Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:1615

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-06-2021
Datum publicatie
13-07-2021
Zaaknummer
200.268.060_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2019:5641
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betaling factuur advocaat

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF s-HERTOGENBOSCH

Team handel

zaaknummer gerechtshof 200.268.060/01

(zaaknummer rechtbank Limburg, zittingslocatie Maastricht, 7230293 CV EXPL 18-5930)

arrest van 1 juni 2021

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellante] ,

advocaat: mr. J.E.A.H. Verstraelen te Maastricht,

tegen:

[Advocatenkantoor] B.V.,

gevestigd te Maastricht,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [Advocatenkantoor] ,

advocaat: mr. [advocaat] te Maastricht.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1.

Het hof verwijst naar de inhoud van het tussenarrest van 17 december 2019.

1.2.

Het verdere verloop blijkt uit:

- het proces-verbaal van comparitie na aanbrengen van 15 januari 2020;

- de memorie van grieven;

- de memorie van antwoord.

1.3.

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1.

In 2009 en 2010 heeft [Advocatenkantoor] ten behoeve van [appellante] verspreid over een periode van vijf maanden (onder meer) 49 uur werkzaamheden verricht in het kader van een - zoals [Advocatenkantoor] het noemt - buitengerechtelijke sanering. Daarmee is bedoeld dat [Advocatenkantoor] met meerdere schuldeisers van [appellante] heeft onderhandeld over een (gedeeltelijke) kwijtschelding.

2.2.

Voor voornoemde werkzaamheden (en andere werkzaamheden) is een toevoeging van de Raad voor de Rechtsbijstand door [Advocatenkantoor] aangevraagd maar niet voor alle werkzaamheden is ook daadwerkelijk een toevoeging verleend. Op 8 februari 2010 heeft de Raad voor Rechtsbijstand het bezwaar van [Advocatenkantoor] tegen de afwijzing van een toevoegingsaanvraag ongegrond verklaard (zie productie 18 conclusie van repliek).

2.3.

[Advocatenkantoor] heeft op 25 maart 2010 een factuur met specificatie aan [appellante] verzonden ter hoogte van in totaal € 5.953,20 (productie 4 bij inleidende dagvaarding).

2.4.

Op 29 maart 2010 heeft [appellante] aan [medewerker advocatenkantoor] , werkzaam bij [Advocatenkantoor] , een e-mailbericht verzonden met de volgende inhoud (productie 17 bij conclusie van repliek):

“Geachte mevrouw [medewerker advocatenkantoor] ,

Van de week kreeg ik een brief van de deurwaarder van de Gemeente Maastricht vanwege de

gemeentelijke belastingen. Zij laten het beslag van 2008 of 2009 en de openbare verkoop doorgaan op 23 april 2010. Ik vind het echt belachelijk. Leggen beslag waar ze maar kunnen en nu ze zien dat ik geen gelden binnen krijg gaat de openbare verkoop weer door.

Zij hebben een aantal maanden een percentage van mijn uwv gekregen. En het volledige vakantiegeld alsmede wat van mijn salaris van het [arbeidsplaats] . Ik kan de papieren niet mailen want mijn scanner werkt niet meer.

Verder: zou je mij de dossiernummers kunnen geven van de beide ABN rekeningen die bij GGN Limburg lopen. De sociale dienst vraagt een verklaring dat beide rekeningen niet meer gebruikt worden en dat er geen gelden op binnen komen.

Ik heb inmiddels de factuur van jullie ontvangen.. .mijn hemeltje. Dat is wel een gigantisch bedrag ondanks 6 of 7 toevoegingen. Wat ik dan niet zo goed begrijp is dat het meeste werk ABN KBC en andere is geweest en daar is toch overal een toevoeging voor is verkregen. Ik weet dat je een gigantische hoop werk heb verricht voor mij hoor en daar ben ik ook zeer dankbaar voor. Maar ik schrik er wel van!

