Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:1579

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-05-2021
Datum publicatie
31-05-2021
Zaaknummer
20-003086-18
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2018:4601, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Medeplegen van onttrekking van een minderjarige aan het opzicht van jeugdzorg. Vader en moeder hebben gezamenlijk hun dochter (baby) uit de armen van de pleegmoeder meegenomen en naar Duitsland gebracht. Preliminaire verweren met betrekking tot de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie verworpen. Beroep op ontbreken van opzet en beroep op afwezigheid van alle schuld verworpen. Overschrijding van de redelijke termijn. Gevangenisstraf voor de duur van 11 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-003086-18

Uitspraak : 31 mei 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 21 september 2018, in de strafzaak met parketnummer 01-879410-18 tegen:

[de verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

wonende te [adres verdachte] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van het ‘medeplegen van opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over haar uitoefent, terwijl de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. [De benadeelde partij] is niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding, waarbij is bepaald dat de kosten van partijen worden gecompenseerd en elke partij de eigen kosten draagt.

Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd, met dien verstande dat ook het tenlastegelegde onderdeel ‘met geweld’ bewezen kan worden verklaard en de verdachte te dier zake zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met aftrek van voorarrest, waaronder ook de tijd die de verdachte in overleveringsdetentie heeft doorgebracht, en met een proeftijd van 2 jaren. Voor wat betreft de vordering van [de benadeelde partij] heeft de advocaat-generaal bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering.

De verdediging heeft primair bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging. Subsidiair, indien het hof het openbaar ministerie ontvankelijk mocht verklaren in de strafvervolging, heeft de verdediging bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, nu zij geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad ten aanzien van het tenlastegelegde. Meer subsidiair heeft de verdediging een beroep gedaan op de schulduitsluitingsgrond ‘afwezigheid van alle schuld’ en bepleit dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Meest subsidiair heeft de verdediging een straftoemetingsverweer gevoerd. Voor wat betreft de vordering van [de benadeelde partij] heeft de verdediging zich aangesloten bij de eis van de advocaat-generaal en bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de strafvervolging. Daartoe is - op gronden zoals verwoord in de pleitnota - het navolgende aangevoerd:

1.Het openbaar ministerie heeft het specialiteitsbeginsel geschonden door de overlevering van de verdachte te verzoeken in verband met het in het Europees aanhoudingsbevel (hierna telkens: EAB) omschreven lijstfeit ‘ontvoering, vrijheidsberoving en gijzeling’, als vermeld in artikel 2, tweede lid, van het Kaderbesluit (van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten) 2002/584/JBZ (hierna telkens: Kaderbesluit) en welke lijst als bijlage 1 bij de Overleveringswet is opgenomen, terwijl de onttrekking van een minderjarige aan het rechtmatige toezicht (artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht), het feit dat aan verdachte ten laste wordt gelegd, niet in redelijkheid kan worden gekwalificeerd als ontvoering/wederrechtelijke vrijheidsberoving (artikel 282 van het Wetboek van Strafrecht). Met andere woorden, door de verdachte dus te vervolgen voor een ander feit dan het in het EAB opgenomen lijstfeit ‘ontvoering, vrijheidsberoving en gijzeling’, waarvoor de overlevering was verzocht, schendt het openbaar ministerie het specialiteitsbeginsel. Voor zover het openbaar ministerie de bedoeling gehad mocht hebben ook de overlevering van de verdachte te verzoeken ter zake van het bepaalde in artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht, had het openbaar ministerie, zo begrijpt het hof het verweer van de verdediging, in verband met de door de Duitse autoriteiten aan te leggen toets van dubbele strafbaarheid, melding dienen te maken van de Duitse wetsbepaling waarin dit strafbaar is gesteld.

2. Het door de (Nederlandse) officier van justitie uitgevaardigde EAB op grond waarvan de verdachte in Duitsland is aangehouden en overgeleverd aan Nederland is onrechtmatig, omdat het EAB niet door een onafhankelijke rechterlijke autoriteit is afgegeven.

3.De Oberstaatsanwältin (de Duitse officier van justitie) was niet bevoegd om op het overleveringsverzoek te beslissen, nu op grond van artikel 15 van het Kaderbesluit de bevoegde autoriteit om te beslissen op een overleveringsverzoek de uitvoerende rechterlijke autoriteit is, terwijl de Oberstaatsanwältin niet onder dit begrip valt.

Uit het dossier leidt het hof de navolgende feiten en omstandigheden af.

Op 26 februari 2018 is het EAB, met referentienummer OVL-U-2018007652, uitgevaardigd door de Nederlandse officier van justitie, mr. J. Schreurs. In het EAB is onder e) omschreven op welke strafbare feiten het bevel betrekking heeft, waarbij tevens een beschrijving is gegeven van de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd. In die beschrijving is onder meer vermeld dat de verdachte en [de medeverdachte] de ouders zijn van [het slachtoffer] , en dat beide personen als verdachte worden aangemerkt van opzettelijke vrijheidsberoving (artikel 282 van het Wetboek van Strafrecht) en onttrekking aan het gezag (artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht) in vereniging gepleegd.

Vervolgens is onder I. aangekruist dat het gaat om het feit ‘ontvoering, wederrechtelijke vrijheidsberoving en gijzeling’. Onder II. is vervolgens een volledige omschrijving van het strafbare feit of de strafbare feiten die niet onder de in punt I genoemde strafbare feiten vallen, opgenomen, waaronder ook artikel 279, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. De tekst van de artikelen 279, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht en 282 van het Wetboek van Strafrecht is integraal vermeld in het EAB.

De verdachte is vervolgens in de avond op 26 februari 2018 aangehouden in een vakantiewoning in Bad Bentheim (Duitsland) en vervolgens overgebracht naar een politiebureau in Nordhorn. In de vakantiewoning werd ook [het slachtoffer] aangetroffen en zij werd overgedragen aan jeugdzorg.

Bij schrijven van 27 februari 2018 heeft hoofdofficier Mauβ van het parket-generaal Oldenburg de rechter-commissaris bij het kantongerecht Nordhorn verzocht om een voorgeleiding in het kader van de overlevering van de verdachte in verband met strafvervolging wegens onttrekking van een minderjarige.

Diezelfde dag, op 27 februari 2018, is de verdachte voorgeleid voor de rechter, mevrouw De Raad. Aan de verdachte is door de rechter onder meer het arrestatiebevel van het Openbaar Ministerie Oost-Brabant d.d. 26 februari 2018 bekend gemaakt (stuk met kenmerk 5 Gs 84/18). De rechter heeft de verdachte onder meer uitgelegd wat de gevolgen zijn als zij geen bezwaar maakt tegen haar uitlevering en gevraagd aan de verdachte of zij kan instemmen met de vereenvoudigde overlevering. Daarbij is de verdachte ook gewezen op de omstandigheid dat er in geval van vereenvoudigde overlevering geen beslissing meer nodig is van het Oberlandesgericht Oldenburg. De verdachte heeft daarop ingestemd met de vereenvoudigde overlevering. De rechter heeft beslist dat de verdachte in detentie wordt gehouden.

Diezelfde dag heeft rechter De Raad in de zaak met nummer 5 Gs 84/18 zich schriftelijk tot de vrouwengevangenis Vechta gewend, de overplaatsing van de verdachte gelast naar de Penitentiaire Inrichting die onder het gerechtshof Oldenburg ressorteert en een verzoek tot opname in het kader van de uitleveringsdetentie van de verdachte verzocht. In dat bescheid is onder meer melding gemaakt van het EAB d.d. 26 februari 2018 en de grond voor hechtenis: hechtenis ten behoeve van uitlevering.

