Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:1548

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-05-2021
Datum publicatie
28-05-2021
Zaaknummer
200.280.034_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team familie- jeugdrecht

zaaknummer : 200.280.034/01

zaaknummer rechtbank : C/02/366896 / FA RK 19-6683

beschikking van de meervoudige kamer van 27 mei 2021

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. W.H.P. de Jongh te Roosendaal,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats]

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M. Verger-Maas te Breda.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de hierboven genoemde beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 28 april 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De man is op 29 juni 2020 in hoger beroep gekomen van de voormelde beschikking van 28 april 2020.

2.2.

De vrouw heeft op 28 juli 2020 een verweerschrift ingediend.

2.3.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 1 april 2021 met bijlagen, op 1 april 2021.

2.4.

Op 12 april 2021 is verder ingekomen het faxbericht van de zijde van de man van 12 april 2021 met bijlagen. De advocaat van de vrouw heeft ter mondelinge behandeling bezwaar gemaakt tegen overlegging van dit faxbericht met bijlagen. Het hof beslist dat op die bijlagen acht wordt geslagen, omdat het voor de draagkracht van de man relevante, deels recente, stukken zijn die eenvoudig zijn te doorgronden en de advocaat van vrouw daartegen tijdens de mondelinge behandeling voldoende verweer heeft kunnen voeren.

2.5.

De mondelinge behandeling heeft op 12 april 2021 plaatsgevonden.

Verschenen zijn:

- de man via een digitale beeldverbinding, bijgestaan door zijn advocaat, die in persoon tijdens de mondelinge behandeling aanwezig was;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

3 De feiten

3.1.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2.

Partijen zijn de ouders van:

- [minderjarige 1] ( [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] ,

- [minderjarige 2] ( [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] .

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben het hoofdverblijf bij de vrouw.

3.4.1.

Bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 7 oktober 2014 heeft de rechtbank tussen partijen onder meer de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op 26 november 2014 in geschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.4.2.

Bij deze beschikking is verder, voor zover thans van belang, bepaald dat het aan die beschikking gehechte door partijen op 15 april 2014 ondertekende, ouderschapsplan deel uitmaakt van die beschikking. In het ouderschapsplan zijn partijen, voor zover thans van belang, een regeling getroffen met betrekking tot de kosten van de kinderen en de bijdrage van partijen in die kosten, waarnaar het hof verwijst.

3.4.2.

Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 4 december 2017 heeft de rechtbank de beschikking van 7 oktober 2014 en het ouderschapsplan ten aanzien van de bijdrage van de man in de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (hierna ook: kinderalimentatie) gewijzigd en de door de man te betalen kinderalimentatie bepaald als volgt:

- van 1 april 2017 tot 1 augustus 2017 op € 25,- per kind per maand,

- van 1 augustus 2017 tot 1 november 2017 op € 217,50 per maand,

- met ingang van 1 november 2017 op nihil.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, met wijziging van de beschikking van 4 december 2017, de door de man te betalen kinderalimentatie voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 1 januari 2020 nader bepaald op € 407,- per kind per maand.

4.2.1.

De grieven van de man zien op de wijziging van omstandigheden, de behoefte van de kinderen, de draagkracht van de vrouw en de draagkracht van de man.

4.2.2.

De man heeft verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en alsnog te bepalen, primair, dat het verzoek van de vrouw tot wijziging van de kinderalimentatie wordt afgewezen, subsidiair, dat de kinderalimentatie met ingang van de datum van de door het hof te geven beschikking wordt bepaald op € 14,- per kind per maand, althans op een bedrag en met ingang van een datum die het hof juist acht.

4.3.

De vrouw heeft verzocht, primair, het beroep van de man af te wijzen als ongegrond en onbewezen en de bestreden beschikking, onder aanvulling en/of verbetering van de gronden te bekrachtigen, subsidiair, de kinderalimentatie met ingang van de datum van de door het hof te geven beschikking te bepalen op € 354,- per kind per maand.