Inmiddels loopt de aanvraag voor de BBZ (Bijzondere bijstand zelfstandigen). Ik heb afgelopen week een gesprek hierover gehad met iemand van buro Intermezzo. Zij geven een advies af aan de Gemeente Maastricht. Ook heeft hij mijn schuldenpositie hier in meegenomen. Om te kijken of de Gemeente hier eventueel kan inspringen.

Ook neemt hij contact op met Pentaz Mergelland om te kijken hoe ze dit gaan oplossen. In hun brief was het mij niet duidelijk of ze kwijt zouden schelden wanneer ik BBZ toegewezen zou krijgen of net wanneer het afgewezen word.

Dat moet ik allemaal nog even afwachten dus....

Dan kan ik het bedrag gaan bepalen wat ik moet lenen om de schulden af te kopen en jullie rekening te betalen. (…)”

2.5.

Op 30 maart 2010 heeft [medewerker advocatenkantoor] aan [appellante] onder meer geschreven (productie 18 conclusie van repliek):

“U heeft overigens 5 toevoegingen: ABN AMRO, Tripels, Rabobank, VGZ en Servatius. De eigen bijdrage ad € 98,— wat betreft dit laatste dossier is overigens nog niet betaald zie ik.

Helaas komt u voor een sanering niet in aanmerking voor een toevoeging, zoals u weet. Conform afspraak hebben wij echter wel ons best gedaan om toch een toevoeging daarvoor te kunnen krijgen.

De aanvraag is evenwel afgewezen. De meeste werkzaamheden die zijn verricht, hadden betrekking op dit dossier.

De werkzaamheden die verricht zijn terzake ABN AMRO (procedure), Tripels, Rabobank, VGZ en Servatius, zijn natuurlijk geschreven op de respectievelijke dossiers.

Ik begrijp dat u zelf de schulden en onze declaratie gaat voldoen. De toezegging van uw kennis om deze te voldoen, wordt dus niet door hem gestand gedaan?

Ik stel voor dat u contact met mij opneemt, teneinde de voortgang van de sanering te bespreken.”

2.6.

Op enig moment, maar in ieder geval voor oktober 2013, heeft [appellante] een bedrag van in totaal € 402,00 van de openstaande factuur van € 5.953,20 van 25 maart 2010 aan [Advocatenkantoor] voldaan, zodat daarvan nog € 5.551,20 resteerde.

2.7.

Op enig moment heeft [medewerker advocatenkantoor] een e-mailbericht (productie 5 bij inleidende dagvaarding) aan [appellante] gestuurd met de volgende inhoud:

“Geachte mevrouw [appellante] ,

Zoals u weet, staat nog immer een declaratie ad € 5.551,20 open.

Nog langer uitstel van betaling is niet verantwoord en ik heb opdracht gegeven om u te dagvaarden.

Teneinde dat te voorkomen, wil ik graag in overleg met u treden. Wellicht kunnen wij een (redelijke) betalingsregeling treffen.

Wilt u mij daartoe zo spoedig mogelijk contacteren?

Met vriendelijke groet,(…)”

2.8

Daarop heeft [appellante] bij e-mailbericht van 27 oktober 2013 als volgt gereageerd:

“Hallo [medewerker advocatenkantoor] .

Leuk om van je te horen. (Niet het bericht).

Ik wil best met je in overleg over een betalingsafspraak maar ik heb weinig tot geen betalingsmogelijkheden. Ik ontvang nu een bijstandsuitkering van de gemeente Eijsden waar al een aantal beslagen op liggen. De belastingdienst heeft ook beslag gelegd op alle toeslagen waardoor ik ver onder het bestaansminimum moet leven. Ik sta nog wel ingeschreven bij de kamer van koophandel maar er zijn geen activiteiten meer en ik laat me binnenkort ook uitschrijven. Ik heb een aantal malen een verzoek ingediend bij de kredietbank maar heb iedere keer afgehaakt. Deze week heb ik een nieuwe aanvraag ingediend en wil nu echt doorzetten en een regeling zien te treffen dan opnieuw de WSNP aan te vragen. Ik weet zo snel geen oplossing…maar hoor graag van je..

