Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:1692

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-06-2021
Datum publicatie
11-06-2021
Zaaknummer
200.280.655_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

wijziging onderhoudsbijdrage jongmeerderjarige

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 10 juni 2021

Zaaknummer: 200.280.655/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/268701 / FA RK 19-3311

in de zaak in hoger beroep van:

[de jongmeerderjarige] ,

wonende te

[woonplaats] ,

verzoekster in principaal hoger beroep,

verweerster in incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: [de jongmeerderjarige] ,

advocaat: mr. R.P.F. Rober,

tegen

[de man] ,

wonende te

[woonplaats] , België,

verweerder in principaal hoger beroep,

verzoeker in incidenteel hoger beroep

,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. A.I. Cambier.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 23 juni 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

[de jongmeerderjarige] is op 9 juli 2020 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking.

2.2.

De man heeft op 14 september 2020 een verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met een productie ingediend.

2.3.

[de jongmeerderjarige] heeft op 22 september 2020 een verweerschrift in incidenteel hoger beroep ingediend.

2.4.

Bij het hof zijn voorts ingekomen:

- een V-formulier met producties van de advocaat van [de jongmeerderjarige] van 23 september 2020;

- een V-formulier met producties van de advocaat van de man van 19 maart 2021.

2.5.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 maart 2021. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [de jongmeerderjarige] , bijgestaan door mr. Rober;

- de man (via CMS-verbinding), bijgestaan door mr. Cambier.

3 De feiten

3.1.

De man en [de vrouw] (hierna te noemen: de vrouw, of: de moeder) zijn met elkaar gehuwd geweest. Uit het huwelijk van de man en de vrouw is, voor zover hier van belang, op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] [de jongmeerderjarige] (roepnaam: [de jongmeerderjarige] ) geboren.

3.2.

Bij beschikking van 1 december 2009 heeft de rechtbank, onder wijziging van de echtscheidingsbeschikking van 7 maart 2007 en het daarvan deel uitmakende echtscheidingsconvenant, de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de jongmeerderjarige] met ingang van 1 april 2009 nader bepaald op € 250,- per maand.

3.3.

De vrouw is op 11 mei 2018 in het huwelijk getreden met [betrokkene] , hierna te noemen: [betrokkene] .

3.4.

De man betaalt sinds 1 november 2018 een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [de jongmeerderjarige] van € 203,- per maand.

3.5.

[de jongmeerderjarige] volgt met ingang van 1 september 2019 aan de [hogeschool] Hogeschool de HBO-opleiding Engineering.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking van 23 juni 2020 heeft de rechtbank de beschikking van 1 december 2009 gewijzigd, in die zin dat de man met ingang van 1 september 2019 als bijdrage voor levensonderhoud en studie aan [de jongmeerderjarige] een bedrag van € 237,- per maand moet voldoen, voor wat betreft de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling. Het meer of anders verzochte is afgewezen.

4.2.

[de jongmeerderjarige] verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voornoemde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zo nodig onder aanvulling dan wel verbetering van gronden, te bepalen dat de man met ingang van 1 september 2019 dient bij te dragen in de kosten van levensonderhoud en studie van [de jongmeerderjarige] met een bedrag van € 450,- per maand, dan wel de door de man aan [de jongmeerderjarige] te betalen onderhoudsbijdrage vast te stellen op een bedrag en met ingang van een datum als het hof juist acht. Kosten rechtens.

4.3.

De man verzoekt zowel in principaal als in incidenteel hoger beroep bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende, zo nodig onder aanvulling en/of verbetering van rechtsgronden, te bepalen dat de man als bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [de jongmeerderjarige] dient te voldoen vanaf 1 september 2019 € 211,- per maand en over de periode van juli tot december 2020 (behoudens verlenging van de quarantaine van de man) een bedrag van € 128,- per maand, althans (een) bedrag(en) en een ingangsdatum als het hof juist acht. Kosten rechtens.

4.4.

[de jongmeerderjarige] verzoekt het hof, het verzoek van de man in incidenteel hoger beroep af te wijzen als zijnde onvoldoende onderbouwd en/of onbewezen. Kosten rechtens.

4.5.

De grief van [de jongmeerderjarige] in het principaal hoger beroep ziet op haar behoefte.

