Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:1549

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-05-2021
Datum publicatie
28-05-2021
Zaaknummer
200.282.300_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

schadevergoeding Wvggz

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0455
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 27 mei 2021

Zaaknummer: 200.282.300/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/356372 / FA RK 20-990

in de zaak in hoger beroep van:

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: verzoekster,

advocaat: mr. M.J.J. Spieringhs,

tegen

Stichting [stichting],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: verweerster.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, van 28 mei 2020.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 25 augustus 2020, heeft verzoekster aan het hof verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de schadevergoeding vast te stellen conform het voorstel van verzoekster onder punt 31 van haar beroepschrift, dan wel op een zodanige wijze als het hof juist acht.

2.2.

Er is geen verweerschrift ingekomen van de kant van verweerster.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 april 2021.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de advocaat van verzoekster, mr. Spieringhs;

  • -

    de verweerster, vertegenwoordigd door mr. [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] .

2.3.1.

Verzoekster is, hoewel behoorlijk daartoe opgeroepen, niet verschenen ter mondelinge behandeling.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van de brief met bijlagen van de advocaat van verzoekster d.d. 24 maart 2021.

3 De beoordeling

3.1.

Verzoekster verblijft - in het kader van een TBS maatregel met dwangverpleging - in de [locatie] te [plaats] . Op 26 juni 2019 tot 28 juni 2019 is zij naar aanleiding van een incident gesepareerd. De separatie is op 28 juni 2019 beëindigd. Verzoekster is toen overgebracht naar een zogenoemde ‘high care ruimte’.

3.1.1.

Op 22 juli 2019 is aan verzoekster een kamerprogramma opgelegd. Aanvankelijk was dit een gesloten kamerprogramma en vanaf 6 augustus 2019 was dit een open kamerprogramma.

3.1.2.

Verzoekster heeft op 24 december 2019 een klacht ingediend tegen de beslissing om op haar een kamerprogramma toe te passen.

3.1.3.

Op 28 januari 2020 heeft de klachtencommissie van de stichting [stichting] de klacht van verzoekster over de beslissing van 22 juli 2019 om haar een kamerprogramma op te leggen gegrond verklaard en de beslissing om op verzoekster een kamerprogramma toe te passen vernietigd. Hierdoor is het kamerprogramma op 28 januari 2020 beëindigd.

De beslissing over toepassing van het kamerprogramma had volgens de klachtencommissie van meet af aan niet aan de daaraan te stellen eisen voldaan. Het verzoek om aan haar een schadevergoeding toe te kennen voor de duur van het kamerprogramma vanaf 1 januari 2020 (de inwerkingtreding van de Wvggz) is afgewezen omdat de verzoekster had nagelaten aan te geven hoe hoog de schadevergoeding zou moeten zijn en zij haar verzoek niet nader had gemotiveerd.

3.2.

Verzoekster heeft vervolgens bij de rechtbank verzocht om haar een schadevergoeding toe te kennen van € 17.000,- op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz) en € 4.000,- op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (de Wvggz), dan wel een andere billijke en passende schadevergoeding.

Bij de bestreden beschikking, heeft de rechtbank verweerster veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 955,- aan verzoekster en voor het overige haar verzoek afgewezen.

3.3.

Verzoekster kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.4.

Verzoekster verzoekt thans het hof om haar toe te kennen:

primair: op grond van de Bopz-jurisprudentie een schadevergoeding van € 20.055,-

subsidiair: op grond van het forfaitair stelsel een schadevergoeding van € 2.400,- en als immateriële schadevergoeding € 2.000,-.

Zij voert in de eerste plaats aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het in haar geval billijk is voor de hoogte van de schadevergoeding aan te sluiten bij de door de [stichting] genoemde bedragen die gelden voor personen die in een reguliere TBS kliniek zijn opgenomen en aan wie op formele gronden onterecht een kamerprogramma is opgelegd, te weten € 5,- per dag.

Verzoekster benadrukt dat zij niet in een reguliere TBS kliniek is opgenomen, maar in een ggz-instelling. De wetgever heeft expliciet de Wvggz daarop van toepassing verklaard en het is verzoekster niet duidelijk waarom in haar geval aansluiting wordt gezocht bij andere regelgeving.

Wat betreft de hoogte van de schadevergoeding is de jurisprudentie wisselend. Daarbij komt dat er ook wel wordt aangehaakt bij de jurisprudentie in algemene civiele schadevergoedingszaken en in schadevergoedingszaken in het kader van de Wet Bopz, waarbij de bedragen kunnen variëren van € 50,- tot wel € 105,- per dag. Verzoekster acht derhalve een vergoeding van € 5,- per dag niet billijk.