Groetjes.

[appellante] .”

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1.

[Advocatenkantoor] heeft in eerste aanleg gevorderd [appellante] te veroordelen tot betaling van

€ 5.551,20 aan hoofdsom en € 652,56 aan buitengerechtelijke kosten, een en ander te vermeerderen met rente en proceskosten.

[Advocatenkantoor] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat tussen partijen een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen waarbij de door [Advocatenkantoor] voor [appellante] verrichte werkzaamheden (zoals gefactureerd op 25 maart 2010) door [appellante] dienen te worden vergoed.

3.2.

De kantonrechter heeft bij vonnis van 19 juni 2019 de vordering van [Advocatenkantoor] toegewezen en heeft [appellante] veroordeeld in de proceskosten.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1.

[appellante] is met vijf grieven in hoger beroep gekomen. Bij de beoordeling van de grieven stelt het hof het volgende voorop. Op 1 januari 2015 is in werking getreden de Wet positie en toezicht advocatuur, waardoor de regeling van de begrotingsprocedure voor advocatensalarissen in de Wet tarieven in burgerlijke zaken (Wtbz) is vervallen. Artikel IV van die wet luidt als volgt:

“De artikelen 29 tot en met 40 van de Wet tarieven in burgerlijke zaken en artikel 38, vierde lid, van de Wet op de rechtsbijstand, zoals deze luidden vóór de inwerkingtreding van deze wet, blijven van toepassing op geschillen over het door de advocaat aan de cliënt berekende salaris, in gevallen waarin de rekening van de advocaat is begroot door de raad van toezicht vóór het tijdstip waarop deze wet in werking treedt.”

Aangezien het in deze zaak niet is gekomen tot begroting van de rekeningen van [Advocatenkantoor] door de raad van toezicht, kan aan het bepaalde in artikel 32 van de vervallen Wtbz geen toepassing meer worden gegeven. Dat betekent dat vaststelling van de hoogte van de facturen door de burgerlijke rechter moet plaatsvinden.

4.2.

Onderwerp van geschil in deze zaak is de verschuldigdheid van (het nog openstaande deel van) de factuur van 25 maart 2010 welke factuur betrekking heeft op volgens [Advocatenkantoor] in opdracht van [appellante] verrichte werkzaamheden in de periode augustus 2009 tot en met januari 2010, in totaal 49 uur. [appellante] betwist niet (langer) dat er werkzaamheden zijn verricht, maar zij betwist dat er sprake is van een overeenkomst van opdracht op grond waarvan [Advocatenkantoor] ten behoeve van [appellante] werkzaamheden op betalende basis zou verrichten. [appellante] kon en wilde alleen op toevoegingsbasis (gefinancierde rechtshulp via de Raad voor Rechtsbijstand) werkzaamheden laten verrichten. Een opdracht tot betaalde rechtshulp stelt [appellante] niet aan [Advocatenkantoor] te hebben gegeven. Ter ondersteuning van haar betoog wijst [appellante] op de Verordening op de advocatuur van de Nederlandse Orde van Advocaten, in het bijzonder hoofdstuk 7, artikel 7.11 en artikel 7.12. In die verordening is onder meer de schriftelijke informatieplicht van de advocaat over de kosten en het te verwachten verloop van de zaak geregeld. Ook is daarin opgenomen dat beide partijen een overeenkomst dienen te tekenen aangaande het honorarium van de advocaat (grief één).

4.3.

