Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:1831

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-06-2021
Datum publicatie
18-06-2021
Zaaknummer
200.287.286_01 en 200.287.286_02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bekrachtiging verzoek tot onderzoek van de raad naar gezagsbeëindigende maatregel. Duidelijkheid toekomstperspectief van de kinderen noodzakelijk. Schorsingsverzoek geen belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 17 juni 2021

Zaaknummers : 200.287.286/01 en 200.287.286/02

Zaaknummer 1e aanleg : C/02/377813 / JE RK 20-2004

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. C.J. de Wit,

tegen

Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering,

gevestigd te [vestigingsplaats],

verweerster,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).

Als belanghebbende in deze zaak wordt aangemerkt:

- mevrouw [de pleegmoeder] (hierna te noemen: de pleegmoeder).

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie],

hierna te noemen: de raad.

Deze zaak betreft de minderjarigen:

- [minderjarige 1] (hierna te noemen: [minderjarige 1]), geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats];

- [minderjarige 2] (hierna te noemen: [minderjarige 2]), geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats].

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 27 november 2020.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift tevens verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad met producties, ingekomen ter griffie op 14 december 2020, heeft de moeder verzocht:

  1. van voormelde beschikking de uitvoerverklaring bij voorraad te schorsen;

  2. (naar het hof begrijpt:) primair voormelde beschikking, en met name voor wat betreft het verzoek van de rechtbank aan de raad om onderzoek te doen, te vernietigen, en subsidiair dit verzoek te vervangen door een opdracht aan de deskundige mevrouw drs. [deskundige] om over het eventueel beëindigen van het gezag van de moeder een advies te geven.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 25 januari 2021, heeft de GI verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen en derhalve het verzoek van de kinderrechter om een onderzoek door de raad te gelasten in stand te houden en de moeder in haar verzoeken in hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel deze verzoeken af te wijzen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 februari 2021. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. De Wit;

- de GI, vertegenwoordigd door mr. [vertegenwoordiger van de GI 1] en mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 2];

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad 1];

- de pleegmoeder.

2.4.

Op deze mondelinge behandeling heeft het hof vastgesteld dat het hoger beroep van de moeder alleen gericht is tegen het verzoek van de rechtbank aan de raad om een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de vraag of de moeder in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te dragen binnen een voor de moeder en de ontwikkeling van de minderjarigen aanvaardbaar te achten termijn. In het dictum van de bestreden beschikking is voornoemd verzoek echter niet opgenomen, terwijl dit verzoek wel uit de dragende overweging van die beschikking volgt. Gebleken is verder dat de GI en de moeder de rechtbank op 10 december 2020 respectievelijk 18 december 2020 hebben verzocht om een herstelbeschikking af te geven. Het hof heeft na een korte schorsing van de mondelinge behandeling in hoger beroep besloten om iedere verdere behandeling van de zaak aan te houden, teneinde de GI en de moeder een termijn te gunnen om de beslissing van de rechtbank op de herstelverzoeken af te wachten en de herstelbeschikking na afgifte door de rechtbank, in het geding in hoger beroep in te brengen.

2.5.

Bij V6-formulier met bijlage ingediend op 1 maart 2021 heeft de advocaat van de moeder de herstelbeschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 19 februari 2021 overgelegd.

De rechtbank heeft in deze herstelbeschikking, voor zover hier van belang, bepaald dat aan het dictum van de bestreden beschikking wordt toegevoegd:

“verzoekt de raad een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de vraag of de moeder in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te dragen binnen een voor de moeder en de ontwikkeling van de minderjarigen aanvaardbaar te achten termijn”.

2.6.

De mondelinge behandeling in hoger beroep is voortgezet op 26 april 2021. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. De Wit;

- de GI, vertegenwoordigd door mr. [vertegenwoordiger van de GI 1] en mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 2];

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad 2];

- de pleegmoeder.

2.7.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

het V8-formulier ingediend door de advocaat van de moeder op 2 maart 2021, waaruit volgt dat de raad inmiddels is gestart met onderzoek.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de moeder zijn geboren:

- [minderjarige 1], op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats];

- [minderjarige 2], op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats].

