Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:1614

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-06-2021
Datum publicatie
11-06-2021
Zaaknummer
200.266.565_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opdracht aan advocaat. Vernietiging overeenkomst op grond van geestelijke stoornis of misbruik van omstandigheden afgewezen. Bewijslevering over de facturen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.266.565/01

arrest van 1 juni 2021

in de zaak van

[het advocatenkantoor] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

verder: [appellante] ,

advocaat: mr. R.H.M. Wagemans te Maastricht,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in het principaal appel,

appellant in het incidenteel appel,

verder: [geïntimeerde] ,,

advocaat: mr. M.H.J.M. Stassen te Valkenburg (LB),

als vervolg op het tussenarrest van dit hof van 19 november 2019 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, onder zaaknummer/rolnummer 7561074 CV EXPL 19-1270 tussen partijen gewezen vonnis van 26 juni 2019.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 19 november 2019;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen op 8 januari 2020, waarbij geen minnelijke regeling van het geschil is bereikt;

  • -

    de memorie van grieven van [appellante] van 25 februari 2020;

  • -

    de memorie van antwoord tevens incidenteel appel van [geïntimeerde] van 12 mei 2020;

  • -

    de memorie van antwoord in het incidenteel appel van [appellante] van 23 juni 2020.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken, de stukken vermeld in het tussenarrest van 19 november 2019 en de stukken van de eerste aanleg

6 De verdere beoordeling

In het principaal appel en in het incidenteel appel

De feiten

6.1

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2. een aantal feiten vastgesteld. Deze vaststelling luidt als volgt, met aanduiding van partijen als hiervoor vermeld:

2.1.

[geïntimeerde] heeft op of omstreeks 3 september 2017 telefonisch het bericht ontvangen dat hij werd verdacht van moord en dat op die datum een doorzoeking van zijn woning zou plaatsvinden. Hij is toen spoorslags naar huis gereden en heeft een bekende van hem, als advocaat verbonden aan [appellante] , [naam], gebeld. In overleg met hem is besloten dat de eveneens aan het kantoor verbonden mr. Wagemans bij de huiszoeking aanwezig zou zijn en [geïntimeerde] (verder) zou bijstaan.

2.2.

Op dezelfde dag of daags daarna hebben partijen ten kantore van [appellante] een overeenkomst van opdracht ondertekend (productie 1 van [appellante] ). Daarin is een uurtarief van € 250,- te vermeerderen met 6% kantoorkosten en met 21% btw overeengekomen, in rekening te brengen in tijdseenheden van 6 minuten en te betalen op declaratiebasis, telkens binnen 14 dagen na de factuurdatum.

2.3.

[appellante] heeft na de genoemde huiszoeking de rechtsbijstand aan [geïntimeerde] voortgezet en daarvoor declaraties met een specificatie van de bestede tijd gestuurd op 5 maart 2017 van € 8.096,41 en op 19 maart 2017 van € 13.014,78. [geïntimeerde] heeft de declaraties van [appellante] tot een bedrag van € 21.307,19 ondanks sommatie onbetaald gelaten [appellante] heeft ter verzekering van verhaal van haar vordering beslag doen leggen op een onroerende zaak die aan [geïntimeerde] in mede-eigendom toebehoort.

In haar memorie van grieven heeft [appellante] naar aanleiding van deze vaststelling aangevuld dat 3 september 2017 op een zondag viel. Dat klopt. Voor het overige hebben partijen er geen opmerkingen bij gemaakt, zodat het hof ook in hoger beroep van deze feiten uitgaat. De twee onder 2.3. genoemde facturen zijn gedateerd in 2017 maar dateren van 2018.

De procedure bij de kantonrechter

6.2

Bij dagvaarding van 5 oktober 2018 heeft [appellante] de onderhavige procedure aanhangig gemaakt bij de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht. Op vordering van [geïntimeerde] heeft deze kantonrechter zich bij vonnis van 30 januari 2019 onbevoegd verklaard en de zaak verwezen naar de kamer voor kantonzaken van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht. Daar is de procedure voortgezet.