De grieven van de man in het incidenteel hoger beroep zien op de behoefte van [de jongmeerderjarige] , de draagkracht van de man en de draagkracht van de vrouw en [betrokkene] . Twee grieven van de man zijn aangeduid als grief 4 (op pagina’s 3 en 4 van het verweerschrift, tevens houdende incidenteel hoger beroep). Bij verwijzing naar deze grieven zal het hof daarom ook de betreffende paginanummers noemen.

4.6.

Het hof zal de grieven van partijen per onderwerp bespreken.

5 De motivering van de beslissing

In het principaal en in het incidenteel hoger beroep

Rechtsmacht en toepasselijk recht

5.1.

De rechtbank heeft, kort gezegd, geoordeeld dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt ten aanzien van het alimentatieverzoek en dat Nederlands recht van toepassing is.

In hoger beroep is dit – terecht – niet in geschil.

Ingangsdatum

5.2.

De rechtbank heeft de ingangsdatum van een eventuele wijziging van de onderhoudsbijdrage bepaald op 1 september 2019, zijnde de datum dat [de jongmeerderjarige] als student staat ingeschreven voor haar HBO-opleiding.

Deze ingangsdatum is tussen partijen niet in geschil, zodat ook het hof die datum als uitgangspunt zal nemen.

Behoefte

5.3.

[de jongmeerderjarige] stelt in grief 1 in principaal hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte het maximale bedrag aan aanvullende beurs voor een HBO-student van € 396,39 per maand op het normbedrag, zoals genoemd in de Wet Studiefinanciering (hierna: het normbedrag), in mindering heeft gebracht. Zij heeft geen recht op een aanvullende beurs, gelet op het inkomen van de man, de vrouw en [betrokkene] . Zij heeft ter onderbouwing een proefberekening van DUO (Dienst Uitvoering Onderwijs) in het geding gebracht.

5.4.

De grieven 1 en 2 van de man in incidenteel hoger beroep zien op het in aanmerking te nemen normbedrag en het daarop in mindering te brengen bedrag aan woonlasten.

De man becijfert het in aanmerking te nemen normbedrag op € 1.006,80 per maand, gebaseerd op een bedrag aan kosten van levensonderhoud van € 833,22 per maand en een bedrag aan collegegeld van € 173,58 per maand. Verder voert de man aan dat, nu [de jongmeerderjarige] bij de vrouw woont, op het normbedrag in mindering moet worden gebracht - in plaats van het bedrag aan gemiddelde basishuur van € 226,- per maand - een bedrag van € 434,- per maand, zijnde de gemiddelde huurprijs voor studentenkamers in 2019 (volgens www.punt.avans.nl).

Daarnaast heeft de man aanvankelijk in grief 3 in incidenteel hoger beroep aangevoerd dat ook een zorgtoeslag van € 104,- per maand op het normbedrag in mindering moet worden gebracht. Ter zitting heeft hij erkend dat het rapport alimentatienormen op dit punt inmiddels is gewijzigd en heeft hij zijn standpunt ten aanzien van het in mindering brengen van zorgtoeslag laten varen.

5.5.

Het hof overweegt als volgt.

5.5.1.

Het hof stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat [de jongmeerderjarige] een HBO-opleiding volgt en thuiswonend is. Evenmin is in geschil dat voor de berekening van de behoefte van [de jongmeerderjarige] aangesloten kan worden bij het normbedrag als bedoeld in de Wet Studiefinanciering. In dat normbedrag zijn bedragen verdisconteerd voor levensonderhoud, ziektekosten en studiekosten. Partijen verschillen van mening over de hoogte van het normbedrag.

Het normbedrag voor een HBO-student bedraagt ten tijde van voornoemde ingangsdatum € 1.056,05 per maand, gebaseerd op een bedrag voor kosten levensonderhoud van € 882,47 per maand en een bedrag aan collegegeld van € 173,58 per maand (de bedragen staan in de bijlage bij het rapport alimentatienormen versie 2019-2). Het hof zal, gelijk aan het oordeel van de rechtbank, hiervan uitgaan. Grief 1 in incidenteel hoger beroep faalt.

5.5.2.

Vervolgens zal het hof in het kader van de bepaling van de behoefte van [de jongmeerderjarige] beoordelen of op voornoemd normbedrag correctie(s) moet(en) worden aangebracht.