Op 28 februari 2018 heeft [verbalisant 1] (het hof begrijpt: een politieambtenaar) melding gemaakt van de voorgeleiding van de verdachte bij de rechter mevrouw De Raad op 27 februari 2018, dat de verdachte zich akkoord heeft verklaard met de verkorte uitleveringsprocedure en dat de kantonrechter mevrouw De Raad na afloop van de voorgeleiding omstreeks 15:00 uur de hechtenis heeft bevolen van de verdachte ter fine van uitlevering. Omstreeks 17:30 uur is de verdachte vervolgens door [verbalisant 1] samen met [verbalisant 2] overgedragen aan P.I. Vechta.

Op 2 maart 2018 heeft de griffier van kantonrechter mevrouw De Raad, Cosar, die ook aanwezig was bij de voorgeleiding van de verdachte op 27 februari 2018 bij rechter De Raad, het stuk met kenmerk 5 Gs 84/18, betreffende de voorgeleiding van de verdachte op 27 februari 2018 voornoemd, inhoudende onder meer dat de verdachte in detentie wordt gehouden, doorgestuurd naar het openbaar ministerie te Ösnabruck, ter attentie van officier van justitie Ravasani.

Op 6 maart 2018 heeft Oberstaatsanwältin mevrouw dr. Wullkopf (het hof begrijpt: de Duitse officier van justitie) aan de Nederlandse officier van justitie bericht dat zij kan instemmen met de overlevering van de verdachte ten behoeve van strafvervolging in verband met de in het EAB van 26 februari 2018 (kenmerk OVL-U-2018007652) beschreven feiten en daarbij tevens bericht dat de verdachte heeft ingestemd met de versnelde uitleveringsprocedure.

Op 12 maart 2018 is de verdachte vervolgens overgeleverd aan de Nederlandse autoriteiten en diezelfde dag in verzekering gesteld.

Op 15 maart 2018 is de verdachte vervolgens voorgeleid aan de rechter-commissaris in de rechtbank Oost-Brabant, die de bewaring van de verdachte heeft bevolen.

Overwegingen van het hof ad 1

Voor zover de verdediging heeft betoogd dat het specialiteitsbeginsel is geschonden, overweegt het hof het navolgende.

In artikel 27, tweede lid, van het Kaderbesluit EAB is het specialiteitsbeginsel opgenomen. Dit specialiteitsbeginsel houdt in dat een verdachte niet mag worden vervolgd, berecht of van zijn vrijheid mag worden beroofd wegens enig ander vóór de overlevering begaan strafbaar feit dan dat welke de reden voor de overlevering is geweest.

Gelet op de voren omschreven feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat uit de zich in het dossier bevindende stukken blijkt dat de overlevering van de verdachte niet alleen betrekking heeft op het lijstfeit ‘ontvoering, wederrechtelijke vrijheidsberoving en gijzeling’, maar ook op het bepaalde dat strafbaar is gesteld in artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht. Aan de verdachte is vervolgens het bepaalde in artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht tenlastegelegd en zij is aldus voor dit feit vervolgd.

Van schending van het specialiteitsbeginsel is naar het oordeel van het hof dan ook geen sprake.

Voor zover de raadsman heeft betoogd dat het Nederlandse openbaar ministerie melding had dienen te maken van de Duitse wetsbepaling waarin, kort gezegd, artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht strafbaar is gesteld vindt dat geen steun in het recht. Ten overvloede wijst het hof er op dat in het schrijven van 19 juli 2018 van officier van justitie Hoffmann aan de officier van justitie onder meer is vermeld dat er in Duitsland een opsporingsonderzoek is ingesteld ter zake het onttrekken van een minderjarige, strafbaar gesteld in artikel 235 lid 1 nummer 1 en lid 2 nummer 2 van Duits Wetboek van Strafrecht, met verzoek om overname van het opsporingsonderzoek, nu de beide verdachten de Nederlandse nationaliteit hebben, ze aan Nederland zijn overgedragen en overig onderzoek in Nederland zou moeten geschieden.

Mitsdien wordt het verweer van de verdediging verworpen.

Overwegingen van het hof ad 2 en 3

Voor zover de verdediging heeft bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in verband met onrechtmatigheid van het uitgevaardigde EAB en/of de onbevoegdheid van de Duitse officier van justitie te beslissen omtrent het overleveringsverzoek, overweegt het hof het navolgende.

Het hof stelt voorop dat de rechtmatigheid van een EAB ingevolge het Kaderbesluit in het kader van de overleveringsprocedure getoetst wordt door de uitvoerende lidstaat, in dit geval Duitsland. Aan een toetsing van de rechtmatigheid van het in de onderhavige zaak uitgevaardigde EAB met als mogelijke sanctie een niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte komt het hof alleen om die reden al niet toe.

Ten overvloede overweegt het hof ten aanzien van het in deze zaak uitgevaardigde EAB d.d. 26 februari 2018, nog dat op basis van de toen vigerende Overleveringswet in Nederland de officier van justitie ten aanzien van het EAB als uitvaardigende justitiële autoriteit optrad. Eerst naar aanleiding van de beslissing d.d. 27 mei 2019 van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de gevoegde zaken C-508/18 OG en C-82/19 PPU PI is de Overleveringswet in Nederland gewijzigd (zie ook de kamerstukken 35224) en is onder meer bepaald dat elke rechter-commissaris kan fungeren als uitvaardigende justitiële autoriteit.

Voor wat betreft hetgeen door de verdediging is aangevoerd ten aanzien van de bevoegdheid van de Duitse officier van justitie te beslissen omtrent het overleveringsverzoek, leidt het hof, zoals hiervoor reeds is overwogen, uit het dossier af dat de verdachte op 27 februari 2018, op verzoek van hoofdofficier Mauβ van het parket-generaal Oldenburg, in het kader van de overleveringsprocedure is voorgeleid aan de Duitse rechter De Raad. Deze rechter heeft de verdachte onder meer uitgelegd wat de gevolgen zijn als zij geen bezwaar maakt tegen haar uitlevering en gevraagd aan de verdachte of zij kan instemmen met de vereenvoudigde overlevering. De verdachte heeft daarop ingestemd met de vereenvoudigde overlevering. De rechter heeft beslist dat de verdachte in detentie wordt gehouden en vervolgens bewerkstelligd dat de verdachte in de vrouwengevangenis Vechta is opgenomen in het kader van de overleveringsdetentie.

Aldus heeft er naar het oordeel van het hof op 27 februari 2018 een toetsing van het overleveringsverzoek plaatsgevonden door een Duitse rechter, die vervolgens heeft beslist dat de verdachte in overleveringsdetentie werd gehouden. De mededeling van de Duitse officier van justitie, mevrouw dr. Wullkopf, aan de Nederlandse officier van justitie dat zij instemt met de overlevering van de verdachte, is naar het oordeel van het hof op grond van het voorgaande aan te merken als een uitvoeringsbesluit. De beslissing is immers reeds door rechter De Raad genomen, die op grond van artikel 15 van het Kaderbesluit de bevoegde autoriteit is om te beslissen op het overleveringsverzoek.

Voor zover de raadsman heeft bedoeld te stellen dat sprake zou zijn van enig vormverzuim ex artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering dat tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie moet leiden dan wel enige andere grond voor niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, overweegt het hof dat van niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie slechts in uitzonderlijke gevallen sprake kan zijn, namelijk alleen als zich een geval voordoet waarin met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Volgens de Hoge Raad is de strekking van deze maatstaf dat in het geval dat een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is gemaakt dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM, niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging plaatsvindt. Het moet dan gaan om een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Daarbij moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen dat - in de bewoordingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens - “the proceedings as a whole were not fair”.