De moeder oefent alleen het ouderlijk gezag over de kinderen uit.

De vaders van de kinderen zijn niet in beeld.

3.2.

Bij beschikking van 10 december 2015 is de ondertoezichtstelling van de kinderen uitgesproken en is een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van de kinderen in een voorziening voor pleegzorg. De maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zijn sindsdien steeds verlengd.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven sinds 22 maart 2017 bij de huidige pleegmoeder, bij wie zij ook reeds eerder verbleven hebben.

3.3.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking, zoals hersteld bij beschikking van die rechtbank van 19 februari 2021, heeft de rechtbank:

  • -

    de ondertoezichtstelling van de kinderen verlengd met ingang van 10 december 2020 tot 10 december 2021;

  • -

    de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een voorziening voor pleegzorg verlengd met ingang van 10 december 2020 tot 10 december 2021;

  • -

    de raad verzocht om een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de vraag of de moeder in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te dragen binnen een voor de moeder en de ontwikkeling van de minderjarigen aanvaardbaar te achten termijn.

3.4.

De moeder kan zich met de bestreden beschikking, voor zover de rechtbank daarin de raad heeft verzocht om een onderzoek in te stellen naar – kort gezegd – de wenselijkheid van een gezagsbeëindigende maatregel, niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen (zaaknummer 200.287.286/01).

De moeder heeft verder om een schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van deze beslissing verzocht (zaaknummer 200.287.286/02).

Ten aanzien van het schorsingsverzoek (zaaknummer 200.287.286/02)

3.5.

Nu het hof in deze beschikking tevens uitspraak doet in de hoofdzaak heeft de moeder geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het schorsingsverzoek door het hof. Dit brengt met zich dat de moeder niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het schorsingsverzoek.

In de hoofdzaak (zaaknummer 200.287.286/01)

3.6.

De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling – samengevat – het volgende aan.

De rechtbank heeft ten onrechte (op verzoek van de raad) de raad verzocht om een onderzoek in te stellen naar een gezagsbeëindigende maatregel. De moeder heeft onvoldoende op dit verzoek kunnen reageren omdat de raad als laatste partij tijdens de tweede termijn werd gehoord en ter gelegenheid daarvan het verzoek heeft gedaan. Een dergelijk onderzoek is bovendien in strijd met wat het hof heeft beslist in zijn beschikking van 19 november 2020 en met het daaraan ten grondslag liggende deskundigenrapport van het NIFP van 15 augustus 2020. De strekking van dat rapport was immers dat de moeder in beginsel geschikt werd geacht de verzorging en opvoeding van de kinderen op zich te nemen. Alleen de bijzondere kindeigen problematiek van de kinderen vereist dat de moeder door middel van Theraplay en/of NIKA bijzondere vaardigheden aanleert, voordat zij die zorg op zich kan nemen. De deskundige heeft zich daarmee impliciet al over de perspectiefbepaling van de kinderen uitgesproken, namelijk dat een gezagsbeëindiging op dit moment niet aan de orde is. Dit advies staat haaks op een verzoek tot beëindiging van het gezag. Wanneer de raad een onderzoek naar gezagsbeëindigende maatregel gaat doen, kan het deskundigenrapport geheel worden omzeild. Als er al een onderzoek moet worden gedaan dan zou dit door de deskundige van het NIFP moeten geschieden. De raad heeft zich namelijk herhaaldelijk als pleitbezorger van een gezagsbeëindiging getoond, zodat de uitkomst van het raadsonderzoek al vast staat. Ter mondelinge behandeling heeft de advocaat van de moeder – desgevraagd door het hof – verklaard dat het belang van het hoger beroep van de moeder is gelegen in de financiering van het raadsonderzoek. Door de bestreden beschikking is de financiering van het raadsonderzoek voor de raad gewaarborgd. Een verzoek van de GI aan de raad om onderzoek te doen naar een gezagsbeëindigende maatregel is in 2019 vanwege financieringsproblemen gestrand. Indien de financiering van het raadsonderzoek wordt geschorst of komt te vervallen, dan heeft de moeder een betere kans om verweer te voeren.