Daarnaast voert verzoekster aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd dat de door haar genoemde normschendingen tot schade hebben geleid.

Verzoekster wijst erop dat de bedoeling van de wetgever bij de invoering van Wvggz niet is geweest om de klagers in een moeilijke bewijspositie te brengen. De positie van de klager is juist versterkt en de mogelijkheden tot klagen en het verzoeken tot het toekennen van schadevergoeding zijn uitgebreid.

Er is volgens verzoekster sprake geweest van normovertredend handelen door de [stichting] en zij verwijst naar hetgeen zij daarover heeft aangevoerd in eerste aanleg. Dit heeft nadelige gevolgen gehad voor verzoekster. Zij zat een groot gedeelte van de dag in eenzaamheid en kon niet naar buiten of deelnemen aan de groep. Hierdoor had zij last van gevoelens van onmacht, vernedering, intimidatie, onzekerheid, verdriet, spanning, frustratie, ergernis en rechteloosheid. Door de frustratie, die zij soms heftig heeft geuit, heeft de [stichting] gemeend het kamerprogramma langer te moeten handhaven. Dit had een omgekeerd effect op verzoekster. Juist door de lange termijn, het negeren van haar verzet en van de wettelijke eisen heeft de opsluiting op haar kamer ernstig nadelige gevolgen voor haar gehad.

Ook in de uitspraak van de Hoge Raad van 10 april 2015 (ECLI:NL:2015:926) ging de Hoge Raad, door de enkele normschending en de aard hiervan, uit van een causaal verband tussen de normschending en een op geld waardeerbare schade in de vorm van spanning of frustratie.

Verzoekster beroept zich voor wat betreft de hoogte van de schadevergoeding op een onderzoeksrapport van de Universiteit van Amsterdam (2019) naar de hoogte van schadevergoedingen onder de wet Bopz en het daarin op grond van de relevante rechtspraak ontwikkelde forfaitaire stelsel dat een handvat biedt voor onderbouwing van schadevergoedingsverzoeken in het kader van de Wvggz.

Het advies gaat ervan uit dat sprake is van schade als gevolg van de normschending die samenhangt met de klacht. De klachtencommissie zou een lichte toets moeten hanteren met betrekking tot het bewijs en zich actief moeten opstellen als het gaat om het aan het licht brengen van de feiten. Dit past bij het doel van de klachtenprocedure en de kwetsbaarheid van de patiënt geconfronteerd met verplichte zorg.

Indien de schadebegroting een lager bedrag inhoudt dan billijk is, vertrouwt verzoekster erop dat het hof het bedrag zal aanvullen tot hetgeen billijk is.

Ter mondelinge behandeling heeft de advocaat van verzoekster daar nog aan toegevoegd dat in het geval de patiëntenvertrouwenspersoon eerder betrokken was geweest er eerder kennis was genomen van haar klacht en zij minder gefrustreerd was geraakt. De gesloten kamerplaatsing heeft haar frustraties in feite alleen maar verergerd.

3.5.

Verweerster heeft ter mondelinge behandeling - kort samengevat - aangevoerd dat de instelling de uitspraak van de klachtencommissie erkent en het feit betreurt dat er geen zogenoemde ‘mededeling cliënt’ is uitgereikt aan verzoekster en het voortduren van het kamerprogramma op grond van het verkeerde wetsartikel heeft plaatsgevonden. Vaststaat dat er sprake is geweest van een vormverzuim.

Verweerster acht echter de verzochte schadevergoeding buitenproportioneel en wijst er op dat verzoekster haar klacht pas op 24 december 2019 heeft ingediend. Het is niet reëel om dan voor de schadevergoeding al vanaf 22 juli 2019 te rekenen. Bovendien was ook bij toepassing van de juiste formele vereisten verzoekster in dezelfde beperking verbleven. Daarbij komt dat er tussentijds veel met verzoekster is gesproken over waarom zij het gesloten kamerprogramma kreeg opgelegd. Zij was bekend met de mogelijkheden om contact te hebben met de patiëntenvertrouwenspersoon op de afdeling en kende de weg naar de klachtencommissie. Daarbij komt dat de patiëntenvertrouwenspersoon wekelijks op de afdeling kwam in die periode en haar vrijwel zeker kort na de toepassing van het kamerprogramma heeft gesproken maar in ieder geval veel eerder dan pas aan het eind van het jaar. Bovendien had verzoekster ook een advocaat. Verweerster vraagt zich dan ook af wat haar schade precies is.

