Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:1697

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-06-2021
Datum publicatie
11-06-2021
Zaaknummer
200.290.810_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Deeltijd uithuisplaatsing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 10 juni 2021

Zaaknummer : 200.290.810/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/03/283410 / JE RK 20-2119

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.A. Oberendorff-Ploemen,

tegen

Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,

gevestigd te [vestigingsplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de GI.

Deze zaak gaat over [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats], hierna te noemen: [minderjarige].

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

- [de pleegouders], hierna te noemen: de pleegouders.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie], hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 23 november 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, waarbij de rechtbank een machtiging uithuisplaatsing voor [minderjarige] heeft verleend.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 23 februari 2021, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en - opnieuw rechtdoende - het verzoek tot verlening van de machtiging uithuisplaatsing (voltijds) ten behoeve van [minderjarige] af te wijzen en de uithuisplaatsing in het pleeggezin te beëindigen. Subsidiair verzoekt de moeder de machtiging uithuisplaatsing te verlenen gedurende twee weekenden per maand gedurende de komende drie maanden, waarbij wordt toegewerkt naar een definitieve terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder thuis, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, tevens houdende een voorwaardelijk incidenteel appel met wijzigingsverzoek, ingekomen ter griffie op 2 april 2021, heeft de GI verzocht (naar het hof begrijpt) de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in het verzoek in hoger beroep dan wel dit verzoek van de moeder in hoger beroep af te wijzen.

2.3.

Bij verweerschrift in het incidenteel voorwaardelijk appel heeft de moeder verzocht het voorwaardelijk incidenteel appel af te wijzen, kosten rechtens.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 mei 2021. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Oberendorff-Ploemen;

  • -

    de heer [vertegenwoordiger van de GI 1] en mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 2] namens de GI;

  • -

    de pleegvader.

2.4.1.

De raad heeft bij brief van 15 maart 2021 aan het hof bericht niet bij de mondelinge behandeling aanwezig te zullen zijn.

2.4.2.

Het hof heeft de minderjarige [minderjarige] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hiervan gebruik gemaakt en is voorafgaand aan de mondelinge behandeling buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van dit verhoor zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 23 november 2020.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de moeder is op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] [minderjarige] geboren.

3.2.

Bij beschikking van 11 december 2019 heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, met ingang van 11 december 2019 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 11 december 2020 en een machtiging verleend voor een deeltijd uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor deeltijdpleegzorg, met ingang van 11 december 2019 tot 11 december 2020.

3.3.

[minderjarige] is op 5 mei 2020 in het huidige pleeggezin geplaatst.

3.4.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling verlengd met ingang van 11 december 2020 tot 23 november 2021.

Verder heeft de rechtbank een machtiging uithuisplaatsing verleend in een voorziening voor pleegzorg 24 uurs met ingang van 23 november 2020 tot 23 november 2021.

3.5.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen voor wat betreft de uithuisplaatsing en zij is tegen deze beslissing in hoger beroep gekomen.

3.6.

De moeder voert - kort samengevat - het volgende aan.

Zij is geschaad in haar procesbelang, omdat de GI haar verzoek mondeling heeft gewijzigd, eerst nadat de kinderrechter de GI erop had gewezen dat de eerdere machtiging uithuisplaatsing was komen te vervallen. [minderjarige] is derhalve onrechtmatig uit huis geplaatst.

Op grond van artikel 130 lid 3 BW is wijziging van het verzoek uitgesloten indien een partij niet in het geding is verschenen. De moeder is niet gehoord en in de gelegenheid gesteld te reageren. Zij was immers niet op de mondelinge behandeling aanwezig. Ook is nagelaten om [minderjarige] te horen. Het IVRK kent geen leeftijdsgrens. Er is in strijd met de goede procesorde gehandeld en in strijd met het EVRM.

Ten tweede heeft de GI haar verzoek mondeling gewijzigd van een deeltijdplaatsing naar een verzoek tot een voltijd uithuisplaatsing.

Er zijn geen gronden voor een uithuisplaatsing. De moeder staat open voor hulpverlening en de moeder heeft tot 5 mei 2020 ook voor [minderjarige] gezorgd en haar medewerking verleend aan de hulpverlening, zodat niet kan worden gesteld dat door haar toedoen de hulpverlening niet van de grond zou zijn gekomen. Uit het eindverslag van Xonar Clas blijkt dat de situatie voor [minderjarige] bij de moeder veilig was. Er is een negatief advies gegeven om [minderjarige] uit huis te plaatsen.

Daar komt bij dat de moeder diverse keren heeft verzocht om gespecialiseerde hulpverlening voor [minderjarige] in te schakelen voor traumaverwerking van het seksueel misbruik, omdat het zorgelijke gedrag mede daaruit voortkomt.

