Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:1691

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-06-2021
Datum publicatie
11-06-2021
Zaaknummer
200.278.504_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

bekrachtiging wijziging gezamenlijk gezag naar eenhoofdig gezag; verzoek op grond van art. 810a lid 2 Rv afgewezen

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 810a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 10 juni 2021

Zaaknummer: 200.278.504/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/02/354332 / FA RK 19-431

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. E. Sijnesael,

tegen

[de vader] ,

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. J.M. van Riessen.

Deze zaak gaat over:

- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige 1]);

- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats].

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie],

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 20 februari 2020.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 19 mei 2020, heeft de moeder het hof verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking van de rechtbank te vernietigen en het verzoek van de vader tot eenhoofdig gezag af te wijzen. Kosten rechtens.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 10 juli 2020, heeft de vader het hof verzocht het verzoek van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3.

Bij brief van 16 april 2021 heeft de moeder het hof op grond van artikel 810a lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) verzocht een deskundigenonderzoek in de vorm van een persoonlijkheidsonderzoek voor de ouders en de kinderen te gelasten.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 april 2021. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder (via CMS-verbinding), bijgestaan door mr. M.V. de Nooijer (kantoorgenoot van mr. Sijnesael);

-de vader, bijgestaan door mr. Van Riessen;

- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad];

- Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering, gevestigd te [vestigingsplaats],

(hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI)), die is opgeroepen als informant, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2].

2.5.

Het hof heeft de hierna te noemen minderjarige [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken.

Zij heeft hiervan gebruik gemaakt door het hof (via de GI) een brief te sturen, die ter griffie is ingekomen op 21 april 2021. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van die brief zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.6.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de processen-verbaal van de mondelinge behandelingen in eerste aanleg d.d. 21 juli 2019 en 30 januari 2020;

- het V-formulier met producties van de advocaat van de moeder d.d. 4 juni 2020;

- de brief van de GI d.d. 19 oktober 2020;

- het V-formulier met een brief en producties van de advocaat van de moeder d.d. 16 april 2021;

- het V-formulier met een brief en producties van de advocaat van de vader d.d. 19 april 2021;

- de brief met bijlagen van de GI d.d. 19 april 2021.

3 De beoordeling

Feiten

3.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Zij zijn de ouders van:

- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] ([minderjarige 1]), en

- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats].

3.2.

De kinderen zijn sinds 6 juni 2017 onder toezicht gesteld. Bij beschikking van 7 december 2018 is de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Gelderland met ingang van 1 februari 2019 vervangen door de huidige GI.

De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd bij beschikking van 11 februari 2021 tot 17 augustus 2021.

3.3.

De kinderen wonen sinds juni 2017 bij de vader. Dit was aanvankelijk op grond van een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen bij de man. Bij beschikking van 16 februari 2018 heeft de rechtbank bepaald dat de kinderen voortaan hun hoofdverblijfplaats bij de vader zullen hebben.

3.4.

De ouders hebben gezamenlijk het gezag over de kinderen uitgeoefend tot de wijziging van het gezag bij de bestreden beschikking.

3.5.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking van 20 februari 2020 heeft de rechtbank het gezamenlijk gezag van de ouders over de kinderen beëindigd en bepaald dat dit voortaan alleen door de vader zal worden uitgevoerd.

3.6.

De moeder kan zich met de bestreden beschikking niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

Standpunten

3.7.

De moeder voert – kort samengevat – het volgende aan.

Er is geen onaanvaardbaar risico dat de kinderen klem of verloren raken tussen de ouders. De wijziging van het gezag is ook anderszins niet in het belang van de kinderen noodzakelijk. De vader ervaart geen problemen bij het nemen van belangrijke beslissingen over de kinderen. De moeder heeft toestemming verleend voor belangrijke zaken aangaande de kinderen, waaronder de hulp vanuit GGZ, de inschrijving van [minderjarige 1] op school en vakanties binnen Europa.