Voor zover het door de raadsman aangevoerde niet als een vormverzuim in de zin van art. 359a van het Wetboek van Strafvordering dient te worden aangemerkt, zal de feitelijke gang van zaken getoetst dienen te worden aan de hand van het zogeheten Zwolsman-criterium (is doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling tekortgedaan) en het zogeheten Karman-criterium (is een fundamentele inbreuk gemaakt waardoor het wettelijk systeem in de kern is geraakt).

In deze zaak is daarvan naar het oordeel van het hof op geen enkele wijze gebleken, zodat van niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie geen sprake kan zijn. Ook overigens is niet gebleken van enig nadeel voor de verdachte, reeds nu zowel in Duitsland als, na haar overlevering, in Nederland telkens door rechterlijke autoriteiten beslissingen zijn genomen over haar vrijheidsbeneming.

Het hof verwerpt mitsdien het verweer van de verdediging, strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, in alle onderdelen, en is van oordeel dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

zij op of omstreeks 26 februari 2018 te Eersel, althans in Nederland en/of Duitsland en/of België, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk een minderjarige, te weten:

- [het slachtoffer] (geboren op [geboortedatum slachtoffer] ),

welke minderjarige beneden de leeftijd van twaalf jaren oud was,

(met geweld) heeft onttrokken aan het wettig over die minderjarige gestelde gezag of aan het opzicht van degene die dat gezag desbevoegd over die minderjarige uitoefende, te weten [stichting jeugdbescherming] en/of pleegzorg, immers heeft zij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, (in strijd met de machtiging ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing uitgesproken door de rechtbank Oost-Brabant bij beschikking(en) van 12 oktober 2017 en/of 3 november 2017 en/of 11 januari 2018) die [slachtoffer] :

- (met geweld) uit de Maxi-Cosi getrokken en/of gehaald en/of

- in een auto meegenomen en/of

- vervoerd naar een (vakantie)woning in het buitenland (Duitsland) en/of

- ondergebracht in een (vakantie)woning in het buitenland (Duitsland), in ieder geval op een locatie die niet bekend was bij [stichting jeugdbescherming] ,

en aldus die [slachtoffer] buiten het bereik en/of de invloedssfeer van [stichting jeugdbescherming] gebracht en/of gehouden;

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 26 februari 2018 te Eersel en/of Duitsland en/of België, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een minderjarige, te weten [het slachtoffer] (geboren op [geboortedatum slachtoffer] ), welke minderjarige beneden de leeftijd van twaalf jaren oud was, heeft onttrokken aan het opzicht van degene die dat gezag desbevoegd over die minderjarige uitoefende, te weten [stichting jeugdbescherming] , immers heeft zij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander, in strijd met de machtiging ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing uitgesproken door de rechtbank Oost-Brabant bij beschikkingen van 12 oktober 2017 en 3 november 2017 en 11 januari 2018, die [slachtoffer] :

- uit de Maxi-Cosi gehaald en

- in een auto meegenomen en

- vervoerd naar een (vakantie)woning in het buitenland (Duitsland) en

- ondergebracht in een (vakantie)woning in het buitenland (Duitsland), op een locatie die niet bekend was bij [stichting jeugdbescherming] ,

en aldus die [slachtoffer] buiten het bereik en de invloedssfeer van [stichting jeugdbescherming] gebracht en gehouden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen 1

1. Een ander geschrift, te weten een Resultaat GBA-V Bevraging d.d. 1 maart 2018 (dossierpagina 240), voor zover inhoudende:

Persoon

Voornaam [voornaam slachtoffer]

Geslachtsnaam [geslachtsnaam slachtoffer]

Geboortedatum [geboortedatum slachtoffer]

Geboorteplaats [geboorteplaats slachtoffer]

Geboorteland Nederland.

2. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 26 februari 2018 (dossierpagina’s 245-249), voor zover inhoudende als verklaring van [de pleegmoeder]:

(dossierpagina 245)

Ik doe aangifte. Ik heb aan niemand het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van dit feit.

[Het slachtoffer] (het hof begrijpt telkens: [het slachtoffer]) is bij ons geplaatst vanuit de jeugdbescherming en wij verzorgen haar. De verzorging doen wij rechtens een beschikking van de rechtbank. Een kopie van de beschikking geef ik u en kunt u voegen bij deze aangifte (hof: zie bewijsmiddel 3).

[Het slachtoffer] haar volledige gegevens zijn:

[Voornaam en achternaam slachtoffer] , [geboortedatum slachtoffer] te [geboorteplaats slachtoffer] geboren.

(dossierpagina’s 245 en 246)

De natuurlijke moeder van [het slachtoffer] betreft [de verdachte] (het hof begrijpt telkens: de verdachte). Zij heeft het wettelijk gezag nog steeds over [het slachtoffer] . Er is wel een ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing door de rechtbank uitgesproken en daardoor hebben wij [het slachtoffer] in onze zorg in ons gezin. Dit is beiden nog actueel.

(dossierpagina 246)

De vader van [het slachtoffer] betreft [de medeverdachte] (het hof begrijpt telkens: [de medeverdachte]). [De medeverdachte] heeft geen juridische rol richting [het slachtoffer] .

Op 18 december 2017 is [het slachtoffer] bij ons in huis geplaatst door [stichting jeugdbescherming] .

Vanmorgen (het hof begrijpt: 26 februari 2018) heb ik [mijn dochter] (het hof begrijpt: de dochter van aangeefster) in Eersel naar school gebracht met de auto. Achterin de Maxi-Cosi had ik [het slachtoffer] zitten. Ik heb daarna in Bergeijk boodschappen gedaan en de boodschappen thuis afgezet. In die tijd zat [het slachtoffer] gewoon even in de afgesloten auto. Daarna ben ik met de auto naar de [supermarkt] te Eersel gegaan. Ik heb daar gewinkeld. Toen ik weer naar buiten liep, had ik [het slachtoffer] nog steeds in de Maxi-Cosi voor op mijn winkelwagentje staan. Ik liep naar mijn auto, die midden op de parkeerplaats stond. Dit was rond 09:15 uur. Ik zag dat een man (het hof begrijpt telkens: [de medeverdachte]) op mij af kwam lopen. Ik zag dat hij steeds dichter naar me toe kwam gelopen.

(dossierpagina 247)

Ik zag dat hij bij me was en dat hij de Maxi-Cosi vastpakte. Op dat moment maakte ik al direct een koppeling met de natuurlijke vader van [het slachtoffer] , [de medeverdachte] . Ik pakte de Maxi-Cosi ook vast en zei in eerste instantie tegen hem: “Doe dit niet, doe dit niet!”. Ook riep ik meteen luidkeels om hulp. Dit herhaalde ik meerdere keren. Ik riep “Bel 112, bel de politie”, en woorden van gelijke strekking.

Op dat moment hadden wij dus beiden de hendel van de Maxi-Cosi vast waarin [het slachtoffer] lag. Ik voelde dat hij met kracht constant probeerde de Maxi-Cosi met [het slachtoffer] uit mijn handen te trekken. Ik hoorde hem ook iets zeggen van “Geef me mijn kind”, of woorden van gelijke strekking. Het lukte hem niet direct om [het slachtoffer] van mij af te pakken.

Op dat moment zag ik dat tevens [de verdachte] bij ons was komen staan. Ik zag en voelde dat zij ook de Maxi-Cosi vastpakte. Vervolgens zag ik dat [de medeverdachte] met zijn handen in de Maxi-Cosi graaide. Ik dacht nog vlug, zo krijgt hij [het slachtoffer] toch niet mee, omdat ze vast zit in de riempjes. Echter, hij had haar zo los en sleepte haar los mee in zijn armen.