[de jongmeerderjarige] heeft onderbouwd gesteld dat zij geen aanspraak heeft op een aanvullende beurs. De man heeft, naar aanleiding van de proefberekening van DUO die [de jongmeerderjarige] in het geding heeft gebracht, erkend dat met de aanvullende beurs als behoefteverlagende factor geen rekening moet worden gehouden. Tussen partijen is aldus niet langer in geschil dat op het normbedrag geen aanvullende beurs in mindering strekt. Grief 1 in principaal hoger beroep slaagt.

5.5.3.

Partijen zijn het er voorts over eens dat de omstandigheid dat [de jongmeerderjarige] thuiswonend is, behoefte verlagend is. Zij verschillen echter van mening over de hoogte van het bedrag waarmee de behoefte moet worden verlaagd. De man gaat uit van € 434,- per maand, zijnde de gemiddelde huurprijs voor studentenkamers in 2019, en [de jongmeerderjarige] gaat uit van € 226,- per maand, zijnde het bedrag aan gemiddelde basishuur in 2019.

Bij hoger onderwijs wordt in het normbedrag geen verschil gemaakt tussen thuis- en uitwonende studenten. Uitgaande van de situatie dat een thuiswonende student in het hoger onderwijs bespaart op zijn woonlast, kan – zo vermeldt het rapport alimentatienormen – de behoefte worden verlaagd, bijvoorbeeld met een bedrag ter hoogte van de gemiddelde basishuur. Het komt het hof in het onderhavige geval redelijk voor, deze aanbeveling te volgen en het normbedrag te verlagen met de gemiddelde basishuur in 2019 van € 226,- per maand (waarvan ook in de bijstandsnorm wordt uitgegaan). Grief 2 in incidenteel hoger beroep faalt.

5.5.4.

In het normbedrag is al rekening gehouden met een ontvangen zorgtoeslag. Een eventuele zorgtoeslag van [de jongmeerderjarige] hoeft daarom niet nog afzonderlijk in mindering te worden gebracht op het normbedrag. Dit is tussen partijen geen onderwerp van geschil meer, zo is tijdens de mondelinge behandeling gebleken. Grief 3 in incidenteel hoger beroep faalt.

5.5.5.

Gelet op het voorgaande begroot het hof de behoefte van [de jongmeerderjarige] in 2019 op (€ 1.056,05 -/- € 226,- =) € 830,05 per maand. Na indexering bedraagt die behoefte in 2020 € 850,80 per maand en met ingang van 1 januari 2021 € 876,32 per maand.

De verdeling van de behoefte over de onderhoudsplichtigen

5.6.

[de jongmeerderjarige] heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep haar stellingen aangevuld als volgt. Artikel 1.11 (in verband met de artikelen 1.6 en 1.7) van het door de ouders gesloten echtscheidingsconvenant van 9 januari 2007 strekt ertoe dat alleen de biologische ouders gehouden zijn tot het verstrekken van een bijdrage voor levensonderhoud en studie van [de jongmeerderjarige] . Zij heeft er geen bezwaar tegen dat het hof niettemin de draagkracht van [betrokkene] in de berekening betrekt, maar slechts wanneer de draagkracht van de moeder en [betrokkene] afzonderlijk wordt vastgesteld, bij beiden met de gebruikelijke forfaitaire 30% woonlast.

5.7.

Het hof zal hierna beoordelen in hoeverre de man, de vrouw en [betrokkene] naar rato van hun draagkracht kunnen voorzien in de behoefte van [de jongmeerderjarige] en daarbij acht slaan op het nader verweer van [de jongmeerderjarige] zoals zojuist weergegeven.

Draagkracht van de man

5.8.

In grief 4 in incidenteel hoger beroep (op pagina 4 van het verweerschrift, tevens houdende incidenteel hoger beroep) stelt de man dat de rechtbank ten tijde van de bestreden beschikking zijn netto besteedbaar inkomen en draagkracht juist heeft vastgesteld, maar dat sindsdien een wijziging in zijn inkomen heeft plaatsgevonden waarmee rekening moet worden gehouden. De man voert aan dat hij werkzaam is voor de gemeente [gemeente] , maar verplicht thuis in quarantaine verblijft met ingang van juli 2020. Als gevolg hiervan is zijn inkomen gedaald tot 70% van zijn eerdere inkomen.

5.9.