6.3

In deze procedure stelt [appellante] dat [geïntimeerde] zijn verplichtingen uit de overeenkomst van opdracht dient na te komen en dat hij gehouden is het openstaande factuurbedrag van in totaal € 21.307,19 te voldoen. In conventie vordert [appellante] op grond daarvan veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van dit bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van verzuim, en tot betaling van bedrag van € 3.196,27 aan buitengerechtelijke kosten op grond van de toepasselijke algemene voorwaarden, een en ander te maximeren tot € 25.000,- met afstand van het meerdere, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten met nakosten en beslagkosten.

6.4

[geïntimeerde] heeft de vorderingen van [appellante] bestreden. Primair stelt hij zich op het standpunt dat de overeenkomst van opdracht tot stand gekomen is onder invloed van een tijdelijke geestelijke stoornis dan wel onder misbruik van omstandigheden. [geïntimeerde] ging ervan uit dat niet meer dan € 100,- per uur gerekend zou worden. Subsidiair betwist [geïntimeerde] de hoogte van de facturen. Het beslag is volgens [geïntimeerde] ten onrechte gelegd. In reconventie vordert hij opheffing daarvan, op verbeurte van een dwangsom.

6.5

[appellante] heeft op haar beurt de reconventionele vordering van [geïntimeerde] bestreden.

6.6

De kantonrechter heeft een comparitie van partijen bepaald, die op 21 mei 2019 heeft plaatsgevonden.

Bij vonnis van 26 juni 2019 heeft de kantonrechter in conventie de vordering van [appellante] toegewezen tot een bedrag van € 14.513,21 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van verzuim, de proceskosten tussen partijen gecompenseerd en het meer of anders gevorderde afgewezen.

In reconventie is de vordering van [geïntimeerde] afgewezen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten.

De omvang van het hoger beroep

6.7

[appellante] heeft tegen het vonnis van 26 juni 2019 zeven grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van dat vonnis en tot het alsnog geheel toewijzen van haar vordering in conventie ‘met dien verstande dat in appel dient te worden toegewezen een bedrag groot € 6.793,98, te vermeerderen met de wettelijke rente conform de inleidende dagvaarding’ en met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties. Dit bedrag van € 6.793,98 is het verschil tussen de door [appellante] gevorderde hoofdsom en het daarvoor toegewezen bedrag. De eerste vijf grieven van [appellante] zijn genummerd I tot en met V, de zesde grief is genummerd VII en de zevende grief is niet genummerd. Het hof zal de grieven waar nodig doornummeren.

6.8

[geïntimeerde] heeft de grieven van [appellante] bestreden. In het incidenteel appel heeft [geïntimeerde] negen grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis en tot het geheel althans ten dele afwijzen van de vorderingen van [appellante] en tot veroordeling van [appellante] tot terugbetaling van het bedrag van € 14.513,21 dat [geïntimeerde] uit hoofde van het vonnis heeft voldaan en een bedrag van € 653,69 aan wettelijke rente tot aan de dag van de betaling daarvan, deze bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2019, met veroordeling van [appellante] in de kosten van beide instanties.

6.9

[appellante] heeft de grieven van [geïntimeerde] op haar beurt bestreden en geconcludeerd tot verwerping ervan, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het incidenteel appel.

6.10

Het hof stelt vast dat partijen het vonnis in reconventie niet in het hoger beroep hebben betrokken, zodat dit verder buiten beschouwing blijft en het hierna volgende alleen het vonnis in conventie betreft.

Het hof stelt verder vast dat [appellante] tegen de afwijzing van haar vordering inzake buitengerechtelijke incassokosten geen grieven heeft gericht, zodat dit onderdeel van haar vorderingen in dit hoger beroep verder geen bespreking behoeft.

De inhoud van het hoger beroep

6.11

Met hun grieven hebben partijen de volgende drie onderwerpen aan de orde gesteld:

  • -

    vernietiging van de overeenkomst van opdracht;

  • -

    tarief van mr. Wagemans;

  • -

    gedeclareerde uren mr. Wagemans.

Het hof zal deze drie onderwerpen achtereenvolgens bespreken.

