Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:1623

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-06-2021
Datum publicatie
06-07-2021
Zaaknummer
200.284.550_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2019:7428
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Heeft de vereffenaar van nalatenschappen persoonlijk onrechtmatig gehandeld? Vervolg op ECLI:NL:RBOBR:2019:7428.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2021-0193
Jurisprudentie Erfrecht 2021/143 met annotatie van Anken, J.M. van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.284.550/01

arrest van 1 juni 2021

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] (Brazilië) ,

appellant,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. M.F.J. Martens te ‘s-Hertogenbosch,

tegen

1 mr. [vereffenaar] ,

wonende te [woonplaats geïntimeerde] ,

hierna: [vereffenaar] ,

en

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Lexperience B.V.,

gevestigd te ’s-Hertogenbosch, kantoorhoudend te Eersel,

hierna: Lexperience,

geïntimeerden,

hierna gezamenlijk: [vereffenaar] c.s.,

niet verschenen,

op het bij dagvaardingsexploot van 14 februari 2020 ingeleide hoger beroep van de door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, gewezen vonnissen van 12 september 2019 en 14 november 2019 tussen [appellant] als eiser en [vereffenaar] c.s. als gedaagden.

1 Het geding in eerste aanleg (nummer 7616066 / 19-1899)

Hiervoor verwijst het hof naar de beide voornoemde vonnissen en het daaraan voorafgaande tussenvonnis van 4 juli 2019.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de rolaantekening dat tegen [vereffenaar] c.s. verstek is verleend;

  • -

    het voornoemde dagvaardingsexploot van [appellant] ;

- de memorie van grieven van [appellant] met producties.

2.2

Na gevraagd arrest heeft het hof een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op de voornoemde stukken en die van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

Enkele relevante feiten

3.1.1

In hoger beroep gaat het in hoofdlijn om het volgende.

3.1.2

Mevrouw [moeder] (hierna: moeder) en de heer [vader] (hierna: vader) zijn de ouders van [appellant] en van zijn twee zussen [zus 1] (hierna: [zus 1] ) en [zus 2] (hierna: [zus 2] ). [zus 2] heeft samen met vader en moeder de ouderlijke woning te [woonplaats ouders] (België) bewoond.

3.1.3

In 2011 zijn de ouders overleden, moeder op [sterfdatum moeder] 2011 en vader op [sterfdatum vader] 2011. Als erfgenamen hebben [zus 1] en [zus 2] de nalatenschap van hun ouders beneficiair aanvaard, terwijl [appellant] zuiver heeft aanvaard. Tot de nalatenschap behoort (een onverdeeld aandeel in) de ouderlijke woning, waarop hypotheekrechten rusten en waarin [zus 2] nog tot omstreeks 5 april 2015 is blijven wonen.

3.1.4

Op 16 april 2014 heeft de rechtbank (nummer 277391/14-121) de aan notariskantoor Lexperience verbonden notaris [vereffenaar] benoemd als vereffenaar in de nalatenschap van de ouders. Nadien heeft de kantonrechter al meermalen beschikt op door [appellant] (met het oog op de vereffening van de nalatenschap) aanhangig gemaakte verzoekschriftprocedures.

Relevante vordering(en) en beslissingen uit de eerste aanleg

3.2

In dit door [appellant] met de dagvaarding van 12 maart 2019 ingeleide geding heeft de kantonrechter bij het vonnis van 4 juli 2019 de incidentele vordering(en) van [vereffenaar] c.s. om, samengevat, de in Brazilië woonachtige [appellant] voor € 1.000,-- zekerheid te laten stellen voor de proceskosten waarin hij veroordeeld zou kunnen worden, afgewezen en [vereffenaar] c.s. veroordeeld in de op nul gestelde proceskosten in het incident.

In het beroepen tussenvonnis van 12 september 2019 heeft de kantonrechter een comparitiezitting gelast.

