Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:1680

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-06-2021
Datum publicatie
24-06-2021
Zaaknummer
20/00458 tot en met 20/00461
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2020:6030, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

30%-regeling en formele kwestie (op de zaak betrekking hebbende stukken). M.b.t. 30%-regeling; De werkgever heeft de vergoeding voor extraterritoriale kosten gedurende de maanden september tot en met december 2018, waarin sprake was van zogenoemd “garden leave”, niet als eindheffingsbestanddeel aangewezen. De 30%-regeling is reeds om deze reden niet van toepassing. Het hof voegt hier ten overvloede aan toe dat de 30%-regeling niet van toepassing is gelet op artikel 10ec UB LB 1965.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 25-6-2021
FutD 2021-1985
V-N Vandaag 2021/1540
FutD 2021-1986
NLF 2021/1324
V-N 2021/45.8 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummers: 20/00458 tot en met 20/00461

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonend in [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 1 juli 2020, nummers SGR 20/389, 20/391 tot en met 20/393, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Met betrekking tot de maanden september tot en met december 2018 is loonbelasting (hierna: LB) ingehouden over het door belanghebbende genoten loon (hierna: de inhouding).

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de inhouding.

1.3.

De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij rechtbank Zeeland-West-Brabant. Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft, op grond van de Regeling tijdelijke aanwijzing bevoegde gerechten voor bodemzaken rijksbelastingen van 10 september 2019 (hierna: Regeling tijdelijke aanwijzing), de onderhavige zaken ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank).

1.5.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.6.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij gerechtshof Den Haag. Gerechtshof Den Haag heeft bij beslissing van 25 augustus 20201 gebruik gemaakt van de in de Regeling tijdelijke aanwijzing opgenomen mogelijkheid om deze zaken te verwijzen naar gerechtshof ’s-Hertogenbosch (hierna: het hof).

1.7.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.8.

Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.

1.9.

De zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2021 te ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

1.10.

De inspecteur heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.

1.11.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.12.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende heeft op 29 oktober 2008 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd (hierna: de arbeidsovereenkomst) gesloten met [de werkgever] B.V.2 (hierna: de werkgever). Belanghebbende is op 19 januari 2009 in dienst getreden bij de werkgever.

2.2.

In de arbeidsovereenkomst is niets opgenomen over tot het recht op vergoeding van extra kosten van tijdelijk verblijf buiten het land van herkomst in het kader van de dienstbetrekking (hierna: extraterritoriale kosten).

2.3.

Op 1 augustus 2014 hebben belanghebbende en de werkgever een addendum bij de arbeidsovereenkomst gesloten (hierna: addendum). Dit addendum luidt als volgt:

“a. If and insofar as the Employee may receive a tax-free allowance for extra-territorial costs under article 10ea of the 1965 Payroll Tax Implementation Decree, the wages from current employment agreed upon with the employee shall be reduced accordingly for employment law purposes where 100/70 of the wages from the current employment agreed to in this fashion equal the wages originally agreed upon from current employment.

b. If and insofar as item a. above applies, the Employee shall receive an allowance for extra-territorial costs from the employer, equal to 30/70 of the wages from current employment agreed in this fashion.

c. The Employer and Employee are aware of the fact that the adjustment of the remuneration agreed upon under item a. above will not result in a lower wage as referred to under article 10eb of the 1965 Payroll Tax Implementation Decree and that the tax free allowance for extra-territorial costs can be lower than 30/70 of the agreed wages from current employment.

d. The Employee is aware of the fact that, in view of the applicable regulations, an adjustment to the remuneration agreed upon under item a. above may affect all considerations and benefits that are linked to the wages, such as pension rights and social security benefits.

Both parties agree to the aforementioned and state that this agreement can be considered as an addition to the employment contract.”

2.4.

De inspecteur heeft, na een hiertoe strekkend verzoek, bij beschikking met dagtekening 6 augustus 2014 (hierna: de beschikking) aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor toepassing van de zogenoemde 30%-regeling, zoals bedoeld in artikel 31a, lid 2, letter e, Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB 1964) in samenhang gelezen met artikel 10ea Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (hierna: UB LB 1965) (hierna: 30%-regeling). De beschikking is geldig van 1 augustus 2014 tot en met 31 december 2018.

