Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:1551

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-05-2021
Datum publicatie
28-05-2021
Zaaknummer
200.285.317_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie

artikel 1:160 BW, afgewezen

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 160
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

zaaknummer : 200.285.317/01

zaaknummer rechtbank : C/03/274570 / FA RK 20-585

beschikking van de meervoudige kamer van 27 mei 2021

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. R.F. Cohen te Sittard,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. P.J.H.C. Glenz te Landgraaf.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de hierboven genoemde beschikking van de rechtbank Limburg (Roermond) van 31 juli 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De man is op 26 oktober 2020 in hoger beroep gekomen van de voormelde beschikking van 31 juli 2020.

2.2.

De vrouw heeft op 14 december 2020 een verweerschrift ingediend.

2.3.

Het hof heeft voorts kennis genomen van de volgende stukken:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 3 juli 2020;

- het productie overzicht van de zijde van de man, ingekomen op 28 oktober 2020;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 8 maart 2021 met bijlagen, ingekomen op 9 maart 2020.

2.4.

Het journaalbericht van de zijde van de man van 18 maart 2021 met bijlagen is ingekomen ter griffie van het hof op 22 maart 2021. Dit journaalbericht met bijlagen is derhalve ingekomen na de tiende kalenderdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling en de advocaat van de vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling bezwaar gemaakt tegen toelating hiervan. Het hof heeft vastgesteld dat er geen noodzaak was voor deze te late inzending en dat de bijlagen niet eenvoudig zijn te doorgronden, zodat het hof tijdens de mondelinge behandeling heeft beslist dat dit journaalbericht met bijlagen buiten beschouwing wordt gelaten.

2.5.

De mondelinge behandeling heeft op 30 maart 2021 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De feiten

3.1

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2.

Partijen zijn op 18 december 2002 te [plaats 1] met elkaar gehuwd.

3.3.

Bij beschikking van de rechtbank Limburg (zittingsplaats Roermond) van 7 oktober 2015 is tussen partijen onder meer de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op 28 oktober 2015 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

In het door partijen op 2 september 2015 ondertekende echtscheidingsconvenant zijn zij, voor zover thans van belang, een door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in haar levensonderhoud (hierna ook: partneralimentatie) overeengekomen van € 2.510,- bruto per maand. In de echtscheidingsbeschikking is bepaald dat het echtscheidingsconvenant deel uitmaakt van die beschikking.

Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt de partneralimentatie thans € 2.837,51 bruto per maand.

3.4.

Partijen zijn de ouders van [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] . [minderjarige] heeft het hoofdverblijf bij de vrouw.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de man tot beëindiging van de partneralimentatie met ingang van 1 juni 2016 afgewezen.

4.2.

De grieven van de man zien op artikel 1:160 Burgerlijk Wetboek (BW). Zij hebben in het bijzonder betrekking op de samenwoning van de vrouw met de heer [betrokkene] , op de gemeenschappelijke huishouding van de vrouw met de heer [betrokkene] en op hun wederzijdse verzorging. Voorts heeft de man een grief gericht tegen de overweging van de rechtbank ter zake de behoeftigheid van de vrouw.

4.2.1.

De man heeft in hoger beroep verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. a) de beschikking van de rechtbank Limburg (Roermond) van 7 oktober 2015 te wijzigen in die zin dat de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw wordt beëindigd met ingang van 1 juni 2016, althans met ingang van een datum die het hof juist acht, subsidiair, de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw te wijzigen op een bedrag en met ingang van een datum die de rechtbank juist acht, en voorts

b) de vrouw te veroordelen om aan de man te restitueren hetgeen de man reeds op basis van de beschikking van de rechtbank Limburg (Roermond) van 7 oktober 2015 te veel aan de vrouw heeft voldaan ter zake kosten van levensonderhoud, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2016, de datum van het onrechtmatig handelen van de vrouw, tot aan de dag der algehele voldoening,

c) de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure, die van het beslag daaronder begrepen, alsmede de kosten van rechtsbijstand voorlopig begroot op een bedrag van

€ 6.000,-, alsmede onder veroordeling van de vrouw in de kosten van het door de man ingeschakelde recherchebureau [recherchebureau] te [plaats 1] (hierna ook: [recherchebureau] ) van

€ 4.839,50.