3.7.

De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling – samengevat en voor zover thans van belang – het volgende aan.

Het advies van de deskundige van het NIFP staat niet haaks op het verzoek tot beëindiging van het gezag. Het perspectief van de kinderen is door de deskundige van het NIFP noch door het hof bepaald; de GI verwijst naar de rechtsoverwegingen 15.2.2. en 15.2.4. van de beschikking van het hof van 19 november 2020. Voor het verkrijgen van de noodzakelijke duidelijkheid over het perspectief van de kinderen is een raadsonderzoek noodzakelijk, zodat het verzoek van de rechtbank aan de raad om onderzoek te doen naar een gezagsbeëin-digende maatregel begrijpelijk en in het belang van de kinderen is. De onderzoeken van het NIFP en de raad richten zich op verschillende dingen. De raad is in Nederland de enige instantie aan wie het voorbehouden is om onderzoek te doen naar een gezagsbeëindigende maatregel. De deskundige van het NIFP beschikt bovendien niet over de expertise om een dergelijk onderzoek te verrichten. De GI betwist dat de raad zich herhaaldelijk pleitbezorger heeft getoond van een gezagsbeëindigende maatregel. De raad stelt zich in de brief van 17 november 2020 juist neutraal op over het perspectief van de kinderen en stuurt niet op voorhand aan op een gezagsbeëindiging. Voor de eisen waaraan een raadsonderzoek moet voldoen geldt geen andere maatstaf dan voor een deskundigenonderzoek op grond van artikel 198 Rv (vgl. hof Arnhem-Leeuwarden ECLI:NL:GHARL:2019:4515). Verder dient een raadsonderzoek te voldoen aan de regels zoals vastgelegd in het Kwaliteitskader van de raad. De moeder heeft de mogelijkheid om een interne klachtenprocedure te starten bij de raad. Een eerder verzoek van de GI aan de raad om onderzoek te verrichten naar een gezags-beëindigende maatregel is niet vanwege financieringsproblemen gestrand. In 2019 is het raadsonderzoek uiteindelijk niet doorgezet vanwege het door de moeder ingestelde hoger beroep wat uiteindelijk heeft geleid tot het NIFP-onderzoek. De raad beschikt over eigen financiële middelen om een dergelijk onderzoek te bekostigen. Het door de rechtbank bij de bestreden beschikking verzochte raadsonderzoek is inmiddels afgerond en de raad heeft een gezagsbeëindigende maatregel geadviseerd.

3.8.

De raad heeft ter mondelinge behandeling – samengevat – verklaard dat meestal wordt gewacht op een verzoek tot onderzoek van de GI of de rechtbank. De raad kan echter ook ambtshalve beslissen om onderzoek te doen naar de wenselijkheid van een gezagsbeëin-digende maatregel. De rechtbank heeft de raad weliswaar verzocht om onderzoek te doen naar de wenselijkheid van een gezagsbeëindigende maatregel, maar de raad had een verzoek om een dergelijk onderzoek al liggen.

3.9.

De pleegmoeder heeft ter mondelinge behandeling verklaard dat het belang van de kinderen al jarenlang wordt geschonden. Het is voor de kinderen belangrijk dat er duidelijkheid komt over hun toekomstperspectief.

3.10.

Het hof overweegt het volgende.

3.10.1.

Het hof stelt voorop dat het hoger beroep van de moeder alleen is gericht tegen het verzoek van de rechtbank aan de raad om een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de vraag of de moeder in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te dragen binnen een voor de moeder en de ontwikkeling van de minderjarigen aanvaardbaar te achten termijn. De moeder komt niet in hoger beroep van de beslissingen omtrent de verlenging van de ondertoezichtstelling en de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing van de beide kinderen.

3.10.2.