2.5.

Met ingang van 1 juli 2018 is belanghebbende op non-actief gesteld.

2.6.

De werkgever heeft vanaf 1 augustus 2014 tot en met 31 augustus 2018 de 30%-regeling toegepast en de vergoeding van extraterritoriale kosten aangemerkt als eindheffingsbestanddeel.

2.7.

Met ingang van 1 september 2018 heeft de werkgever de 30%-regeling niet meer toegepast.

2.8.

Met betrekking tot de maanden september tot en met november 2018 heeft belanghebbende een bruto maandsalaris van € 8.120 en een onbelaste reiskostenvergoeding van € 216,60 genoten. Het bedrag aan ingehouden LB bedraagt, per maand, € 3.123,33.

2.9.

Belanghebbende en de werkgever hebben op 31 oktober 2018 een vaststellingsovereenkomst (hierna: de vaststellingsovereenkomst) gesloten. Voor zover relevant luidt de vaststellingsovereenkomst als volgt:

“(…)

WHEREAS:

(A) the Employee entered into the service of the (legal predecessor of the) Company on 19 January 2009 on the basis of the employment agreement dated 29 October 2008 (the “Employment Agreement"), her last position being Finance Manager;

(B) the Employee's most recent monthly salary is € 8,120 gross excluding 8.33% holiday allowance and/or other emoluments;

(C) the Company has informed the Employee that it wishes to terminate the Employment Agreement due to a difference of opinion in respect of the performance of the Employee's position;

(D) Parties have searched for a suitable alternative position (passende functie) for the Employee within the Company's group. However, such position, even after training, is not available and will not become available within a reasonable timeframe;

(E) the Employee is not to blame for the intended termination of the Employment Agreement and there is no urgent reason to terminate as referred to in Article 7:677 jo. 7:678 of the Dutch Civil Code;

(F) Parties agree that the termination of the Employment Agreement does not concern a termination with the Employee's consent as included in Article 7:671 of the Dutch Civil Code;

(…)

HAVE AGREED AS FOLLOWS:

1 Termination of the Employment Agreement

1.1

The Employment Agreement between the Company and the Employee shall terminate with mutual consent, on the initiative of the Company as per 1 January 2019 (the “Termination Date”), with 31 December 2018 being the last day of the Employment Agreement or at such earlier date as may be mutually agreed between the Company and the Employee (which date will then qualify as the Termination Date).

1.2

As per 1 July 2018, the Employee has been exempted from performing her duties until the Termination Date (the “Exemption Date”). (…)

1.3

The Employer is of the opinion that starting from 1 September 2018 the 30%-ruling can no longer be applied to the Employee’s salary. Therefore, as per 1 September 2018 payment of the Employee's salary and other emoluments will take place under the deduction of the obligatory withholdings without application of the 30%-ruling. The 30%-ruling shall furthermore not be applied to the Severance Payment, bonuses (if any) or any other variable compensation (if any). The Employee, however, has requested the Dutch tax authorities to rule on whether the 30%-ruling can be applied retroactively as from 1 September 2018 until 31 December 2018. The Company will provide all reasonable cooperation and will provide any documents available in order for the Employee to file this request If the Dutch tax authorities rule that the 30%-ruling can be applied over the period per 1 September 2018 until 31 December 2018, the Employee will receive the payroll taxes that have been withheld in excess of the taxes that would have been due if the 30%-ruling was applied directly from the Dutch tax authorities. If these payroll taxes for any reason are paid to the Company by the Dutch tax authorities, the Company will transfer the relevant amount received from the Dutch tax authorities in relation to the payroll taxes withheld within 7 days after the date on which the Company has received the amount to the Employee into the same bank account of the Employee that was normally used for monthly salary payments. If the Dutch tax authorities rule that the 30%-ruling cannot be applied over the period 1 September 2018 until 31 December 2018 for whatever reason, the Employee will not be entitled to/will not receive any payments.

2 Remuneration and costs

2.1

The Employee will continue to be entitled to her present salary and other emoluments up to the Termination Date, unless agreed otherwise in the Settlement Agreement. After the

Termination Date, the Employee will no longer be entitled to any salary and other

emoluments.

