Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:1661

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-06-2021
Datum publicatie
09-06-2021
Zaaknummer
200.277.509_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Haviltex, begrip kosten in samenwoningsovereenkomst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2021-0146
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

zaaknummer 200.277.509/01

arrest van 8 juni 2021

in de zaak van

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als de vrouw,

advocaat: mr. R. Engwegen te Echt,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als de man,

advocaat: mr. G.D. Jongen te Heerlen,

op het bij exploot van dagvaarding van 14 april 2020 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 15 januari 2020, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen de vrouw als gedaagde en de man als eiser.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/262972 / HA ZA 19-197)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven;

  • -

    de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met producties;

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep;

  • -

    de akte inbrenging producties van de zijde van de man met één productie.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

3.1.1.

Het gaat in deze zaak om:

  1. de uitleg van het begrip “kosten” in art. 6 van de samenwoningsovereenkomst;

  2. de vraag of al een verdeling heeft plaatsgevonden;

  3. de vraag of de man nog een vordering op de vrouw heeft vanwege door hem betaalde eigenaarslasten.

3.1.2.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.1.2.1. De man en de vrouw hebben een affectieve relatie gehad. Zij hebben van 2000 tot medio maart 2017 samengewoond. Uit de relatie van partijen zijn twee kinderen geboren.

3.1.2.2. Partijen hebben op 2 juni 2004 ten overstaan van de notaris een samenwonings-overeenkomst gesloten.

Deze samenwoningsovereenkomst (hierna ook: de overeenkomst) bevat, voor zover in hoger beroep van belang, de volgende bepalingen.

“(…) GEMEENSCHAPPELIJKE HUISHOUDING

ARTIKEL 3

1. Partijen verplichten zich naar evenredigheid van hun inkomen, als bedoeld in artikel 2, bij te dragen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding.

2. Indien slechts één van de partijen inkomen heeft, komen de kosten van de gemeenschappelijke huishouding geheel ten laste van die partij.

3. Indien het inkomen niet toereikend is, is ieder der partijen gehouden naar evenredigheid van zijn/haar vermogen het tekort aan te vullen.

4. Ieder van partijen is met uitsluiting van de ander aansprakelijk en draagplichtig voor de schulden die hij of zij alleen is aangegaan of die op andere wijze aan hem/haar zijn opgekomen.

ARTIKEL 4

1. Tot de kosten van de gemeenschappelijke huishouding worden in voorkomende gevallen ondermeer gerekend de huurtermijnen betreffende de door partijen tezamen bewoonde woning, de kosten van gebruikelijke verzekeringen met inbegrip van de premie voor een eventuele ziektekostenverzekering, de kosten van gezamenlijke vakanties en de kosten van medische verzorging.

2. Indien ter financiering van de door partijen gezamenlijk te bewonen woning en van zaken aangeschaft voor de gemeenschappelijke huishouding een geldlening is aangegaan, zal de rente worden gerekend tot de kosten van de gemeenschappelijke huishouding. Zijn bedoelde zaken gemeenschappelijk eigendom, dan wordt ook de aflossing tot de kosten van de gemeenschappelijke huishouding gerekend. Voorts worden in dat geval tot die kosten gerekend de kosten van alle gewone lasten en herstellingen en buitengewone herstellingen als bedoeld in artikel 3:220 Burgerlijk Wetboek, de zakelijke belasting en de premie voor de

opstalverzekering.

Uit deze regeling kan niet te eniger tijd door één van partijen het bestaan van een huurverhouding worden afgeleid.

(…)

GEMEENSCHAPPELIJK BEWOONDE WONING

ARTIKEL 6

1. Indien door partijen een door hen gezamenlijk te bewonen woning en/of een door hen gezamenlijk te gebruiken tweede woning gezamenlijk wordt verkregen, zal de partij die uit eigen middelen meer dan haar aandeel van de koopsom en de kosten heeft betaald voor het meerdere een vordering hebben op de andere partij, tenzij partijen anders overeenkomen.

Vorenbedoelde vordering is opeisbaar bij vervreemding van de woning en bij ontbinding van deze overeenkomst en zal voorts geen rente dragen, tenzij partijen anders overeenkomen.

2. Partijen verplichten zich over en weer om bij voorgenomen vervreemding van zijn/haar aandeel in de gemeenschappelijk aangekochte of op andere wijze verkregen woning dit aandeel eerst te koop aan te bieden aan de andere partij, die binnen drie maanden na het gedane aanbod moet te kennen geven of hij of zij van het aanbod gebruik wenst te maken.

De overnameprijs zal alsdan worden vastgesteld in onderling overleg en bij gebreke van overeenstemming door drie deskundigen te benoemen door de Rechter in eerste aanleg binnen het rechtsgebied van de laatste gezamenlijke woonplaats van partijen.

(…)

EINDE SAMENWONING

(…)

ARTIKEL 9

1. Indien de overeenkomst eindigt tengevolge van opzegging, huwelijk of geregistreerd partnerschap, zijn partijen verplicht er aan mee te werken:

a. dat ieder in het bezit gesteld wordt van zijn of haar privé-goederen;

b. dat aan iedere partij worden toebedeeld en geleverd de goederen die hij/zij heeft aangebracht.