[de jongmeerderjarige] voert als verweer aan, dat de stukken die de man ter onderbouwing van zijn stelling in het geding heeft gebracht niet afdoende zijn. Onduidelijk is waarom de man niet kan werken, waarom zijn inkomen achteruit is gegaan, hoe lang dit zal duren en of de man in aanmerking komt voor een aanvulling op zijn inkomen. Medische, objectiveerbare bescheiden waaruit de mate van belastbaarheid van de man blijkt ontbreken. De brief van dr. [naam] die de man heeft overlegd, is bij gebreke van een nadere onderbouwing ontoereikend.

5.10.

Het hof overweegt als volgt.

5.10.1.

Niet in geschil is dat de man werkzaam is voor de gemeente [gemeente] in België en dat voor de bepaling van zijn draagkracht over de periode van 1 september 2019 tot 1 juli 2020 kan worden uitgegaan van een netto besteedbaar inkomen van de man van afgerond € 2.338,- per maand, gebaseerd op het jaarinkomen van de man in 2018 van € 37.729,- bruto, zoals in de bestreden beschikking is vastgesteld. Ter beoordeling ligt voor de vraag of de draagkracht van de man vanaf 1 juli 2020 is gewijzigd.

5.10.2.

Op grond van de processtukken en het verhandelde ter zitting is het hof het volgende gebleken.

De man heeft verklaard dat hij medische problemen heeft en meerdere operaties nog moet ondergaan. Als gevolg van zijn medische problematiek heeft hij een verhoogd risico op besmetting met COVID-19, om welke reden hij niet buiten mag komen en daardoor zijn werkzaamheden buitenshuis niet kan uitvoeren. Ter onderbouwing hiervan heeft de man bij zijn verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep een ‘getuigschrift van quarantaine’ d.d. 24 juli 2020 overgelegd dat door zijn huisarts dr. [naam] is ondertekend. Het overgelegde stuk is niet geheel leesbaar, maar wel blijkt hieruit dat het getuigschrift een verlening van de quarantaine betreft en dat het de man niet is toegestaan zijn woning te verlaten. In het ‘getuigschrift van quarantaine’ dat de man bij V-formulier van 19 maart 2021 heeft overgelegd en dat eveneens ziet op quarantaine, wordt door een arts verklaard dat de man arbeidsgeschikt is maar zich niet naar zijn werkplek mag begeven van 1 april 2021 tot 1 juli 2021, omdat de man een verhoogd risico heeft op COVID-19. Daarin staat ook dat het de man niet is toegestaan zijn woning te verlaten.

Ter onderbouwing van de financiële consequenties van zijn huidige situatie, heeft de man een e-mailbericht van [administratief medewerker], administratief medewerker personeelsdienst gemeentebestuur [gemeente] , aan hem d.d. 15 juli 2020 overgelegd. Hierin staat, kort samengevat, dat de afwezigheid van de man wordt beschouwd als tijdelijke overmacht, dat tijdens die periode de man 70% van zijn brutoloon plus een dagvergoeding zal ontvangen en dat dit betekent dat zijn netto maandloon € 1.785,11 zal bedragen.

Uit de door de man overgelegde loonstroken over de periodes september, oktober en november 2020 blijkt dat de man een netto inkomen heeft ontvangen van respectievelijk € 1.774,21, € 1.785,11 en € 1.783,26. Daarnaast heeft de man een loonstrook uit december 2020 overgelegd, welke vermeldt dat de man een eindejaarstoelage ontvangt van € 1.203,89 netto. Voorts blijkt uit de overgelegde loonstroken over de maanden januari, februari en maart 2021 dat het netto maandloon van de man is verhoogd naar € 1.868,46. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij dat inkomen nog steeds ontvangt. Hij verwacht eind april 2021 voor een COVID-19 vaccinatie in aanmerking te komen.

5.10.3.

Op grond van het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de man voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij om medische redenen in quarantaine verblijft en dat als gevolg hiervan zijn inkomen in de periode van 1 juli 2020 tot 1 juli 2021 is gedaald. Voornoemde grief 4 in het incidenteel hoger beroep slaagt in zoverre.

Het hof zal over de periode van 1 juli 2020 tot 1 januari 2021 uitgaan van een netto maandloon van afgerond € 1.785,-, zoals door [administratief medewerker] is berekend en (nagenoeg) overeenkomt met de overgelegde loonstroken. Het hof zal hierbij optellen de door de man ontvangen eindejaarstoelage van, omgerekend, € 100,- netto per maand, die blijkt uit de overgelegde loonstrook van 16 december 2020 die enkel ziet op de eindejaarstoelage.