[Advocatenkantoor] wijst er op dat nadat de toevoeging is afgewezen, [appellante] direct heeft toegezegd de factuur te zullen betalen, zonder protest. Zij heeft zich er toen niet op beroepen dat ze niets zou hoeven te betalen als de toevoeging werd afgewezen. [appellante] heeft ook een deel van de factuur voldaan. [appellante] is dus goed door [Advocatenkantoor] voorgelicht over wat er zou gebeuren als de toevoeging zou worden afgewezen. Pas toen [Advocatenkantoor] een dagvaarding uitbracht heeft [appellante] voor het eerst in het kader van deze procedure gesteld dat zij daarover niet zou zijn voorgelicht. De Verordening op de Advocatuur waarnaar [appellante] verwijst was volgens [Advocatenkantoor] ten tijde van het aangaan van de overeenkomst van opdracht door [appellante] met [Advocatenkantoor] nog niet van toepassing (zie punt 0.4 en 0.5. memorie van antwoord).

4.4.

Het gaat in dit geding om de vraag of tussen partijen een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen op grond waarvan [Advocatenkantoor] recht heeft op betaling door [appellante] van

een bedrag van € 5.521,20 in hoofdsom voor door haar verrichte rechtsbijstandswerkzaam-heden voor [appellante] . Die vraag dient te worden beantwoord aan de hand van de maatstaven van de artikelen 3:33 en 3:35 BW. Het komt daarbij derhalve aan, kort gezegd, op hetgeen partijen, [Advocatenkantoor] en [appellante] , over en weer hebben verklaard en over en weer uit elkaars gedragingen en verklaringen hebben mogen begrijpen. Het hof overweegt daartoe als volgt.

4.5.

Nu [appellante] niet betwist dat er een overeenkomst tot stand is gekomen op grond waarvan [Advocatenkantoor] voor haar werkzaamheden heeft verricht rest alleen de vraag of ook overeengekomen is dat deze werkzaamheden door [appellante] zouden worden betaald in het geval de door [Advocatenkantoor] aangevraagde toevoeging niet zou worden verleend. Uit hetgeen partijen over en weer aan elkaar hebben verklaard blijkt dat partijen zijn overeengekomen dat [appellante] zou betalen voor de werkzaamheden van [Advocatenkantoor] indien geen toevoeging werd verleend. Dit blijkt reeds uit het feit dat [appellante] niet (onmiddellijk) heeft geprotesteerd tegen de factuur van [Advocatenkantoor] maar zelfs een deel van de factuur heeft voldaan (zie 2.6.). Ook uit de e-mail van [appellante] van 27 oktober 2013 (zie 2.7.) blijkt dat partijen zijn overeengekomen dat [appellante] voor de werkzaamheden van Kerkchoffs zou betalen indien de aangevraagde toevoeging niet zou worden verleend. Uit die e-mail blijkt immers dat [appellante] een betalingsregeling wenst aan te gaan met [Advocatenkantoor] en dat strookt niet met het standpunt dat zij [Advocatenkantoor] niet zou hoeven te betalen voor de werkzaamheden. Dat zij een betalingsregeling wenst aan te gaan strookt daarentegen met de stelling van [Advocatenkantoor] dat partijen zijn overeengekomen dat [Advocatenkantoor] in het geval geen toevoeging zou worden verleend, een door [appellante] te betalen factuur zou sturen. Dat er sprake is van betalingsonmacht aan de zijde van [appellante] doet aan de inhoud van de overeenkomst niet af. Het voorgaande wordt evenmin anders door de regeling zoals opgenomen in de Verordening op de Advocatuur. Nog daargelaten het antwoord op de vraag of deze Verordening van toepassing is op de relatie tussen partijen, betekent het eventueel handelen in strijd met de voor de advocaat geldende tuchtrechtelijke regels en normen, niet zonder meer dat dit civielrechtelijk doorwerkt tussen partijen (zie HR 22 september 2017, ECLI:NL:2017:2452).

4.6.