5 De motivering van de beslissing

Wijziging van omstandigheden

5.1.

Partijen hebben desgevraagd tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat er (onder meer) door wijziging van het inkomen aan de zijde van de man, sprake is van een wijziging van omstandigheden die ertoe leidt dat de door de man te betalen kinderalimentatie opnieuw moet worden beoordeeld.

Ingangsdatum

5.2.1.

De man heeft gesteld dat de rechtbank ten onrechte de ingangsdatum van de door hem te betalen kinderalimentatie heeft gesteld op 1 januari 2020. De man heeft pas op 15 juni 2020 kennis kunnen nemen van de bestreden beschikking. De kinderalimentatie kan in zijn visie niet eerder verschuldigd zijn dan met ingang van de datum van de door het hof te geven beschikking.

5.2.2.

De vrouw heeft de stelling van de man gemotiveerd weersproken. Zij heeft tijdens de mondelinge behandeling haar verzoek in hoger beroep ten aanzien van subsidiaire ingangsdatum (datum beschikking hof) ingetrokken. De vrouw is van mening dat de rechtbank terecht de ingangsdatum heeft gesteld op 1 januari 2020.

5.2.3.

Het hof overweegt het navolgende.

Uit de stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling is het navolgende gebleken. De man heeft direct na indiening van het verzoek van de vrouw tot wijziging van de kinderalimentatie kennis genomen van de inhoud van dat verzoek, maar hij heeft abusievelijk de verweertermijn laten verlopen. Het hof overweegt dat zulks niet wegneemt dat de man, bekend met het verzoek van de vrouw, in redelijkheid vanaf de datum van indiening van dat verzoek rekening heeft kunnen houden met een mogelijke wijziging van de kinderalimentatie en daarmee met het weer gaan betalen van kinderalimentatie aan de vrouw. Het hof stelt, mede om proceseconomische redenen, de ingangsdatum, evenals de rechtbank en conform het verzoek van de vrouw, op de eerste dag van de maand volgend op de indiening van het verzoekschrift bij de rechtbank, te weten op 1 januari 2020.

Hoogte behoefte kinderen

5.3.1.

De man heeft de stelling van de vrouw, dat de behoefte van de kinderen conform het ouderschapsplan moet worden bepaald op € 1.335,- per maand (niveau 2014) betwist. De man heeft gesteld dat het netto gezinsinkomen tijdens het huwelijk lager was dan het in het ouderschapsplan vermelde bedrag van € 5.500,- per maand en dat de behoefte van de kinderen -gebaseerd op dat te hoge netto gezinsinkomen - daarmee ook lager is dan de overeengekomen € 1.335,- per maand.

De vrouw heeft de stelling van de man gemotiveerd weersproken.

5.3.2.

Het hof overweegt het navolgende. In artikel 7.1. van het door partijen op 15 april 2014 ondertekende ouderschapsplan zijn partijen het navolgende overeengekomen:

“De kosten van beide kinderen zijn door de ouders conform de gangbare tabellen en uitgaande van een gezamenlijk besteedbaar inkomen van netto € 5.500,- begroot op € 1.335,- per maand ……..”. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de man verklaard dat hij het lager netto besteedbaar inkomen en de lagere behoefte van de kinderen niet met stukken kan onderbouwen. Nu de man zijn stelling ten aanzien van het lagere netto gezinsinkomen en de lagere behoefte van de kinderen niet heeft onderbouwd, gaat het hof uit van de in het ouderschapsplan overeengekomen behoefte van de kinderen van € 1.335,- per maand. Analoog aan de wettelijke indexering bedraagt de behoefte van de kinderen met ingang van 1 januari 2020 € 1.476,95 per maand, dit is afgerond € 738,- per kind per maand, en met ingang van 1 januari 2021 € 1.521,26 per maand, dit is afgerond € 761,- per kind per maand.