Ad (1) vernietiging van de overeenkomst

6.12

[appellante] legt aan haar vordering op [geïntimeerde] de opdrachtbevestiging van 3 september 2017 en haar onbetaald gebleven facturen van 5 maart 2018 en 19 maart 2018 ten grondslag. De daaraan voorafgaande factuur van 30 november 2017 ten bedrage van € 2.420,- inclusief btw heeft [geïntimeerde] voldaan. [geïntimeerde] betwist niet dat hij [appellante] heeft ingeschakeld voor rechtsbijstand in verband met de tegen hem gerezen verdenkingen, dat hij de opdrachtbevestiging heeft getekend en dat hij de facturen heeft ontvangen. Op de opdrachtbevestiging kan [appellante] haar vordering volgens [geïntimeerde] echter niet baseren omdat zijn daarin vastgelegde wil in werkelijkheid ontbrak vanwege een tijdelijke geestelijke stoornis en/of bij het ondertekenen daarvan sprake was van misbruik van omstandigheden door [appellante] . De overeenkomst dient daarom vernietigd te worden, aldus [geïntimeerde] .

6.13

Met betrekking tot vernietiging van een rechtshandeling op grond van een geestelijke stoornis bepaalt artikel 3:34 lid 1 BW het volgende:

Heeft iemand wiens geestvermogens blijvend of tijdelijk zijn gestoord, iets verklaard, dan wordt een met de verklaring overeenstemmende wil geacht te ontbreken, indien de stoornis een redelijke waardering der bij de handeling betrokken belangen belette, of indien de verklaring onder invloed van die stoornis is gedaan. Een verklaring wordt vermoed onder invloed van de stoornis te zijn gedaan, indien de rechtshandeling voor de geestelijk gestoorde nadelig was, tenzij het nadeel op het tijdstip van de rechtshandeling redelijkerwijze niet was te voorzien.

Om de overeenkomst tussen partijen op grond van deze bepaling (gedeeltelijk) te kunnen vernietigen dient [geïntimeerde] te bewijzen dat sprake was van een geestelijke stoornis aan zijn zijde op het moment dat de overeenkomst met [appellante] tot stand kwam, en dat hij, in verband daarmee, niet de wil had om de overeenkomst tot stand te laten komen. Van dit laatste is sprake indien de totstandkoming van de overeenkomst nadelig voor hem was, tenzij dit nadeel op het tijdstip van de totstandkoming van de schikking redelijkerwijze niet was te voorzien. De vermoedens van artikel 3:34 lid 1 BW verkrijgen, gelet op het bepaalde hierover in de parlementaire geschiedenis (Parl. Gesch. Boek 3, TM, blz. 165) pas werking als [geïntimeerde] weet aan te tonen dat op het moment van de rechtshandeling zijn geestelijke vermogens waren gestoord.

6.16

Allereerst is dan ook de vraag of [geïntimeerde] het bestaan van een geestelijke stoornis in de zin van artikel 3:34 lid 1 BW bij het aangaan van de overeenkomst van opdracht voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Ter onderbouwing van zijn stelling dat daarvan sprake is geweest heeft [geïntimeerde] een medische verklaring van 1 mei 2019 van zijn behandelend psychiater overgelegd. Daarin is onder meer opgenomen: “Het is in die zin niet waarschijnlijk is dat [geïntimeerde] in de periode na bekendmaking van het moordonderzoek naar hem, nog in staat was een realistisch beeld omtrent zijn eigen situatie te hebben. Ook zijn beslissingen zijn meer door angst dan door realiteitstoetsing gedreven.” Volgens [appellante] heeft [geïntimeerde] na de melding van de verdenking normaal gefunctioneerd en was er geen sprake van enige (geestelijke) stoornis. Dat is volgens hem ook niet af te leiden uit de medische verklaring van 1 mei 2019. Hij was ongerust over de verdenking, maar niet aangeslagen, aldus [appellante] .

6.17

Het hof overweegt hierover het volgende. Het begrip geestelijke stoornis is in de wet niet nader omschreven. Het hof gaat ervan uit dat dit begrip niet te beperkt moet worden opgevat. In de literatuur is het als volgt omschreven: “Onder geestelijke gestoordheid kan men voor dit onderwerp mede verstaan de toestand van dronkenschap, narcose, hypnose, verstrooidheid, hevige opwinding, kortom alle gevallen waarin de handelende persoon niet over een normale wil beschikt en zich geen rekenschap kan geven van wat hij doet of van de strekking van zijn handeling.” (Asser/Sieburgh 6-III 2018/142). Het hof neemt deze omschrijving tot uitgangspunt.

