt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de man op 18 juni 2019 bij [bedrijf 1] in dienst is getreden en dat, als gevolg daarvan, het in aanmerking te nemen inkomen van de man onjuist is berekend. De man is op 19 augustus 2019 in dienst getreden bij [bedrijf 1] . Het jaarinkomen van de man uit die dienstbetrekking berekent de vrouw op € 41.472,- bruto per jaar.

Grief 2 in principaal hoger beroep richt zich tegen het door de rechtbank tot uitgangspunt genomen inkomen van de man in 2020.

5.9.

Voornoemde grieven van de vrouw slagen.

De man heeft bevestigd dat hij op 19 augustus 2019 in dienst is getreden bij [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ). Volgens de jaaropgave 2019 van [bedrijf 1] heeft de man in 2019 een inkomen ontvangen van € 14.930,- bruto over de periode van 19 augustus 2019 tot en met 31 december 2019. De vrouw heeft onbetwist gesteld dat dit inkomen omgerekend € 41.472,- bruto per jaar bedraagt.

Per 1 januari 2020 is de man in dienst getreden bij [bedrijf 2] B.V. Blijkens de jaaropgave 2020 van de man met betrekking dit dienstverband heeft de man in 2020 een jaarinkomen ontvangen van € 41.399,- bruto.

Voornoemde bedragen zal het hof hierna bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man in 2019 en 2020 in aanmerking nemen.

Inkomen uit onderneming

5.10.

In grief 3 in principaal hoger beroep stelt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het inkomen dat de man uit zijn onderneming ‘ [onderneming] ’ genereert. De man staat met die onderneming ingeschreven in de Kamer van Koophandel en er is een website van die onderneming. Daarnaast heeft de man een facebook-pagina waarop staat dat hij werkzaamheden aan auto’s verricht. De man werkt in de weekenden of ’s-avonds voor zijn onderneming. Omdat de man heeft nagelaten stukken in het geding te brengen waaruit blijkt wat zijn winst uit onderneming is, waaronder de definitieve aanslagen inkomstenbelasting en (jaar-)stukken van de onderneming, gaat de vrouw uit van een geschatte winst uit onderneming van € 6.000,- per jaar.

5.11.

De man voert als verweer aan dat hij full time in loondienst werkt en geen tijd heeft om daarnaast werkzaamheden voor zijn onderneming te verrichten. De onderneming is hij in het verleden opgestart toen hij zijn baan verloor. De verzoeken die hij nu nog krijgt om velgen te repareren stuurt hij door naar anderen. Hij is zich aan het beraden of hij de onderneming zal beëindigen of zal aanhouden. Uit de aangiftes inkomstenbelasting 2018 en 2019 die hij heeft overgelegd, blijkt dat hij geen inkomen uit onderneming heeft. De aangifte inkomstenbelasting 2020 heeft hij nog niet voorhanden, omdat hij daarvoor uitstel heeft aangevraagd. Hij maakt gebruik van de kleine ondernemingsregeling en hoeft geen btw-aangifte te doen.

5.12.

Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw, tegenover de gemotiveerde betwisting door de man, onvoldoende onderbouwd dat de man inkomen uit onderneming heeft.

De man heeft toegelicht dat hij de onderneming [onderneming] in 2018 heeft opgestart in de periode dat hij werkzoekende was. Hij is daarna 40 uur per week in loondienst gaan werken , zo blijkt uit zijn loonstroken, en moet ook in de weekenden soms extra werken, om welke reden hij geen werkzaamheden voor zijn onderneming (meer) verricht. De man heeft verder toegelicht dat hij geen btw-aangifte hoeft te doen, omdat hij geen inkomsten uit zijn onderneming heeft.

Tegenover deze gemotiveerde betwisting door de man, heeft de vrouw niet voldoende concreet onderbouwd dat de man wel inkomen uit onderneming heeft. De (enkele) niet nader onderbouwde stelling dat de man in de avonden en/of weekenden werkzaamheden voor [onderneming] zou verrichten en de verwijzing naar een website en facebookpagina, is daartoe onvoldoende. Grief 3 in principaal hoger beroep faalt.

5.13.

Voor de berekening van het NBI van de man houdt het hof aldus alleen rekening met een jaarinkomen uit loondienst in 2019 van € 41.472,- bruto en in 2020 van € 41.399,- bruto. Verder wordt rekening gehouden met de inkomensheffing, de algemene heffingskorting en de arbeidskorting, met toepassing van de (fiscale) tarieven 2019 en 2020.

Op grond van het voorgaande berekent het hof het NBI van de man:

- van 19 augustus 2019 tot en met 31 december 2019 op € 2.526,- per maand;

- van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020 op € 2.576,- per maand.

5.14.

De draagkracht van de man bedraagt op basis van deze bedragen aan NBI en met inachtneming van de voor 2019 en 2020 geldende draagkrachtformules:

- van 19 augustus 2019 tot en met 31 december 2019: 70% x [€ 2.526,- – (0,3 x € 2.526,- + € 950,-)] = afgerond € 573,- per maand;

- van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020: 70% x [€ 2.576,- – (0,3 x € 2.576,- + € 975,-)] € 580,- per maand.