Ik zag dat [de medeverdachte] en [de verdachte] met [het slachtoffer] gezamenlijk naar een geparkeerde auto op de parkeerplaats bij de [supermarkt] liepen. Deze auto stond in een hoek geparkeerd, met de neus zo dat ze meteen weg konden rijden de openbare weg op.

(dossierpagina 248)

Ik zag dat [de medeverdachte] met [het slachtoffer] op de passagiersstoel plaats nam en ik zag dat [de verdachte] achter het stuur plaats nam. Ik zag vervolgens dat zij hard de parkeerplaats afreden en ik hoorde dat zij flink gas gaf.

Samenvattend hebben zij dus gezamenlijk met opzet en tegen mijn wil [het slachtoffer] van mijn en onze zorg weggenomen.

3. Een ander geschrift, te weten een beschikking ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de rechtbank Oost-Brabant d.d. 11 januari 2018 (dossierpagina’s 252-256), voor zover inhoudende:

(dossierpagina 252)

Beschikking ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing in de zaak van Raad voor de Kinderbescherming, locatie Eindhoven, betreffende [het slachtoffer] , geboren op [geboortedatum slachtoffer] te [geboorteplaats slachtoffer] , hierna te noemen [het slachtoffer] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[stichting jeugdbescherming] , statutair gevestigd te Eindhoven, vestiging Helmond, hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI),

[de verdachte] , hierna te noemen: (de) moeder.

Op 5 januari 2018 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de moeder, bijgestaan door mr. A. Winters,

- mevrouw [medewerker raad] namens de raad,

- mevrouw [medewerker jeugdzorg 3] namens de GI.

(dossierpagina 253)

Bij beschikking van 12 oktober 2017 is [het slachtoffer] voorlopig onder toezicht gesteld tot 12 januari 2018. Tevens heeft de kinderrechter bij deze beschikking ten aanzien van [het slachtoffer] een machtiging tot uithuisplaatsing verleend in een (netwerk)pleeggezin, zulks met ingang van 12 oktober 2017, voor de duur van vier weken, te weten tot 9 november 2017. Bij beschikking van 3 november 2017 is voornoemde beschikking door de kinderrechter bekrachtigd en is de machtiging tot uithuisplaatsing van [het slachtoffer] in een (netwerk)pleeggezin verlengd voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling.

(dossierpagina 255)

De beslissing

De kinderrechter:

stelt [het slachtoffer] onder toezicht van [stichting jeugdbescherming] , statutair gevestigd te Eindhoven, vestiging Helmond, voor de duur van twaalf maanden, met ingang van 11 januari 2018 tot 11 januari 2019;

verleent machtiging tot uithuisplaatsing van [het slachtoffer] in een voorziening voor pleegzorg, met ingang van 11 januari 2018 tot 11 april 2018;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

(dossierpagina 256)

Deze beschikking is gegeven door mr. J.W. Brunt, in tegenwoordigheid van de griffier en in het openbaar uitgesproken op 11 januari 2018.

4. Het proces-verbaal van aangifte d.d. maart 2018 (dossierpagina’s 258-260), voor zover inhoudende als verklaring van [medewerker jeugdzorg 2] , die aangifte deed namens [stichting jeugdbescherming] te Helmond:

(dossierpagina 258)

Feit: onttrekking van een minderjarige beneden de twaalf jaren oud aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over haar uitoefent.

Plaats delict: openbare weg, [straatnaam 1] te Eersel, parkeerplaats ter hoogte van de [supermarkt]

Pleegdatum/tijd: 26 februari 2018, omstreeks 09.10 uur

Op 13 maart 2018 verscheen voor mij, [verbalisant 3] , [medewerker jeugdzorg 2] . Zij deed aangifte namens [stichting jeugdbescherming] , en verklaarde het volgende over het in de aanhef vermelde incident:

Ik ben als gebiedsmanager en leidinggevende in dienst bij de [stichting jeugdbescherming] en ben door die stichting gemachtigd tot het doen van deze aangifte. Ik ben leidinggevende over de jeugdzorgwerker die uitvoering geeft aan de maatregel opgelegd door de kinderrechter ten aanzien van [het slachtoffer] .

Bij rechterlijke uitspraak van 11 januari 2018 van mr. J.W. Brunt, kinderrechter (het hof begrijpt: in de rechtbank) Oost-Brabant, is het minderjarige kind:

[Voornaam en achternaam slachtoffer] , geboren op [geboortedatum slachtoffer] te [geboorteplaats slachtoffer] ,

(dossierpagina 259)

onder toezicht gesteld van [stichting jeugdbescherming] , voor de duur van twaalf maanden, met ingang van 11 januari 2018 tot 11 januari 2019.

Tevens werd bij deze rechterlijke uitspraak machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [het slachtoffer] in een voorziening voor pleegzorg, met ingang van 11 januari 2018 tot 11 april 2018.

Op 12 oktober 2017 werd de voorlopige ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing afgegeven door de kinderrechter.

Gedurende de ondertoezichtstelling van [het slachtoffer] is er in verband met bepaalde omstandigheden, aangaande de veiligheid van [het slachtoffer] , door de [stichting jeugdbescherming] besloten om [het slachtoffer] per 18 december 2017 op een ander, neutraal, pleegadres op basis van geheime plaatsing te plaatsen.

[Het slachtoffer] is op dat moment door de zus van de biologische moeder naar het nieuwe pleegadres te [woonplaats pleeggezin] gebracht.

Op 26 februari 2018 werd de [stichting jeugdbescherming] er van op de hoogte gebracht dat de genoemde [slachtoffer] door haar biologische moeder (het hof begrijpt telkens: de verdachte) en vader (het hof begrijpt telkens: [de medeverdachte]) was weggepakt bij de pleegmoeder en dat zij [het slachtoffer] hadden meegenomen met onbekende bestemming.

De biologische moeder en vader zijn (moeder) [de verdachte] en (vader) [de medeverdachte] .

[De verdachte] en [de medeverdachte] hadden van de Kinderrechter en/of de [stichting jeugdbescherming] en/of de pleegmoeder geen recht en geen toestemming om [het slachtoffer] bij de door de [stichting jeugdbescherming] aangestelde pleegmoeder weg te pakken of mee te nemen.

(dossierpagina 260)

Door hun handelwijze hebben [de verdachte] en [de medeverdachte] opzettelijk [het slachtoffer] , een minderjarige beneden de twaalf jaren oud, onttrokken aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over haar uitoefende.

Op 26 februari 2018 was het wettig gezag over [het slachtoffer] bij de biologische moeder [de verdachte] . Het feit dat de rechterlijke machtiging uithuisplaatsing is uitgesproken betekent feitelijk dat de biologische moeder niet het recht had om [het slachtoffer] mee te nemen of mee te laten nemen of het kind af te pakken of af te laten pakken van de pleegmoeder c.q. pleegouders.