Bij het beroepen eindvonnis van 14 november 2019 heeft de kantonrechter afgewezen de vordering(en) van [appellant] om, samengevat:

I. [vereffenaar] c.s. te veroordelen tot betaling van:

a. € 3.220,-- aan hoofdsom, te vermeerderen met wettelijke rente;

b. € 447,00 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met wettelijke rente;

c. de proces- en nakosten;

d. om aan I.a, I.b en I.c te voldoen binnen zeven dagen na betekening van de uitspraak, bij gebreke waarvan [vereffenaar] c.s. in verzuim en wettelijke rente verschuldigd zal zijn;

II. vast te stellen dat deze kosten niet als kosten van de vereffening van de nalatenschap kunnen worden aangemerkt, maar door [vereffenaar] persoonlijk of door Lexperience moeten worden vergoed.

Vordering(en) in hoger beroep

3.3

In beroep formuleert [appellant] drie grieven. [appellant] concludeert in hoofdlijn dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en:

I. [vereffenaar] c.s. hoofdelijk zal veroordelen tot betaling van

a. € 3.220,-- aan hoofdsom, te vermeerderen met wettelijke rente;

b. € 447,00 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met wettelijke rente;

c. de proces- en nakosten;

d. om aan I.a, I.b en I.c te voldoen binnen zeven dagen na betekening van de uitspraak, bij gebreke waarvan [vereffenaar] c.s. in verzuim en wettelijke rente verschuldigd zal zijn;

II. vast te stellen dat deze kosten niet als kosten van de vereffening van de nalatenschap kunnen worden aangemerkt, maar door [vereffenaar] persoonlijk of door Lexperience moeten worden vergoed.

Geschil en partijdebat in beroep (mede gezien standpunt [vereffenaar] c.s. in eerste aanleg)

- rechtsmacht en toepasselijk recht

3.4

Dit geschil heeft internationale aspecten omdat [appellant] in Brazilië woont. De rechtbank heeft evenwel terecht en onbestreden de Nederlandse rechter bevoegd geoordeeld. De toepasselijkheid van Nederlands recht is evenmin bestreden, zodat ook dit geen verdere bespreking behoeft.

- omvang geding in beroep

3.5

Het hof zal zich alleen baseren op feiten of rechten die in dit geding zijn gebleken of als gesteld en niet of onvoldoende betwist als vaststaand gelden. Daarbij bepalen de in beroep geformuleerde vordering(en) en grieven (de omvang van) het aan het hof voorliggende geding.

3.6

Hoewel de appeldagvaarding was gericht tegen het tussenvonnis van 12 september 2019 en het eindvonnis van 14 november 2019, richt het beroep zich blijkens de memorie van grieven tegen alleen het beroepen eindvonnis. Bovendien was dat beroepen tussenvonnis een comparitievonnis na antwoord waartegen volgens artikel 131 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (hierna: Rv) geen hogere voorziening openstaat. Daarom zal het hof [appellant] niet-ontvankelijk verklaren in het beroep van het tussenvonnis van 12 september 2019.

3.7

Hoewel de voornoemde vorderingen I. (a. t/m d.) en II. van [appellant] in eerste aanleg en in beroep voor het overige gelijkluidend zijn, vordert [appellant] in beroep om de betalingsveroordelingen onder I. nu “hoofdelijk” uit te spreken. Deze in de memorie van grieven opgenomen eiswijziging was echter niet opgenomen in het appeldagvaardingsexploot en was [vereffenaar] c.s. daaruit dus niet kenbaar. Uitgangspunt van de artikelen 130 lid 1 en 353 lid 1 Rv is dat [appellant] als eiser zijn eis in beroep schriftelijk mag wijzigen, maar tegen de in rechte niet verschenen [vereffenaar] c.s. is dat volgens de artikelen 130 lid 3 en 353 lid 1 Rv uitgesloten, tenzij [appellant] de eiswijziging (tijdig) bij exploot aan [vereffenaar] c.s. kenbaar heeft gemaakt. Nu niet gesteld of gebleken is dat de bij de memorie van grieven gewijzigde eis bij exploot aan [vereffenaar] c.s. kenbaar is gemaakt, laat het hof de eiswijziging als ontoelaatbaar buiten beschouwing.