In punt 9 van de memorie van grieven stelt [appellante] dat het systeem van de Raad voor Rechtsbijstand er van uitgaat dat werkzaamheden van een advocaat in samenhangende zaken van een cliënt vallen onder een en dezelfde toevoeging. Volgens [appellante] waren er in haar geval vijf toevoegingen afgegeven in zaken die eveneens betrekking hadden op crediteuren van [appellante] . Omdat sprake was van samenhangende zaken vallen alle werkzaamheden volgens [appellante] onder de bestaande toevoegingen. Ook om die reden was het [Advocatenkantoor] volgens [appellante] niet toegestaan om daarnaast ook nog kosten bij [appellante] in rekening te brengen. Ook dit betoog gaat niet op. Zoals [Advocatenkantoor] terecht aanvoert (zie 0.10 memorie van antwoord) onderbouwt [appellante] niet welke werkzaamheden van de declaratie van 25 maart 2010 dan precies onder welke toevoeging zouden moeten vallen, terwijl dat wel van haar in het kader van dit verweer verwacht had mogen worden. Zonder te specificeren welke werkzaamheden in haar visie dan onder welke toevoeging zouden vallen is het voor [Advocatenkantoor] niet goed mogelijk daarop te reageren. Uit de beslissing van de Raad voor Rechtsbijstand op het bezwaarschrift dat [Advocatenkantoor] namens [appellante] heeft ingediend ter zake van de afwijzing van de aangevraagde toevoeging voor de werkzaamheden die onderwerp zijn van dit geding, blijkt dat voor dergelijke werkzaamheden die betrekking hebben op het treffen van een buitenwettelijke schuldenregeling geen toevoeging wordt verleend (zie 2.2.). Waarom deze werkzaamheden dan desalniettemin toch zouden vallen onder een van de andere wel verleende toevoegingen wordt door [appellante] niet uitgelegd. Het voorgaande betekent dat de eerste grief faalt.

4.7.

Met haar tweede grief betoogt [appellante] dat de declaratie, gelet op de bestede tijd, de verrichte werkzaamheden en het gehanteerde uurtarief, onterecht en buiten proportioneel zou zijn. Volgens [appellante] is een uurtarief van € 100,00 buitenproportioneel omdat [appellante] ook naar de gemeente had kunnen gaan voor de door [Advocatenkantoor] uitgevoerde saneringswerkzaamheden. [Advocatenkantoor] had [appellante] behoren te adviseren om naar de gemeente te gaan voor hulp bij de schuldsanering (punt 11 memorie van grieven). Volgens [appellante] heeft de kantonrechter ten onrechte het verweer ten aanzien van de omvang van de declaratie met een beroep op artikel 21 Rv buiten beschouwing gelaten.

4.8.

Het hof stelt voorop dat [appellante] in de memorie van grieven ter onderbouwing slechts ‘kaal’ verwijst naar het gestelde in de conclusie van antwoord d.d. 21 november 2018 en de conclusie van dupliek d.d. 27 maart 2019 terwijl [Advocatenkantoor] in reactie op deze grief bij memorie van antwoord uitvoerig is ingegaan op de over en weer betrokken stellingen en weren in eerste aanleg ten aanzien van de omvang van het aantal uren en de daarvoor verrichte werkzaamheden. [Advocatenkantoor] wijst er daarbij terecht op dat [appellante] in haar motivering van deze grief niet inhoudelijk ingaat op wat [Advocatenkantoor] in eerste aanleg in punt 4.1. tot en met 4.11 van haar conclusie van repliek heeft aangevoerd. Naar het oordeel van het hof blijkt dat de gedeclareerde werkzaamheden daadwerkelijk zijn uitgevoerd uit de bij conclusie van repliek door [Advocatenkantoor] in het geding gebrachte brieven (zie productie 7 conclusie van repliek), uit de als productie 8 bij diezelfde conclusie overgelegde akkoordverklaringen van diverse schuldeisers en uit de als productie 11 bij repliek in het geding gebrachte correspondentie van [Advocatenkantoor] met diverse schuldeisers van [appellante] . Als productie 15 is bij conclusie van repliek correspondentie van [Advocatenkantoor] aan [appellante] overgelegd waaruit blijkt dat zij [appellante] op de hoogte heeft gehouden van haar werkzaamheden.

4.9.