2.2

The Employee will not be entitled to any (pro-rated) bonus payments or other variable

income such as, but not limited to, profit-sharing (winstdeling) over the past, current and

future financial years.

2.3

Costs already incurred that have not yet been compensated and are in accordance with the

applicable rules, will be submitted by the Employee to the Company as soon as possible or

in any event before the Termination Date and be settled in accordance with the existing rules and procedures. The Employee confirms that she has not incurred any further business expenses after the Exemption Date.

(…)”

2.10.

Belanghebbende heeft ter zake van de maand december 2018 een bruto maandsalaris van € 8.120 genoten. In deze maand is bovendien een bedrag van bruto € 2.998,32 in verband met niet-opgenomen vakantiedagen aan belanghebbende uitbetaald. De ontvangen onbelaste reiskostenvergoeding bedraagt € 1.379,18. Het bedrag aan ingehouden LB bedraagt € 4.788,90.

2.11.

Met ingang van 1 januari 2019 is de dienstbetrekking beëindigd.

2.12.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de inhouding van LB met betrekking tot de maanden september tot en met december 2018. De inspecteur heeft het bezwaar afgewezen bij uitspraak op bezwaar van 7 maart 2019.

2.13.

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar. De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard, de inspecteur veroordeeld in de kosten van het geding bij de rechtbank van € 787,50 en de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 47.

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

1. Heeft de inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken, zoals bedoeld in artikel 8:42, lid 1, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), overgelegd?

2. Is er een te hoog bedrag aan LB ingehouden met betrekking tot de maanden september tot en met december 2018?

3. Heeft belanghebbende recht op vergoeding van wettelijke rente over de door de rechtbank gelaste vergoeding van griffierecht en proceskosten?

4. Heeft belanghebbende recht op vergoeding van een dwangsom in verband met vertraging bij de uitbetaling van de door de rechtbank gelaste vergoeding van griffierecht en proceskosten?

3.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende als ingekomen werknemer in de zin van artikel 10e, lid 2, letter b, UB LB 1965 kwalificeert.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot teruggaaf van ingehouden LB. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Vraag 1 (op de zaak betrekking hebbende stukken)

4.1.

Belanghebbende stelt dat de (loon)administratie van de werkgever aanwijzingen kan opleveren dat laatstgenoemde ook met betrekking tot de maanden september tot en met december 2018 de vergoeding voor extraterritoriale kosten als eindheffingsbestanddeel heeft aangemerkt. De gehele (loon)administratie van de werkgever kwalificeert daarmee, volgens belanghebbende, als een op de zaak betrekking hebbend stuk. De inspecteur heeft verzuimd om de gehele administratie over te leggen, waardoor artikel 8:42, lid 1, Awb is geschonden.

4.2.

De inspecteur betwist, daarentegen, dat hij op enig moment de beschikking heeft gehad over meer stukken uit de loonadministratie dan in de onderhavige procedure zijn overgelegd.

4.3.

Het hof acht in navolging van de rechtbank, gelet op de geloofwaardige verklaring van de inspecteur en het ontbreken van aanwijzingen van het tegendeel, aannemelijk dat de inspecteur afschriften van alle stukken afkomstig uit de (loon)administratie van de werkgever waarover hij beschikt respectievelijk op enig moment heeft beschikt in de onderhavige procedure heeft overgelegd. De inspecteur heeft daarmee in zoverre voldaan aan de verplichting uit artikel 8:42, lid 1, Awb.3

4.4.

Het hof beantwoordt vraag 1 bevestigend.

Vraag 2 (extraterritoriale kosten)

4.5.

De rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende met betrekking tot de onderhavige maanden geen aanspraak kan maken op toepassing van de 30%-regeling aangezien de werkgever deze vergoeding niet als eindheffingsbestanddeel heeft aangewezen. De grieven van belanghebbende betreffen arbeidsrechtelijke kwesties, waarover de belastingrechter niet bevoegd is om te oordelen. Belanghebbende komt in hoger beroep op tegen dit oordeel.