5. Het proces-verbaal van verhoor verdachte van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Oost-Brabant, d.d. 15 maart 2018 (dossierpagina’s 99-100), voor zover inhoudende als verklaring van [de medeverdachte] :

(dossierpagina 99)

Ik beken het feit op de vordering te hebben gepleegd en dan bedoel ik het onttrekken van [het slachtoffer] (het hof begrijpt telkens: [het slachtoffer]). Ik heb dat samen met [de verdachte] (het hof begrijpt telkens: [de verdachte]) gedaan. Wij hebben daar van te voren over nagedacht en wij hebben daar van te voren afspraken over gemaakt. U vraagt mij welke afspraken wij hebben gemaakt. Wij wisten waar de pleegouders woonden en wij hebben samen afgesproken dat wij [het slachtoffer] daar, op die dag (het hof begrijpt: op 26 februari 2018), zouden gaan halen. Wij waren naar de woning van [de pleegmoeder] (het hof begrijpt telkens: [de pleegmoeder] , de pleegmoeder van [het slachtoffer] ) gereden en toen zagen wij dat [de pleegmoeder] wegreed in haar auto. In het begin reed ik en op het einde [de verdachte] . Ik ben naar het huis van [de pleegmoeder] gereden en achter [de pleegmoeder] aan naar de [supermarkt] en vanaf de [supermarkt] heeft [de verdachte] het overgenomen. Toen wij [de pleegmoeder] achterna reden, deden wij dat met de bedoeling [het slachtoffer] van [de pleegmoeder] af te pakken. Ik wist dat wij daartoe geen recht hadden.

(dossierpagina 100)

De trailer met de box en het bedje stond al in Duitsland en ook daar hadden wij over nagedacht. Het huisje in Duitsland is besproken via de telefoon en dat heeft [de verdachte] gedaan.

U vraagt mij hoe het verder zou moeten, na Duitsland. Wij wilden [het slachtoffer] hebben en haar opvoeden.

6. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 12 maart 2018 (dossierpagina’s 145-150), voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

(dossierpagina 145)

Op 12 maart verhoorden wij (het hof begrijpt: de verbalisanten) in Eindhoven als verdachte:

Voornamen : [voornamen verdachte]

Naam : [achternaam verdachte]

Geboortedatum : [geboortedatum verdachte]

Geboorteplaats : [geboorteplaats verdachte]

Nationaliteit : Nederlandse

(dossierpagina 147)

Op 26 februari 2018 had ik bezoekrecht voor [het slachtoffer] (het hof begrijpt telkens: [het slachtoffer]). Ik had die afspraak in Eindhoven. Ik werd rond 09:00 uur gebeld dat de afspraak 1 uur verzet zou worden, van 10:00 naar 11:00 uur.

Toen ik werd gebeld, dat de afspraak verzet werd, reden we op dat moment al in Eersel rond. We reden bij [de pleegouders] (het hof begrijpt telkens: [de pleegmoeder] en haar partner, de pleegouders van [het slachtoffer]) in de buurt en op dat moment zag [de medeverdachte] (het hof begrijpt telkens: [de medeverdachte]) [de pleegmoeder] wegrijden. We zijn toen achter [de pleegmoeder] aangereden en we zagen dat ze richting de parkeerplaats van de [supermarkt] (het hof begrijpt: te Eersel) ging. Wij hebben toen de auto geparkeerd. Ik ben in de auto blijven zitten en [de medeverdachte] is naar de [supermarkt] gelopen. [de medeverdachte] heeft mij toen 2 keer gebeld.

(dossierpagina 148)

De eerste keer vertelde (hij) mij dat hij achter [het slachtoffer] aanliep. Hij zei tegen mij: we gaan het nu doen. Ik zie dat [de medeverdachte] dan weer uit de [supermarkt] komt lopen en weer bij de auto komt. Hij vertelt mij dan waar en hoe ik de auto moet parkeren. Ik rij dan de auto daar naar toe terwijl [de medeverdachte] dat aanwijst. Ik zit op dat moment alleen in de auto en [de medeverdachte] staat buiten.

Als ik op de aangegeven plek sta, dan loopt [de medeverdachte] weer terug naar de [supermarkt] . Dan belt hij mij voor de tweede keer en zegt mij dat [de pleegmoeder] aan het afrekenen is. [de medeverdachte] is dan niet in de [supermarkt] . Ik zie hem voor de [supermarkt] staan.

Ik zie [de pleegmoeder] dan naar haar auto lopen. Ik zag dat ze een winkelwagentje had en [het slachtoffer] staat er op, in de Maxi-Cosi. Ik heb [de medeverdachte] dan aan de telefoon en hoor hem zeggen “we gaan het nu doen”. Ik ben uit de auto gekomen en richting [de medeverdachte] gelopen.

[De medeverdachte] probeerde de handen van [de pleegmoeder] van de Maxi-Cosi los te maken en dat probeerde [de pleegmoeder] ook weer bij [de medeverdachte] . Dan zie ik dat [de medeverdachte] de riempjes van de Maxi-Cosi losmaakt en [het slachtoffer] uit de Maxi-Cosi haalt. (…) Ik stap in de auto, achter het stuur, en [de medeverdachte] heeft [het slachtoffer] op de arm en stapt voorin, aan de passagierskant. Ik ben toen weggereden.

Verbalisanten:

Waar ben je toen naar toegereden?

Verdachte:

Ik ben naar het plaatsje Postel gereden, dat is in België. We zijn daar gestopt en [de medeverdachte] is toen achter het stuur gaan zitten en ik heb [het slachtoffer] in het kinderzitje gezet. We zijn toen verder gereden, helemaal om Limburg heen, door België. Daarna zijn we doorgereden naar Duitsland.

(dossierpagina 149)

[De medeverdachte] heeft toen de auto bij een zwembad gezet, dit was op een parkeerplaats tegenover het vakantiepark (het hof begrijpt: het vakantiepark in Bad Bentheim in Duitsland). Ik heb een tas met spullen voor [het slachtoffer] uit de auto gepakt. Ik heb [het slachtoffer] opgepakt en ben naar het huisje gelopen. Eenmaal in het huisje heb ik [het slachtoffer] toen een fruithapje gegeven en in de box gelegd.

7. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 13 maart 2018 (dossierpagina’s 151-166), voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

(dossierpagina 157)

We (het hof begrijpt telkens: de verdachte en [de medeverdachte]) hebben iets van 2 weken in Mierlo gewoond. Dit was een vakantiepark. Daarna zijn we naar het vakantiepark in Bad Bentheim gegaan.

Verbalisanten:

We willen terug naar de vrijdag (het hof begrijpt: 23 februari 2018) dat jullie op het vakantiepark in Duitsland aankwamen. Wie heeft het huisje geboekt?

Verdachte:

Ik denk dat ik dat op de telefoon heb gedaan. Ik denk dat het 1 dag voordat we aankwamen is geweest. Dit was via internet.

Verbalisanten:

Hoe heb je dat gedaan?

Verdachte:

Ik moest gewoon alles invullen, via internet en toen kreeg ik de reservering, dit alles was via mijn telefoon.

Verbalisanten:

Met welke gegevens heb je het huisje geboekt?

Verdachte:

Met [naam] .

(dossierpagina 158)

Verdachte:

[De medeverdachte] liep al met het plan in zijn hoofd om [het slachtoffer] (het hof begrijpt telkens: [het slachtoffer]) weg te halen. Ik wist daar natuurlijk wel van.

Verbalisanten:

Welke spullen hadden jullie allemaal bij (jullie) en waar zijn die toen neergezet, toen jullie vrijdag (het hof begrijpt: 23 februari 2018) aankwamen in Duitsland?

Verdachte:

Box, babybedje. Babybedje is zaterdag (het hof begrijpt: 24 februari 2018) naar boven gegaan. Kleren.

(dossierpagina’s 158 en 159)

Verbalisanten:

Dan gaan jullie maandagmorgen (het hof begrijpt: 26 februari 2018) (naar) Eersel, hoe laat was dat?

Verdachte:

Wij vertrokken om 06:15 uur uit Duitsland.