Het gaat vanaf de uithuisplaatsing bergafwaarts met [minderjarige], die recent heeft aangegeven dat zij dood wil, neerslachtig is en huilend en met buikpijn bij de pleegouders verblijft. Ook zou [minderjarige] zichzelf snijden. De moeder heeft in zoverre ook zorgen over het verblijf van [minderjarige] in het pleeggezin. Zij vindt bovendien dat zij geen eerlijke kans krijgt om te laten zien dat zij voor [minderjarige] kan zorgen en dat er slechts wordt ingezet op continuering van de uithuisplaatsing.

3.7.

De GI voert - kort samengevat - het volgende aan.

Het is juist dat de GI in eerste aanleg een verkeerd verzoek heeft ingediend, maar inhoudelijk was het doel om de feitelijke situatie te continueren. Van een inhoudelijke koerswijziging is geen sprake geweest. Daar komt bij dat [minderjarige] eveneens heeft aangegeven de huidige situatie in stand te willen laten.

[minderjarige] verblijft momenteel drie weekenden per maand bij de moeder en elke woensdagmiddag na schooltijd tot 19.00 uur. De moeder heeft toestemming gegeven voor een verblijf van [minderjarige] in het pleeggezin ieder tweede weekend van de maand, zodat zij kan ervaren hoe het weekend in het pleeggezin wordt ingevuld.

In februari is de ambulante hulpverlening van Xonar gestart in het kader van opvoedondersteuning, zodat er onder meer zicht komt op de interactie tussen de moeder en [minderjarige], moeder handvatten krijgt en [minderjarige] ondersteuning krijgt om de moeder te bereiken. Er hebben inmiddels vier contacten plaatsgevonden. Hulpverlening van Levanto voor de moeder komt niet goed van de grond.

De moeder en [minderjarige] houden veel van elkaar, maar het verdriet en de teleurstelling die de moeder op [minderjarige] overdraagt leggen een grote verantwoordelijkheid bij [minderjarige]. De moeder zit te hoog in haar emoties voor wat betreft [minderjarige]. [minderjarige] heeft inmiddels aangegeven dat zij tevreden is met de huidige regeling en dat zij graag met een psychologe over haar problemen wilt praten. Hulp is eerder niet ingezet, omdat [minderjarige] daar nog niet klaar voor was.

De GI is van mening dat de moeder de afgelopen periode onvoldoende medewerking aan de hulpverlening heeft verleend door zich vermijdend en niet toegankelijk op te stellen.

De reden dat er eerder negatief zou zijn geadviseerd over een uithuisplaatsing was gelegen in de verwachting dat er geen gezin beschikbaar zou zijn, gelet op de complexe problematiek.

Ten onrechte diskwalificeert de moeder het pleeggezin en handelt zij niet in het belang van [minderjarige].

3.8.

De pleegvader voert - kort samengevat - het volgende aan.

De pleegouders kiezen geen partij tussen de GI en de moeder. Zij hebben een goed contact met de moeder en zij vinden het belangrijk dat er een goede communicatie met haar is. De pleegouders zetten zich met hart en ziel in voor [minderjarige], zodat zij zich vertrouwd voelt. Zij merken ook dat dit soms lastig is vanwege de tegenstrijdige uitspraken die [minderjarige] doet. [minderjarige] functioneert over het algemeen goed binnen het gezin en de pleegvader ziet dat zij gebaat is bij de structuur die haar wordt geboden.

3.9.

Het hof overweegt het volgende.

3.9.1.

Het hoger beroep is niet gericht tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling.

3.9.2.

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.9.3.

Het hof is van oordeel dat een deeltijduithuisplaatsing in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is en dat in zoverre is voldaan is aan de wettelijke vereisten van artikel 1:265b BW. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

3.9.4.

[minderjarige] heeft als gevolg van een traumatische gebeurtenis uit het verleden (seksueel misbruik), maar mogelijk ook als gevolg van kindeigen factoren, te kampen met diverse problematiek. Wat er precies met [minderjarige] aan de hand is en wat de oorzaak is van haar problematiek is nog niet duidelijk. In ieder geval staat vast dat [minderjarige] in haar ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en dat het belangrijk is dat er voor [minderjarige] verdere hulpverlening wordt ingezet.

De hulpverlening van Xonar Clas die eerder was ingezet is beëindigd omdat er de nodige doelen waren behaald en omdat [minderjarige] er op enig moment niet meer voor open stond om over de gebeurtenissen uit het verleden te praten. Uit de stukken is verder gebleken dat de moeder door de complexe gedragsproblemen van [minderjarige] overvraagd werd en zij zich niet gehoord voelde in haar hulpvraag, waardoor er geen stabiele opvoedsituatie voor [minderjarige] beschikbaar was.

Bij beschikking van 16 december 2019 heeft de kinderrechter beslist dat een deeltijduithuisplaatsing voor [minderjarige] aangewezen was teneinde haar ontwikkelingsbedreiging weg te nemen.