3.6.

Het hof overweegt het volgende.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

3.6.1.

Verzoekster verblijft onder de titel van TBS met dwangverpleging in de [locatie] te [plaats] , een onderdeel van Stichting [stichting] , die een psychiatrisch ziekenhuis in stand houdt in de zin van de Wet Bopz respectievelijk een zorgaanbieder is in de zin van de WvGGZ.

Ingevolge art. 51 lid 3 Wet Bopz is onder meer art. 41b Wet Bopz van overeenkomstige toepassing op mensen die TBS met dwangverpleging hebben en die om die reden gedwongen zijn opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis, niet zijnde een justitiële inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden als bedoeld in artikel 90, quinquies, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Gelet hierop kan verzoekster op grond van art. 41b Wet Bopz een schadevergoeding verzoeken ten laste van de rechtspersoon die het psychiatrisch ziekenhuis in stand houdt, op grond dat de beslissing waartegen de klacht is gericht, onrechtmatig is.

Art. 9.1 van de Wvggz bepaalt dat een persoon die in een accommodatie verblijft en aan wie tevens de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege of de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is opgelegd, voor de toepassing van deze wet vanaf het moment van opname in de accommodatie, wordt aangemerkt als betrokkene aan wie op grond van een zorgmachtiging verplichte zorg strekkende tot opname in een accommodatie wordt verleend. Art. 9.10 Wvggz bepaalt hoofdstuk 10 van toepassing.

Artikel 10:11 Wvggz bepaalt dat bij een verzoek als bedoeld in artikel 10:7 Wvggz verzoekster bij de rechter tevens om schadevergoeding door de zorgaanbieder kan verzoeken. De rechter kan op dit verzoek afzonderlijk beslissen en kan ook ambtshalve tot schadevergoeding door de zorgaanbieder besluiten.

Op grond van artikel 10:11 lid 4 Wvggz wordt de schadevergoeding naar billijkheid vastgesteld.

3.6.2.

Het hof stelt voorop dat verzoekster ook in hoger beroep ontvankelijk is in haar verzoek gelet op de uitspraken van de Hoge Raad van 20 november 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1806 en ECLI:NL:HR:2020:1808), nu daaruit volgt dat noch in art. 10:12 Wvggz, noch elders in de Wvggz, hoger beroep tegen een beslissing op de voet van deze bepaling wordt uitgesloten. Nu de regels inzake de verzoekschriftprocedure uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op een procedure ingevolge de Wvggz aanvullend van toepassing zijn, staat op grond van art. 358 lid 1 Rv hoger beroep open tegen de beslissing van de rechtbank op het verzoek tot schadevergoeding.

Ten aanzien van de schadevergoeding

3.6.3.

Het hof constateert dat verzoekster niet verzoekt om vergoeding om vermogensschade maar om vergoeding van de door haar geleden immateriële schade als gevolg van het niet naleven van de wettelijke voorschriften bij het toepassen van het kamerprogramma jegens haar. Vaststaat dat de toepassing van het kamerprogramma dat aan verzoekster is opgelegd in de periode vanaf 22 juli 2019 tot 28 januari 2020 van meet af aan niet aan de daaraan te stellen wettelijke eisen heeft voldaan.

Nu niet is gegriefd tegen het oordeel van de rechtbank dat het aannemelijk is dat verzoekster immateriële schade heeft geleden doordat zij ruim zes maanden onrechtmatig beperkt is geweest in haar bewegingsvrijheid, staat het causaal verband tussen de normschending door verweerster en het feit dat verzoekster immateriële schade heeft geleden, in rechte vast. Verzoekster heeft dus recht op een schadevergoeding.

In het onderhavige hoger beroep gaat het derhalve enkel nog over de hoogte van de schadevergoeding voor de nadelige gevolgen die verzoekster heeft ondervonden van dit programma.

3.6.4.