3.8

Voor zover [appellant] blijkens zijn toegelichte grieven de feitenvaststelling door de kantonrechter onvolledig of onjuist acht, kan dat onbesproken blijven omdat het hof de relevante feiten in dit arrest zelf zal onderzoeken. De grieven lenen zich voor het overige voor gezamenlijke behandeling.

3.9

[appellant] vordert onder I. met name vergoeding van een schadehoofdsom en onder II. een (soort van) verklaring voor recht. [appellant] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat [vereffenaar] tekort is geschoten als vereffenaar van de nalatenschap. [appellant] houdt [vereffenaar] daarvoor op grond van onrechtmatige daad persoonlijk aansprakelijk en acht Lexperience daarvoor afgeleid (mede) aansprakelijk. Het hof komt evenwel niet toe aan onderzoek naar de persoonlijke aansprakelijkheid van [vereffenaar] en de afgeleide (mede) aansprakelijkheid van Lexperience, omdat de daarvoor (voorafgaand) vereiste tekortkoming van [vereffenaar] als vereffenaar van de nalatenschap niet althans onvoldoende duidelijk wordt. Het hof overweegt daartoe het volgende.

- vereffenaar niet tekortgeschoten

3.10

[appellant] beroept zich op de onrechtmatige aanstelling van [vereffenaar] als vereffenaar en licht toe dat de op 16 april 2014 gegeven benoemingsbeschikking met schending van wettelijke en verdragsrechtelijke voorschriften tot stand is gekomen en daarom nietig is. Dit beroep is voor [appellant] echter niet succesvol. Hiermee valt [appellant] immers wel de vereffenaarsbenoeming van [vereffenaar] aan, maar daarmee onderbouwt en verduidelijkt [appellant] nog niet zijn verwijt dat [vereffenaar] in zijn taakuitoefening tekort is geschoten.

Bovendien stelt [appellant] niet dat hij in dit verband een rechtsmiddel heeft aangewend, terwijl de wet daarin wel voorziet. Zo kan op de voet van artikel 358 lid 2 BW bijvoorbeeld hoger beroep worden ingesteld tegen een vereffenaarsbenoeming, terwijl op de voet van artikel 4:206 lid 5 BW een schorsing- of ontslagverzoek kan worden ingediend als een vereffenaar zijn taak onzorgvuldig of onbehoorlijke uitoefent.

Ook waar [appellant] beweert dat een gebrekkige benoeming tot een van rechtswege nietige vereffenaarsaanstelling zou leiden, vindt dat geen grondslag in het recht.

3.11

Het hof overweegt dat waar [appellant] meent dat [vereffenaar] als vereffenaar andere keuzes had kunnen maken, dat nog niet maakt dat [vereffenaar] bij de uitoefening van zijn taak om de nalatenschap als een goed vereffenaar te beheren en te vereffenen, niet de zorg in acht heeft genomen zoals een goed vereffenaar betaamt. Waar [vereffenaar] als vereffenaar niet is gebonden aan regels, komt hem bovendien een ruime mate van vrijheid toe en is het in beginsel aan zijn inzicht als vereffenaar overgelaten op welke wijze en langs welke weg de belangen van alle betrokkenen (onder wie [appellant] ) het beste kunnen worden gediend. [appellant] is als vereffenaar pas in zijn taakuitoefening tekortgeschoten als hij anders heeft gehandeld dan waartoe een over voldoende inzicht en ervaring beschikkende vereffenaar die zijn taak met nauwgezetheid en inzet verricht, in de gegeven omstandigheden in redelijkheid zou hebben kunnen komen.