4.3.

De vrouw heeft verzocht de man in zijn verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, subsidiair, de verzoeken van de man af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

Artikel 1:160 BW

5.1.1.

De man heeft, kort samengevat, het volgende aangevoerd. Vast staat dat de vrouw en de heer [betrokkene] een duurzame affectieve relatie met elkaar hebben die nog steeds voortduurt. Uit het observatierapport van [recherchebureau] d.d. 2 december 2019 blijkt dat op nagenoeg alle momenten waarop [recherchebureau] heeft geobserveerd, de vrouw en de heer [betrokkene] in elkaars gezelschap waren, niet alleen in het weekend maar ook op dagen door de week. De man betwist dat de observatiemomenten selectief zouden zijn gekozen; de man kende het patroon van samenzijn van de vrouw en de heer [betrokkene] niet en hij heeft [recherchebureau] gevraagd hem te ondersteunen binnen het juridisch kader. Het feit dat de heer [betrokkene] ook regelmatig weg is voor zijn werk en niet alle dagen ‘in de regio’ was, maakt dat de geobserveerde frequentie van het samenzijn van de vrouw en de heer [betrokkene] , relatief gezien, alleen maar toeneemt. Tijdens de maatregelen van de overheid in verband met corona en de periode waarin sprake was van een ‘lockdown’, zijn de vrouw en de heer [betrokkene] samen geweest en hebben zij zich zelf derhalve gezien als ‘één huishouding’ (waarbinnen het samenzijn was toegestaan). Ook het delen van het Netflix abonnement maakt dat de vrouw en de heer [betrokkene] zich zien als één huishouding, nu het delen van een abonnement alleen binnen één huishouding is toegestaan. De vrouw en de heer [betrokkene] verblijven zodanig veel in elkaars nabijheid en brengen zoveel nachten samen door, dat er sprake is van samenwoning. Het aantal keren dat de vrouw en de heer [betrokkene] samen zijn geweest, kan alleen maar meer zijn geweest dan door [recherchebureau] is geconstateerd, maar nooit minder. Er is ook sprake van een gemeenschappelijke huishouding en wederzijdse verzorging. Het veelvuldig samenzijn in de woning van de heer [betrokkene] impliceert financiële verwevenheid; de heer [betrokkene] voorziet de vrouw van verblijfskosten gas, water en elektra, kabel, internet en kosten van ontbijt en/of avondeten. De door de vrouw overgelegde bankafschriften als bewijs van onderlinge financiële verrekeningen zien slechts op een beperkte periode en zijn in zoverre niet afdoende. De vrouw en de heer [betrokkene] ondernemen samen sociale activiteiten, zij verblijven regelmatig in het vakantiehuis van de heer [betrokkene] in [plaats 2] , gaan onder meer samen naar feesten en op vakantie en de heer [betrokkene] assisteert de vrouw bij de aanschaf van een auto en van rolluiken voor haar woning. Dat maakt mede dat er sprake is van een gemeenschappelijke huishouding en wederzijdse verzorging. Er is voldaan aan alle vereisten in de zin van artikel 1:160 Burgerlijk Wetboek (BW), zodat de partneralimentatie dient te worden beëindigd.

5.1.2.