2. Het overig gemeenschappelijk vermogen zal zo spoedig mogelijk door partijen bij helfte worden verdeeld.

3. Het in de leden 1 en 2 bepaalde lijdt uitzondering indien partijen met elkaar trouwen of een geregistreerd partnerschap aangaan in algehele gemeenschap van goederen, voor zover de in de leden 1 en 2 bedoelde goederen gemeenschappelijk blijven.

4. Voor de bepaling van het zuiver saldo van het overig gemeenschappelijk vermogen, bedoeld in lid 2, zal per de dag van het eindigen van de overeenkomst een staat van baten en schulden worden opgesteld. Op deze staat worden de goederen opgenomen voor de waarde, daaraan toegekend door partijen in onderling overleg.

Bij de waardering van registergoederen moet worden uitgegaan van de waarde in onbewoonde staat. De schulden zullen op de staat worden opgenomen met inachtneming van de regels, die gelden voor successie-aangiften.

Voor zover partijen over een verdeling niet tot overeenstemming kunnen komen, vindt de verdeling plaats op de wijze als bepaald in artikel 3:185 Burgerlijk Wetboek.

5. Indien door de ene partij een uitkering wegens overbedeling moet worden gedaan aan de andere partij, zal de schuldenaar de bevoegdheid hebben de uitkering te voldoen in vijf gelijke jaarlijkse termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt zes maanden na het eindigen van de overeenkomst.

Over het nog niet betaalde deel van de uitkering is door de schuldenaar een rentevergoeding verschuldigd gelijk aan de wettelijke rente. De schuldeiser heeft de bevoegdheid zekerheidstelling te vragen voor de nakoming van de uit dit lid voortvloeiende verplichtingen. (…)”

3.1.2.3. Op 2 juni 2004 is, krachtens een koopovereenkomst, de woning gelegen te [postcode 1] [plaats 1] , [adres 1] (hierna: de woning) aan de man en de vrouw in eigendom overgedragen. Partijen zijn ieder gelijkelijk gerechtigd tot de eigendom van de woning. De koopprijs voor de woning bedroeg € 260.000,--. Inclusief de bijkomende kosten was de totale aankoopsom € 278.652,54.

Ter financiering van de woning is aan partijen een geldlening verstrekt. Tot zekerheid van deze geldlening werd een recht van eerste hypotheek gevestigd op de woning van partijen. Een recht van tweede hypotheek werd gevestigd op de woning gelegen te [postcode 2] [plaats 2] , [adres 2] , die alleen in eigendom toebehoorde aan de man (hierna: de woning van de man).

Deze hypothecaire geldlening met een hoofdsom van € 330.000,-- is gevestigd bij notariële akte van 2 juni 2004. Partijen zijn hoofdelijk verbonden voor deze hypothecaire geldlening. De hoofdsom valt uiteen in twee geldleningen:

- een Maximum + Hybride Hypotheek Plan ten bedrage van € 280.000,--;

- een overbruggingslening ten bedrage van € 50.000,--.

3.1.2.4 Op 14 januari 2005 is de woning van de man aan een derde overgedragen. De man heeft op dat moment vanuit privémiddelen de overbruggingslening van € 50.000,-- afgelost.

3.1.2.5. Op 27 april 2005 hebben partijen een extra hypothecaire geldlening van € 7.500,-- verkregen.

3.1.2.6. De vrouw heeft bij brief van 24 januari 2017 de samenwoningsovereenkomst ontbonden dan wel opgezegd. Daarmee is deze overeenkomst op grond van het bepaalde in art. 8 sub a per 31 januari 2017 geëindigd.

3.1.2.7. Op 1 december 2017 is de woning overgedragen aan een derde. De koopsom bedroeg € 280.000,--. Daarmee is de hypotheek die op de woning rustte, afgelost.

De procedure bij de rechtbank

3.2.1.

In de onderhavige procedure vordert de man, samengevat en voor zover in hoger beroep van belang, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

  1. de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van hetgeen hij meer dan zijn aandeel van de koopsom en de kosten voor de woning heeft betaald, namelijk een bedrag van € 50.000,--, althans een bedrag van € 25.000,-- als vergoeding wegens overbedeling, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag;

  2. veroordeling van de vrouw tot betaling aan de man van de helft van de kosten van de gemeenschappelijke huishouding tijdens de samenwoning van € 2.022,55 althans een door de rechtbank te bepalen bedrag;

  3. veroordeling van de vrouw tot betaling aan de man van de helft van de kosten van de gemeenschappelijke woning en overige gemeenschappelijke kosten van € 9.880,-- die de man vanaf het einde van de samenwoning tot levering van de woning heeft voldaan, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag;

subsidiair:

de toedeling c.q. levering van hetgeen de man uit eigen middelen meer dan zijn aandeel van/in de koopsom en de kosten voor de woning heeft betaald en door hem is aangebracht, vast te stellen krachtens de bepalingen van de samenwoningsovereenkomst, dan wel vast te stellen zoals redelijk en billijk voorkomt, met veroordeling van de vrouw uit dien hoofde tot betaling aan de man;