3.12

Blijkens de ingebrachte stukken heeft de kantonrechter al in verschillende separate procedures beschikkingen gegeven waarbij een niet-ontvankelijkverklaring of afwijzing is uitgesproken op door [appellant] ingediende (tot onder meer [vereffenaar] als vereffenaar gerichte) verzoeken. Zo blijkt de kantonrechter in ieder geval te hebben beslist op:

a. op 7 december 2015 (nummer 3249338/14-552) door [appellant] ingediende verzoeken met de strekking om:

- de beneficiaire aanvaarding door [zus 1] en [zus 2] om te zetten in hun verwerping van de nalatenschap;

  • -

    de aandelen van [zus 1] en [zus 2] in de nalatenschap over te dragen aan [appellant] ;

  • -

    de ouderlijke woning toe te delen aan [appellant] ;

op 17 november 2016 door [appellant] ingediende verzoeken om:

- aan [vereffenaar] als vereffenaar aanwijzingen te geven;

op 3 februari 2017 (nummer 4878852/16-143) door [appellant] ingediende verzoeken met de strekking om:

  • -

    beslissingen uit de eerdere beschikking van 17 november 2016 te herroepen;

  • -

    aan [vereffenaar] als vereffenaar nieuwe aanwijzingen te geven omtrent de inboedel en bestanddelen van de ouderlijke woning;

  • -

    de door [vereffenaar] als vereffenaar voorgenomen verkoop van de ouderlijke woning voor € 255.000,-- te voorkomen.

In weerwil van het daaruit blijkende betoog van [appellant] heeft de kantonrechter in ieder geval al in de voornoemde beschikkingen van 17 november 2016 en 3 februari 2017 gemotiveerd vastgesteld, samengevat, dat [vereffenaar] als vereffenaar aan [appellant] voldoende medewerking en een reële mogelijkheid heeft geboden om de ouderlijke woning te verkrijgen, maar dat [appellant] vervolgens zelf niet de daartoe benodigde overeenstemming met de Rabobank en de Belgische Belastingdienst (als voornaamste schuldeisers van de nalatenschap) heeft kunnen bereiken. Hoewel reeds hierom een nadere concretisering of verduidelijking met relevante feiten en stukken was geboden, volstaat [appellant] nu met slechts een herhaling van zijn betoog. Al hierom wordt niet duidelijk dat [vereffenaar] in zoverre als vereffenaar tekort is geschoten.

Ook het verwijt dat [vereffenaar] als vereffenaar de ouderlijke woning ver onder de actuele marktwaarde voor een koopprijs van € 255.000,-- heeft willen verkopen, verduidelijkt en staaft [appellant] onvoldoende met relevante feiten en stukken. Dit geldt zeker in het licht van de omstandigheden dat de nalatenschap al jaren was opengevallen, dat de nalatenschap negatief leek terwijl de schulden met het verlopen van de tijd steeds verder opliepen en dat de Rabobank als hypotheekhouder met een gedwongen verkoop van de ouderlijke woning had gedreigd, terwijl die woning met instemming van de Rabobank en de Belgische Belastingdienst relatief snel leek te kunnen worden verkocht. Voor zover [appellant] oppert dat [vereffenaar] hem daarbij heeft tegengewerkt en dat [vereffenaar] zelfs steekpenningen zou hebben aangenomen om de ouderlijke woning onder de marktwaarde te kunnen verkopen, blijft [appellant] ook in zoverre steken in (te) vage en abstracte beweringen en herhalingen. Als [appellant] hiermee doelt op een door [vereffenaar] van schuldeisers verlangde boedelbijdrage voor het te gelde maken van de ouderlijke woning ter voldoening van daarop rustende hypotheekschulden, is dat als zodanig niet ongebruikelijk.

3.13.1

Een op 19 juni 2008 gedateerde “Verklaring van Schenking Inboedel” (hierna: Schenkingsakte 2008) vermeldt dat vader:

“de totale inboedel van het woonhuis (…) en alle andere spullen die zich in en rondom het huis bevinden”

aan [zus 2] schenkt. Een op 9 mei 2011 gedateerde “Verkoopovereenkomst” (hierna: Verkoopakte 2011) vermeldt dat vader de:

“Grijze Citroën C5”

voor een betaalde koopprijs van € 1.900,-- aan [zus 2] verkoopt. Op grond van de Schenkingsakte 2008 en de Verkoopakte 2011 behoren de inboedel van de ouderlijke woning en de bedoelde Citroën C5 niet tot de nalatenschap. Dit verklaart waarom [vereffenaar] als vereffenaar na kennisneming ervan de aan [zus 2] geschonken inboedel en verkochte Citroën C5 buiten de opgemaakte boedelbeschrijving heeft gehouden en niet in de vereffening van de nalatenschap heeft betrokken.