Draagkracht van de vrouw

5.4.

Uit de stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de vrouw op dit moment werkzaam is als parttime receptioniste bij de Maatschap [maatschap] en als parttime fitnessinstructrice bij [BV 1] BV te [plaats 1] . Daarnaast werkt de vrouw sinds enige tijd ook als beginnend (zelfstandig) personal trainer (eveneens parttime). De vrouw heeft een aanvullende uitkering op basis van de Participatiewet. De vrouw heeft er alle vertrouwen in dat zij in de toekomst met haar werkzaamheden een inkomen boven bijstandsniveau kan genereren, maar zij spant zich op dit moment maximaal in en van een hoger inkomen dan bijstandsniveau is op dit moment nog geen sprake. De vrouw heeft haar draagkracht gesteld op € 50,- per maand, hetgeen de man desgevraagd tijdens de mondelinge behandeling, niet meer heeft weersproken. Gelet op het voorgaande, waaruit blijkt dat de vrouw zich actief inspant om haar inkomen te vergroten, gaat het hof uit van een draagkracht van de vrouw van € 50,- per maand, dit is € 25,- per kind per maand.

Draagkracht van de man

5.5.

De man heeft gesteld dat hij onvoldoende draagkracht heeft om de door de rechtbank vastgestelde kinderalimentatie van € 407,- per kind per maand te voldoen. Zijn draagkracht is beperkt tot € 14,- per kind per maand. De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd weersproken.

5.6.

Het hof overweegt ten aanzien van de draagkracht van de man het navolgende.

Inkomen van de man

5.7.

De man is werkzaam bij [BV 2] BV te [plaats 2] . Het salaris van de man bedraagt € 3.900,- bruto per maand (te vermeerderen met vakantiegeld), zoals blijkt uit de door de man als productie 8 in hoger beroep overgelegde loonstroken van januari tot en met mei 2020. Met ingang van 1 januari 2021 is het bruto salaris van de man gelijk gebleven, zoals blijkt uit de door de man bij faxbericht van 12 april 2021 overgelegde salarisstroken van februari en maart 2021. Uit de hiervoor genoemde salarisstroken blijkt een netto salaris van de man in 2020 van € 1.385,74 per maand en met ingang van 1 januari 2021 van een netto salaris van € 2.562,03 per maand.

Lasten van de man

5.8.1.

De man heeft, kort samengevat, het navolgende gesteld. Hij heeft een draagkracht van totaal € 28,- per maand. De man heeft meerdere schulden. Deze zijn grotendeels ontstaan tijdens de relatie van de man die hij voorafgaand aan het huwelijk met de vrouw heeft gehad; deze zijn ook deels tijdens het huwelijk met de vrouw ontstaan, onder meer na het faillissement van de gemeenschappelijke onderneming van partijen. De man heeft meerdere malen getracht de schulden te saneren, eerst tevergeefs met behulp van een bewindvoerder en sinds 30 april 2020 met behulp van de Kredietbank West-Brabant. Tot en met de maand november 2020 is er sprake geweest van loonbeslag voor een bedrag van € 852,25 per maand. De Kredietbank heeft de man eind 2020 geadviseerd om de schulden te saneren via de Wet Schuldregeling Natuurlijke Personen (WSNP). De man heeft kort geleden zelf een verzoekschrift bij de rechtbank ingediend om toegelaten te worden tot de WSNP. De man is in afwachting van de mondelinge behandeling ter zake dat verzoek; er is nog niet op beslist. De man is van mening dat het hof rekening moet houden met de schulden. De schulden bedragen thans totaal € 142.668,35.

5.8.2.