dat deel van de kosten van de gemeenschappelijke huishouding die krachtens de samenwoningsovereenkomst naar evenredigheid van beider inkomens dienden te worden betaald en door de man meer dan naar evenredigheid van zijn inkomen zijn betaald, vast te stellen conform de bepalingen van de samenwoningsovereenkomst, dan wel vast te stellen zoals redelijk en billijk voorkomt, met veroordeling van de vrouw uit dien hoofde tot betaling aan de man;

het deel van de kosten van de woning en overige gemeenschappelijke kosten die de man vanaf het einde van de samenwoning tot levering van de woning voor c.q. in plaats van de vrouw heeft betaald en voldaan, vast te stellen met veroordeling van de vrouw uit dien hoofde tot betaling aan de man;

meer subsidiair:

de verdeling vast te stellen op grond van de art. 3:178 BW in verbinding met art. 3:185 BW

primair, subsidiair en meer subsidiair:

de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.2.2.

Aan deze vordering heeft de man, zakelijk weergegeven, ten grondslag gelegd dat nog een financiële afwikkeling moet plaatsvinden van de samenlevingsrelatie van partijen overeenkomstig de samenwoningsovereenkomst en dat de vrouw haar verplichtingen uit die overeenkomst alsnog dient na te komen.

3.2.3.

De vrouw heeft verweer gevoerd. Op dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, hierna worden teruggekomen.

3.2.4.

Bij vonnis van 10 juli 2019 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast. Deze comparitie heeft plaatsgevonden op 15 november 2019. Van deze comparitie is proces-verbaal opgemaakt.

3.2.5.

In het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vrouw, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld om aan de man € 25.000,-- te betalen. Het meer of anders gevorderde is afgewezen. De rechtbank heeft proceskosten gecompenseerd in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten dient te dragen.

De procedure bij het hof

3.3.1.

De vrouw heeft tijdig hoger beroep ingesteld. Zij heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en, opnieuw rechtdoende, bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de man in al zijn vorderingen niet ontvankelijk te verklaren, althans hem deze als ongegrond en onbewezen te ontzeggen.

De vrouw heeft hiertoe vijf grieven aangevoerd. De grieven gaan over:

  • -

    de besteding van het bedrag van € 50.000,-- (grief 1);

  • -

    de uitleg van het begrip “kosten” in art. 6 van de samenwoningsovereenkomst (grief 2 en grief 3);

  • -

    de vordering van de man op de vrouw (grief 4).

Grief 5 is een zogenoemde “veeggrief” en behoeft geen aparte bespreking.

3.3.2.

De man heeft de grieven weersproken. Verder heeft hij incidenteel hoger beroep ingesteld. In het principaal en het incidenteel hoger beroep heeft hij geconcludeerd tot:

  1. ongegrondverklaring van de grieven van de vrouw in het principaal hoger beroep;

  2. gegrondverklaring van zijn grieven in het incidenteel hoger beroep;

  3. vernietiging van het bestreden vonnis voor wat betreft de in het incidenteel appel genoemde punten;

  4. bekrachtiging van het bestreden vonnis op de overige punten;

  5. veroordeling van de vrouw in de kosten van beide instanties, met de bepaling dat zij over deze proceskosten wettelijke rente is verschuldigd, te rekenen vanaf veertien dagen na de dag waarop het arrest is gewezen althans is betekend.

De man heeft hiertoe twee grieven aangevoerd. De grieven gaan over:

  • -

    de eigenaarslasten (grief I);

  • -

    de proceskosten (grief II).

3.3.3.

Het hof zal de grieven per onderwerp bespreken.

De besteding van het bedrag van € 50.000,-- (grief 1 van de vrouw)

3.4.1.

De grief komt er op neer dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat vaststaat dat een bedrag van € 50.000,-- eerst als overbruggingslening is geleend door partijen voor de (investeringen in) de woning en vervolgens door de man is afgelost. De vrouw licht haar grieven als volgt toe.

3.4.2.

De koopprijs van de woning van partijen bedroeg in totaal € 278.652,54. Partijen zijn daarvoor een hypothecaire geldlening aangegaan van in totaal € 280.000,--, welke op 27 april 2005 nog is verhoogd met € 7.500,--. Het gemeenschappelijke overbruggingskrediet van € 50.000,-- is afgelost met privémiddelen van de man. Dit bedrag was echter niet nodig om de aankoop van de woning te financieren omdat de hypothecaire geldlening daarvoor toereikend was. De vrouw weet niet of deze € 50.000,-- is aangewend voor de (verbouwing van de) woning. Zij betwist dit daarom. De man heeft nagelaten bewijsstukken van de aanwending van dit bedrag in het geding te brengen. Het bedrag kan dus ook zijn aangewend voor andere doeleinden waarop de samenwoningsovereenkomst geen betrekking heeft.

Dit betekent dat de rechtbank niet kon vaststellen dat dit bedrag is aangewend voor de woning van partijen. De rechtbank kon daarom niet bepalen dat de vrouw gehouden is de helft van dit bedrag aan de man te voldoen.

3.4.3.