[appellant] stelt (te) vaag en adstrueert onvoldoende met relevante feiten of stukken dat [vereffenaar] betrokken zou zijn (geweest) bij de schenking van de inboedel en/of de verkoop van de Citroën C5 aan [zus 2] zelf. Voor zover [appellant] de ondertekening van de Schenkingsakte 2008 en de Verkoopakte 2011 door vader ontkent en beweert dat [appellant] deze -al dan niet in samenwerking met [zus 1] en [zus 2] - valselijk heeft doen opstellen, onderbouwt en concretiseert hij ook dat onvoldoende met relevante feiten of stukken. Hiertoe overweegt het hof in het bijzonder het navolgende.

3.13.2

Na in opdracht van [appellant] aan de hand van door [appellant] aangereikt vergelijkingsmateriaal handschriftonderzoek te hebben gedaan, heeft de aan het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau B.V. (hierna: NFO) verbonden forensisch deskundige [deskundige] (hierna: [deskundige] ) in het NFO-rapport van 8 februari 2018 (hierna: rapport I.) voor de handtekening(en) onder de Schenkingsakte 2008 en de Verkoopakte 2011 geconcludeerd:

“(…) Op basis van het onderzoek aan de hand van het ter beschikking gestelde materiaal zijn de betwiste handtekeningen niet aan te merken als echte handtekeningen van de heer [vader] . Indicatoren, die op het tegendeel (zouden kunnen) duiden, zijn in het ter beschikking gestelde materiaal niet aangetroffen.”

Na in opdracht van [zus 2] en haar partner [partner van zus 2] aan de hand van door hen aangereikt vergelijkingsmateriaal handschriftonderzoek te hebben gedaan, heeft [deskundige] blijkens de NFO-brief van 13 april 2018 (hierna: rapport II.) gerapporteerd:

“(…)

De hypothesen

De eerste hypothese luidt in het onderhavige onderzoek als volgt:

[H1]: de betwiste handtekening zijn door de heer [vader] middels een schrijfinstrument op de kwestieuze documenten vervaardigd.

De tegengestelde hypothese, genaamd de hypothese 2, luidt in dit geval als volgt:

[H2]: de betwiste handtekeningen zijn niet door dhr. [vader] geproduceerd en betreffen vervalsingen.

(…)

V. Conclusie en toelichting

(…)

I. De resultaten van het schriftvergelijkend onderzoek zijn veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1 waar is, dan wanneer hypothese 2 waar is.

II. Dit betekent dat de resultaten van het schriftvergelijkend onderzoek veel waarschijnlijker zijn wanneer de te betwiste handtekeningen (…) door de heer [vader] op de kwestieuze documenten zijn vervaardigd, dan wanneer de betwiste handtekeningen vervalsingen zijn.

Voorgaande betekent dat de conclusie, zoals deze staat beschreven in het deskundigenbericht d.d. 8 februari 2018, dient te worden herzien. (…)”

Na in opdracht van [appellant] aan de hand van door [appellant] aanvullend aangereikt vergelijkingsmateriaal handschriftonderzoek te hebben gedaan, heeft [deskundige] in het NFO-rapport van 1 oktober 2018 (hierna: rapport III.) voor de handtekening(en) onder de Schenkingsakte 2008 en de Verkoopakte 2011 geconcludeerd:

“(…) Bij bestudering van het ter hand gestelde materiaal is vastgesteld dat het vergelijkingsmateriaal, zoals aangeleverd door dhr. [appellant] uit de jaren 2010 en 2011 een compleet ander beeld toont dan het vergelijkingsmateriaal zoals aangeleverd dhr. [partner van zus 2] uit de jaren 2010 en 2011 (…) De verschillen (…) zijn niet te verklaren vanuit de natuurlijke variatiebreedte van dhr. [vader] . Dit betekent concreet dat het materiaal dat is aangeleverd dhr. [appellant] vals is of dat het materiaal van dhr. [partner van zus 2] vals is (…)