In de periode van 7 augustus 2019 tot 7 oktober 2020 is er veertien maanden geen contact geweest tussen de moeder en de kinderen. Inmiddels heeft zij de kinderen weer een aantal keer fysiek kunnen zien. Zij wordt niet of nauwelijks betrokken bij de kinderen. Door haar gezag te beëindigen komt zij nog meer buiten spel te staan. Er moet in plaats van wijziging van het gezag gewerkt worden aan verbetering van de verstandhouding tussen de ouders. Daar is nooit hulpverlening op ingezet.

De moeder heeft zich ingespannen om een persoonlijkheidsonderzoek bij Dimence te laten uitvoeren, maar door een verkeerde hulpvraag van de GI kon dit niet worden uitgevoerd. De GI heeft vervolgens geen actie ondernomen om de hulpvraag aan te passen.

Een persoonlijkheidsonderzoek bij beide ouders en de kinderen zal meer duidelijkheid verschaffen over eventuele problematiek van de moeder, de vader en/of de kinderen, waarna passende hulpverlening kan worden ingezet. Aan de vereisten van artikel 810a BW is voldaan. Het deskundigenonderzoek kan (mede) tot een beslissing van de zaak leiden. Het zal duidelijkheid geven over waar de weerstand van de kinderen vandaan komt. Daarnaast zal zicht komen op de rol van de ouders hierin en de rol van hun eventuele persoonlijke problematiek. De communicatie tussen de ouders kan hierdoor verbeteren. Het belang van de kinderen verzet zich niet tegen het verzochte onderzoek.

3.8.

De vader voert – kort samengevat – het volgende aan.

Aan de gronden voor wijziging van het gezag is voldaan. De kinderen raken klem tussen de ouders als de ouders gezamenlijk het gezag blijven uitvoeren. De moeder heeft keer op keer niet meegewerkt aan gezagsbeslissingen. Zij heeft onder andere geen toestemming verleend voor psychologisch onderzoek en behandeling van de kinderen, voor vakanties en voor contact van de stiefmoeder met de school van de kinderen. De rechtbank heeft steeds vervangende toestemming moeten verlenen. De kinderen hebben hier last van, omdat het gedrag van de moeder voor onrust in het gezin van de vader zorgt. Uit de voorgeschiedenis van de ouders blijkt dat verbetering van de communicatie tussen hen niet te verwachten valt. Zij hebben in het verleden hiervoor professionele hulp gehad, maar dat is steeds gestrand op het moment dat de moeder de hulp niet meer aanstond.

Wijziging van het gezag is ook anderszins in het belang van de kinderen noodzakelijk. Het geeft de vader en de hulpverlening de mogelijkheid om zich te focussen op wat in het belang van de kinderen nodig is, zonder dat onevenredige energie moet worden gestoken in het steeds verkrijgen van toestemming van de moeder. Inmiddels heeft een psychodiagnostisch onderzoek bij de kinderen plaatsgevonden en is bekend wat de diagnoses zijn en welke behandeling nodig is. Er wordt nu gezocht naar passende hulpverlening voor [minderjarige 1]. Het is in het belang van de kinderen dat de hulpverlening adequaat en zonder verdere vertraging kan worden ingeschakeld en uitgevoerd.

De vader informeert de moeder een keer in de drie weken per e-mail. De gestelde angst van de moeder dat zij naar de achtergrond verdwijnt, is onterecht.

Het verzoek van de moeder om een deskundigenonderzoek is te laat ingediend en hoeft daarom niet te worden behandeld. Subsidiair stelt de vader dat het verzoek moet worden afgewezen, omdat er al een uitgebreid onderzoek naar de kinderen is geweest. De uitkomst van dat onderzoek is niet betwist door de moeder en een nieuw onderzoek zou de kinderen onnodig belasten.

3.9.

De raad adviseert het hof als volgt.