De man heeft de grief weersproken. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Uit het samenstel van handelingen op 2 juni 2004 (levering woning en vestiging recht van hypotheek voor een bedrag van € 330.000,--) blijkt genoegzaam dat de hypothecaire geldlening is gebruikt ter financiering van de woning. De geldlening bestond uit twee gedeelten en deze zijn gezamenlijk gebruikt voor de aankoopkosten en de investeringen in de woning. De investeringen waren noodzakelijk om de woning geschikt te maken voor het gebruik ervan door partijen. De vrouw betwist niet dat partijen de woning hebben verbouwd en zodoende veel geld in de woning hebben geïnvesteerd. Verder waren partijen genoodzaakt de hoofdsom van de hypothecaire geldlening te verhogen met € 7.500,--. Hieruit kan worden afgeleid dat de totale hypothecaire geldleningen zijn opgegaan ter financiering van investeringen in de woning.

De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank erkend dat de hypothecaire geldlening van € 330.000 én de latere verhoging daarvan met € 7.500,-- in totaal is gebruikt voor de woning. Zij heeft verklaard: “U vraagt wat met de geleende bedragen is gebeurd. Ik denk dat het allemaal in de woning is gestoken”. Het enkele feit dat de vrouw thans stelt dat zij niet zeker weet of het bedrag van € 50.000,-- is gebruikt voor de woning, is geen gemotiveerde betwisting van de stelling van de man dat de geldleningen in de woning zijn geïnvesteerd. Voor zover de vrouw stelt dat de geldbedragen vermeld in de hypotheekakte niet zijn gebruikt ter financiering van de (investeringen in de) woning, dient zij te duiden wat er wél met dit geld is gebeurd.

3.4.4

Het hof overweegt als volgt.

De vrouw werpt met haar grief de vraag op of de door de man met privé vermogen afgeloste overbruggingslening van € 50.000,-- is besteed aan de woning. Volgens haar was dit geldbedrag niet nodig voor de woning omdat de hypotheek (exclusief de overbruggingslening) van € 280.000,-- voldoende was om de koopsom en de daarbij komende kosten van in totaal € 278.652,54 (prod. 7 bij dagvaarding eerst aanleg – afrekening notaris) te financieren.

Het hof stelt vast dat op 2 juni 2004 een drietal notariële akten voor partijen zijn gepasseerd: hun samenwoningsovereenkomst, de akte van levering van de woning en de hypotheekakte waarbij een eerste recht van hypotheek op hun gezamenlijke woning werd gevestigd. Onderdeel van de hypothecaire geldlening (van in totaal € 330.00,--) was een zogenoemde overbruggingslening van € 50.000,--. Voorts staat vast dat partijen deze hypothecaire geldlening korte tijd later (op 27 april 2005) hebben verhoogd met een bedrag van € 7.500,--.

Nu de vrouw niet heeft weersproken dat de woning verbouwd diende te worden – en de man de kosten hiervan ook met facturen (prod. 2 bij mva in principaal appel) heeft onderbouwd – gaat het hof er, mede gelet op het voorgaande (de samenloop van de notariële akten en de latere verhoging van de hypotheek) van uit dat het totale bedrag van de hypothecaire geldlening (€ 337.500,--) is besteed aan de verkrijging en verbouwing van de woning van partijen. De omstandigheid dat de vrouw thans in hoger beroep enkel stelt niet meer te weten waaraan de geldlening is besteed, vormt in het licht bezien van bovengenoemde feiten en omstandigheden, een blote betwisting en een onvoldoende feitelijke onderbouwing van haar grief. Dit betekent dat de eerste grief van de vrouw faalt. Het hof zal er daarom van uitgaan dat het bedrag van € 50.000,-- is besteed aan de verbouwing van en/of investeringen in de woning.

Artikel 6 samenwoningsovereenkomst (grieven 2 en 3 van de vrouw)

3.5.1.

De tweede en derde grief richten zich tegen de uitleg door de rechtbank van het begrip “kosten” in art. 6 van de samenwoningsovereenkomst. Volgens de vrouw heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat hiertoe ook de kosten van een eventuele verbouwing van de woning dan wel andere investeringen in de woning behoren.

De rechtbank heeft de vrouw ten onrechte niet gevolgd in haar uitleg van dit begrip. Artikel 6 heeft, gelet op de beperkte redactie alleen betrekking op de “verkrijging van een woning”. Hiermee worden enkel de aankoopprijs en de direct daaraan gerelateerde kosten (notariskosten, taxatiekosten, overdrachtsbelasting etc.) bedoeld. Investeringen in een koopwoning zijn niet verbonden aan de verkrijging. De vrouw doet daartoe een beroep op een uitspraak van het hof Arnhem-Leeuwarden van 14 november 2014 (ECLI:NL:GHARL: 2014:8641). De omstandigheid dat het bedrag van € 50.000,-- niet afzonderlijk is genoemd in de overeenkomst, doet daar niet aan af, met name omdat de man – ongeacht de samenwoningsovereenkomst – een verbintenisrechtelijke aanspraak op de vrouw had van € 25.000,--.

3.5.2.