5. Conclusies

Met het oog op hetgeen hiervoor beschreven staat is het noodzakelijk om het deskundigenbericht d.d. 8 februari 2018 en de brief d.d. 16 april 2018 in te trekken en te vervangen door dit deskundigenbericht. Alvorens in de onderhavige zaak een conclusie kan worden getrokken over echtheid van de betwiste handtekeningen dient duidelijkheid te bestaan over de authenticiteit van het vergelijkingsmateriaal zoals aangeleverd door dhr. [appellant] en dhr. [partner van zus 2] . (…)”

Waar [appellant] in dit geding bewijslevering (door met name getuigen of deskundigen) naar de authenticiteit van de handtekening(en) onder de Schenkingsakte 2008 en de Verkoopakte 2011 verlangt, licht [appellant] met name toe dat hij kan bewijzen dat het door hem aan het NFO aangeleverde vergelijkingsmateriaal de originele handtekening van vader bevat terwijl het door (de partner van) [zus 2] aan het NFO aangeleverde vergelijkingsmateriaal vals zou zijn opgemaakt. Dat dit bewijs volgens [appellant] al met de ingebrachte NFO-rapportages is geleverd, kan het hof niet volgen omdat blijkens rapport III. voor het NFO onduidelijk is welk aan haar aangereikt vergelijkingsmateriaal wel of geen authentieke handtekening van vader bevatte. Waar [appellant] in dit verband benadrukt dat het door hem aan het NFO aangereikte vergelijkingsmateriaal van officiële instanties werd verkregen, staat daarmee (zelfs bij juistheid) nog niet vast dat die stukken vóór inzending aan die instanties ook daadwerkelijk door vader persoonlijk werden ondertekend.

Ook de vele andere in dit verband door [appellant] aangevoerde argumenten voor bewijslevering naar (de valsheid van) aan het NFO aangereikt vergelijkingsmateriaal of naar de authenticiteit van de handtekening(en) onder de Schenkingsakte 2008 en de Verkoopakte 2011 kunnen in dit geding nergens toe leiden. Zelfs in het (voor [appellant] meest gunstige) geval dat het door hem aan het NFO aangeleverde vergelijkingsmateriaal de originele handtekening(en) van vader zou blijken te bevatten en de handtekening(en) onder de Schenkingsakte 2008 en/of de Verkoopakte 2011 uiteindelijk niet van vader afkomstig mocht(en) blijken te zijn, volgt daaruit nog niet dat [vereffenaar] daar weet van had of in zoverre tekort is geschoten als vereffenaar van de nalatenschap. Ook voor zover [appellant] beweert dat [vereffenaar] als vereffenaar dat dan heeft geweten althans had moeten weten, blijft dat (te) abstract en berust dat onvoldoende op concrete feiten of omstandigheden.

3.13.3

Ook waar [appellant] betoogt dat [vereffenaar] als vereffenaar -mede gezien zijn kennis en expertise als notaris en zeker na vergelijking met de handtekening in het paspoort van vader- ernstig had moeten twijfelen aan de echtheid van diens handtekening onder de Schenkingsakte 2008 en de Verkoopakte 2011 en daar om die reden onderzoek naar had moeten (laten) doen, gaat ook dat betoog niet op. Zoals uit de drie uitgebrachte NFO-rapporten volgt, kan zelfs een forensisch deskundige de authenticiteit van een handtekening op basis van enkel zicht immers onvoldoende vaststellen, ontkennen of betwijfelen, met name omdat deze volgens [deskundige] (blijkens vooral rapport II.) ook beïnvloed kan worden door een mogelijk:

“verminderd vermogen tot het produceren van schrift door bijv. ziekte of ouderdom (…)”

Reeds gezien het voorgaande kan ook het door [appellant] gemaakte verwijt dat rechter(s) in andere procedures door het achterhouden van vaders paspoort bewust werden misleid, tot niets leiden.