De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd weersproken. Zij heeft, kort samengevat, het navolgende gesteld. Het is correct dat de vrouw en de heer [betrokkene] een affectieve relatie hebben. De vrouw betwist dat zij samenwoont met de heer [betrokkene] als ware zij gehuwd. Er is sprake van een weekendrelatie en niet meer dan dat. [recherchebureau] heeft voornamelijk in de weekenden geobserveerd en de man wist dat de vrouw en de heer [betrokkene] dan samen zouden zijn. De vrouw en de heer [betrokkene] brengen gemiddeld vier dagen per twee weken met elkaar door. Uit het observatie rapport blijkt dat de vrouw slechts in een beperkt aantal dagen ook door de week samen met de heer [betrokkene] is geweest, maar dat maakt niet dat er sprake is van samenwonen. Het rapport van [recherchebureau] bevestigt het weekendpatroon van de relatie met de heer [betrokkene] . Het merendeel van de tijd brengt de vrouw door met [minderjarige] , die in haar leven op de eerste plaats komt. [minderjarige] heeft extra zorg van de vrouw nodig met name in verband met een aangeboren afwijking, schisis, waardoor hij met regelmaat onder controle en behandeling staat van de KNO-arts, de tandarts, de orthodontist en de kaakchirurg. Dat de vrouw en de heer [betrokkene] gezamenlijk invulling geven aan hun vrije tijd, kan niet leiden tot een samenleven als ware zij gehuwd. Ook als de vrouw zich niet aan de coronamaatregelen heeft gehouden, leidt dat niet tot een situatie in de zin van artikel 1:160 BW. De vrouw maakt in de weekenden weliswaar gebruik van voorzieningen in het huis van de heer [betrokkene] en de heer [betrokkene] andersom in het huis van de vrouw, maar dat maakt niet dat er sprake is van wederzijdse verzorging binnen een gemeenschappelijke huishouding. De vrouw neemt verder altijd haar kleren mee naar de heer [betrokkene] en ook weer mee terug naar haar eigen woning, waar zij zelf de bewassing doet. De vrouw en [betrokkene] hebben ieder een eigen huishouding. De auto en de rolluiken zijn door de vrouw aangeschaft. Sinds 2017 betaalt de heer [betrokkene] een deel van het Netflix account aan de vrouw. De vrouw verwijst naar het door haar overgelegde overzicht van de diverse verrekeningen tussen haar en de heer [betrokkene] , onder meer ter zake uitjes, eten en vakanties. Er is sprake van twee zelfstandige economische eenheden, die van de heer [betrokkene] en die van de vrouw. Ook uit het rapport van [recherchebureau] blijkt geenszins dat er sprake is van wederzijdse verzorging en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding. Er is geen sprake van samenleven als ware gehuwd.

5.1.3.

Het hof overweegt het navolgende.

Ingevolge artikel 1:160 BW eindigt een verplichting van een gewezen echtgenoot om uit hoofde van echtscheiding levensonderhoud te verschaffen aan de andere ex echtgenoot, wanneer deze opnieuw in het huwelijk treedt, een geregistreerd partnerschap aangaat dan wel is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren. Voor een bevestigende beantwoording van de vraag of sprake is van een samenleven met een ander als waren zij gehuwd als bedoeld in artikel 1:160 BW is vereist dat tussen de samenwonenden een affectieve relatie bestaat van duurzame aard, die meebrengt dat de gescheiden echtgenoot en die ander met elkaar samenwonen, elkaar wederzijds verzorgen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. Van een wederzijdse verzorging en een gemeenschappelijke huishouding is onder meer sprake als de samenwonenden hetzij bijdragen in de kosten van de gezamenlijke huishouding hetzij op andere wijze in elkaars verzorging voorzien.
Het onherroepelijke karakter van de in artikel 1:160 BW besloten liggende sanctie vergt dat deze bepaling restrictief dient te worden uitgelegd, hetgeen meebrengt dat niet snel mag worden aangenomen dat is voldaan aan de door deze bepaling gestelde eisen voor de beëindiging van de verplichting levensonderhoud te verschaffen. Het gevolg is immers dat de betrokkene definitief de aanspraak op levensonderhoud verliest. Op de man rust de stelplicht, en bij betwisting de bewijslast, van alle voornoemde elementen, in het bijzonder in dit geval: het samenwonen, de wederzijdse verzorging en de gemeenschappelijke huishouding.

Het hof is van oordeel dat de man tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw niet, althans onvoldoende concreet, heeft gesteld en onderbouwd dat er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 1:160 BW tussen de vrouw en de heer [betrokkene] op grond waarvan de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw zou dienen te eindigen.

Het hof overweegt daartoe als volgt.

