Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:1631

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
03-06-2021
Zaaknummer
20-002023-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 17.2 lid 1 van de Wet Milieubeheer en art. 2.3, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Op 22 augustus 2017 is in het influent van rioolwaterzuiveringsinstallatie Hapert een verhoogde geleidbaarheid (EGV-waarde) gemeten. Het zuiveringsproces van de rioolwaterzuiveringsinstallatie is dusdanig verstoord geraakt dat tijdelijk de inname gestaakt moest worden. Uit vervolgonderzoek bleek dat de verontreinigende stoffen met in ieder geval een sterk verhoogde EGV-waarde afkomstig waren van het bedrijfsterrein van de verdachte en in het nabijgelegen regenwaterriool terecht waren gekomen

Het hof acht bewezen dat de verdachte heeft nagelaten om een lekkage in een afvalwatertank zo spoedig mogelijk te melden bij de milieuklachtencentrale van de Provincie Noord-Brabant, maar niet dat de verdachte dit met opzet heeft gedaan. De verdachte is voor dit feit schuldig verklaard zonder strafoplegging. Voorts heeft de verdachte in strijd met een vergunningsvoorschrift bedrijfsafvalwater in het riool gebracht. Hiervoor is een geldboete opgelegd.

De verdachte was verantwoordelijk voor een goede werking van haar inrichting. In dit geval bleken verschillende onderdelen niet goed te werken, welke omstandigheden ertoe hebben geleid dat er een overstroming van de tank heeft plaatsgevonden en er verontreinigd bedrijfsafvalwater in het riool is terechtgekomen, waardoor het zuiveringsproces werd belemmerd. Hiermee heeft verdachte een voor haar geldend vergunningsvoorschrift overtreden. Het is aan verdachte te wijten dat verschillende onderdelen van haar inrichting niet goed functioneerden, defect of lek en (nog) niet hersteld waren. Door na te laten zich ervan te verzekeren en te bevorderen dat het gebruikte materiaal en de gebruikte apparatuur in orde waren en door na te laten toezicht te houden op de pompwerkzaamheden, is in strijd met een vergunningsvoorschrift bedrijfsafvalwater in het riool gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-002023-19

Uitspraak : 4 mei 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van de economische kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 27 juni 2019, in de strafzaak met parketnummer 82-048730-19 tegen:

[verdachte] ,

statutair gevestigd te [vestigingsplaats]

Hoger beroep

Namens de verdachte is op 1 juli 2019 tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis zal bevestigen, behoudens de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen ten aanzien van feit 1 tot een geldboete van € 2.500,00 en ten aanzien van feit 2 tot een geldboete van € 750,00.

De verdediging heeft zich ter zake van het onder 1 tenlastegelegde op het standpunt gesteld dat ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen en ter zake van het onder 2 tenlastegelegde heeft de verdediging vrijspraak bepleit. Subsidiair, zo begrijpt het hof, heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de economische politierechter.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.
zij op of omstreeks 22 augustus 2017 te Bladel, althans in Nederland, als degene die een inrichting (type C), als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, (aan of nabij de [vestigingsplaats] ), dreef, waarin zich op 21 en/of 22 augustus 2017 een ongewoon voorval als bedoeld in artikel 17.1 van de Wet milieubeheer voordeed of heeft voorgedaan, te weten een lekkage in de afvalwatertank, al dan niet opzettelijk, dat voorval niet zo spoedig mogelijk heeft gemeld aan het bestuursorgaan dat bevoegd was een omgevingsvergunning voor een inrichting te verlenen, dan wel ingevolge 8.41, tweede lid onder a, van de Wet milieubeheer, het orgaan was waaraan de melding werd gericht dan wel, in andere gevallen, aan burgermeester en wethouders;

2.
zij op of omstreeks 22 augustus 2017 te Bladel, althans in Nederland, terwijl voor haar een vergunning krachtens de Wet milieubeheer, gelijkgesteld met een omgevingsvergunning ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, gold, al dan niet opzettelijk, heeft gehandeld in strijd met een aan die vergunning verbonden voorschrift dat betrekking had op het in werking hebben van een inrichting, te weten een afvalwatertank, zijnde een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, immers, in strijd met bepaling 3.1.1 van die vergunning heeft zij, verdachte, bedrijfsafvalwater in het riool gebracht, waardoor de doelmatige werking werd belemmerd van de bij een openbaar riool behorende apparatuur en/of de verwerking van slib, verwijderd uit een openbaar riool.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak van de onder 1 impliciet tenlastegelegde misdrijfvariant