4.6.

Volgens belanghebbende heeft de verwijzing in artikel 22a, lid 3, letter a, Wet LB 1964 naar artikel 7:628, lid 3 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) tot gevolg dat een werkgever gedurende perioden van (tijdelijke) inactiviteit het voordien gevolgde regime met betrekking tot extraterritoriale kosten dient voort te zetten. Aangezien in het onderhavige geval in de periode 1 augustus 2014 tot en met 31 augustus 2018 de 30%-regeling is toegepast en deze forfaitair bepaalde kosten als eindheffingsbestanddeel werden aangemerkt, dient de werkgever deze kosten, aldus belanghebbende, ook gedurende de periode van inactiviteit aan te merken als (vrijgesteld) eindheffingsbestanddeel.

4.7.

Het hof stelt voorop dat ook gedurende de periode van inactiviteit (1 juli 2018 tot en met 31 december 2018) het door belanghebbende genoten loon voor toepassing van de Wet LB 1964 als loon uit tegenwoordige arbeid aangemerkt dient te worden. Dit volgt uit artikel 22a, lid 3, letter a, Wet LB 1964 waarin is geregeld dat loon genoten wegens tijdelijke inactiviteit als bedoeld in artikel 7:628 BW gelijkgesteld dient te worden met loon uit tegenwoordige arbeid.

4.8.

In artikel 31, lid 1, letter f, Wet LB 1964 is voor situaties waarin sprake is van loon uit tegenwoordige arbeid geregeld dat door de werkgever aan te wijzen (gedeelten van) vergoedingen en verstrekkingen als eindheffingsbestanddeel kwalificeren voor zover deze niet in belangrijke mate hoger zijn dan in voor het overige vergelijkbare gevallen gebruikelijk is.

4.9.

In tegenstelling tot hetgeen belanghebbende betoogt, volgt uit artikel 22a, lid 3, letter a, Wet LB 1964 niet dat de in dit kader aan de werkgever toekomende keuzevrijheid wordt beperkt door het civiele recht respectievelijk de tussen een werknemer en werkgever gemaakte arbeidsrechtelijke afspraken. In deze bepaling is immers uitsluitend geregeld dat loon dat wordt genoten in perioden van tijdelijke inactiviteit als loon uit tegenwoordige arbeid kwalificeert (zie onder 4.7.). De verwijzing naar artikel 7:628 BW heeft uitsluitend tot doel om het loon dat in perioden van tijdelijke inactiviteit wordt genoten te definiëren. Het hof wijst op de tekst van artikel 22a, lid 3, letter a, Wet LB 1964 en de omstandigheid dat in artikel 31, lid 1, letter f, Wet LB 1964 geen uitzondering op de aanwijzingsbevoegdheid is opgenomen voor perioden van inactiviteit. Aan de parlementaire geschiedenis bij voornoemde bepalingen zijn geen aanknopingspunten te ontlenen om te komen tot een andersluidend oordeel. Het voorgaande heeft eveneens te gelden met betrekking tot belanghebbendes algemene verwijzing naar de Wet werk en zekerheid (hierna: Wwz).

4.10.

Voor zover belanghebbende met verwijzing naar Kamerstukken II 2017/2018, 34.785, nr. 80, blz. 18 een beroep op het vertrouwensbeginsel wenst te doen, faalt dit betoog. Het hof acht de enkele aankondiging in dit parlementaire stuk dat het kabinet van plan is om de suggestie over te nemen dat bij gerichte vrijstellingen geen aanwijzing als eindheffingsbestanddeel hoeft plaats te vinden, mede gelet op de duidelijke tekst van artikel 31, lid 1, letter f, Wet LB 1964 en het ontbreken van aanwijzingen waaruit belanghebbende kon afleiden dat deze suggestie heeft geleid tot een wetswijzing, onvoldoende om een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel op te leveren.

4.11.

Gelet op het vorenoverwogene dient beoordeeld te worden of de vergoeding voor extraterritoriale kosten gedurende de onderhavige maanden, waarin sprake was van inactiviteit, als eindheffingsbestanddeel is aangemerkt.

4.12.