Ook het aantal uren dat is gefactureerd, komt het hof, onder andere gelet op de in het geding gebrachte correspondentie die [Advocatenkantoor] heeft gevoerd met schuldeisers van [appellante] , niet onredelijk voor. [appellante] erkent in haar e-mail van 29 maart 2010 (zie 2.4.) ook dat [Advocatenkantoor] veel werk voor haar heeft verricht. [appellante] heeft er bij dupliek (zie punt 15 tot en met 26 conclusie van dupliek) op gewezen dat er op 22 oktober 2009 maar liefst 31 brieven zouden zijn opgesteld en verstuurd en dat dit een onaannemelijke hoeveelheid brieven zou zijn. [Advocatenkantoor] heeft hierop bij conclusie van repliek gereageerd (zie 6.1. tot en met 6.9. conclusie van repliek). [Advocatenkantoor] heeft aangegeven dat die brieven rondom 22 oktober 2009 zijn verstuurd en verwijst daarvoor naar productie 7 bij conclusie van repliek waar de verstuurde brieven zijn overgelegd. Het had op de weg van [appellante] gelegen om in het kader van haar verweer gemotiveerd en onderbouwd aan te geven waarom deze deugdelijk onderbouwde stellingen van [Advocatenkantoor] niet op zouden gaan. Het verweer van [appellante] dat er werkzaamheden door [Advocatenkantoor] zijn gedeclareerd die in werkelijkheid niet zouden zijn verricht, is onvoldoende onderbouwd en kan daarom niet slagen.

4.10.

Voor zover [appellante] betoogt dat het in rekening gebrachte salaris in de omstandigheden van het geval niet redelijk zou zijn, faalt haar grief eveneens. Een uurtarief van € 100,00 acht het hof geenszins onredelijk.

4.11.

Dat [appellante] ook naar de gemeente had kunnen gaan voor hulp bij de saneringswerkzaamheden doet niets af aan het feit dat zij dat niet heeft gedaan, maar juist [Advocatenkantoor] heeft ingeschakeld, voor wiens uitgevoerde werkzaamheden zij een redelijk salaris verschuldigd is. Op grond waarvan [Advocatenkantoor] haar had moeten adviseren naar de gemeente te gaan voor hulp bij de schuldsanering ontgaat het hof overigens, maar ook als dat zo zou zijn, doet dat aan de verschuldigdheid van het aan haar door [Advocatenkantoor] in rekening gebrachte bedrag ter zake van door [Advocatenkantoor] in haar opdracht verrichte werkzaamheden niet af. Grief twee deelt daarmee het lot van grief één en wordt verworpen.

4.12.

Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten (van € 652,56) komt overeen met het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief en ook aan de overige eisen van dat besluit is voldaan, zodat het gevorderde bedrag terecht is toegewezen. Grief drie treft dus evenmin doel.

4.13.

Gelet op het bovenstaande is [appellante] in eerste aanleg terecht in de proceskosten veroordeeld. Grief vier faalt.

4.14.

Grief vijf heeft naast de overige grieven geen zelfstandige betekenis, zodat deze grief geen afzonderlijke bespreking behoeft.

4.15.

Het hof passeert het door [appellante] gedane bewijsaanbod omdat het geen concrete (voor bewijs vatbare) feiten betreft die tot een ander oordeel kunnen leiden.

4.16.

De slotsom is dat de grieven falen en dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellante] in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [Advocatenkantoor] zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 741,00

- salaris advocaat € 1.574,00 (2 punten x tarief € 787,00).

4.17.

Als niet weersproken zal het hof ook de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

5.1.

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter te Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 19 juni 2019;

5.2.

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [Advocatenkantoor] vastgesteld op € 741,00 voor verschotten en op € 1.574,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

5.3.

veroordeelt [appellante] in de nakosten, begroot op (€ 163,00), met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 85,00 in geval [appellante] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

5.4.

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.A. van der Pol, O.G.H. Milar en P.V. Eijsvoogel, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de rolraadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2021.

griffier, raadsheer,