Draagkracht van de vrouw

5.15.

De rechtbank is uitgegaan van de door de vrouw gestelde en door de man niet weersproken draagkracht van de vrouw van € 49,- per maand in 2019 en 2020.

Deze draagkracht is in hoger beroep niet in geschil, zodat het hof hiervan uitgaat.

Draagkrachtvergelijking

5.16.

Evenals de rechtbank heeft overwogen, is ook het hof van oordeel dat een draagkrachtvergelijking achterwege kan blijven. De behoefte van de kinderen bedraagt immers (geïndexeerd) in 2019 € 776,86 en in 2020 € 796,28 per maand. De draagkracht van de man en de vrouw tezamen bezien (in totaal € 622,- per maand in 2019 en € 629,- in 2020), beschikken zij over onvoldoende draagkracht om in de behoefte van de kinderen te voorzien.

Zorgkorting

5.17.

De rechtbank heeft tot uitgangspunt genomen dat – zolang in de lopende procedure over de zorgregeling niet definitief is beslist – de kinderen een weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag tot zondagmiddag bij de man zijn. Op grond hiervan is een zorgkorting van 25% toegepast.

In hoger beroep is dit geen onderwerp van geschil, zodat ook het hof een zorgkorting van 25% zal toepassen. Dit betekent dat hof rekening houdt met een zorgkorting van (25% van € 776,86) € 194,22 in 2019 en (25% van € 796,28) € 199,07 in 2020.

5.18.

Omdat partijen gezamenlijk onvoldoende draagkracht hebben om in de totale behoefte van de kinderen te voorzien, zal het hof de zorgkorting niet volledig in mindering brengen op de beschikbare draagkracht van de man.

Voor de periode van 19 augustus 2019 tot en met 31 december 2019 geldt het volgende. Het tekort van € 154,86 per maand (€ 776,86 -/- € 622,-) wordt gelijkelijk verdeeld tussen de ouders. Het aan de man toegerekende deel van dat tekort van afgerond € 77,- per maand wordt in mindering gebracht op de zorgkorting. Het restant van de zorgkorting, te weten € 117,- per maand (€ 194,- -/- € 77,-) wordt in mindering gebracht op het bedrag dat de man aan de vrouw dient te betalen voor de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. Concreet betekent dit dat het hof de door de man aan de vrouw van 19 augustus 2019 tot 31 december 2019 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen berekent op (€ 573,- -/- € 117,- =) € 456,- per maand, anders gezegd € 228,- per kind per maand.

Voor de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020 geldt het volgende. Het tekort van € 167,28 per maand (€ 796,28 -/- € 629,-) wordt gelijkelijk verdeeld tussen de ouders. Het aan de man toegerekende deel van dat tekort van afgerond € 84,- per maand wordt in mindering gebracht op de zorgkorting. Het restant van de zorgkorting, te weten € 115,- per maand (€ 199,- -/- € 84,-) wordt in mindering gebracht op het bedrag dat de man aan de vrouw dient te betalen voor de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. Concreet betekent dit dat het hof de door de man aan de vrouw van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen berekent op (€ 580,- -/- € 115,- =) € 465,- per maand, anders gezegd € 232,50 per kind per maand.

Aanvaardbaarheidstoets

5.19.

De man stelt in grief 1 in incidenteel hoger beroep (onder punt 47 en verder van het verweerschrift, tevens houdende incidenteel hoger beroep) dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met zijn aflossing op schulden die zijn ontstaan na de beëindiging van de relatie tussen partijen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man verzocht rekening te houden met zijn betalingsverplichtingen uit hoofde van twee schulden bij Interbank van € 418,54 en € 97,07 per maand. Dit betreft respectievelijk een lening van € 36.354,11, die hij genoodzaakt was aan te gaan voor vernieuwing van de kozijnen van zijn woning, en een lening van € 7.039,35, die hij is aangegaan voor de aanschaf van een auto. De eerder aangevoerde lening bij de Federatie Nederlandse vakbeweging is afgelost.

Als gevolg van deze betalingsverplichtingen leidt de vaststelling van de onderhoudsbijdrage op basis van de draagkrachttabel tot een onaanvaardbare situatie voor de man.

5.20.

De vrouw voert gemotiveerd verweer. Kort gezegd stelt zij zich op het standpunt dat niet duidelijk is waarvoor de schulden zijn aangegaan én dat de man niet heeft aangetoond dat de schulden niet vermijdbaar of niet verwijtbaar zijn. De man heeft onvoldoende gesteld en onderbouwd waarom rekening moet worden gehouden met de betreffende schulden. Daarbij wijst zij erop dat in de door de man overgelegde aangiftes inkomstenbelasting 2019 verschillend met de schuld aan Interbank wordt omgegaan. Voorts is onduidelijk welk fiscaal voordeel de man ter zake geniet en in hoeverre zijn partner in deze last bijdraagt. Indien de schuld is aangegaan ten behoeve van de woning, dan valt deze onder de forfaitaire woonlast.

Aan de voorwaarden voor een beroep op de aanvaardbaarheidstoets heeft de man niet voldaan, ook omdat de man zijn bestedingen onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt.