Uit het door de man overgelegde rapport van [recherchebureau] blijkt wel dat de vrouw en de heer [betrokkene] in de observatie periode van 2 maart 2019 tot 29 september 2019 elk weekend en enkele doordeweekse dagen bij elkaar zijn geweest, maar dat is naar het oordeel van het hof onvoldoende om aan te nemen dat er sprake is van samenwonen van de vrouw en de heer [betrokkene] . De vrouw heeft immers erkend dat er sprake is van een affectieve relatie van duurzame aard en binnen een dergelijke relatie is het gebruikelijk dat partijen tijd met elkaar doorbrengen, ook met overnachtingen.

De vrouw en de heer [betrokkene] maken verder in de weekenden en op sommige doordeweekse dagen in elkaars woningen weliswaar gebruik van elkaars voorzieningen, maar die enkele omstandigheid maakt niet dat er sprake is van wederzijdse verzorging binnen een gemeenschappelijke huishouding. De vrouw heeft ook onweersproken gesteld dat zij de bewassing van haar kleding zelf in haar eigen woning doet. Verder heeft de vrouw, zowel ten aanzien van het Netflix abonnement als ten aanzien van onder meer uitjes, vakanties en ander kosten, bankafschriften overgelegd waaruit blijkt dat de daarop betrekking hebbende uitgaven onderling worden verrekend, zodat van een financiële verstrengeling niet, althans onvoldoende is gebleken.

De man heeft bewijs aangeboden van zijn stellingen, waardoor over het voorgaande mogelijk anders kan worden geoordeeld. Hij heeft aangeboden om al zijn stellingen te bewijzen met alle middelen rechtens, speciaal door middel van het horen van getuigen welke zijn genoemd in het inleidend verzoekschrift van de man, maar het hof passeert dit bewijsaanbod van de man. De rechter moet weliswaar een getuigenbewijsaanbod, waarvan bewijs door getuigen is toegelaten zoals in een zaak als deze, honoreren als een partij (i) specifiek bewijs aanbiedt (ii) van voor de beslissing relevante feiten, (iii) waarbij de verklaringen van getuigen specifieke stellingen onderbouwen en (iv) eerder gehoorde getuigen meer of anders verklaren dan zij eerder deden, maar het bewijsaanbod van de man voldoet niet aan deze criteria.

In eerste aanleg heeft de man gesteld dat hij aangaande de samenwoning onderzoek heeft laten verrichten door [recherchebureau] , in persoon van de heer [medewerker] en hij heeft in eerste aanleg de heer [medewerker] als een van de te horen getuigen genoemd. Het onderzoek door de heer [medewerker] was erop gericht om vast te stellen of er sprake is van samenwonen. Uit het rapport blijkt dat de vrouw en de heer [betrokkene] op de in het rapport genoemde observatie momenten samen zijn aangetroffen in of de woning van de vrouw of de woning van de heer [betrokkene] . Zoals hiervoor door het hof is overwogen kan op grond daarvan nog niet gesproken worden van samenwonen in de zin van artikel 1:160 BW. De man heeft nagelaten om concreet aan te geven over welke voor de beslissing relevante feiten en welke specifieke stellingen van de man de heer [medewerker] kan verklaren en wat hij in aanvulling op het rapport méér kan verklaren dan hij in zijn hoofdstuk 5 van het rapport “Bevindingen observatie” heeft gedaan. Ook ten aanzien van de door de man overige genoemde getuigen (de heer [betrokkene] , de vrouw, de man, de zus van de man en de buren van de vrouw) heeft de man niet aangegeven over welke voor de beslissing relevante feiten en over welke specifieke stellingen van de man, de genoemde getuigen kunnen verklaren.

Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, falen de op artikel 1:160 BW betrekking hebbende grieven van de man.

Behoeftigheid van de vrouw

5.2.1.

De man heeft verder, kort samengevat, het navolgende gesteld. De vrouw is verplicht om zoveel als mogelijk in haar eigen levensonderhoud te voorzien. De vrouw is lerares, zij is niet arbeidsongeschikt en bovendien is er sprake van een groot lerarentekort. De vrouw heeft geen enkele inspanning verricht om meer dan zij thans doet in haar eigen levensonderhoud te voorzien, terwijl zij hierop meerdere keren is aangesproken door de man.