De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd weersproken. Zij heeft, kort samengevat, het navolgende gesteld. De vrouw heeft haar aandeel in de oorspronkelijke schuldenlast gesaneerd via de WSNP. De schuldsaneringsregeling is op 17 november 2018 beëindigd met een schone lei. De man loopt een geheel ander pad; het lijkt erop dat hij de schulden wil laten verjaren. Zijn pogingen om de schulden te saneren zijn nooit serieus geweest. De man onderbouwt zijn huidige schulden niet en hij lost er ook niet (meer) op af. De vrouw is van mening dat uitgegaan moet worden van een draagkracht van de man van

€ 726,- per maand.

5.8.3.

Het hof overweegt het navolgende.

De periode van 1 januari 2020 tot 1 december 2020

5.8.3.1. Uit de door de man overgelegde loonstroken over de maanden januari tot en met mei 2020 blijkt dat er beslag is gelegd op het loon van de man voor een bedrag van € 852,24 per maand. Dat er sprake is geweest van loonbeslag tot en met de maand november 2020, zoals de man tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard, heeft de vrouw niet gemotiveerd weersproken. Het hof gaat daarvan uit. Tussen partijen is verder niet in geschil dat de man wel heeft gepoogd zijn schulden te saneren, maar tot heden heeft dat niet geleid tot een substantiële vermindering van de schulden. Nu de man in de periode van januari 2020 tot en met november 2020 door het loonbeslag feitelijk niet de beschikking heeft gehad over zijn volledige netto loon, acht het hof het redelijk en billijk om over die periode rekening te houden met het loonbeslag en voor het berekenen van de draagkracht van de man uit te gaan van een netto loon van € 2.385,74 minus € 852,24 = afgerond € 1.533,- per maand.

Het hof merkt daarbij op dat uit de loonstrook van de maand mei 2020 blijkt dat de man het uitgekeerde vakantiegeld ook aan de beslaglegger heeft afgedragen; het hof laat daarom voor 2020 het vakantiegeld buiten beschouwing. Uit de door de man overgelegde loonstroken blijkt verder dat er inhoudingen op het netto loon hebben plaatsgevonden van € 147,80 per maand. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat het de maandelijkse premiebetaling van de ziektekostenverzekering betreft. Het hof past geen verdere korting toe op het netto loon, zoals de advocaat van de man ook tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard, omdat de betaling van deze premie is inbegrepen in het draagkrachtloos inkomen van de man.

Het hof gaat in de periode van 1 januari 2020 tot 1 december 2020 uit van een draagkracht van de man conform de toepasselijke draagkrachtformule:

80% [€ 1.533,- minus (0,3 x € 1.533,- + € 925)] = € 118,48 per maand, dit is afgerond € 59,- per kind per maand.

Met ingang van 1 december 2020

5.8.3.2. De man heeft desgevraagd tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat er vanaf 1 december 2020 geen beslag meer ligt op zijn loon en dat hij sindsdien ook niet anderszins aflost op de schulden. De man heeft verklaard dat hij in afwachting is van de beslissing op zijn verzoek om toegelaten te worden tot de WSNP.

De vrouw heeft de stellingen van de man ten aanzien van de toelating tot de WSNP gemotiveerd weersproken.

Het hof overweegt als volgt.

De man heeft zijn stelling dat hij een verzoekschrift tot toelating tot de WSNP bij de rechtbank heeft ingediend, uitsluitend onderbouwd met kopie van een ongedateerd en niet door hem ondertekend verzoekschrift. De man heeft verder geen schriftelijke bevestiging van de ontvangst van dat verzoekschrift, noch een ander verifieerbaar document met betrekking tot de toelatingsprocedure overgelegd. Gelet daarop overweegt het hof dat de man zijn stelling ten aanzien van de WSNP niet, althans niet voldoende heeft onderbouwd, hetgeen mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw wel op zijn weg had gelegen. Nu de man ook heeft verklaard dat hij na 1 december 2020 feitelijk niet aflost op schulden, laat het hof de schulden na 1 december 2020 geheel buiten beschouwing.