Over de periode van 1 januari 2021 tot 1 juli 2021 zal het hof uitgaan van een netto maandloon van € 1.868,46, zoals blijkt uit de overgelegde loonstroken, eveneens vermeerderd met de door de man te ontvangen eindejaarstoelage.

5.10.4.

Nu de man heeft verklaard dat hij naar verwachting op korte termijn voor een vaccinatie in aanmerking komt én gesteld noch gebleken is dat de quarantaineverplichting van de man na 1 juli 2021 opnieuw zal worden verlengd, zal het hof met ingang van 1 juli 2021 weer uitgaan van het oude inkomen van de man van € 2.338,- netto per maand, zoals in de bestreden beschikking tot uitgangspunt is genomen, en de op basis van dat inkomen berekende draagkracht van € 502,- per maand.

5.10.5.

Dit betekent dat het hof uitgaat van een netto besteedbaar inkomen van de man:

- van 1 september 2019 tot 1 juli 2020: € 2.338,- per maand;

- van 1 juli 2020 tot 1 januari 2021: € 1.885,- per maand;

- van 1 januari 2021 tot 1 juli 2021: € 1.968,- per maand;

- met ingang van 1 juli 2021 wederom € 2.338,- per maand.

5.10.6.

Uitgaande van voornoemde periodes en bedragen aan netto besteedbaar inkomen van de man, wordt zijn draagkracht volgens de draagkrachttabellen in de betreffende jaren begroot als volgt:

- van 1 september 2019 tot 1 juli 2020: 70% [2.338 – (0,3 x 2.338 + 920)] afgerond € 502,- per maand (overeenkomstig de bestreden beschikking);

- van 1 juli 2020 tot 1 januari 2021: 70% [1.885 – (0,3 x 1.885 + 975)] afgerond € 241,- per maand;

- van 1 januari 2021 tot 1 juli 2021: 70% [1.968 – (0,3 x 1.968 + 1.000)] afgerond€ € 264,- per maand;

- met ingang van 1 juli 2021 wederom € 502,- per maand.

Draagkracht van de vrouw en [betrokkene]

5.11.

Grief 4 in incidenteel hoger beroep van de man (op pagina 3 van het verweerschrift, tevens houdende incidenteel hoger beroep) is gericht tegen de door de rechtbank gemaakte berekeningen van de draagkracht van de vrouw en [betrokkene] . De man acht het redelijk om gelet op het samenwonen van de vrouw en [betrokkene] een reductie op de woonkosten toe te passen van 25%, wat in casu resulteert in een bedrag van € 783,- ter zake totale woonkosten, te verdelen aldus dat bij de vrouw rekening wordt gehouden met € 366,- en bij [betrokkene] met € 392,-. Die aanpassing leidt tot een draagkracht van de vrouw van € 240,- en van [betrokkene] van € 373,-, aldus de man.

5.12.

[de jongmeerderjarige] heeft, onder aanvulling van haar stellingen zoals hierboven beschreven, het standpunt van de man gemotiveerd betreden.

5.13.

Het hof overweegt als volgt.

5.13.1

De door [de jongmeerderjarige] gestelde draagwijdte van het bepaalde in artikel 1.11 van het tussen de ouders gesloten echtscheidingsconvenant uit 2007 is door de man niet, althans onvoldoende betwist. Daarom acht het hof het juist om in lijn met het nader standpunt van [de jongmeerderjarige] de draagkracht van [betrokkene] wel in de berekening betrekken, maar op de wijze zoals door [de jongmeerderjarige] bepleit. Het hof volgt aldus de rechtbank in de vaststelling van de draagkracht van de moeder en van [betrokkene] .

5.13.2

In de bestreden beschikking is het netto besteedbaar inkomen van de vrouw bepaald op € 1.630,- per maand en is haar draagkracht volgens de formule 70% [1.630 – (0,3 x 1.630 + 920)] berekend op € 155,- per maand.

5.13.3.

In de bestreden beschikking is het netto besteedbaar inkomen van [betrokkene] bepaald op € 1.850,- per maand en is zijn draagkracht volgens de formule 70% [1.850 – (0,3 x 1.850 + 920)] berekend op € 263,- per maand.

Draagkrachtvergelijking

- in de periode van 1 september 2019 tot 1 juli 2020

5.14.