Voor zover in dit kader relevant stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 22 augustus 2017 is in het influent van rioolwaterzuiveringsinstallatie Hapert een verhoogde geleidbaarheid (EGV-waarde) gemeten. Het zuiveringsproces van de rioolwaterzuiveringsinstallatie is dusdanig verstoord geraakt dat tijdelijk de inname gestaakt moest worden. Uit vervolgonderzoek bleek dat de verontreinigende stoffen met in ieder geval een sterk verhoogde EGV-waarde afkomstig waren van het bedrijfsterrein van de verdachte en in het nabijgelegen regenwaterriool terecht waren gekomen.1

Op 22 augustus 2017 omstreeks 18.15 uur is er telefonisch contact opgenomen met [mededirecteur] , mededirecteur van de verdachte rechtspersoon, en heeft de opsporingsambtenaar van Waterschap De Dommel zijn bevindingen aan haar medegedeeld. [mededirecteur] heeft kenbaar gemaakt dat volledige medewerking zal worden verleend, dat de [medewerker] uitleg zal geven en dat de calamiteit niet is gemeld bij het bevoegd gezag.2

Medewerker [medewerker] heeft op 22 augustus 2017 het volgende verklaard:

“Bij [verdachte] wordt kippen-, koeien- en varkensmest opgeslagen, gemengd en gehygiëniseerd. Het hygiëniseren vindt plaats in composteertunnels. Onder de composteertunnels is een opvangput waar het uitdruipende mestvocht in wordt opgevangen. Het mestvocht wordt verzameld in een centrale verzamelput. In die put komt ook het spuiwater van de biobedden terecht, de biologische luchtwasser. In het weekend van 19 en 20 augustus 2017 is via de schrobputten mestconcentraat in de kelderruimte terecht gekomen. Dit afvalwater was afkomstig van de centrale verzamelput. Oorzaak was een defecte pomp waardoor via de schrobput nabij de centrale put dit mestconcentraat in de kelderruimte achter de composteertunnels terecht is gekomen. In de gehele kelderruimte heeft zich toen een vloeistoflaag van ongeveer 2 centimeter gevormd. Op maandag 21 augustus 2017 ben ik gestart met het terugpompen van dit mestconcentraat naar de centrale put. De pomp heeft tot dinsdag 22 augustus 2017 omstreeks 07:00 uur mestconcentraat teruggepompt naar de centrale put. Vanuit de centrale put werd het mestconcentraat vervolgens verpompt naar de afvalwatertank die op het buitenterrein is gelegen. Omdat de dompelpomp niet is afgeslagen, is de spuiwatertank vervolgens overstroomd, waarna de lozing in het riool heeft plaatsgevonden. Toen ik vanochtend rond 07.00 uur het terrein op reed, zag ik dat de spuiwatertank overstroomde. Dat afvalwater stroomde via een gat aan de bovenzijde van de tank een straatkolk in. Ik heb vervolgens de pomp uitgeschakeld en het overtollige water terug in de putten van het bedrijf gepompt zodat de lozing werd gestopt.”3

Op 22 augustus 2017 omstreeks 19.45 uur heeft de heer [opsporingsambtenaar] , toezichthouder van de Omgevingsdienst Zuid Oost-Brabant, telefonisch contact gehad met [mededirecteur] met het verzoek om alsnog melding te maken van het ongewoon voorval bij de milieuklachtencentrale en werden er afspraken gemaakt over het schoonmaken van het regenwaterriool op woensdag 23 augustus 2017.4

Op 23 augustus 2017 om 10.14 uur is het ongewoon voorval bij de milieuklachtencentrale gemeld.5

Het hof stelt derhalve vast dat zowel de [medewerker] als [mededirecteur] hebben nagelaten zo spoedig mogelijk het ongewoon voorval te melden bij de provinciale milieuklachtencentrale van de Provincie Noord-Brabant.

Ten aanzien van de beoordeling van deze gedraging van de [medewerker] gaat het hof uit van de verklaring van [mededirecteur] , vertegenwoordiger van de verdachte, zoals zij deze verklaring heeft afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 21 april jl., voor zover zij heeft verklaard dat de [medewerker] destijds geïnstrueerd was een ongewoon voorval te melden maar dat hij de situatie verkeerd had beoordeeld. Het hof begrijpt dat de [medewerker] kennelijk het incident (onterecht) niet heeft beschouwd als een ongewoon voorval in de zin van artikel 17.1 Wet milieubeheer en dat hij daarom heeft nagelaten het ongewoon voorval te melden. Dat er gebreken aan de aan [medewerker] gegeven instructies kleefden, is op basis van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting niet komen vast te staan. [medewerker] is daarover ook niet gehoord. Het hof gaat er daarom van uit dat de verdachte rechtspersoon in zoverre de nodige zorg heeft betracht met het oog op de voorkoming van de gedraging. Het hof is van oordeel dat het nalaten door de [medewerker] om tijdig melding te doen redelijkerwijs niet aan de verdachte rechtspersoon kan worden toegerekend.

