Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:1552

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-05-2021
Datum publicatie
28-05-2021
Zaaknummer
200.285.709_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beide ouders komen in hoger beroep: moeder wil co-ouderschap niet meer, de vader wil een andere school voor de minderjarige. Hof wijst hoger beroep over en weer af. Geen aanleiding om ergens verandering in aan te brengen. De onderlinge communicatie van de strijdende ouders is het probleem en daardoor wordt de minderjarige belast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 27 mei 2021

Zaaknummer: 200.285.709/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/02/351019 / FA RK 18-5672

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in principaal hoger beroep,

verweerster in incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. D.J.A. Burlet,

tegen

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in principaal hoger beroep,

verzoeker in incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. J.F.M. van Weegberg.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

- Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: de GI (Gecertificeerde Instelling).

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidoost Nederland,

locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

Deze rechtszaak in hoger beroep gaat over de schoolkeuze van en de zorgregeling met betrekking tot:

- [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2007.

1 Het geding in eerste aanleg in principaal en incidenteel hoger beroep

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Middelburg) van 12 augustus 2020.

2 Het geding in principaal en incidenteel hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 9 november 2020, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover het de zorgregeling betreft en, opnieuw rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat [minderjarige] bij de vader zal verblijven:

  • -

    eenmaal per veertien dagen van donderdagavond na schooltijd tot de daaropvolgende dinsdagmorgen, waarbij de regeling aanvangt in de oneven weken;

  • -

    gedurende de vakanties de ene helft bij de vader en de andere helft bij de moeder, in onderling overleg vast te stellen.

2.2.

Bij verweerschrift in principaal hoger beroep met producties, ingekomen ter griffie op 28 december 2020, heeft de vader verzocht de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, dan wel het beroepschrift ongegrond te verklaren, althans haar verzoeken af te wijzen.

De vader heeft in incidenteel hoger beroep het hof verzocht de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het betreft de aan de moeder verleende vervangende toestemming voor inschrijving van [minderjarige] op de middelbare school [middelbare school] te [plaats] en, opnieuw rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad, aan de vader alsnog vervangende toestemming te verlenen, welke de toestemming van de moeder vervangt, om [minderjarige] in te schrijven op het [college] te [woonplaats vader] .

2.3.

Bij verweerschrift in incidenteel hoger beroep met producties, ingekomen ter griffie op 10 februari 2021, heeft de moeder verzocht het incidenteel hoger beroep van de vader ongegrond te verklaren, althans zijn verzoek af te wijzen.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 april 2021. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder en de vader, bijgestaan door hun advocaten;

  • -

    de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] ;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .

2.5.

Het hof heeft de minderjarige [minderjarige] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hiervan gebruik gemaakt door het hof een brief te sturen, die ter griffie is ingekomen op 20 april 2021. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter deze brief voorgelezen, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.6.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    de processen-verbaal van de mondelinge behandelingen in eerste aanleg van 24 april 2019, 5 november 2019 en 15 juli 2020, overgelegd door de advocaat van de moeder bij V-formulier van 11 december 2020;

  • -

    het V-formulier van de advocaat van de moeder met bijlagen van 8 april 2021;

  • -

    de brief van de GI van 9 april 2021.

3 De beoordeling in principaal en incidenteel hoger beroep

3.1.

Uit de relatie van partijen is geboren:

- [minderjarige] (hierna: [minderjarige]), te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2007.

De vader heeft [minderjarige] erkend en de ouders hebben gezamenlijk gezag over [minderjarige] .

[minderjarige] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de moeder.

Sinds 2016 geven partijen uitvoering aan een mondeling afgesproken zorgregeling waarbij [minderjarige] de ene week bij de moeder verblijft en de andere week bij de vader, wisselmoment op maandag.

3.2.

[minderjarige] is op 15 mei 2019 onder toezicht gesteld.

Procedure bij de rechtbank

3.3.1.

De vader heeft de rechtbank, voor zover relevant, verzocht om vastlegging van de overeengekomen zorgregeling waarbij [minderjarige] de ene week bij hem verblijft en de andere week bij de moeder, waarbij de wisseldag op maandagmiddag na school zal zijn.

3.3.2.

De moeder heeft vervolgens de rechtbank, onder meer, en voor zover relevant verzocht om een zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] vast te stellen waarbij [minderjarige] één weekend per veertien dagen van donderdag uit school tot dinsdag naar school bij de vader verblijft.