(dossierpagina 160)

Wij zijn eerst naar het adres van [de pleegouders] (het hof begrijpt telkens: [de pleegmoeder] en haar partner, de pleegouders van [het slachtoffer]) gereden. We zijn aangekomen in de richting van [straatnaam 2] te Eersel. Wij zagen dat [de pleegmoeder] niet thuis was, omdat er geen auto stond.

We moesten kijken naar een donkerblauwe Peugeot 206 of 207 en anders een antraciet kleurige Peugeot 307. Dit wist ik van de bezoekmomenten met [het slachtoffer] .

(dossierpagina 161)

We zijn toen in een parkeerhaventje, aan de rechterkant van [straatnaam 2] , gaan staan met de auto.

Daar staan we geen 2 minuten en dan zien we allebei de auto van [de pleegmoeder] wegrijden. We zien dat de auto van [de pleegmoeder] van ons wegrijdt. [De medeverdachte] rijdt dan achter [de pleegmoeder] aan.

Ik zie dat [de pleegmoeder] ergens rechtsaf slaat met de auto. Ik weet op dat moment nog niet dat de [supermarkt] daar is. Ik hoor dat later van [de medeverdachte] , als hij is uitgestapt en mij daarna belt.

[De medeverdachte] is die straat ingelopen. Daarna heeft hij mij gebeld en gezegd dat ik ook, met de auto, die straat in moest rijden. Ik ben toen achteruit de parkeerplaats afgereden en rechtsaf die straat ingereden.

(dossierpagina 162)

Je hebt daar de auto geparkeerd, nu hebben wij begrepen dat je gisteren verteld hebt, dat je vanaf daar zicht had op de [supermarkt] .

Verdachte:

Ja, dat klopt, ik had achteruit geparkeerd.

Volgens mij doet [de medeverdachte] dan, bij onze auto, het linker achterportier open. [de medeverdachte] duwt dan de Bench met onze hond erin verder de achterbank op. Ik hoorde hem zeggen dat [het slachtoffer] daar moest staan.

(dossierpagina 163)

[De pleegmoeder] heeft haar auto midden op de parkeerplaats staan. Ik zie [de pleegmoeder] naar haar auto lopen en [de medeverdachte] achter haar aan. Zodra [de pleegmoeder] bezig gaat met de auto, is zij niet meer zo gefocust op haar winkelwagentje waar [het slachtoffer] bovenop staat.

Ik ben half uit de auto en zie een worsteling ontstaan tussen [de medeverdachte] en [de pleegmoeder] , om de Maxi-Cosi. Ik loop dan in de richting van de auto van [de pleegmoeder] toe. Op dat moment komt er achter mij een auto aanrijden. Die auto stopt en de bestuurder stapt uit en ik hoor haar vragen, wat er aan de hand is.

Ik sta op dat moment links achter bij de auto van [de pleegmoeder] . Daarop hoor ik [de pleegmoeder] zeggen: “Ze willen het kindje meenemen, maar het is een pleegkindje”. Op dat moment heeft [de medeverdachte] het gordeltje van de Maxi-Cosi al losgemaakt en is bezig [het slachtoffer] eruit te halen.

Verbalisanten:

[De pleegmoeder] zegt dat jij ook de Maxi-Cosi hebt vastgepakt. Ze zegt daarover het volgende:

Op dat moment zag ik dat tevens moeder [de verdachte] bij ons was komen staan. (…) Ik zag en voelde dat zij ook de Maxi-Cosi vastpakte.

Verdachte:

Als ik het filmpje in mijn hoofd afspeel. Dan kan het wel kloppen wat [de pleegmoeder] zegt. Ik heb geprobeerd de hand van [de pleegmoeder] los te maken van de Maxi-Cosi. Ik heb geprobeerd haar vingers van de Maxi-Cosi los te maken.

(dossierpagina 164)

Verbalisanten:

Waarom?

Verdachte:

Ook ik wilde [het slachtoffer] terug.

8. De verklaring van de verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 7 september 2018, voor zover inhoudende:

U houdt mij voor dat gezocht is op termen als “Isofix en Maxi-Cosi”. Dat klopt. [De medeverdachte] (het hof begrijpt telkens: [de medeverdachte]) had het erover dat [het slachtoffer] (het hof begrijpt telkens: [het slachtoffer]) misschien vast zou zitten in de Isofix, een systeem waarmee een Maxi-Cosi vastzit in de autogordel. [De medeverdachte] zat naast mij toen wij “Isofix” opzochten. Hij wilde weten hoe de Maxi-Cosi op een snelle manier uit de auto kon worden gehaald.

Wij hebben het vakantiehuisje gehuurd. Wij wilden dat alles in het vakantiehuis (het hof begrijpt: op het vakantiepark in Bad Bentheim) voorhanden zou zijn om [het slachtoffer] te verzorgen. Wij zouden ons daar in Duitsland blijvend vestigen.

Bewijsoverwegingen

I.

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven weergegeven bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

II.

De verdediging heeft bepleit dat de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het onttrekken van [het slachtoffer] aan het opzicht dat desbevoegd door [stichting jeugdbescherming] werd uitgeoefend, en daartoe, in aanvulling op de pleitnota, zakelijk weergegeven, het navolgende aangevoerd. Opzet is een bestanddeel van het tenlastegelegde. Cliënte verkeerde in de veronderstelling dat er op dat moment een beslissing was van een rechter. Zij geloofde wat [de medeverdachte] , op dat moment haar liefdespartner, zei. Zij had vertrouwen in hem en wilde haar kindje zien.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof stelt voorop dat ten aanzien van het tenlastegelegde artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht geldt dat het opzet (waaronder het voorwaardelijk opzet wordt begrepen) onder meer moet zijn gericht op enerzijds de omstandigheid dat het een minderjarige betreft en anderzijds de wettigheid van het gezag over de minderjarige of het bevoegd zijn van het opzicht. Voor bewezenverklaring van, zoals in casu, opzettelijke onttrekking aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over die minderjarige uitoefende, zal aldus dienen komen vast te staan dat het opzet zich op deze beide omstandigheden heeft gericht.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte en [de medeverdachte] plannen hadden gemaakt om [het slachtoffer] , in strijd met de beschikkingen van de kinderrechter (waarin [het slachtoffer] onder toezicht was gesteld van de [stichting jeugdbescherming] en waarin een machtiging tot uithuisplaatsing van [het slachtoffer] in een pleeggezin was verleend), tegen de wil van de [stichting jeugdbescherming] , tegen de wil van de pleegmoeder en zonder hen hiervan op de hoogte te stellen, mee te nemen in Eersel en vervolgens mee te nemen, via België, naar een vakantiewoning in Bad Bentheim in Duitsland. De verdachte en de medeverdachte hebben deze plannen vervolgens ook daadwerkelijk uitgevoerd, waarbij beiden een wezenlijk aandeel hadden in de voorbereiding, het feitelijk wegnemen van [het slachtoffer] en het meenemen van [het slachtoffer] , via België, naar Duitsland. De verdachte heeft de feitelijke gang van zaken en haar aandeel hierin niet betwist. Uit de feitelijke gedragingen van de verdachte en de medeverdachte en de verklaringen die zij hebben afgelegd blijkt evident dat zij beiden het opzet hadden om [het slachtoffer] aan het opzicht te onttrekken en voor de bevoegde instanties verborgen te houden. Volgens de verdachte waren zij ook van plan om zich samen met [het slachtoffer] blijvend in Duitsland te vestigen.