Voor de bepaling van de hoogte van een billijke schadevergoeding acht het hof onder meer de volgende factoren van belang:

  1. de duur van de ondergane beperking van de bewegingsvrijheid als gevolg van het kamerprogramma;

  2. de omstandigheid dat verzoekster reeds rechtmatig van haar vrijheid was beroofd op grond van haar veroordeling tot TBS met dwangverpleging en het opgelegde kamerprogramma in zoverre dus enkel een verdergaande beperking van haar bewegingsvrijheid inhield;

  3. de normschending door [stichting] betreft een formeel verzuim, nu geen “mededeling cliënt” is uitgereikt en de beslissing een kamerprogramma toe te passen op grond omgezet had moeten worden in een beslissing om op verzoekster dwangbehandeling toe te passen. Verweerster stelt in dit verband dat bij een juiste toepassing van de voorschriften de beperking van de bewegingsvrijheid van verzoekster hetzelfde was geweest.

Van de kant van de verweerster is ter mondelinge behandeling het verweer gevoerd dat verzoekster pas zeer laat geklaagd heeft terwijl zij bekend was met de mogelijkheid om een klacht in te dienen en dat er in de periode na 22 juli 2019 wekelijks een patiëntenvertrouwenspersoon op de afdeling was aan wie zij haar vragen kon stellen en zij bovendien een advocaat (een andere dan in de onderhavige procedure) had die haar bijstond.

Ter mondelinge behandeling van het hof heeft de advocaat verklaard dat als verzoekster eerder had geweten van de mogelijkheid om een klacht in te dienen, zij dit eerder had gedaan en er alsdan op een eerder moment al een toetsing had kunnen plaatsvinden.

De advocaat van verzoekster in de onderhavige zaak is pas in een later stadium, althans nadat verzoekster haar klacht had ingediend medio december 2019, bij de onderhavige procedure betrokken. Omdat verzoekster niet ter mondelinge behandeling van het hof is verschenen kon de vraag of verzoekster al dan niet op de hoogte was van de mogelijkheid om eerder een klacht in te dienen en waarom zij daar niet eerder gebruik van heeft gemaakt, niet ter mondelinge behandeling worden beantwoord.

3.6.5.

Het hof acht zich gelet op het voorgaande nog onvoldoende voorgelicht om een beslissing te kunnen nemen.

Het hof legt daarom de volgende vragen voor aan verzoekster:

 waarom heeft verzoekster pas op 24 december 2019 een klacht ingediend tegen het haar op 22 juli 2019 opgelegde kamerprogramma?

 heeft verzoekster na 22 juli 2019 met de patiëntenvertrouwenspersoon op de betreffende afdeling van de [locatie] gesproken over het opgelegde kamerprogramma en de mogelijkheid om een klacht in te dienen, en zo ja hoe vaak?

 Uit de beslissing van de klachtencommissie onder punt 3 blijkt dat verzoekster stelt dat haar advocaat namens haar verschillende brieven aan de behandelaar en de klachtencommissie heeft gestuurd. Wanneer heeft verzoekster contact gehad met deze advocaat (niet zijnde mr. Spieringhs) in de periode na 22 juli 2020 dan wel heeft deze advocaat contact opgenomen met haar behandelaar, de [locatie] of de klachtencommissie over het indienen van een klacht inzake de opgelegde maatregel? Zo ja, hoe is daarop gereageerd?

 zijn er andere omstandigheden of gebeurtenissen in de voornoemde periode die wellicht nog van belang kunnen zijn?

3.6.6.

Het hof stelt verzoekster in de gelegenheid om binnen drie weken na de onderhavige beschikking schriftelijk te reageren op de hierboven gestelde vragen. Daarna stelt het hof verweerster in staat om binnen drie weken te reageren op de antwoorden, waarna het hof zal beslissen over het verdere verloop van de procedure.

3.6.7.

In afwachting van het voorgaande zal het hof iedere verdere beslissing aanhouden.

3.7.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof beslissen als na te melden.

4 De beslissing

Het hof:

stelt verzoekster in de gelegenheid om zich binnen drie weken na de onderhavige uitspraak (dus uiterlijk op donderdag 17 juni 2021) schriftelijk uit te laten over de onder rechtsoverweging 3.6.5. gestelde vragen, met afschrift aan verweerster;

stelt vervolgens verweerster in de gelegenheid om binnen drie weken, nadat verzoekster zich schriftelijk heeft uitgelaten, daarop te reageren, met afschrift aan verzoekster;

het hof is voornemens om na ontvangst van de reacties van partijen de zaak zonder nadere mondelinge behandeling af te doen, tenzij het hof op gemotiveerd verzoek van partijen, dan wel ambtshalve anders beslist;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.P. de Beij, J.C.E. Ackermans-Wijn en A.P. Zweers-van Vollenhoven en is in het openbaar door mr. E.A.M. Scheij uitgesproken op 27 mei 2021 in tegenwoordigheid van griffier.