De moeder heeft ook verzocht om haar vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] in te schrijven op [middelbare school] te [plaats] , afdeling [afdeling] .

3.3.3.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking, heeft de rechtbank, voor zover relevant, aan de moeder, ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de vader, toestemming verleend om [minderjarige] in te schrijven op de middelbare school [middelbare school] (afdeling [afdeling] ) te [plaats] . Verder heeft de rechtbank een zorgregeling vastgesteld waarbij [minderjarige] in de even weken van maandag na school tot en met maandagochtend voor school bij de vader verblijft en in de oneven weken van maandag na school tot en met maandagochtend voor school bij de moeder verblijft. Tot slot heeft de rechtbank bepaald dat [minderjarige] gedurende de schoolvakanties de ene helft bij de vader en de andere helft bij de moeder verblijft, in onderling overleg vast te stellen.

Procedure bij het hof

3.4.

De moeder is het niet eens met de vastgestelde zorgregeling en zij is voor dat deel van de beschikking in hoger beroep gekomen. (principaal hoger beroep)

De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen voor zover het over middelbare school gaat en hij is van dat gedeelte van de bestreden beschikking in hoger beroep gekomen. (incidenteel hoger beroep)

Het hof zal eerst een oordeel geven over de school en dan over de zorgregeling.

DE SCHOOL

3.5.1.

De vader voert, samengevat, het volgende aan.

Het is niet in het belang van [minderjarige] om elke dag naar [plaats] te moeten reizen. [minderjarige] heeft 3,5 à 4 uur reistijd per dag en dat is te veel. Als [minderjarige] bij de vader is, moet zij al om 06.00 uur opstaan en dat is veel te vroeg. [minderjarige] loopt bovendien op haar tenen en staat zwaar onder druk om het niveau van de klas te halen. Er is overleg geweest op de [middelbare school] met de ouders, de rector, de GI, de zorgcoördinator en de vertrouwenspersoon van [minderjarige] . De conclusie is dat [minderjarige] het niet redt zonder maatwerk, wat eigenlijk niet in haar belang is en waarvoor ook hulp van buitenaf moet worden ingeroepen. [middelbare school] is druk doende om te bezien wat het beste is voor [minderjarige] . Voor de zomervakantie 2021 wordt een besluit genomen of [minderjarige] op de [middelbare school] kan blijven. De vader vindt van niet. [minderjarige] heeft een 2 voor Duits en ze krijgt hulp voor Frans en wiskunde. Er zijn grote zorgen. [minderjarige] zal gaan doubleren. Het is niet goed voor [minderjarige] als zij koste wat kost op de [middelbare school] blijft.

[minderjarige] kan beter in [woonplaats vader] naar school naar het [college] . Dan kan zij vanuit vader op de fiets. [minderjarige] is flexibel genoeg om een schoolwijziging op te vangen. Het [college] is een prima school voor [minderjarige] , ook gelet op haar specifieke situatie. Deze school geeft creatieve vakken en begeleiding bij dyslexie en didactische achterstanden. De school gaat goed om met leerlingen die niet op het juiste niveau zijn geplaatst.

3.5.2.

De moeder voert, samengevat, het volgende aan.

[minderjarige] is niet moe op schooldagen vanwege de reistijd, maar omdat ze als ze bij de vader is nog tot zeer laat actief is op haar mobiele telefoon. Vanaf het huis van de moeder is de reistijd 40 minuten met de auto. [minderjarige] moet om 06.30 uur opstaan; dat is niet ongebruikelijk voor een puber.

[minderjarige] heeft het moeilijk met Duits. De moeder vraagt zich af of de vader denkt dat dit anders is als [minderjarige] naar het [college] zal gaan. Op de [middelbare school] wordt [minderjarige] maatwerk geboden voor Duits. Op het [college] zal [minderjarige] ‘verzuipen’. Er is onvoldoende passende ondersteuning aanwezig. Het [college] is een fusieschool waarbij [minderjarige] diverse malen zal moeten wisselen van schoolgebouw. [minderjarige] heeft haar draai gevonden op de [middelbare school] : leuke vriendinnen, fijne klas, goede mentor, fijn gebouw. [minderjarige] geeft bij de moeder aan dat zij niet weg wil van deze school en dat ze zich er thuis voelt. [minderjarige] zal op elke school maatwerk nodig hebben en de [middelbare school] kan dit beter bieden dan het [college] . De vader grijpt alles aan om [minderjarige] geplaatst te krijgen op het [college] . Dit levert onnodig veel spanningen op.