Het hof stelt vast dat uit het dossier en de gebezigde bewijsmiddelen ook volgt dat het opzet van de verdachte gericht is geweest op de omstandigheid dat het een minderjarige betreft. Dat is door de verdediging ook niet betwist. Voor zover de verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte geloofde wat [de medeverdachte] haar vertelde en dat zij dacht dat er op het moment van handelen een beslissing van de rechter lag en dat daarom het opzet ontbrak leidt het hof af dat de verdediging heeft willen aanvoeren dat de verdachte heeft gedwaald ten aanzien van het bevoegd zijn van het opzicht van [stichting jeugdbescherming] .

Het hof overweegt daartoe het navolgende.

Het hof stelt de volgende feiten en omstandigheden vast:

  • de verdachte wist dat een procedure omtrent [het slachtoffer] bij de Nederlandse kinderrechter aanhangig was, waarin zij werd vertegenwoordigd door een advocaat;

  • zo was de verdachte, samen met haar advocaat, mr. Winters, aanwezig bij de zitting op 5 januari 2018, op welke zitting zij is gehoord door de kinderrechter van de rechtbank Oost-Brabant op het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot ondertoezichtstelling van [het slachtoffer] voor de duur van twaalf maanden en het verzoek tot uithuisplaatsing van [het slachtoffer] voor de duur van zes maanden in een voorziening voor pleegzorg;

  • de kinderrechter voornoemd heeft vervolgens bij beschikking van 11 januari 2018 [het slachtoffer] onder toezicht heeft gesteld van [stichting jeugdbescherming] , statutair gevestigd te Eindhoven, vestiging Helmond, voor de duur van twaalf maanden, met ingang van 11 januari 2018 tot 11 januari 2019 en machtiging tot uithuisplaatsing van [het slachtoffer] in een voorziening voor pleegzorg, met ingang van 11 januari 2018 tot 11 april 2018 heeft verleend, welke beschikking ten aanzien van die beslissingen uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. (Eerder, bij beschikking van 12 oktober 2017 was [het slachtoffer] voorlopig onder toezicht gesteld tot 12 januari 2018, en was tevens een machtiging tot uithuisplaatsing verleend in een (netwerk)pleeggezin, zulks met ingang van 12 oktober 2017, voor de duur van vier weken, te weten tot 9 november 2017. Bij beschikking van 3 november 2017 is voornoemde beschikking door de kinderrechter bekrachtigd en is de machtiging tot uithuisplaatsing van [het slachtoffer] in een (netwerk)pleeggezin verlengd voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling);

  • de verdachte heeft verklaard dat zijzelf vraagtekens heeft geplaatst bij hetgeen [de medeverdachte] verklaarde over de situatie omtrent [het slachtoffer] ;

  • de moeder van de verdachte heeft in haar getuigenverhoor bij de rechter-commissaris d.d. 24 augustus 2018 verklaard dat zij in een gesprek met de verdachte de vraag heeft opgeworpen of het allemaal wel klopte wat [de medeverdachte] hen vertelde, omdat zij van de politie had begrepen dat het “Interpol-verhaal” niet klopte, waarna zij de verdachte heeft gezegd dat zij ook met de politie in gesprek moest gaan;

  • op 19 februari 2018 heeft de moeder van de verdachte naar de verdachte via WhatsApp onder meer bericht: “kijk eens op google bij pathologisch leugenaar, dit is een psychische stoornis. Kijk alsjeblieft goed uit. Je kunt altijd thuiskomen” (dossierpagina 407);

  • de verdachte heeft naar aanleiding van het voorgaande de volgende dag op Google tweemaal gezocht op ‘pathologisch leugenaar’ (dossierpagina 181) en heeft ter terechtzitting in hoger beroep desgevraagd door het hof verklaard dat zij toen informatie las omtrent “Alles wat [de medeverdachte] was”;

  • de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat de verklaringen van [de medeverdachte] omtrent [het slachtoffer] schriftelijk noch mondeling door enig ander persoon dan wel enige andere instantie zijn bevestigd;

  • de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat zij zich nimmer tot haar advocaat mr. Winters heeft gewend over hetgeen de medeverdachte naar haar zeggen tegen haar zou hebben verteld omtrent, kort gezegd, andere (gerechtelijke) procedures.

Het hof leidt uit bovenstaande feiten af dat de verdachte wel wist dat hetgeen [de medeverdachte] haar vertelde niet kon kloppen en acht niet aannemelijk geworden dat verdachte heeft gedwaald omtrent de bevoegdheid van het opzicht.

Het hof is derhalve van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte opzet heeft gehad op het tezamen en in vereniging met de medeverdachte onttrekken van de minderjarige [het slachtoffer] aan het bevoegde opzicht van [stichting jeugdbescherming] , zoals ten laste is gelegd.

Het verweer wordt mitsdien in alle onderdelen verworpen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:

medeplegen van opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over haar uitoefent, terwijl de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is derhalve strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdediging heeft betoogd dat de verdachte vanwege afwezigheid van alle schuld dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Daartoe is - op gronden zoals verwoord in de pleitnota - aangevoerd dat de verdachte de verhalen die door haar toenmalige vriend en de vader van haar dochter, [de medeverdachte] , werden verteld, geloofde, waardoor zij aldus dacht dat het gerechtigd was om haar dochter mee te nemen. De verdachte heeft derhalve gehandeld in een verontschuldigbare dwaling ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de haar verweten gedragingen en dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aldus de raadsman van de verdachte.

Het hof overweegt als volgt.

Zoals hiervoor naar aanleiding van het opzetverweer al is overwogen, acht het hof niet aannemelijk geworden dat de verdachte door de verhalen van [de medeverdachte] , haar toenmalige partner en de medeverdachte, heeft gedwaald ten aanzien van de bevoegdheid van het opzicht van [stichting jeugdbescherming] .

Voor zover de dwaling omtrent de ongeoorloofdheid van haar handelen op andere gronden zou berusten dan de bevoegdheid van het opzicht overweegt het hof het volgende.

Hoewel de verdachte vraagtekens heeft geplaatst bij hetgeen de medeverdachte haar zou hebben verteld omtrent, kort gezegd, andere (gerechtelijke) procedures, zij geen enkele schriftelijke of mondelinge bevestiging van de verklaringen van de medeverdachte heeft gekregen en over haar twijfels contact heeft gehad met haar moeder, heeft zij op geen enkel moment informatie ingewonnen bij een instantie of een gezaghebbend persoon. Zo had de verdachte, bij wijze van voorbeeld, toen zij op 5 januari 2018 werd gehoord door de kinderrechter van de rechtbank Oost-Brabant op het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot ondertoezichtstelling van [het slachtoffer] voor de duur van twaalf maanden en het verzoek tot uithuisplaatsing van [het slachtoffer] voor de duur van zes maanden in een voorziening voor pleegzorg, vragen kunnen stellen en naar voren kunnen brengen hetgeen [de medeverdachte] haar tot dan toe zou hebben verteld omtrent het “op een andere wijze” terugkrijgen van [het slachtoffer] .

Daarbij overweegt het hof ook nog dat, zoals reeds hiervoor is opgenomen, de verdachte in de procedures omtrent [het slachtoffer] werd vertegenwoordigd door een advocaat, mr. Winters, maar dat zij ook aan die advocaat geen vragen heeft gesteld omtrent hetgeen haar partner haar verteld zou hebben aangaande andere procedures.

Anders dan de raadsman heeft bepleit is het hof van oordeel dat [de medeverdachte] niet kan worden aangemerkt als een persoon waaraan in de zin van het beroep op afwezigheid van alle schuld zodanig gezag valt toe te kennen dat de verdachte in redelijkheid op de deugdelijkheid van zijn verklaringen mocht vertrouwen. Voor de vermeende rechtmatigheid van de haar verweten gedragingen is zij desondanks enkel en alleen afgegaan op de verklaringen daaromtrent van de medeverdachte. Uit het voorgaande leidt het hof af dat de verdachte wist dat hetgeen de medeverdachte haar vertelde niet kon kloppen. Van een verontschuldigbare dwaling ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de haar verweten gedragingen kan naar het oordeel van het hof dan ook geen sprake zijn.