6.18

In de medische verklaring van 1 mei 2019 waar [geïntimeerde] naar verwijst is, voorafgaande aan de hiervoor aangehaalde passage, vermeld dat [geïntimeerde] zichzelf begin oktober 2017 naar de opsteller van deze verklaring heeft verwezen naar aanleiding van zijn verslechterde psychische gesteldheid nadat hij een paar weken daarvoor had vernomen dat hij verdachte was in een moordonderzoek en dat hij eerst gewacht/gehoopt had dat zijn klachten binnen een paar weken zouden verdwijnen, wat niet het geval was. Naar het oordeel van het hof kan uit deze medische verklaring niet worden afgeleid dat [geïntimeerde] reeds op 3 september 2017 psychische klachten had en in ieder geval niet dat hij op dat moment leed aan een (tijdelijke) stoornis van zijn geestvermogens als hiervoor tot uitgangspunt is genomen. Het staat niet in de medische verklaring en het is er ook niet uit af te leiden. Daarnaast heeft [geïntimeerde] geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd die, indien bewezen, de conclusie zouden kunnen rechtvaardigen dat op dat moment bij hem sprake was van een geestelijke stoornis als bedoeld in artikel 3:34 lid 1 BW. Zijn bewijsaanbod is daarom niet voldoende ondersteund door feitelijke stellingen die zich voor bewijslevering lenen. Nu [geïntimeerde] de geestelijke stoornis niet heeft bewezen, komt het hof niet toe aan de vermoedens van artikel 3:34 lid 1 BW over de vraag of de overeenkomst met [appellante] voor [geïntimeerde] nadelig was.

6.19

Voor zover [geïntimeerde] zich bij zijn beroep op vernietiging van de overeenkomst van opdracht baseert op misbruik van omstandigheden van de kant van [appellante] geldt het volgende. Met betrekking tot vernietiging van een rechtshandeling op grond van een geestelijke stoornis bepaalt artikel 3:44 lid 4 BW het volgende:

Misbruik van omstandigheden is aanwezig, wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden.

Om de overeenkomst tussen partijen op grond van deze bepaling (gedeeltelijk) te kunnen vernietigen dient [geïntimeerde] te bewijzen dat sprake was van dergelijke bijzondere omstandigheden en dat [appellante] dat wist of moest begrijpen.

6.20

Het hof overweegt hierover het volgende. De omstandigheden die [geïntimeerde] aanvoert ter onderbouwing van zijn stelling dat de overeenkomst tot stand is gekomen onder invloed van misbruik van omstandigheden zijn dezelfde als die hij heeft aangevoerd bij zijn beroep op vernietiging van de overeenkomst van opdracht op grond van een geestelijke stoornis. Hiermee heeft [geïntimeerde] ook het beroep op misbruik van omstandigheden onvoldoende feitelijk onderbouwd, zodat ook bewijslevering niet aan de orde komt.

6.21

Een en ander brengt het hof tot de slotsom, net als de kantonrechter in het vonnis van 26 juni 2019, dat de overeenkomst van opdracht van 3 september 2017 tot stand is gekomen en in stand is gebleven.

Ad (2) Tarief van mr. Wagemans

6.22

Volgens [geïntimeerde] betekent het feit dat hij in de opdrachtbevestiging akkoord is gegaan met een uurtarief van € 250,- niet dat [appellante] dat tarief ook in rekening mocht brengen. Volgens [geïntimeerde] mocht hij er op vertrouwen dat hem voor de werkzaamheden van mr. Wagemans bij wijze van prix d’ami een tarief van € 100,- per uur in rekening gebracht zou worden. Volgens [geïntimeerde] blijkt dat uit het feit dat dit tarief voor de werkzaamheden van [naam] werd gerekend en uit de e-mail van [appellante] van 30 november 2017 waarbij haar factuur van die datum werd toegestuurd. Daarin schrijft [appellante] dat de uren wel zijn bijgehouden maar niet zijn opgeteld ‘omdat wij onze rekening, gelet op de bestaande verhoudingen, wensen te matigen’.