3.5.3.

Het standpunt van de GI luidt, samengevat, als volgt.

[minderjarige] voelt zich thuis op [middelbare school] en heeft veel vriendinnen. De mentor is een steunende factor voor haar. De reisafstand naar het [middelbare school] ( [plaats] ) belast [minderjarige] niet. [minderjarige] wordt belast door de strijd tussen haar de ouders; hierdoor komt zij niet tot leren. Dit maakt haar moe. [middelbare school] zet zich in om [minderjarige] maatwerk te bieden zodat het haar lukt om mee te komen in de klas. Momenteel wordt bepaald door [multidisciplinair behandelcentrum] wat het niveau en de draagkracht van [minderjarige] is. [minderjarige] loopt op haar tenen en heeft veel moeite om mee te komen. Vanuit school zijn er zorgen geuit. De GI heeft voor [minderjarige] het multidisciplinair behandelcentrum [multidisciplinair behandelcentrum] ingezet voor psychologische ondersteuning en brede diagnostiek.

Er is inmiddels een intelligentietest afgenomen bij [minderjarige] en zij krijgt psychomotorische therapie. [minderjarige] heeft een vertrouwenspersoon die haar ondersteunt bij haar huiswerk. Met [middelbare school] is afgesproken dat er aandacht blijft voor het niet overvragen van [minderjarige] .

Vóór de zomervakantie 2021 zal een besluit worden genomen of [minderjarige] op [middelbare school] en op dit niveau kan blijven deelnemen. De resultaten van de onderzoeken zullen eind juni 2021 bekend zijn. Het is beter om dit af te wachten. [minderjarige] zit nu goed op de [middelbare school] . Ze heeft een fantastische mentor die erg betrokken is bij [minderjarige] . De GI mailt en belt vaak met de mentor.

3.5.4.

De raad heeft op de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende verklaard.

[minderjarige] heeft het naar haar zin op deze school. De reisafstand naar [middelbare school] ziet de raad niet als een probleem. Beide ouders zien dat [minderjarige] moe is, maar zij vullen de oorzaak anders in. De raad kan het hof niet adviseren met betrekking tot de school. Dat zou te prematuur zijn, nu de resultaten van de onderzoeken van [multidisciplinair behandelcentrum] nog niet bekend zijn. Die moeten eerst worden afgewacht.

Het hof overweegt als volgt.

3.5.5.

Artikel 1:253a, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat in geval van gezamenlijke gezagsuitoefening geschillen tussen de ouders op verzoek van beiden of één van hen aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. Nu ter mondelinge behandeling is gebleken dat een vergelijk op de voet van het vijfde lid van genoemd artikel tussen de ouders niet mogelijk is, zal de rechtbank een beslissing nemen die haar in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt.

3.5.6.

Het staat vast dat [minderjarige] het naar haar zin heeft op de [middelbare school] . Ze heeft fijne contacten met haar vriendinnen en ze heeft een vertrouwensband met haar mentor en juf opgebouwd. [middelbare school] is erg begaan met [minderjarige] . Er is veel ruimte voor een persoonlijke benadering en dat sluit aan bij wat [minderjarige] nodig heeft. [minderjarige] is een harde werker en doet haar best op school. Toch blijven haar schoolresultaten achter. Het is nog niet duidelijk wat hiervan de oorzaak is. De kans is aanwezig dat haar dyslexie haar belemmert in het leren. De GI vermoedt dat [minderjarige] niet tot leren komt omdat ze teveel wordt belast door de strijd tussen haar ouders. [multidisciplinair behandelcentrum] doet nu onderzoek en naar verwachting wordt in juni 2021 duidelijk of [minderjarige] op [middelbare school] kan blijven. Het hof is van oordeel dat het voor nu in het belang van [minderjarige] is dat zij onderwijs blijft volgen op de [middelbare school] . Mogelijk wordt dit in de toekomst anders als de onderzoeksresultaten bekend zijn, maar daar is nu nog geen sprake van. [minderjarige] wil zelf ook graag blijven op [middelbare school] , zoals zij heeft geschreven in haar brief aan het hof. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om [minderjarige] nu van deze school te halen, ook niet vanwege de reistijd. Anders dan de vader, ziet het hof hierin geen onoverkomelijke bezwaren. Het hof is het met de rechtbank eens dat de reistijd niet opweegt tegen de voordelen die [middelbare school] op dit moment aan [minderjarige] biedt.