Het hof verwerpt het verweer in al haar onderdelen.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen straf

Indien het hof tot een veroordeling van de verdachte komt heeft de verdediging bepleit dat aan de verdachte een taakstraf voor de duur van 40 uren dan wel een gevangenisstraf voor de duur van maximaal 2 maanden zal worden opgelegd. De verdediging heeft daartoe verwezen naar de richtlijn voor strafvordering onttrekking minderjarige aan wettig gezag van het openbaar ministerie.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Meer in het bijzonder overweegt het hof het navolgende.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk onttrekken van haar dochter, die beneden de twaalf jaren oud is, aan het opzicht van [stichting jeugdbescherming] , die dat desbevoegd over haar uitoefende. De verdachte heeft samen met haar toenmalige partner, de vader van haar dochter, het plan opgevat om hun dochter te onttrekken aan het opzicht, door haar mee te nemen uit de handen van de toenmalige pleegmoeder van [het slachtoffer] . Na een gedegen voorbereiding hebben zij [het slachtoffer] op de parkeerplaats van een supermarkt te Eersel meegenomen in een auto en haar via België naar Duitsland gebracht, alwaar zij reeds enkele dagen daarvoor onder een valse naam een vakantiehuisje hadden gehuurd en diverse (baby)spullen naar hadden overgebracht, met als doel [het slachtoffer] weer zelf te gaan verzorgen en op te voeden. Zij hebben zich daarmee schuldig gemaakt aan een vorm van eigenrichting die het hof, evenals de rechtbank, ten strengste afkeurt. Ten aanzien van de veiligheid van [het slachtoffer] bestonden ernstige zorgen en de kinderrechter had dan ook niet zonder reden [het slachtoffer] onder toezicht gesteld en ten aanzien van haar een machtiging tot uithuisplaatsing verleend. Hoewel het in het belang van [het slachtoffer] noodzakelijk was dat gedegen onderzoek werd verricht, hebben de verdachte en de medeverdachte zich daar niets van aangetrokken en hun eigen belangen voorop gesteld. Hierdoor hebben zij het systeem van kinderbescherming op ingrijpende wijze aangetast. Hoezeer het moederhart van de verdachte ook geraakt was, zij had dit nooit mogen doen. Daarnaast heeft het handelen van de verdachte en haar medeverdachte gevolgen gehad voor het pleeggezin waar [het slachtoffer] destijds verbleef en aan wie de zorg over [het slachtoffer] was toevertrouwd. De pleegmoeder (die immers heeft moeten ondergaan hoe [het slachtoffer] uit haar handen door de verdachte en de medeverdachte werd meegenomen), moet angstige momenten hebben gekend. [het slachtoffer] is nadien ondergebracht bij een ander pleeggezin. Het hof rekent dit alles de verdachte ernstig aan. Ten aanzien van de strafbepaling neemt het hof als strafverzwarende omstandigheid in aanmerking dat [het slachtoffer] nog heel erg jong was ten tijde van de onttrekking.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 9 februari 2021, betrekking hebbende op het justitieel verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat zij niet eerder onherroepelijk door een strafrechter is veroordeeld.

Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte naar voren gebracht dat zij geen contact meer heeft met de medeverdachte. Haar dochter [het slachtoffer] verblijft thans in een pleeggezin en de verdachte ziet haar momenteel één keer in de 4 weken, onder begeleiding van jeugdzorg. Na haar detentie is de verdachte een opleiding gestart. Zij heeft deze inmiddels afgerond en is werkzaam in een goede betrekking.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd; niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Evenals de rechtbank acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden.

Hetgeen door de raadsman is aangevoerd omtrent de straftoemeting doet onvoldoende recht aan de ernst van het bewezenverklaarde feit. Voor zover door de raadsman is verwezen naar de richtlijn voor strafvordering onttrekking minderjarige aan wettig gezag overweegt het hof dat dit een richtlijn is van het openbaar ministerie, waar de strafrechter niet aan is gebonden Daar komt nog bij dat de straftoemeting waar de raadsman naar heeft verwezen ziet op “categorie 2” het onttrekken/onttrokken houden van tijdelijke aard, waarbij kan worden gedacht, aldus voornoemde richtlijn, aan het langer of geheel zonder toestemming van de (gedeelde) wettelijke gezagdrager en/of de wettelijk toezichthouder meenemen of onttrokken houden van de minderjarige voor een vakantie, familiereünie, begrafenis e.d.

Daarop ziet het bewezenverklaarde niet, maar wel, volgens de richtlijn van het openbaar ministerie op “categorie 4”, internationale kinderontvoering, waarvoor de richtlijn van het openbaar ministerie een gevangenisstraf tussen de 6 maanden en 4 jaar noemt.

Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak nog het volgende.

Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat de redelijke termijn zowel in eerste aanleg (vanaf de aanvang van de redelijke termijn tot aan het eindvonnis) als in hoger beroep (vanaf het instellen van hoger beroep tot aan het arrest) in het geval waarin de verdachte zich niet in voorlopige hechtenis bevindt, 2 jaar bedraagt.

De procedure in eerste aanleg is op 21 september 2018 afgerond met een eindvonnis en derhalve binnen 2 jaar nadat er jegens de verdachte een handeling is verricht waaraan zij in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen haar door het openbaar ministerie strafvervolging zou worden ingesteld, zijnde de dag dat zij in Duitsland is aangehouden (26 februari 2018).

Namens de verdachte is op 25 september 2018 hoger beroep ingesteld. In hoger beroep zal het hof arrest wijzen op 31 mei 2021, 2 jaar en ruim 8 maanden nadat het rechtsmiddel is ingesteld.

Deze overschrijding valt niet aan de verdachte toe te rekenen. Er is dan ook sprake van een schending van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM.

Het hof zal de overschrijding van de redelijke termijn verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat het hof het onvoorwaardelijke deel van de op te leggen gevangenisstraf zal matigen met 1 maand.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van 2 jaren.

Met oplegging van een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

De vordering van [de benadeelde partij]

Namens [de benadeelde partij] heeft de wettelijk vertegenwoordiger [medewerker jeugdzorg 1] van [stichting jeugdbescherming] in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 1.500,00 (bestaande van de immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente.

De benadeelde partij is bij vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Met de rechtbank, de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren, aangezien niet is komen vast te staan dat de gevorderde schade (reeds) is geleden. Over de daadwerkelijke psychische gevolgen van het strafbare feit voor [het slachtoffer] valt op dit moment, met name gezien haar zeer jonge leeftijd, nog zeer weinig te zeggen.

De benadeelde partij kan daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het hof zal daarbij bepalen dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47 en 279 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 (elf) maanden;

bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 4 (vier) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van [de benadeelde partij]

verklaart [de benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Aldus gewezen door:

mr. J.J.M. Gielen-Winkster, voorzitter,

mr. Y.G.M. Baaijens-van Geloven en mr. W.T.H. Peute, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. V.A. Batelaan, griffier,

en op 31 mei 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Hierna wordt - tenzij anders vermeld - telkens verwezen naar dossierpagina’s van het doorgenummerde dossier van de Politie Eenheid Oost-Brabant, Team Grootschalige Opsporing, Onderzoeksnummer OBRAB18001, onderzoek Batavia, sluitingsdatum 3 mei 2018, doorgenummerde dossierpagina’s 1-591. Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.