In deze periode is de gezamenlijke draagkracht van de man, de vrouw en [betrokkene] hoger dan de behoefte van [de jongmeerderjarige] . De behoefte wordt daarom over de man, de vrouw en [betrokkene] verdeeld naar rato van draagkracht (zoals hiervoor overwogen onder 5.7). Ieders aandeel wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:

- het deel van de man bedraagt: € 502,- / € 920,- x € 830,- = € 453,-;

- het deel van de vrouw bedraagt: € 155,- / € 920,- x € 830,- = € 140,-;

- het deel van [betrokkene] bedraagt: € 263,-/ € 920,- x € 830,- = € 237,-.

Het hof stelt vast dat de man de door [de jongmeerderjarige] verzochte bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en studie van € 450,- per maand in deze periode kan voldoen.

- in de periode van 1 juli 2020 tot 1 januari 2020

5.15.

In deze periode is de gezamenlijke draagkracht van de man, de vrouw en [betrokkene] (van respectievelijk € 241,-, € 155,- en € 263,- per maand; in totaal € 659,-) lager dan de behoefte van [de jongmeerderjarige] (van € 850,- in 2020), zodat een draagkrachtvergelijking achterwege kan blijven.

Het hof stelt vast dat de man een beschikbare draagkracht van € 241,- per maand heeft om bij te dragen in de kosten van levensonderhoud en studie van [de jongmeerderjarige] .

- in de periode van 1 januari 2021 tot 1 juli 2021

5.16.

Ook in deze periode is de gezamenlijke draagkracht van de man, de vrouw en [betrokkene] (van respectievelijk € 264,-, € 155,- en € 263,- per maand; in totaal € 682,-) lager dan de behoefte van [de jongmeerderjarige] (van € 876,- in 2021), zodat een draagkrachtvergelijking achterwege kan blijven.

Het hof stelt vast dat de man een beschikbare draagkracht van € 264,- per maand heeft om bij te dragen in de kosten van levensonderhoud en studie van [de jongmeerderjarige] .

- met ingang van 1 juli 2021

5.17.

Met ingang van 1 juli 2021 is de gezamenlijke draagkracht van de man, de vrouw en [betrokkene] hoger dan de behoefte van [de jongmeerderjarige] . De behoefte wordt daarom over de man, de vrouw en [betrokkene] verdeeld naar rato van draagkracht, als volgt:

- het deel van de man bedraagt: € 502,- / € 920,- x € 876,- = € 478,-;

- het deel van de vrouw bedraagt: € 155,- / € 920,- x € 876,- = € 148,-;

- het deel van [betrokkene] bedraagt: € 263,-/ € 920,- x € 876,- = € 250,-.

Het hof stelt vast dat de man de door [de jongmeerderjarige] verzochte bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en studie van € 450,- per maand met ingang van 1 juli 2021 kan voldoen.

5.18.

Op grond van het voorgaande zal het hof de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud en studie van [de jongmeerderjarige] bepalen zoals hierna in het dictum omschreven.

6 De slotsom

In het principaal en het incidenteel hoger beroep

6.1.

Grief 1 in principaal hoger beroep slaagt. Grief 4 in incidenteel hoger beroep (op pagina 4 van het verweerschrift, tevens houdende incidenteel hoger beroep) slaagt deels. De overige grieven in incidenteel hoger beroep slagen niet.

Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als hierna is vermeld.

6.2.

Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep tussen partijen compenseren.

7 De beslissing

Het hof:

in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 23 juni 2020

en opnieuw rechtdoende:

wijzigt de beschikking van de rechtbank Maastricht van 1 december 2009 wat betreft de onderhoudsbijdrage van de man ten behoeve van [de jongmeerderjarige] vanaf 1 september 2019;

bepaalt dat de man aan [de jongmeerderjarige] (volledige naam: [de jongmeerderjarige] ) als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en studie zal voldoen:

- van 1 september 2019 tot 1 juli 2020: € 450,- per maand;

- van 1 juli 2020 tot 1 januari 2021: € 241,- per maand;

- van 1 januari 2021 tot 1 juli 2021: € 264,- per maand;

- met ingang van 1 juli 2021: € 450,- per maand, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus, dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, J.C.E. Ackermans-Wijn en P.M.M. Mostermans en is in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2021 door

mr. P.P.M. van Reijsen in tegenwoordigheid van de griffier.