Dat volgens [appellant] de (voor)gedrukte tekst boven de handtekening op de Schenkingsakte 2008 niet overeenstemt met het gebruikelijke taalgebruik door vader en door een ander zal zijn opgesteld, zegt (zelfs bij juistheid) ook weinig of niets over de authenticiteit of de herkomst van de daaronder staande handtekening zelf.

3.14

Verder maakt [appellant] aan [vereffenaar] het verwijt dat hij tekort is geschoten in wettelijke notaristaken en ten aanzien van de betwiste handtekening(en) onder de Schenkingsakte 2008 en de Verkoopakte 2011 ook niet overeenkomstig de voor hem als notaris geldende wettelijke legalisatievoorschriften heeft gehandeld. Dit verwijt gaat hier echter al niet op omdat [vereffenaar] in het kader van de voorliggende rechtsverhouding niet als notaris maar als vereffenaar van de nalatenschap is opgetreden.

Bovendien blijkt uit de stellingen en stukken dat [appellant] (ook rond de verkoop van de ouderlijke woning en de schenking van de inboedel en de verkoop van de Citroën C5 aan [zus 2] ) bij de tuchtrechter al meermalen klachtprocedures tegen [vereffenaar] als notaris is gestart, maar niet dat ook maar één van die klachten is gehonoreerd.

3.15

[appellant] benadrukt dat [vereffenaar] al ruim vóór hem kennis had gekregen van relevante kwesties, waaronder bijvoorbeeld de schenking van de inboedel en de verkoop van de Citroën C5 aan [zus 2] , (het bestaan van) de Schenkingsakte 2008 en de Verkoopakte 2011 en de identiteit van de koper voor de ouderlijke woning.

Anders dan [appellant] veronderstelt, vormt de omstandigheid dat [vereffenaar] die wetenschap al ruim vóór hem had verkregen echter nog geen bevestiging van de door [appellant] geopperde bewuste verzwijging ervan en de gesuggereerde misleiding ermee. Voor zover [appellant] dit wel concludeert, berust dat vooral op zijn subjectieve veronderstellingen maar niet althans onvoldoende op objectieve vaststellingen of feiten.

3.16

Ook meer algemeen geldt dat [appellant] verwijten aan het adres van [vereffenaar] als vereffenaar onvoldoende concretiseert en adstrueert, bijvoorbeeld het overigens aan [vereffenaar] als vereffenaar verweten (doen of meewerken aan het) onttrekken, verduisteren en stelen van zaken of anderszins onoirbaar benadelen. Verder geldt dat uitvoerige betogen van [appellant] (dat en) waarom hij standpunten van [vereffenaar] , [zus 1] en/of [zus 2] onjuist acht, geen verduidelijking of onderbouwing vormen van zijn eigen stellingen. Anders dan [appellant] kennelijk veronderstelt, vormen door [appellant] ingeroepen omstandigheden die niet hebben plaatsgevonden bovendien onvoldoende onderbouwing of concretisering van feiten die wel zouden hebben plaatsgevonden.

3.17

Het hof passeert het door [appellant] gedane bewijsaanbod omdat het geen concrete (voor bewijs vatbare) feiten betreft die tot een ander oordeel kunnen leiden.

Slotsom

3.17

Alles bij elkaar concludeert het hof dat het beroep niet slaagt. Het hof zal [appellant] niet-ontvankelijk verklaren in zijn beroep van het beroepen tussenvonnis en het beroepen eindvonnis bekrachtigen. Het hof zal de in beroep in het ongelijk te stellen [appellant] in de proceskosten ervan veroordelen, zij het dat die aan de zijde van [vereffenaar] c.s. worden begroot op nul. Het hof beslist als volgt.

4 De uitspraak

Het hof:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep van het tussenvonnis van 12 september 2019;

bekrachtigt het beroepen eindvonnis van 14 november 2019;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten aan de zijde van [vereffenaar] c.s. van het hoger beroep en begroot die kosten tot op heden op nul;

wijst het meer of anders in beroep gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, L.S. Frakes en J. van der Steenhoven en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 1 juni 2021.

griffier rolraadsheer