Het hof zal de bestreden beschikking op dit onderdeel bekrachtigen. Al het overige door de vader aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden.

DE ZORGREGELING

3.6.1.

De moeder voert, samengevat, het volgende aan.

Er is geen sprake van een goed werkende regeling voor [minderjarige] . Voor een co-ouderschap is meer nodig dan waar de ouders op dit moment aan kunnen voldoen. De moeder maakt zich grote zorgen over het welzijn van [minderjarige] . [minderjarige] is doodmoe en gaat hieraan kapot. Ze gaat bij de vader veel te laat naar bed. Een ander probleem is de spanning die [minderjarige] voelt. Beide ouders hebben een ander opvoedkundig inzicht en [minderjarige] verblijft de helft van de tijd bij de vader. Zij leeft nu in twee bubbels en gaat als een pingpongballetje op en neer. De moeder moet elke dag een grote doos pedagogisch inzicht uit de kast halen om zichzelf en [minderjarige] overeind te houden. [minderjarige] gaat stuk. Dit komt door het loyaliteitsconflict, het contrast in opvoedsituaties en de hulpverlening die niet durft door te pakken.

Indien [minderjarige] op andere dagen naar de vader gaat, kan de discussie over vrijetijdsbesteding en huiswerk voorkomen worden. [minderjarige] gaat dan naar school in de tijd dat ze bij de moeder is. Dit geeft de vader de ruimte om op zijn dagen de touwtjes te laten vieren. Van de dingen die de moeder steken ( [minderjarige] gaat bij hem laat haar bed, daardoor is [minderjarige] moe) is dan geen sprake meer.

3.6.2.

De vader voert, samengevat, het volgende aan.

De GI heeft bij de rechtbank geen standpunt ingenomen over de zorgregeling. De GI geeft in haar rapportage van 1 december 2020 aan dat er geen reden is om de zorgregeling te wijzigen en dat na intern overleg is besloten dat er kan worden ingezet op solo parallel ouderschap. [minderjarige] wil evenveel bij haar beide ouders zijn: 50/50 blijft haar wens.

Juist bij de vader krijgt [minderjarige] veel rust en regelmaat. Alleen in het weekend neemt [minderjarige] de telefoon mee naar bed. [minderjarige] zegt soms tegen de vader dat hij strenger moet zijn voor haar. [minderjarige] woont bij de vader in een warme, nette omgeving met een evenwichtig netwerk. De vader heeft geleerd om los te laten hoe het bij de moeder gaat. [minderjarige] wordt steeds ouder en kan zelf veel aangeven. Het is niet in het belang van [minderjarige] om de zorgregeling te wijzigen. De vader wil de touwtjes niet laten vieren in de tijd dat [minderjarige] bij hem is. Dat doet geen recht aan gelijkwaardig ouderschap. De vader ziet ook dat [minderjarige] moe is, hij maakt zich daar ook zorgen over.

3.6.3.

Het standpunt van de GI luidt, samengevat, als volgt.

De hulp van [multidisciplinair behandelcentrum] wordt ook ingezet op parallel solo ouderschap. De ouders vinden veel van elkaars opvoedsituatie en dat moeten zij leren loslaten. De ouders moeten zich focussen op hun eigen week met [minderjarige] en zich niet meer bemoeien met de andere ouder. De hulpverlening loopt te kort om hier nu al een visie op te baseren. [minderjarige] zit in een loyaliteitsklem tussen haar ouders. [minderjarige] zegt zelf de regeling te willen houden zoals hij is. De GI staat hier voor nu achter. Iedere verandering kan een bron van strijd vormen, terwijl het in het belang van [minderjarige] is dat er rust komt. Parallel solo ouderschap zit in de opstarende fase. Tijdens dit traject kunnen de ouders afspraken maken over een andere verdeling en het vormgeven van ouderschap in het belang van [minderjarige] . [minderjarige] wil niet tussen de communicatie van de ouders zitten. Ze heeft zelfs aan de GI gevraagd om haar ouders erop aan te spreken als zij weer via [minderjarige] communiceren met elkaar.