De man betwist dat art. 6 restrictief moet worden uitgelegd. Partijen hebben de keuze gemaakt voor de woning op basis van het uitgangspunt dat zij deze woning zouden verbouwen om deze geschikt te maken voor gebruik. De investeringen zijn aldus verbonden aan de verkrijging van de woning. Ook omdat het bedrag van € 50.000,-- gelijktijdig is opgenomen met de andere hypothecaire geldlening en is aangewend voor investeringen in de woning, valt dit onder het begrip “kosten”. Een andere uitleg is in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid, omdat dit tot gevolg zou hebben dat “de man volledig ‘opdraait’ voor de investeringen in de woning, terwijl de vrouw wel profijt heeft gehad van de investeringen (onder andere ten tijde van de verkoop)”.

3.5.3.

De rechtbank overwoog in rov. 4.1.4 over de uitleg van art. 6:

“De rechtbank volgt [de vrouw] niet in haar (beperkte) lezing van het bepaalde in artikel 6 van de samenwoningsovereenkomst. Daarin wordt de term ‘kosten’ gehanteerd, zonder nadere aanduiding over de uitleg van dat begrip. Dat daarmee enkel de aankoopprijs van de gezamenlijke woning en de direct daaraan gerelateerde kosten wordt bedoeld, volgt uit die bepaling als zodanig niet en is door [de vrouw] ook niet voldoende toegelicht. Partijen hebben de samenwoningsovereenkomst gelijktijdig met de levering van de woning gesloten. Vast staat dat het bedrag van € 50.000,00 eerst als overbruggingslening is geleend door partijen ten behoeve van (investeringen in) de woning en vervolgens volledig door [de man] is afgelost. Het bedrag is bij de aankoop van de woning geleend en niet op een later moment. Nu vast staat dat door [de man] een bedrag van € 50.000,00 aan eigen middelen is aangewend ten behoeve van de gezamenlijke woning valt dit bedrag onder het begrip ‘kosten’ als vermeld in artikel 6. Daarbij betrekt de rechtbank dat dit bedrag gelijktijdig is opgenomen met de hypotheek, aangewend is voor (investering in) de woning en niet afzonderlijk is vermeld in de samenwoningsovereenkomst. [de man] heeft daarom in beginsel een vordering voor dit bedrag op [de vrouw] .”

3.5.4.

Het hof overweegt als volgt.

De vraag die moet worden beantwoord is of het bedrag van € 50.000,-- (dat is aangewend voor de kosten van verbouwingen van en/of investeringen in de woning) onder de reikwijdte van het begrip “kosten” in art. 6 van de samenwoningsovereenkomst valt. De vrouw heeft een beperkte uitleg bepleit terwijl de man uitgaat van een ruime(re) uitleg.

In art. 6 lid 1 is het hiernavolgende opgenomen:

“Indien door partijen een door hen gezamenlijk te bewonen woning en/of een door hen gezamenlijk te gebruiken tweede woning gezamenlijk wordt verkregen, zal de partij die uit eigen middelen meer dan haar aandeel van de koopsom en de kosten (onderstreping hof) heeft betaald voor het meerdere een vordering hebben op de andere partij, tenzij partijen anders overeenkomen.”

3.5.4.1. De afspraken tussen partijen in de samenwoningsovereenkomst dienen te worden uitgelegd aan de hand van de zogenaamde Haviltex-maatstaf (HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158):

“De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van pp. is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die pp. in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen pp. behoren en welke rechtskennis van zodanige pp. kan worden verwacht.”

3.5.4.2. Anders dan de vrouw kennelijk bepleit (“Artikel 6 is reeds zeer beperkt geredigeerd”) kan bij de uitleg van art. 6 dus niet worden volstaan met (enkel) een taalkundige uitleg. Bij die uitleg dient de rechter rekening te houden met alle bijzondere omstandigheden van het gegeven geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen (HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427, NJ 2005/493). Het beroep van de vrouw op een arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden waarbij het kennelijk ging om een identieke bepaling in een samenwoningsovereenkomst (maar waarbij het overigens niet ging om het begrip “kosten”), kan haar daarom niet baten. Het gaat immers om de uitleg van de samenwoningsovereenkomst van déze partijen met in achtneming van alle bijzondere omstandigheden van déze zaak.

3.5.4.3. De bijzondere omstandigheden in deze zaak zijn de hiernavolgende. Allereerst zijn zowel de samenwoningsovereenkomst, terwijl partijen al sinds 2000 samenwoonden, als de akte van levering van de woning én de hypotheekakte op dezelfde dag (2 juni 2004) door de notaris gepasseerd. Hieruit leidt het hof af, dat deze drie notariële akten in onderling verband dienen te worden bezien.

Verder staat tussen partijen als onweersproken vast dat de woning verbouwd diende te worden. In dat kader dient ook de overbruggingslening van € 50.000,-- te worden bezien. Het andere gedeelte van de hypothecaire geldlening (het Maximum + Hybride Hypotheek Plan) voor een bedrag van € 280.000,-- was immers voldoende om de aankoopsom én de door de vrouw in haar memorie van grieven genoemde bijkomende kosten (€ 278.652,54) te financieren. Voor die kosten was dus, met andere woorden, het bedrag van € 50.000,-- niet bestemd en gesteld noch gebleken is dat de overbruggingslening voor een ander doel (dan de ten behoeve van de woning) is aangewend.

Dit betekent dat, gelet op deze feiten en omstandigheden, partijen aan het begrip “kosten”, opgenomen naast het begrip “koopsom” over en weer redelijkerwijs de betekenis van “verbouwings- en/of investeringskosten voor de woning” mochten toekennen. De grieven 2 en 3 falen daarom.