Aangezien de GI eerst op 5 mei 2020 een geschikte plek voor [minderjarige] heeft gevonden heeft en zij daarmee de machtiging uithuisplaatsing laten verlopen verbleef [minderjarige] van 5 mei 2020 tot aan de bestreden beschikking zonder machtiging bij de pleegouders.

[minderjarige] verblijft sindsdien in het huidige deeltijdpleeggezin. Uit voornoemde beschikking van 16 december 2019 blijkt dat de kinderrechter een weekendplaatsing had beoogd; de GI heeft een geschikte plaats voor [minderjarige] gevonden waar zij van zondagavond 19 uur tot vrijdagmiddag 16 uur verblijft. In de weekenden en op de woensdagmiddagen (tot 19 uur) verblijft [minderjarige] bij de moeder. Verder is eind 2020 in overleg met de moeder besloten dat [minderjarige] iedere tweede weekend van de maand eveneens in het pleeggezin verblijft.

3.9.5.

Tijdens de mondelinge behandeling, alsmede uit de processtukken, is gebleken dat de uithuisplaatsing ertoe heeft geleid dat [minderjarige] tot rust is gekomen en zij aan haar ontwikkeling toe komt.

De huidige situatie, waarbij [minderjarige] meer rust en stabiliteit ervaart, maakt het mogelijk dat de er een (vervolg)behandeling voor [minderjarige] kan worden opgestart, hetgeen door alle betrokkenen als noodzakelijk wordt geacht. [minderjarige] heeft inmiddels aangegeven dat zij hiervoor open staat.

Zowel de moeder als de pleegouders zijn op het herstel van [minderjarige] gericht en zij zetten zich hiervoor gezamenlijk in. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat er inmiddels een beter contact is tussen de pleegouders en de moeder. De moeder handelt hiermee in het belang van [minderjarige].

De persoonlijke hulpverlening voor de moeder van Amacura is inmiddels ook gestart.

3.9.6.

Met de moeder is het hof van oordeel dat de rechtbank ten onrechte een voltijd machtiging uithuisplaatsing heeft verleend zonder de moeder op het hiertoe ter zitting gewijzigde verzoek van de GI te horen. Vanwege de herstelfunctie van het hoger beroep heeft de moeder haar standpunt inmiddels kenbaar kunnen maken.

Gelet op de voorzichtige positieve ontwikkelingen die gaande zijn ziet het hof geen aanleiding om een voltijd machtiging uithuisplaatsing te verlenen. Het hof acht het niet in het belang van [minderjarige] dat het contact tussen de moeder en [minderjarige] verder wordt teruggebracht.

Het hof acht het wel van belang dat de huidige situatie wordt gecontinueerd, zodat er vanuit deze stabiele opvoedomgeving, waarin [minderjarige] veel rust ervaart, meer duidelijkheid kan komen over de problematiek van [minderjarige] en een behandeling kan worden opgestart. Op deze wijze wordt de moeder bovendien in staat gesteld om meer handvatten te krijgen om met [minderjarige] om te gaan en contact met [minderjarige] te hebben.

3.9.7.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de GI ermee ingestemd dat het hof in het belang van [minderjarige] en de moeder invulling kan geven aan een eventueel te verlenen machtiging deeltijduithuisplaatsing. Het hof ziet, mede in hetgeen [minderjarige] aan het hof heeft verteld, aanleiding om hier op de hierna volgende wijze richting aan te geven.

3.9.8.

Gelet op de schoolexamens die [minderjarige] binnenkort heeft en de wens van [minderjarige] om zich hierop te kunnen focussen, acht het hof het van belang dat de huidige regeling tijdelijk, tot aan de zomervakantie, wordt beperkt, in die zin dat [minderjarige] in voornoemde periode één weekend extra bij de pleegouders zal verblijven, derhalve twee weekenden per maand.

Vanaf de zomervakantie zal de huidige regeling weer gelden, zoals hiervoor onder rov. 3.9.4 uiteen is gezet.

3.10.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, vernietigen en beslissen als volgt.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht van
23 november 2020, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

en in zoverre opnieuw recht doende:

verleent met ingang van 23 november 2020 een machtiging tot deeltijd uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin voor deeltijd uithuisplaatsing, voor de duur van een jaar, derhalve tot 23 november 2021, waarbij [minderjarige] van zondagavond 19.00 uur tot vrijdagmiddag
16.00 uur in het pleeggezin verblijft, met uitzondering van de woensdagmiddag na school tot
19.00 uur, alsmede één weekend per maand en waarbij [minderjarige] met ingang van heden tot aan de zomervakantie een tweede weekend per maand in het pleeggezin verblijft;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, J.F.A.M. Graafland-Verhaegen en A.M. Bossink en is op 10 juni 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.