6.23

Naar het oordeel van het hof bieden deze omstandigheden onvoldoende onderbouwing voor het standpunt van [geïntimeerde] dat hij ervan uit mocht gaan dat [appellante] - in weerwil van wat in de opdrachtbevestiging is opgenomen - ook voor de werkzaamheden van mr. Wagemans een tarief van € 100,- in rekening zou brengen. Het is op zich niet ongebruikelijk dat voor de werkzaamheden van verschillende advocaten van een kantoor een verschillend tarief gerekend wordt. In hoger beroep biedt [geïntimeerde] bewijs aan van ‘diverse uitlatingen en/of gedragingen’ van de kant van [appellante] bij het aangaan van de overeenkomst en nadien die bij hem de gerechtvaardigde veronderstelling deden ontstaan dat de prix d’ami van € 100,- per uur gerekend zou worden. Door [geïntimeerde] zijn in dit verband evenwel geen concrete feiten of omstandigheden naar voren gebracht die, indien bewezen, die conclusie kunnen rechtvaardigen. Zijn bewijsaanbod is daarom niet voldoende ondersteund door feitelijke stellingen die zich voor bewijslevering lenen.

6.24

Het voorgaande betekent dat [appellante] voor de door mr. Wagemans aan de opdracht van [geïntimeerde] bestede uren € 250,- per uur, vermeerderd met 6% kantoorkosten en met 21% btw mocht rekenen.

Ad (3) Gedeclareerde uren mr. Wagemans

6.25

Op de facturen van [appellante] heeft de kantonrechter in het vonnis van 26 juni 2019 in totaal een bedrag van € 6.793,98 in mindering gebracht. [appellante] verlangt in hoger beroep dat ook dit bedrag alsnog zal worden toegewezen, terwijl [geïntimeerde] terugbetaling van het gehele door de kantonrechter toegewezen bedrag vordert. Dit laatste standpunt is niet houdbaar aangezien tussen partijen vaststaat dat [appellante] werkzaamheden ten behoeve van [geïntimeerde] heeft verricht. Resteert het standpunt van [geïntimeerde] dat [appellante] voor de werkzaamheden van mr. Wagemans te veel uren in rekening heeft gebracht, welk standpunt gedeeltelijk door de kantonrechter is gehonoreerd. In rechtsoverweging 4.2.1 is voor werkzaamheden op 23 februari 2018 1,5 uur minder gerekend, in rechtsoverweging 4.2.2 is voor werkzaamheden op 5-8 maart 2018 9 uur minder gerekend, in rechtsoverweging 4.2.3 is voor werkzaamheden op 2 maart 2018 2 uur minder gerekend en in rechtsoverweging 4.2.4 is voor werkzaamheden op 10/11 maart 2018 9 uur minder gerekend. Volgens [geïntimeerde] had in rechtsoverweging 4.2.2 voor werkzaamheden op 5-8 maart 2018 geen 9 uur maar 18 uur in mindering moeten worden gebracht.

6.26

[appellante] heeft haar vordering onderbouwd met haar facturen en daarbij behorende specificaties maar de hoogte daarvan is door [geïntimeerde] voldoende gemotiveerd betwist. Tegenover deze gemotiveerde betwisting heeft [appellante] de volledige juistheid van haar facturen vooralsnog niet overtuigend aangetoond. Het hof zal [appellante] overeenkomstig haar bewijsaanbod in de gelegenheid stellen nader bewijs te leveren als hierna in het dictum opgenomen.

Conclusie

6.27

Met uitzondering van de kwestie van de uren van mr. Wagemans, waarvoor bewijslevering zal plaatsvinden, zijn in het voorgaande alle kwesties afgehandeld. Het hof geeft partijen in overweging om bij deze stand van zaken te bezien of over deze laatste aangelegenheid in onderling overleg alsnog een regeling is te bewerkstelligen. Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.

7 De uitspraak

Het hof:

in het principaal appel en in het incidenteel appel

laat [appellante] toe te bewijzen dat de werkzaamheden van mr. Wagemans op grond van de overeenkomst van opdracht de volgende door haar aan [geïntimeerde] voor diens werkzaamheden in rekening gebrachte uren redelijkerwijze hebben gevergd:

  • -

    1,5 uur op 23 februari 2018;

  • -

    2 uur op 2 maart 2018;

  • -

    9 uur op 10/11 maart 2018;

  • -

    18 uur op 5-8 maart 2018;

bepaalt, voor het geval [appellante] bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. L.S. Frakes als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 15 juni 2021 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige(n) in de periode van 6 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de advocaat van [appellante] ten minste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.S. Frakes, C.B.M. Scholten van Aschat en B.A. Meulenbroek en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 1 juni 2021.

griffier rolraadsheer