In het onderhavige geval staat vast dat de werkgever met betrekking tot de maanden september tot en met december 2018 LB heeft ingehouden over het volledige bruto maandsalaris, zoals belanghebbende dat met haar werkgever in de vaststellingsovereenkomst is overeengekomen, van € 8.120.4 Uit de vaststellingsovereenkomst valt af te leiden dat deze wijze van inhouding op een bewuste keuze van de werkgever berust. In onderdeel 1.3 van de vaststellingsovereenkomst is, immers, opgenomen dat de werkgever van mening is dat de 30%-regeling in voornoemde maanden niet kan worden toegepast. Het hof acht op grond van deze omstandigheden niet aannemelijk dat de werkgever de vergoeding voor extraterritoriale kosten als eindheffingsbestanddeel heeft aangewezen. Hier doet niet aan af dat de inspecteur op gezamenlijk verzoek van belanghebbende en de werkgever bij voor bezwaar vatbare beschikking heeft beslist dat belanghebbende in aanmerking komt voor toepassing van de 30%-regeling5, aangezien deze beschikking niet verplicht tot aanwijzing als eindheffingsbestanddeel.

4.13.

Voor zover belanghebbende betoogt dat uit de loonadministratie van de werkgever zou kunnen volgen dat de inhouding van LB niet in overeenstemming is met de wens van de werkgever respectievelijk aanwijzing van de extraterritoriale kosten op impliciete wijze heeft plaatsgevonden, acht het hof deze stelling, gelet op de onder 4.12. opgenomen aanwijzingen die duiden op het tegendeel, onvoldoende onderbouwd om tot een andersluidend oordeel te komen.

4.14.

Aangezien niet voldaan is aan de voorwaarde dat aanwijzing als eindheffingsbestanddeel heeft plaatsgevonden, komt het hof niet toe aan beantwoording van de vraag of voldaan is aan de overige voorwaarden voor toepassing van de 30%-regeling, zoals opgenomen artikel 31a, lid 2, letter e, Wet LB 1964 in samenhang gelezen met artikel 10e tot en met 10ej UB LB 1965.

4.15.

Ten overvloede voegt het hof hier aan toe dat, zelfs indien een aanwijzing zoals bedoeld in artikel 31, lid 1, letter f, Wet LB 1964 zou hebben plaatsgevonden, de 30%-regeling in de onderhavige maanden niet toegepast kan worden gelet op artikel 10ec UB LB 1965.

4.16.

In artikel 10ec, lid 1, UB LB 1965 (tekst 2018) is geregeld dat de looptijd van de 30%-regeling voor ingekomen werknemers maximaal acht jaar bedraagt, met dien verstande dat de looptijd ingaat op de eerste dag van de tewerkstelling door de werkgever en eindigt op de laatste dag van het loontijdvak na het loontijdvak waarin die tewerkstelling is geëindigd.

4.17.

Het hof ziet, in tegenstelling tot hetgeen belanghebbende betoogt, in de omstandigheid dat deze bepaling is ingevoerd na de datum waarop de arbeidsovereenkomst is gesloten geen aanleiding om artikel 10ec, lid 1, UB LB 1965 buiten beschouwing te laten. Het door belanghebbende genoemde arrest van de Hoge Raad van 30 november 20186 leidt niet tot een andersluidend oordeel. Dit arrest bevat immers geen aanwijzingen dat ook met betrekking tot andere voorwaarden dan die welke op voorhand aanwezig moeten zijn om in aanmerking te komen voor de 30%-regeling, zoals de kwalificatie als ingekomen werknemer, een toets uitgevoerd dient te worden aan de hand van de bepalingen zoals deze golden op het moment van het sluiten van de arbeidsovereenkomst.

4.18.

Noch uit de tekst van artikel 10ec, lid 1, UB LB 1965 noch uit de toelichting bij deze bepaling valt af te leiden dat gedurende perioden van non-actiefstelling voorafgaande aan ontslag de tewerkstelling, in de zin van deze bepaling, voortduurt. Het hof acht een dergelijke uitleg van het begrip tewerkstelling ook niet in lijn met de betekenis die hieraan in het normale spraakgebruik wordt gegeven, aangezien dit begrip impliceert dat er sprake is van het verrichten van feitelijke werkzaamheden, waarvan belanghebbende nu juist in de onderhavige maanden is vrijgesteld.