Ten aanzien van de beoordeling van de gedraging van [mededirecteur] geldt het volgende. [mededirecteur] , mededirecteur van de verdachte, is in kennis gesteld van de bevindingen van de opsporingsambtenaar van het Waterschap De Dommel en zij is er expliciet op gewezen dat zij het ongewoon voorval alsnog zo spoedig mogelijk diende te melden bij de milieuklachtencentrale. Het hof gaat ook hier uit van de verklaring van [mededirecteur] voor zover zij heeft verklaard dat zij een vrije dag had, dat zij voor het eerst kennis nam van het ongewoon voorval toen zij die avond werd gebeld door medewerker [medewerker] en de opsporingsambtenaar van het Waterschap, dat zij sindsdien verschillende personen en instanties heeft gebeld om de situatie op te lossen, dat zij kennelijk niet het telefoonnummer van de milieuklachtencentrale in haar telefoon had staan en dat zij die avond veelvuldig heeft geprobeerd telefonisch contact op te nemen met de milieuklachtencentrale maar dat zij waarschijnlijk vanwege de hectische situatie een verkeerd nummer heeft gebeld. Eerst de ochtend erna beschikte [mededirecteur] over het juiste telefoonnummer voor het doen van de melding en heeft zij telefonisch contact opgenomen met de Omgevingsdienst; zij heeft toen het correcte telefoonnummer van de milieuklachtencentrale ontvangen en gebeld om het ongewoon voorval te melden, aldus [mededirecteur] ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 21 april 2021. Dat [mededirecteur] als bestuurder van verdachte niet over het juiste telefoonnummer beschikte om zo spoedig mogelijk de melding te doen, waardoor het ongewoon voorval niet zo spoedig mogelijk werd gemeld aan het bevoegde bestuursorgaan, is aan de verdachte toe te rekenen. Het hof is van oordeel dat op grond van voornoemde feiten en omstandigheden echter niet is komen vast te staan dat sprake is van opzettelijk nalaten van [mededirecteur] en daarmee evenmin van opzettelijk nalaten van de verdachte rechtspersoon.

Mitsdien zal het hof, anders dan de economische politierechter en de advocaat-generaal, de verdachte vrijspreken van de onder 1 impliciet tenlastegelegde misdrijfvariant.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
zij op 22 augustus 2017 te Bladel, als degene die een inrichting (type C), als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, aan of nabij de [vestigingsplaats] , dreef, waarin zich op 21 en/of 22 augustus 2017, een ongewoon voorval als bedoeld in artikel 17.1 van de Wet milieubeheer voordeed, te weten een lekkage in de afvalwatertank, dat voorval niet zo spoedig mogelijk heeft gemeld aan het bestuursorgaan dat bevoegd was een omgevingsvergunning voor een inrichting te verlenen, dan wel ingevolge 8.41, tweede lid onder a, van de Wet milieubeheer, het orgaan was waaraan de melding werd gericht;
2.
zij op of omstreeks 22 augustus 2017 te Bladel, terwijl voor haar een vergunning krachtens de Wet milieubeheer, gelijkgesteld met een omgevingsvergunning ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, gold, heeft gehandeld in strijd met een aan die vergunning verbonden voorschrift dat betrekking had op het in werking hebben van een inrichting, zijnde een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, immers in strijd met bepaling 3.1.1 van die vergunning heeft zij, verdachte, bedrijfsafvalwater in het riool gebracht, waardoor de doelmatige werking werd belemmerd van de bij een openbaar riool behorende apparatuur.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De verdediging heeft en aanzien van het onder 1 tenlastegelegde aangevoerd dat de bestuurder van de rechtspersoon, [mededirecteur] , het ongewoon voorval direct heeft gemeld bij het Waterschap en dat zij daarmee aan haar verplichting heeft voldaan.

Het hof overweegt het volgende.

Uit artikel 17.2 jo. artikel 17.1 van de Wet milieubeheer volgt dat niet het Waterschap het bevoegd gezag was waaraan de melding diende te worden gedaan. Dat het ongewoon voorval op 22 augustus 2017 al bekend was bij het Waterschap laat onverlet dat zo spoedig melding had moeten worden gedaan bij het bevoegde bestuursorgaan, in deze zaak de Provincie Noord-Brabant, en dat hieraan niet is voldaan.