Het hof stelt op grond van de stukken en het besprokene ter mondelinge behandeling vast dat ten tijde van de bestreden beschikking geen duidelijkheid bestond over het perspectief van de kinderen, terwijl zij al vanaf 22 maart 2017 onafgebroken bij de pleegmoeder verblijven. Het hof merkt daarbij uitdrukkelijk op dat, anders dan de moeder kennelijk stelt, het hof in zijn eerdere beschikking van 19 november 2020 (na het NIFP-onderzoek) zich niet heeft uitgesproken over het perspectief van de kinderen. De GI en de raad hebben zich in de procedure in eerste aanleg op het standpunt gesteld dat de onduidelijkheid over het perspectief van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zo snel mogelijk moet worden weggenomen. De raad heeft daarbij ter mondelinge behandeling in eerste aanleg opgemerkt dat de aanvaardbare termijn van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met betrekking tot hun opgroeipers-pectief al geruime tijd is verstreken. De raad heeft in dat kader ter mondelinge behandeling de rechtbank verzocht om de raad te verzoeken om een onderzoek in te stellen naar -kort gezegd- de wenselijkheid van een gezagsbeëindigende maatregel, zodat de raad zo spoedig mogelijk daarna kan gaan afwegen waar het perspectief van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is gelegen. De rechtbank heeft aan genoemd verzoek van de raad gehoor gegeven en, zoals hersteld bij beschikking van 19 februari 2021, in het dictum van de bestreden beschikking een dergelijk verzoek tot onderzoek aan de raad opgenomen. Het hof is op grond van alle feiten en omstandigheden van oordeel dat de rechtbank op goede gronden, die het hof na eigen afweging en waardering overneemt en tot de zijne maakt, een dergelijk verzoek aan de raad heeft gedaan omdat met dit onderzoek zicht gaat komen op het opgroeiperspectief van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Het is in het belang van de minderjarigen dat er een eind komt aan de reeds langdurig bestaande onduidelijkheid over dat perspectief. Het hof zal het primaire verzoek van de moeder dan ook afwijzen. Hetgeen de moeder ter mondelinge behandeling nog heeft aangevoerd over de financiering van het raadsonderzoek, kan niet tot een ander oordeel van het hof leiden.

Het hof merkt daarbij op dat de raad ook ambtshalve, zonder dat daar een expliciet verzoek van de rechtbank aan vooraf gaat, kan beslissen om een onderzoek te doen naar de wenselijkheid van een gezagsbeëindigende maatregel en daarvoor ook over eigen financiële middelen beschikt.

Nu de raad ambtshalve, derhalve ook zonder dat daar een verzoek van de rechter aan ten grondslag ligt, een onderzoek kan starten naar de wenselijkheid van een gezagsbeëindigende maatregel, zal het hof ook het subsidiaire verzoek van de moeder afwijzen.

3.10.3.

Voor zover de moeder in hoger beroep verder nog bezwaren heeft geuit tegen het door de rechtbank verzochte raadsonderzoek vanwege de door haar veronderstelde vooringe-nomenheid van de raad in deze zaak, ziet het hof op grond van de stukken en het besprokene ter mondelinge behandeling geen reden om aan te nemen dat hiervan sprake is. Voor zover de moeder bezwaren wenst aan te voeren tegen het onderzoek van de raad zoals de door haar veronderstelde vooringenomenheid van de raad of anderszins bezwaren omtrent de wijze van de totstandkoming van het raadsrapport, is deze procedure bij het hof niet de plaats om deze bezwaren naar voren te brengen. Immers de wijze van totstandkoming en de inhoud van het raadsrapport spelen in de onderhavige procedure bij het hof geen rol.

3.11.

Het voorgaande leidt ertoe dat het hof de verzoeken in hoger beroep van de moeder afwijst en dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

4 De beslissing

Het hof:

in de zaak met zaaknummer 200.287.286/02:

verklaart de moeder niet-ontvankelijk in het verzoek tot schorsing van de werking van de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 27 november 2020, zoals later hersteld bij beschikking van die rechtbank van 19 februari 2021;

in de zaak met zaaknummer 200.287.286/01:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 27 november 2020, zoals later hersteld bij beschikking van die rechtbank van 19 februari 2021, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.L. Schaafsma-Beversluis, C.A.R.M. van Leuven en E.P. de Beij en is op 17 juni 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.