4.19.

Belanghebbende heeft immers met ingang van 1 juli 2018 geen feitelijke werkzaamheden meer verricht in het kader van haar dienstbetrekking. Het laatste tijdvak waarover de 30%-regeling toegepast kon worden was augustus 2018. Hier doet niet aan af dat uit artikel 22a, lid 3, letter a, Wet LB 1964 volgt dat het gedurende de periode van inactiviteit genoten loon ook na augustus 2018 als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking kwalificeert.

4.20.

Voor zover belanghebbende betoogt dat een hoger nettoloon met de werkgever zou zijn overeengekomen, betreft dit een arbeidsrechtelijke kwestie die tot de bevoegdheid van de civiele rechter behoort.

4.21.

Het hof beantwoordt vraag 2 ontkennend.

Vragen 3 en 4 (wettelijke rente)

4.22.

Belanghebbende stelt dat de door de rechtbank gelaste vergoedingen van griffierecht en proceskosten niet door de inspecteur zijn betaald. Belanghebbende verbindt hieraan de consequentie dat wettelijke rente verschuldigd is geworden over deze vergoedingen.

4.23.

De inspecteur stelt dat uitbetaling heeft plaatsgevonden op 14 juli 2020, derhalve binnen een termijn van vier weken na de datum waarop de rechtbank de bestreden uitspraak heeft gedaan. Belanghebbende betwist dit.

4.24.

Gelet op de betwisting van de uitbetaling door belanghebbende en het ontbreken van bewijsstukken ter onderbouwing van de stelling van de inspecteur, kan in de onderhavige procedure niet vastgesteld worden of voornoemde vergoedingen (tijdig) zijn uitbetaald. Het hof zal de inspecteur, derhalve, veroordelen tot vergoeding van wettelijke rente over deze bedragen, met dien verstande dat wettelijke rente verschuldigd wordt vanaf vier weken na de openbaarmaking van de uitspraak van de rechtbank op 1 juli 2020 tot aan de algehele voldoening.7 Dit leidt echter niet tot gegrondverklaring van het beroep, aangezien belanghebbende in de procedure bij de rechtbank niet om vergoeding van wettelijke rente heeft verzocht.

4.25.

Voor zover belanghebbende verzoekt om, voor het geval nog geen uitbetaling heeft plaatsgevonden, uitbetaling te gelasten respectievelijk een termijn te stellen waarbinnen de inspecteur hiertoe dient over te gaan, is de belastingkamer van het hof onbevoegd om hierover te oordelen. Hetzelfde heeft te gelden met betrekking tot het verzoek van belanghebbende om toekenning van een dwangsom.

Tussenconclusie

4.26.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

Ten aanzien van het griffierecht

4.27.

Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.28.

Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb, aangezien het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond is.

5 Beslissing

Het hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep ongegrond;

  • -

    bevestigt de uitspraak van de rechtbank;

  • -

    veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van wettelijke rente over de door de rechtbank gelaste vergoeding van griffierecht van € 47 en vergoeding van proceskosten van € 787,50 te berekenen over de periode vanaf de dag nadat vier weken zijn verstreken na de openbaarmaking van de uitspraak van de rechtbank op 1 juli 2020 tot aan de dag van algehele voldoening.

De uitspraak is gedaan door L.B.M. Klein Tank, voorzitter, M.J.C. Pieterse en W.A. Sijberden, in tegenwoordigheid van J.M.A. van Rooij-Beckers, als griffier.

De uitspraak is alleen door M.J.C. Pieterse ondertekend, aangezien de voorzitter en de griffier zijn verhinderd deze te ondertekenen.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2021 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

  3. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. de dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

1 Hof Den Haag 25 augustus 2020, nummers BK-20/00613 tot en met BK-20/00616.

2 De statutaire naam is thans: [BV]

3 Vergelijk Hoge Raad 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672.

4 Zie onder 2.8 en 2.10.

5 Zie onder 2.4.

6 Hoge Raad 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2201.

7 Hoge Raad 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2358.