De vordering van de man op de vrouw (grief 4 van de vrouw)

3.6.1.

De grief komt er op neer dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de man jegens de vrouw aanspraak kan maken op de helft van € 50.000,--. De vrouw licht haar grief als volgt toe.

Zij betwist dat de man meer dan zijn aandeel in de koopsom van de woning en daarmee verband houdende bedragen heeft voldaan. De aankoopkosten bedroegen in totaal € 278.652,54. Met de aanwending van de hypothecaire geldlening van € 280.000,-- zijn die kosten volledig voldaan. Partijen hebben daarmee ieder de helft van de aankoopsom en bijbehorende kosten voldaan. De man heeft aldus niet meer – uit privé vermogen – bijgedragen dan de vrouw.

De rechtbank heeft door toepassing van art. 9 van de samenwoningsovereenkomst (waaruit volgens de rechtbank volgt dat het gemeenschappelijk vermogen zo spoedig mogelijk door partijen bij helfte moet worden verdeeld) miskend dat reeds een verdeling bij helfte had plaatsgevonden.

De woning is door partijen verkocht voor een bedrag van € 280.000,--. Dit bedrag is aangewend voor de aflossing van hypothecaire geldlening ter grootte van € 287.500,--. Het restant van de hypotheek is afgelost door aanwending van het saldo van een op naam van de man staande spaarpolis (€ 12.823,--). De man heeft bij de procedure bij de rechtbank de helft van dit bedrag van de vrouw teruggevorderd. Deze vordering is door de rechtbank toegewezen en zij heeft tegen dit oordeel geen grief gericht. Dit betekent dat het gemeenschappelijk vermogen van partijen reeds bij helfte is verdeeld.

De man heeft wel met zijn privé vermogen een gemeenschappelijke schuld (het overbruggingskrediet) afgelost. De vrouw is gehouden de helft hiervan aan de man te betalen. Het gaat hier om een verbintenisrechtelijke aanspraak. De verjaringstermijn hiervan vangt aan op de dag van de betaling (14 januari 2005). De vordering is daarom verjaard op 14 januari 2010.

3.6.2.

De man heeft de grief weersproken. Hij heeft daartoe het volgende gesteld.

Het bedrag van € 50.000,-- is gebruikt voor de financiering van de aankoop en verbouwing van de woning. Er heeft geen verdeling bij helfte plaatsgevonden. Dit was juist de reden voor hem om de vrouw in rechte te betrekken.

De vrouw stelt ten onrechte dat de woning met een verlies van € 12.823,-- is verkocht. De woning is verkregen voor een bedrag van € 337.500,-- terwijl de woning is verkocht voor een bedrag van € 280.000,--. Derhalve is sprake van een verlies van € 50.000,--.

De man baseert zijn vordering op de samenwoningsovereenkomst. Op grond van het daarin bepaalde was het bedrag van € 50.000,-- opeisbaar vanaf het moment van beëindiging van de samenwoningsovereenkomst. Zijn vordering is daarom nog niet verjaard.

3.6.3.

De rechtbank overwoog in rov. 4.1.5. en 4.1.6.:

“Uit artikel 6 van de samenwoningsovereenkomst volgt dat [de man] ‘voor het meerdere’ dan zijn aandeel in de koopsom en kosten een vordering heeft op [de vrouw] . Uit artikel 9 van de samenwoningsovereenkomst volgt verder dat bij het einde van de samenwoningsovereenkomst het gemeenschappelijk vermogen bij helfte zal worden verdeeld. Dit geldt tevens voor de waarde van de gezamenlijke woning. Een eventueel tekort zal daarom ook bij helfte door partijen moeten worden gedragen. De betreffende woning is verkocht met een verlies van € 50.000. Uit de door partijen overgelegde stukken volgt immers dat de woning na aftrek van alle kosten € 50.000 minder heeft opgebracht dan er door partijen is ingebracht. Als het primaire standpunt van [de man] zou worden gevolgd en [de vrouw] aan hem de € 50.000 die hij uit eigen middelen heeft betaald zou moeten terugbetalen, dan zou [de vrouw] dit verlies alleen dragen. Dit strookt niet met artikel 9 van de samenwoningsovereenkomst.

4.1.6.

Op grond van het voorgaande kan [de man] jegens [de vrouw] (slechts) aanspraak maken op de helft van voornoemd bedrag, dus een bedrag van € 25.000,00. De vordering wordt in zoverre toegewezen.”

3.6.4.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof stelt allereerst vast dat de man zijn vordering baseert op art. 6 van de samenwoningsovereenkomst. Het beroep van de vrouw op verjaring van de vordering van de man uit hoofde van een verbintenisrechtelijke aanspraak van de man (het hof begrijpt: een vergoedingsrecht van de man), treft reeds daarom geen doel.