De verdediging heeft ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde vrijspraak bepleit. Op gronden nader verwoord in de pleitnota heeft de verdediging daartoe – kort weergegeven – aangevoerd dat het afstromen van afvalwater naar het riool niet kan worden gekwalificeerd als lozing in de zin van voorschrift 3.1.1 van de verleende vergunning. Het afvalwater is namelijk niet in het oppervlaktewater terechtgekomen en van een menselijk handelen of nalaten is geen sprake, aldus de verdediging.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Onder 2 is ten laste gelegde dat de verdachte in strijd heeft gehandeld met voorschrift 3.1.1 van een vergunning krachtens de Wet milieubeheer, gelijkgesteld met een omgevingsvergunning ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, waarin onder andere is opgenomen dat bedrijfsafvalwater uitsluitend in een openbaar riool mag worden gebracht, als door de samenstelling, eigenschappen of hoeveelheid ervan de doelmatige werking van een openbaar riool of de bij een zodanig openbaar riool behorende apparatuur niet wordt belemmerd. Het verweer van de verdediging miskent dat de verdachte niet wordt verweten dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan het lozen van afvalstoffen en reeds daarom treft dit verweer geen doel.

Voor zover de verdediging als zelfstandige grond heeft willen betogen dat vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde dient te volgen omdat geen sprake is van menselijk handelen of nalaten, overweegt het hof verder als volgt.


De verdachte was verantwoordelijk voor een goede werking van haar inrichting. In dit geval bleken verschillende onderdelen niet goed te werken, te beginnen met een defecte pomp waardoor via de schrobput nabij de centrale verzamelput mestconcentraat in de kelderruimte terecht kon komen. Vervolgens is bij het terugpompen van het mestconcentraat de dompelpomp ten onrechte niet afgeslagen én is het alarm niet afgegaan. In de opslagtank bleek bovendien een gaatje te zitten en tevens is geconstateerd dat de afsluiter aan de onderzijde van de tank mestconcentraat lekte. Er was kennelijk geen andere vorm van beveiliging of controle op de werking van de inrichting toen de pompwerkzaamheden plaatsvonden. Deze omstandigheden hebben ertoe geleid dat er een overstroming van de tank heeft plaatsgevonden en er verontreinigd bedrijfsafvalwater in het riool is terechtgekomen, waardoor het zuiveringsproces werd belemmerd. Hiermee heeft verdachte een voor haar geldend vergunningsvoorschrift overtreden. Het is aan verdachte te wijten dat verschillende onderdelen van haar inrichting niet goed functioneerden, defect of lek en (nog) niet hersteld waren. Door na te laten zich ervan te verzekeren en te bevorderen dat het gebruikte materiaal en de gebruikte apparatuur in orde waren en door na te laten toezicht te houden op de pompwerkzaamheden, is in strijd met een vergunningsvoorschrift bedrijfsafvalwater in het riool gebracht.

Het hof verwerpt het verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 17.2 eerste lid van de Wet

milieubeheer, begaan door een rechtspersoon.

Het onder 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2.3, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, begaan door een rechtspersoon

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdediging heeft op gronden nader verwoord in de pleitnota aangevoerd dat de verdachte geen enkel strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt ten aanzien het niet direct melden van het ongewoon voorval en dat de verdachte daarom dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde.

Het hof begrijpt dat de verdediging een beroep doet op de schulduitsluitingsgrond "afwezigheid van alle schuld" en overweegt hieromtrent als volgt.

Zoals het hof onder het kopje "vrijspraak van de onder 1 impliciet tenlastegelegde misdrijfvariant" heeft overwogen, is naar het oordeel van het hof niet komen vast te staan dat het nalaten van de [medewerker] om zo spoedig mogelijk melding te doen aan de rechtspersoon is toe te rekenen. Dat ligt anders ten aanzien van de gedraging van [mededirecteur] . Op het moment dat zij kennisnam van het ongewoon voorval, te weten op 22 augustus 2017 omstreeks 18.15 uur, lag het als bestuurder van verdachte op haar weg het ongewoon voorval te melden bij de milieuklachtencentrale van de Provincie Noord-Brabant. Dat was haar ook meegedeeld. Gelet op haar rol en functie binnen de rechtspersoon en gelet op het belang van het tijdig melden van een ongewoon voorval was het aan [mededirecteur] om (op voorhand) over het juiste telefoonnummer te beschikken zodat zij een ongewoon voorval als in het onderhavige geval volgens de op de verdachte rustende wettelijke verplichting zo spoedig mogelijk kon melden.