3.6.4.

De raad heeft verklaard dat beide opvoedsituaties gunstig zijn voor [minderjarige] . De raad ziet geen reden om af te wijken van het eerder uitgebrachte advies dat de co-ouderschapsregeling gehandhaafd moet worden.

Het hof overweegt als volgt.

3.6.5.

In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:253a lid 2, aanhef en sub a, BW, een regeling vaststellen.

De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

3.6.6.

Uit het raadsrapport van 2 juli 2020 blijkt dat de raad in geen van beide opvoedsituaties zorgen signaleert. De raad ziet twee opvoedsituaties waarbinnen [minderjarige] , ondanks dat ze zo verschillend zijn, goed lijkt te functioneren. Ook volgens Juvent profiteert [minderjarige] optimaal van de twee verschillende opvoedsituaties die elkaar goed aanvullen. De moeder lijkt niet te willen, of te kunnen, accepteren dat de vader – even goed als de moeder zelf – in staat is om voor [minderjarige] te zorgen. De GI en raad zijn van mening dat het voor [minderjarige] het beste is als de co-ouderschapsregeling gehandhaafd blijft. [minderjarige] schrijft hier zelf over dat ze van maandag tot maandag tussen haar ouders wisselt en dat zij dit helemaal goed vindt. Daar hoeft voor [minderjarige] geen verandering in, omdat ze niet zou weten hoe het anders moet en of dat een andere regeling überhaupt beter is. Het hof is het hiermee eens. In hetgeen de moeder heeft aangevoerd, ziet het hof onvoldoende aanleiding om nu een wijziging aan te brengen in een regeling waaraan al circa vijf jaar uitvoering wordt gegeven. Het hof acht voortzetting van de huidige feitelijke co-ouderschapsregeling het meest in het belang van [minderjarige] .

Daarbij neemt het hof tevens in aanmerking dat de ouders onlangs zijn gestart met het traject parallel solo ouderschap bij [multidisciplinair behandelcentrum] . Zoals door de GI is aangegeven, kunnen de ouders tijdens dit traject afspraken maken over een (andere) verdeling en het vormgeven van ouderschap in het belang van [minderjarige] . Het hof raadt de ouders met klem aan om binnen het traject parallel ouderschap met behulp van een professionele derde te werken aan verbetering van hun onderlinge communicatie tot een aanvaardbaar niveau. Dit mag ook van de ouders verwacht worden, gezien hun beider ouderlijke verplichtingen. Het is immers in het belang van [minderjarige] dat haar ouders op een voor haar onbelaste manier met elkaar kunnen communiceren en afspraken over haar kunnen maken. Pas dan kan de rust worden bereikt die beide ouders willen voor [minderjarige] . De verharde strijd tussen beide ouders heeft tot gevolg dat er bij voortduring sprake is van een gespannen/onrustige situatie, die onmiskenbaar zijn weerslag heeft (gehad) op [minderjarige] . Het hof ziet dit ook terug in de brief van [minderjarige] , waarin [minderjarige] schrijft dat ze wil dat haar ouders fatsoenlijk en rechtstreeks met elkaar communiceren.

Het voorgaande betekent dat het hof het verzoek van de moeder in hoger beroep zal afwijzen en dat de huidige zorgregeling gehandhaafd zal worden.

Vakantieregeling

3.6.7.

De moeder heeft het hof ook verzocht om in de vakanties een regeling vast te stellen zodat [minderjarige] de ene helft bij de vader en de andere helft bij de moeder verblijft, in onderling overleg vast te stellen. Dit heeft de rechtbank in de bestreden beschikking zo bepaald in het dictum en dit is naar de wens van beide ouders. De ouders zijn hier niet van in hoger beroep gekomen, zodat de vakantieregeling van de rechtbank blijft gelden.

3.6.8.

Het hof zal de proceskosten tussen partijen compenseren, nu partijen een relatie met elkaar hebben gehad en deze procedure over hun dochter gaat.

3.6.9.

Beslist wordt als volgt.

4 De beslissing in het principaal en incidenteel hoger beroep

Het hof:

in het principaal en incidenteel hoger beroep:

bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.N.M. Antens, E.A.M. Scheij en E.M.C. Dumoulin en is op 27 mei 2021 uitgesproken in het openbaar door mr. E.A.M. Scheij in tegenwoordigheid van de griffier.