De situatie is lang onstabiel geweest waardoor behandeling van de kinderen niet kon plaatsvinden. Er is inmiddels meer duidelijk over de diagnoses van de kinderen. De behandeling van de kinderen moet nu voorrang hebben. Eenhoofdig gezag is daarbij passend, ook gezien de situatie dat de kinderen klem zitten. Het is belangrijk dat de vader de beslissingen over de kinderen kan nemen en dat de moeder zich kan focussen op wat nodig is in haar contact met de kinderen. De raad ziet geen noodzaak voor het door de moeder verzochte onderzoek naar beide ouders en de kinderen.

3.10.

De GI informeert het hof als volgt.

Het is in het belang van de kinderen dat de vader voortaan alleen het gezag heeft. Door de wijziging van het gezag ontstaat er voor de kinderen meer rust. De kinderen hebben sinds de bestreden beschikking geen last meer van de onrust die er was doordat de ouders gezamenlijk gezagsbeslissingen moesten nemen. Het contact tussen de vader en de moeder is in de afgelopen jaren niet verbeterd. De GI verwacht hierin geen verandering. De moeder kan een actieve rol in het leven van de kinderen blijven innemen als ouder op afstand. Zij blijft heel belangrijk voor de identiteitsontwikkeling van de kinderen. De vader en de GI informeren de moeder regelmatig over de kinderen.

Het door de moeder verzochte deskundigenonderzoek is te belastend voor de kinderen. Bij beide kinderen heeft reeds diagnostisch onderzoek plaatsgevonden. Hierdoor is nu duidelijkheid over de problematiek van de kinderen. [minderjarige 1] is aangemeld bij Praktijk Memo voor intensieve behandeling op maat. [minderjarige 2] ontvangt speltherapie vanuit GGZ-WNB. Daarnaast is een gezinspedagoog vanuit Educura betrokken bij de kinderen en het gezin.

Wat betreft haar positie in onderhavige procedure heeft de GI bij brief van 19 oktober 2020 verzocht haar aan te merken als belanghebbende in plaats van als informant. Zij geeft ter toelichting op dit verzoek aan dat de GI het van belang acht om van de inhoud van de processtukken op de hoogte te zijn, zodat zij weet op welke punten informatie van de GI wordt gewenst en zij de kinderen in onderhavige procedure ondersteuning en begeleiding kan bieden.

Motivering van de beslissing

Positie van de GI

3.11.

Het hof is van oordeel dat de GI als informant moet worden aangemerkt en niet als belanghebbende in de zin van artikel 798 lid 1, eerste volzin, Rv. De GI is betrokken en heeft weliswaar een belang, maar dat belang moet worden geduid als een afgeleid belang; de GI wordt niet rechtstreeks in haar belang getroffen door onderhavig geschil tussen de ouders omtrent een wijziging van het gezag.

De wijze waarop de GI in onderhavige procedure is betrokken, blijft daarom ongewijzigd.

Wijziging gezamenlijk gezag

3.12.

Het hof overweegt als volgt.

3.12.1.

Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

De rechter bepaalt dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien:

a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of

b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

3.12.2.

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen weging en beoordeling eigen maakt, is het hof van oordeel dat wijzing van het gezamenlijk gezag naar eenhoofdig gezag door de vader in het belang van de kinderen noodzakelijk is.

In aanvulling daarop overweegt het hof nog het volgende naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd.

3.12.3.

Er heeft inmiddels diagnostisch onderzoek plaatsgevonden bij beide kinderen. Gebleken is dat de gediagnostiseerde problematiek (waaronder een ontremd sociaalcontactstoornis en een ongespecificeerde trauma- of stressor- gerelateerde stoornis bij [minderjarige 1] en hechttingsproblematiek en een ongespecificeerde trauma- of stressor- gerelateerde stoornis bij [minderjarige 2]) vraagt om behandeling. Over gezagsbeslissingen, ook ten aanzien van onderzoek en behandeling van de kinderen, zijn in het verleden veelvuldig procedures tussen de ouders gevoerd. De noodzakelijke hulpverlening is door de langdurige strijd tussen de ouders niet eerder (volledig) van de grond gekomen. De kinderen hebben veel last ondervonden van de strijd tussen de ouders en zitten klem. Door de wijziging van het gezag is voor hen meer rust ontstaan. Het is in het belang van de kinderen dat deze situatie zo blijft, zodat zij effectief de huidige hulpverlening kunnen voortzetten en/of met de nieuwe hulpverlening aan de slag kunnen gaan.