5.21.

Het hof overweegt als volgt.

Bij een beroep op de onaanvaardbaarheid wordt van de onderhoudsplichtige verwacht dat hij volledig en duidelijk – door middel van een overzicht van zijn inkomsten en uitgaven met onderliggende stukken – inzicht geeft in zijn inkomens- en vermogenspositie en zijn bestedingen.

De man heeft als productie 9 een lijst van zijn inkomen en lasten overgelegd, welke lijst hij tijdens de mondelinge behandeling (mondeling) heeft aangevuld met bedragen die zijn afgeleid van de Nibudnormen. De vrouw heeft tegen die lijst en de aanvullend gestelde lasten gemotiveerd verweer gevoerd. Onder meer betoogt de vrouw dat een deel van de lasten die de man aanvoert voor rekening van zijn partner komen én dat het onvoldoende is om wat betreft de hoogte van bepaalde posten aan te sluiten bij de Nibudnormen. Tegenover die gemotiveerde betwisting heeft de man naar het oordeel van het hof onvoldoende gesteld en onderbouwd wat (met name) zijn lasten zijn.

5.22.

Voorts overweegt het hof dat voor een geslaagd beroep op de aanvaardbaarheidstoets sprake moet zijn van een last/verplichting die noodzakelijk was en waarvan de man zich niet kan bevrijden. Het achterwege laten van deze last/verplichting dient bij het vaststellen van een onderhoudsbijdrage tot een onaanvaardbaar resultaat te leiden, omdat hij bij deze bijdrage met zijn inkomen niet meer in zijn noodzakelijke kosten van levensonderhoud kan voorzien of omdat hij van zijn inkomen na vermindering van de lasten minder dan 95% van de voor hem geldende bijstandsnorm overhoudt.

Het hof acht voldoende aannemelijk gemaakt dat de man twee leningen heeft bij Interbank van € 7.039,35 en € 36.354,11 (de overzichten zijn niet gedateerd), waarvoor maandelijks respectievelijk € 97,07 en € 418,54 wordt afgeschreven. Echter is voor beide leningen niet duidelijk gemaakt wanneer deze zijn aangegaan en met welk doel. De man heeft voor het eerst op zitting gesteld dat hij de schuld van € 7.039,35 is aangegaan voor de aanschaf van een auto, maar hij heeft dit geheel niet onderbouwd. Ten aanzien van de schuld van € 36.354,11 stelt de man dat hij deze is aangegaan voor vernieuwing van de kozijnen van zijn woning. De inmeet overeenkomst van [naam] van 16 december 2019, die hij ter onderbouwing van zijn stelling heeft overgelegd maar niet goed leesbaar is, biedt geen duidelijkheid over de vraag of de schuld bij Interbank hiervoor is aangegaan. De overgelegde aangifte inkomstenbelasting 2019, waarin laatstgenoemde schuld bij Interbank staat opgenomen, biedt, doordat verschillende versies van die aangifte zijn overgelegd en daarin wisselend met deze schuld wordt omgegaan, ook onvoldoende duidelijkheid.

Het hof is op grond van het vorenstaande van oordeel dat de man de noodzaak van voornoemde schulden onvoldoende heeft onderbouwd.

Bovendien geldt dat, indien de schuld van € 36.354,11 bij Interbank is aangegaan voor renovatie van de woning en de woonlasten van de man hierdoor hoger zijn geworden, hetgeen de man erkent, dit verdisconteerd is de forfaitaire woonlast waarmee in de draagkrachtberekening rekening is gehouden (0,3 x NBI).

5.23.

Het beroep van de man op de aanvaardbaarheidstoets slaagt daarom niet. Grief 1 in incidenteel hoger beroep faalt.

6 De slotsom

In het principaal en in het incidenteel hoger beroep

6.1.

Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen voor zover het de beslissing over de kinderalimentatie betreft en, in zoverre opnieuw beschikkende, bepalen dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen zal betalen:

- van 19 augustus 2019 tot en met 31 december 2019 € 228,- per kind per maand;

- van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020 € 232,50 per kind per maand;

- met ingang van 1 januari 2021, na indexering van de vast te stellen onderhoudsbijdrage in 2020, € 239,50 per kind per maand.

6.2.

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de procedure de bijdrage aan de uit die relatie geboren kinderen betreft.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen de niet-ontvankelijk verklaring van zijn zelfstandig verzoek in eerste aanleg;

vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 30 juni 2020 voor zover het de beslissing over de kinderalimentatie betreft en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt, met wijziging in zoverre van de overeenkomst van 10 december 2015, dat de man aan de vrouw met als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van

- [minderjarige 1] , op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] , en

- [minderjarige 2] , op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] ,

zal betalen:

- van 19 augustus 2019 tot en met 31 december 2019 € 228,- per kind per maand;

- van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020 € 232,50 per kind per maand;

- met ingang van 1 januari 2021 € 239,50 per kind per maand,

de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, C.N.M. Antens en M.I. Peereboom - Van Drunick en is in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2021 door mr. M.J. van Laarhoven in tegenwoordigheid van de griffier.