Gelet op het voorgaande gaat het hof met ingang van 1 december 2020, gemakshalve en uit proceseconomische overwegingen uitgaande van het de loonstroken 2021 en rekenend met de draagkrachtformule over het jaar 2021, uit van een netto loon van de man van afgerond

€ 2.562,- per maand, nog te vermeerderen met 8% vakantiegeld, derhalve afgerond

€ 2.767,- netto per maand Ook in 2021 houdt het hof niet apart rekening met de inhouding ter zake de premie ziektekostenverzekering.

Met ingang van 1 december 2020, gemakshalve en uit proceseconomische overweging reeds rekenend met de cijfers van 2021, berekent het hof de draagkracht van de man conform de toepasselijke draagkrachtformule op:

70% [€ 2.767,- minus (0,3 x € 2.767,- + € 1.000,-)] = € 655,83 per maand, dit is afgerond

€ 328,- per kind per maand.

Zorgkorting

5.9.1.

De man heeft gesteld dat rekening gehouden moet worden met een zorgkorting van 35%. De kinderen brengen meer tijd bij hem door dan in het ouderschapsplan is afgesproken; er is nagenoeg sprake van een co-ouderschap.

De vrouw is van mening dat een zorgkorting van 25% meer in de rede ligt.

5.9.2.

Het hof overweegt het navolgende.

Uit hetgeen partijen tijdens de mondelinge behandeling naar voren hebben gebracht blijkt dat de kinderen bij de man verblijven, de ene week van woensdag uit school tot donderdag naar school en de andere week donderdag uit school tot maandagochtend naar school, alsmede de helft van de vakanties en de feestdagen. Het hof is van oordeel dat daarmee een zorgkorting van 35% correspondeert. De zorgkorting bedraagt met ingang van 1 januari 2020 € 516,93 per maand en met ingang van 1 januari 2021 € 532,44 per maand.

5.10.1.

De gezamenlijke draagkracht van partijen bedraagt met ingang van 1 januari 2020

totaal € 168,48 per maand; het tekort aan draagkracht bedraagt € 1.308.47 per maand. Nu de draagkracht van partijen tezamen onvoldoende is om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien en dit tekort groter is dan twee maal de zorgkorting vervalt de aanspraak van de man op de zorgkorting. De door de man te betalen kinderalimentatie bedraagt over de periode van 1 januari 2020 tot 1 december 2020 € 59,- per kind per maand.

5.10.2.

Met ingang van 1 januari 2021 bedraagt de gezamenlijke draagkracht van partijen

€ 705,83 per maand; het tekort aan draagkracht bedraagt € 815,43 per maand. Nu de draagkracht van partijen tezamen onvoldoende is om in de behoefte van de kinderen te voorzien en het tekort kleiner is dan tweemaal de zorgkorting, wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend. Voor de man betekent dit dat de helft van het tekort in mindering komt op zijn zorgkorting, zodat de door hem te betalen bijdrage als volgt wordt berekend:

[€ 655,83 – (€ 532,44 – € 407,72]) = € 531,11 per maand. Met ingang van 1 december 2020 moet de man een kinderalimentatie betalen van € 265,55 per kind per maand, in redelijkheid voor het eerste te indexeren met ingang van 1 januari 2022.

5.11.

Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 28 april 2020,

en opnieuw beschikkende:

wijzigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 4 december 2017 uitsluitend voor zover het de bijdrage van de man in de kosten van de minderjarige kinderen betreft,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van:

- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] ,

- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] ,

dient te voldoen:

- over de periode van 1 januari 2020 tot 1 december 2020 € 59,- per kind per maand;

- met ingang van 1 december 2020 € 265,55 per kind per maand, voor het eerst te indexeren met ingang van 1 januari 2022, de toekomstige termijnen bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.E. Ackermans-Wijn, E.P. de Beij en

H.A.M.W. Erven en is door mr. H. van Winkel op 27 mei 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.