5.2.2.

De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd weersproken. Zij kan met haar parttime salaris (0,65 fte) slechts ten dele in haar eigen levensonderhoud voorzien. De vrouw heeft bij haar werkgever om uitbreiding van uren gevraagd, maar daarvoor zijn binnen de scholengemeenschap waar zij werkt geen mogelijkheden. De vrouw is van mening dat zij zich voldoende inspant om in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Voort heeft zij gewezen op haar beperkingen om meer de werken dan zij doet vanwege de zorg die zij heeft voor de zoon van partijen.

5.2.3.

Het hof overweegt het navolgende.

Uit het echtscheidingsconvenant blijkt dat partijen het netto gezinsinkomen tijdens het huwelijk hebben gesteld op € 8.057,- per maand en de behoefte van [minderjarige] op € 1.300,- per maand. Bij gebrek aan concrete stellingen van partijen over de behoefte van de vrouw gaat het hof ervan uit dat deze in ieder geval conform de hofformule [€ 8.057 minus € 1.300,-] x 60% =

€ 4.054,20 netto per maand bedraagt (niveau 2015).

Uit de stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de vrouw sinds 1 augustus 2002 als parttime (0,65 fte) docente Nederlands in dienst is van de Stichting [stichting] . De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat het een scholengemeenschap voor HAVO/VWO betreft.

Uit de door de vrouw overgelegde loonstroken van oktober, november en december 2020 blijkt een netto loon van de vrouw € 2.116,76 per maand (nog te vermeerderen met vakantietoeslag en eindejaarsuitkering). De vrouw heeft verder in hoger beroep een verklaring van haar werkgever d.d. 16 november 2020 overgelegd (productie 5) waaruit blijkt dat er gedurende het lopende schooljaar enkel incidentele vervangingsvacatures zijn te verwachten, maar dat er op dit moment geen structurele vacatures beschikbaar zijn voor een docent Nederlands en dat een structurele uitbreiding van de omvang van de dienstbetrekking van de vrouw niet mogelijk is. Gelet op het voorgaande en mede gelet op de zorg die vrouw op dit moment voor [minderjarige] , die zoals onweersproken door de vrouw is gesteld een specifieke zorgbehoefte heeft, nog heeft, is het hof van oordeel dat van de vrouw op dit moment niet gevergd kan worden om meer in haar levensonderhoud te voorzien dan zij thans doet, nog daargelaten dat de behoefte van de vrouw, zoals door het hof berekend, thans geïndexeerd van

€ 4.583,18 netto per maand, relatief hoog is ten opzichte van een eventueel fulltime salaris als docente Nederlands.

De grief van de man ter zake de behoeftigheid van de vrouw faalt eveneens.

5.3.

Gelet op het voorgaande wordt het verzoek van de man onder a) afgewezen.

Nu er geen sprake is van beëindiging van de onderhoudsverplichting en er evenmin sprake van is dat de vrouw op dit moment in haar eigen levensonderhoud kan voorzien, is er ook geen sprake van te veel betaalde partneralimentatie, zodat het betreffende verzoek onder b) ook wordt afgewezen.

Voor wat betreft de onder c) verzochte proceskosten in de beide procedures wordt overwogen dat, nu de verzoeken van de man zullen worden afgewezen, althans de bestreden beschikking zal worden bekrachtigd, reeds daarom niet kan worden geoordeeld dat het voeren van verweer door de vrouw als evident nodeloos moet worden beschouwd. Er is in deze zaak sprake van een familierechtelijke zaak en het hof ziet voldoende aanleiding, nog daargelaten dat de man in het ongelijk wordt gesteld, om de proceskosten zowel in eerste aanleg, als in hoger beroep te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Van een veroordeling in de kosten van [recherchebureau] kan evenmin sprake zijn nu het verzoek onder a) wordt afgewezen.

5.4.

Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg (Roermond) van 31 juli 2020,

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.D.M. Lamers, C.A.R.M. van Leuven en

K.A. Boshouwers en door mr. H. van Winkel op 27 mei 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.