Daarnaast brengt de wijziging van het gezag mee, dat de vader voortaan de beslissingen over (onder andere) de hulpverlening voor de kinderen adequaat, zonder dat hierin door strijd tussen de ouders vertraging optreedt, kan nemen. Ook dit maakt dat wijziging van het gezag in het belang van de kinderen noodzakelijk wordt geacht.

Deskundigenonderzoek

3.12.4.

De moeder heeft het hof (subsidiair) verzocht op grond van artikel 810a lid 2 Rv een deskundigenonderzoek te gelasten.

3.12.5.

Anders dan de vader stelt, acht het hof voornoemd verzoek tijdig ingediend. Het hof zal dit verzoek daarom inhoudelijk beoordelen.

3.12.6.

Artikel 810a lid 2 Rv bepaalt dat de rechter in zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen of de beëindiging van het ouderlijk gezag of van de voogdij, op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige benoemt, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet.

Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat een voldoende concreet en ter zake dienend verzoek tot toepassing van art. 810a lid 2 Rv, dat feiten en omstandigheden bevat die zich lenen voor een onderzoek door een deskundige, in beginsel zal moeten worden toegewezen, tenzij de rechter feiten of omstandigheden aanwezig oordeelt op grond waarvan moet worden aangenomen dat toewijzing van het verzoek strijdig is met het belang van het kind.

3.12.7.

De moeder heeft in de brief van 16 april 2021, ter onderbouwing van haar verzoek om een deskundigenonderzoek te gelasten, verwezen naar de onderbouwing en de vragen die zij ter zake eerder bij de rechtbank had ingediend in de procedure met betrekking tot de omgangsregeling en het in die procedure verzochte deskundigenonderzoek (zaaknummer C/02/381380 / JE RK 21-95). Het hof stelt vast dat die onderbouwing en vragen zijn gericht op de omgang en niet op het gezag.

Ook ten aanzien van de onderbouwing die de moeder in de brief van 16 april 2021 verder geeft voor het verzochte deskundigenonderzoek, geldt dat deze onderbouwing niet is gericht op het gezag, maar (enkel) ziet op verbetering van de communicatie tussen de ouders en het contact tussen de moeder en de kinderen.

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat geen sprake is van een ter zake dienend en voldoende geconcretiseerd verzoek tot benoeming van een deskundige. Bovendien wordt een dergelijk verzoek strijdig geacht met de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Ook als het onderzoek als zodanig niet belastend is voor de kinderen, zoals de moeder stelt, zullen zij last hebben van het opnieuw uitblijven van duidelijkheid en het risico van nieuwe geschillen en procedures tussen de ouders. Het verzoek van de moeder zal het hof daarom afwijzen.

3.12.8.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de moeder (meer subsidiair) verzocht de beslissing in onderhavige zaak aan te houden. Zij gaat hoger beroep instellen tegen de beslissing van de rechtbank in voornoemde procedure ter zake de omgangsregeling, in welke procedure haar verzoek om een onderzoek door een deskundige is afgewezen. De beslissing in die procedure wil zij eerst afwachten.

Het hof ziet in hetgeen de moeder aanvoert geen aanleiding om de beslissing in onderhavige procedure om die reden aan te houden. Bovendien acht het hof het in het belang van alle betrokkenen dat er duidelijkheid komt over de invulling van het gezag.

Slotsom

3.13.

Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.

3.14.

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de tussen de ouders gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 20 februari 2020;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van

deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het centraal gezagsregister;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, C.N.M. Antens en M.I. Peereboom- Van Drunick en is in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2021 door mr. E.A.M. Scheij in tegenwoordigheid van de griffier.