Het hof verwerpt het beroep op "afwezigheid van alle schuld" en stelt in weerwil van de verdediging vast dat het onder 1 tenlastegelegde de verdachte strafrechtelijk kan worden verweten.

De verdediging heeft voorts aangevoerd dat het de verdachte rechtspersoon niet te verwijten valt dat bedrijfsafvalwater in het riool werd gebracht. Er zijn geen aanwijzingen dat onvoldoende onderhoud heeft plaatsgevonden en het lek in de tank was niet waarneembaar.

Het hof overweegt het volgende.

Gebleken is dat de pomp en het alarm niet of niet naar behoren functioneerden en dat uit een gat in de afvalwatertank bedrijfsafvalwater is weggestroomd en in het riool terecht is gekomen. Het hof heeft hiervoor reeds overwogen dat de verdachte verantwoordelijk is voor een goede werking van haar inrichting en dat het aan verdachte te wijten is dat verschillende onderdelen van haar inrichting niet goed functioneerden, defect of lek en (nog) niet hersteld waren. Zo blijkt uit de zich in het dossier bevindende foto’s van de afvalwatertank en de toelichting daarbij dat deze tank niet in voldoende staat van onderhoud verkeerde. Door na te laten zich ervan te verzekeren en te bevorderen dat het gebruikte materiaal en de gebruikte apparatuur in orde waren en door na te laten toezicht te houden op de pompwerkzaamheden, is sprake van een verwijtbare gedraging.

Het hof verwerpt de verweren in alle onderdelen.

Er zijn ook anderszins geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sanctie

De verdediging heeft – zo begrijpt het hof – primair verzocht dat het hof geen straf aan de verdachte zal opleggen. Subsidiair heeft de verdediging verzocht dat het hof een lagere geldboete aan de verdachte zal opleggen. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte zich terdege bewust was en is van hoe zij moet handelen, dat de verdachte de nodige (financiële) investeringen heeft gedaan om een vergelijkbare situatie te voorkomen, dat sindsdien geen overtreding meer is geconstateerd en dat de verdachte als gevolg van de gebeurtenissen al € 38.000,00 aan naheffing aan het Waterschap heeft betaald.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de aard en hoedanigheid van de verdachte rechtspersoon, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het brengen van bedrijfsafvalwater in het riool, waardoor de doelmatige werking werd belemmerd van de bij een openbaar riool behorende apparatuur. Hierdoor zijn potentieel schadelijke stoffen in het riool terechtgekomen en is het zuiveringsproces verstoord geraakt. De waterkwaliteit en het milieu in het algemeen zijn daarmee in gevaar gebracht. Dit kwam aan het licht door oplettendheid van het Waterschap. De verdachte heeft het ongewone voorval vervolgens niet zo spoedig mogelijk gemeld. Het hof rekent dit de verdachte aan.

Ten voordele van de verdachte heeft het hof rekening gehouden met de meewerkende

opstelling van de verdachte toen het ongewoon voorval als zodanig bekend was geworden. Daarnaast heeft de verdachte alle instructies van de autoriteiten opgevolgd en de hoge kosten van de noodzakelijke herstelwerkzaamheden betaald. Zij heeft intern de nodige maatregelen getroffen om strafbare feiten als de onderhavige in de toekomst te voorkomen. Van nieuwe voorvallen is het hof niet gebleken.

Alles afwegende zal het hof de verdachte ter zake van het onder 1 tenlastegelegde schuldig verklaren maar bepalen dat te dier zake geen straf of maatregel zal worden opgelegd. Gelet op de aard en ernst van het onder 2 tenlastegelegde, is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere sanctie dan een geldboete van € 750,00.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9a, 23, 24, 51 en 62 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, artikel 17.2 van de Wet milieubeheer en artikel 2.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

bepaalt dat ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd;

veroordeelt de verdachte ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde tot een geldboete van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro).

Aldus gewezen door:

mr. M.J.H.J. de Vries-Leemans, voorzitter,

mr. F.P.E. Wiemans en mr. R.G.A. Beaujean, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R.A.J. van de Kamp, griffier,

en op 4 mei 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Beaujean is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Procesdossier, pagina's 3 tot en met 5 en 8.

2 Procesdossier, pagina 5.

3 Procesdossier, pagina's 5 en 6.

4 Procesdossier, pagina's 5 en 6 alsmede pagina 1 van bijlage 16 "verklaring [mededirecteur] 20 oktober 2017", behorend bij het procesdossier.

5 Procesdossier, pagina 10.