Partijen hebben in totaal € 337.500,-- geïnvesteerd in de aankoop en verbouwing van de woning. Van dit bedrag is tijdens de samenwoning door de man, ten laste van zijn privé vermogen, een bedrag van € 50.000,-- afgelost. Vervolgens resteerde voor partijen nog een hypotheekschuld van € 287.500,--. Door de verkoop van de woning aan een derde voor € 280.000,-- en de aanwending van het saldo van een spaarpolis van de man (waaraan de vrouw ook bij helfte heeft bijgedragen), is de aflossing van het restant van de hypotheekschuld door beide partijen in gelijke mate gedragen.

Dit laat echter onverlet dat alleen de man – uitsluitend ten laste van zijn privé vermogen – de overbruggingslening (van € 50.000,--) op 14 januari 2005 (prod. 10 bij dagvaarding eerste aanleg) heeft afgelost vanuit de overwaarde die resteerde na de verkoop en levering van zijn woning aan een derde. Deze overbruggingslening behoorde, zoals het hof hiervoor heeft overwogen, tot de kosten genoemd in art. 6 van de samenwoningsovereenkomst.

Daarmee heeft de man uit eigen middelen meer dan zijn aandeel van de koopsom en de kosten betaald voor de woning. Dit betekent dat de man voor dat meerdere een vordering op de vrouw heeft van € 25.000,--.

Ten slotte treft ook het beroep van de vrouw op art. 9 van de samenwoningsovereenkomst geen doel. Zij baseert dit beroep immers op de onjuiste veronderstelling dat het in de woning geïnvesteerde bedrag € 287,500,-- bedroeg (in plaats van € 287.500,-- + € 50.000,-- = € 337.500,--). Daarmee mist haar grief in zoverre een feitelijke grondslag.

Het voorgaande betekent dat ook grief 4 geen doel treft.

3.7.

Nu alle grieven in het principaal appel niet slagen, zal het hof het bestreden vonnis in zoverre bekrachtigen en de vorderingen van de vrouw in hoger beroep afwijzen.

De eigenaarslasten (grief I van de man)

3.8.1.

De grief komt er op neer dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de man zijn vordering voor de eigenaarslasten, niet heeft onderbouwd. De man licht zijn grief als volgt toe.

Hij heeft aanspraak gemaakt op betaling van de helft van de kosten van de gemeenschappelijke woning en de direct daaraan verbonden kosten. Het gaat om de volgende kosten:

  1. Direktbank hypotheek € 280.000,-- € 805,-- per maand

  2. Direktbank hypotheek € 7.500,-- € 20,-- per maand

  3. Gemeentelijke belastingen en waterschapsbelasting € 107,93 per maand

  4. ASR overlijdensrisicoverzekering € 30,32 per maand

  5. Noord Hollandsche schadeverzekering combipolis € 27,43 per maand

  6. Abonnement [tussenpersoon] € 28,80 per maand

Totaal € 1.019,49 per maand

Direktbank (posten a en b)

Partijen zijn hoofdelijk aansprakelijk voor deze schuld en de lasten dienen bij helfte te worden gedragen. Uit prod. 3 in hoger beroep blijkt dat de man maandelijks € 825,-- betaalde.

Gemeentelijke belastingen en waterschapsbelasting (post c)

Deze lasten zijn direct verbonden aan de woning. De kosten moeten daarom bij helfte worden gedragen. Uit prod. 4 in hoger beroep blijkt dat de man maandelijks € 107,93 betaalde.

Overlijdensrisicoverzekering (post d)

Deze verzekering is door partijen afgesloten. Uit prod. 5 in hoger beroep blijkt dat de man maandelijks € 30,32 betaalde.

Schadeverzekering (post e)

Dit is de opstalverzekering (prod. 6 in hoger beroep). Deze kosten dienen door beide partijen bij helfte te worden gedragen.

Abonnement tussenpersoon (post f)

Ten behoeve van de verzekeringen voor de woning, zijn partijen een abonnement aangegaan bij de tussenpersoon “ [tussenpersoon] ”. De kosten hiervan dienen bij helfte te worden gedragen. Dat het abonnement € 28,80 per maand kostte, blijkt uit prod. 7 in hoger beroep.

In totaal gaat het om € 1.019,48 per maand gedurende een periode van tien maanden (februari 2017 tot december 2017 = € 10.194,80). Maandelijks ontving de man een bedrag van € 292,-- vanwege hypotheekrenteaftrek. Dit bedrag dient bij helfte te worden gedeeld omdat de bepaling uit de samenwoningsovereenkomt (partijen dienen naar rato van hun inkomen en vermogen bij te dragen in de kosten) is vervallen door de beëindiging van de samenwoningsovereenkomst.

Dit betekent dat de vrouw € 3.637,40, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 juli 2017 (ex art. 9 van de samenwoningsovereenkomst) aan de man is verschuldigd.

3.8.2.

De vrouw betwist dat zij het door de man gevorderde bedrag aan hem verschuldigd is. Zij stelt in haar memorie van grieven in incidenteel appel dat de man de vordering onvoldoende heeft onderbouwd omdat bewijsstukken (voor de posten a, b, c, e en f) dat de betalingen ten laste van het inkomen / vermogen zijn gedaan, ontbreken.

Bovendien is het in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid thans van haar te verlangen dat zij over de periode dat zij niet in de woning woonde, de helft van de lasten aan de man voldoet. Zij heeft de woning verlaten en heeft sindsdien geen bijdrage meer geleverd in de lasten voor de woning omdat dit voor haar financieel niet meer mogelijk was. Zij had een beperkt inkomen, de man betaalde geen onderhoudsbijdrage voor de kinderen tot juli 2017 en zij diende de lasten van haar eigen woning te voldoen.

Voor wat betreft de gemeentelijke belastingen en waterschapsbelasting (post c) is er een gebruikersdeel en een eigenaarsdeel. Uitsluitend de man bewoonde de woning in genoemde periode, zodat hij volledig draagplichtig is voor het gebruikersdeel. De man heeft evenwel niet inzichtelijk gemaakt welk gedeelte het eigenaarsdeel betreft.

3.8.3.

Naar aanleiding van de memorie van antwoord in incidenteel appel, heeft de man bij akte inbrenging producties gesteld dat de lasten zijn voldaan van zijn bankrekening. Ten bewijze van die stelling, heeft hij zijn rekeningafschriften over het jaar 2017 integraal overgelegd.

In haar antwoordakte heeft de vrouw zich gerefereerd aan het oordeel van het hof over de betaling van deze lasten. Zij persisteert echter bij haar subsidiaire standpunten (beroep op de eisen van redelijkheid en billijkheid en het niet verschuldigd zijn van het gebruikersgedeelte van de gemeentelijke en waterschapsbelastingen).

3.8.4.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de door de man als prod. 8 in hoger beroep overgelegde rekeningoverzichten van zijn bankrekening, volgt dat hij de in rov. 3.8.1.genoemde kosten ten laste van zijn bankrekening heeft voldaan.

De kosten voor de opstalverzekering (post d € 30,32 per maand) zijn aan te merken als kosten voor de instandhouding van de woning, die gezamenlijk eigendom van partijen is. Uit die gezamenlijke eigendom volgt dat beide partijen (“in dezelfde evenredigheid”) draagplichtig zijn voor lasten die daaraan zijn verbonden (art. 3:172 BW). Dit betekent de vrouw voor de helft van deze lasten (€ 30,32 x 10 maanden = € 303,20 / 2 = € 151,60) draagplichtig is. In zoverre treft de grief van de man doel.

De overige kosten daarentegen zijn geen kosten voor onderhoud en instandhouding van de woning zoals bedoeld in art. 3:172 BW. Het hof verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 11 oktober 1991, NJ 1992, 600 m.nt. W.M. Kleijn en met name rov. 3.2 daarvan:

“Ook echter indien moet worden aangenomen dat de uit die [hypothecaire] leningen verkregen geldmiddelen zijn aangewend ter financiering van de aankoop respectievelijk verbouwing van het gemeenschappelijk pand, brengt dit niet mee dat het aangaan van de leningen kan gelden als een ten behoeve van (onderhoud en instandhouding van) het gemeenschappelijke pand verrichte handeling.”

Op grond van het bepaalde in art. 6:10 BW moet voor die kosten de vraag worden beantwoord wie die lasten in de onderlinge verhouding van partijen aangaat. Aangezien sprake is van lasten die voortvloeien uit het gebruik van de woning en de woning (uitsluitend) door de man is gebruikt, komen deze kosten in de onderlinge verhouding tussen partijen voor rekening van de man.

De grief slaagt aldus gedeeltelijk. Hetgeen de vrouw meer of anders bij de rechtbank heeft

gesteld, kan niet tot een ander oordeel leiden.

Het voorgaande leidt tot een vordering van € 151,60 van de man op de vrouw. Het hof zal daarom de beslissing van de rechtbank op dit punt vernietigen.

De proceskosten (grief II van de man)

3.9.1.

De man betoogt dat de vrouw in eerste aanleg de meest in het ongelijk gestelde partij is, zodat zij tot vergoeding van de proceskosten moet worden veroordeeld. De omstandigheid dat partijen ex-partners zijn, staat hieraan niet in de weg. De vrouw werkt niet mee aan het bereiken van een oplossing van het geschil tussen partijen en zij maakt misbruik van het procesrecht door nodeloos procedures te starten, althans daarmee te dreigen.

3.9.2.

De vrouw betwist dat aan haar zijde sprake is van een onwelwillende houding en dat zij misbruik maakt van het procesrecht.

3.9.3.

Het hof is van oordeel dat geen sprake is van misbruik van het procesrecht of van nodeloos procederen door de vrouw. Het staat de vrouw immers vrij hoger beroep in te stellen en al dan niet mee te werken aan een minnelijke regeling tussen partijen. Het hof zal daarom, met toepassing van art. 237 Rv in verbinding met art. 353 Rv de proceskosten compenseren, in die zin dat ieder partij de eigen kosten in hoger beroep draagt.

4 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt het bestreden vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond van 15 januari 2020 doch uitsluitend voor zover het betreft de afwijzing van de vordering van de man tot betaling door de vrouw aan hem van de helft van de kosten van de gemeenschappelijke woning en overige gemeenschappelijk kosten;

in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man van een bedrag van € 151,60 zijnde de helft van de premie voor de opstalverzekering;

bekrachtigt het vonnis voor het overige;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.P.M. van Reijsen, M.J. van Laarhoven en G.J. Vossestein en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 8 juni 2021.

griffier rolraadsheer