Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:1547

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-05-2021
Datum publicatie
28-05-2021
Zaaknummer
200.278.387_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

zaaknummer : 200.278.387/01

zaaknummer rechtbank : C/01/346988 / FA RK 19-2602

beschikking van de meervoudige kamer van 27 mei 2021

inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. R.A. Remport Urban te Bergen op Zoom,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. H.A.H.M. Albrecht te Eindhoven.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant ('s-Hertogenbosch) van 14 februari 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 13 mei 2020, heeft de vrouw verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende haar inleidende verzoek betreffende partneralimentatie alsnog toe te wijzen, kosten rechtens.

2.2.

Er is geen verweerschrift ingekomen.

2.3.

Bij het hof is voorts ingekomen:

 het V-formulier met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 1 april 2021.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 april 2021. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    namens de vrouw, mr. Remport Urban;

  • -

    namens de man, mr. Albrecht.

Mr. Albrecht heeft via een videoverbinding (Cisco CMS) deelgenomen aan de mondelinge behandeling.

De vrouw en de man zijn niet ter mondelinge behandeling verschenen.

3 De feiten

3.1.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2.

Partijen zijn op 16 juli 2016 met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk zijn geen kinderen geboren.

3.3.

Bij beschikking van 22 januari 2019 heeft de rechtbank Oost-Brabant ('s-Hertogenbosch) de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, welke beschikking op 11 maart 2019 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De rechtbank heeft het verzoek van de vrouw om partneralimentatie ten bedrage van € 250,- per maand afgewezen.

3.4.

De vrouw heeft in eerste aanleg bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van de rechtbank op 28 mei 2019, verzocht te bepalen dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, althans met ingang van 1 april 2019 (de eerste dag van de maand volgend op de datum van inschrijving echtscheidingsbeschikking), dan wel subsidiair met ingang van de datum van indiening van haar verzoekschrift, aan haar dient te voldoen een bedrag van € 250,- bruto als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud.

3.5

De man heeft in eerste aanleg verzocht de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek, dan wel dit verzoek af te wijzen, met veroordeling van de vrouw in de werkelijke proceskosten, dan wel, subsidiair, in de forfaitaire proceskosten.

3.6.

De rechtbank heeft bij de bestreden beschikking de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek en – uitvoerbaar bij voorraad – de vrouw veroordeeld in de kosten van de procedure, aan de zijde van de man tot dan toe begroot op € 1.383,-.

4 De omvang van het geschil

4.1.

De grieven van de vrouw hebben betrekking op:

  • -

    de vraag of sprake is van een wijziging van omstandigheden;

  • -

    de proceskostenveroordeling.

4.2.

Het hof zal de grieven per onderwerp bespreken.

5 De motivering van de beslissing

Wijziging van omstandigheden

5.1.

De vrouw voert in haar beroepschrift aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat geen sprake is van rechtens relevante gewijzigde omstandigheden. Uit de door de vrouw in eerste aanleg overgelegde stukken blijkt van haar verslechterde gezondheid en afgenomen capaciteiten. Dit maakt dat sprake is van gewijzigde omstandigheden. De vrouw zal hiertoe nog nadere (recente) stukken overleggen.

Ter mondelinge behandeling van het hof heeft de vrouw, bij monde van haar advocaat, het volgende naar voren gebracht.

Na de echtscheiding had de vrouw een moeilijke periode. Zij had baarmoederhalskanker. Haar gezondheidssituatie is gelukkig verbeterd. In 2020 had de vrouw meer inkomen uit haar dienstverband bij [bedrijf] . Zij heeft nog altijd geen inkomen uit kapperswerk, maar zij hoopt dat dit uiteindelijk ook weer gaat lukken in een andere woning. In haar huidige woning heeft zij daartoe geen mogelijkheid. Bovendien mocht zij vanwege de coronamaatregelen ook niet knippen.

2019 was het moeilijke jaar. De wijziging van omstandigheden was gelegen in haar gezondheid, die maakte dat zij niet kon functioneren als anders en haar inkomsten niet kon verhogen. Een bijdrage van € 250,- per maand zou haar net wat ruimte hebben gegeven voor bijvoorbeeld therapie om zo ook haar herstel te bespoedigen. De vrouw heeft er vooral moeite mee dat de conclusie van de rechtbank dat geen sprake was van een wijziging van omstandigheden te kort door de bocht is en dat de door haar overgelegde stukken niet bij de beoordeling zijn betrokken.

5.2.

De man heeft ter mondelinge behandeling, bij monde van zijn advocaat, het volgende naar voren gebracht.

De vrouw heeft zowel in eerste aanleg als ook in hoger beroep niet onderbouwd welke gewijzigde omstandigheden maken dat het verzoek van de vrouw om partneralimentatie, dat was afgewezen in de echtscheidingsprocedure, een nieuwe beoordeling rechtvaardigt. De enkele stelling dat het qua gezondheid niet goed ging met de vrouw is hiertoe onvoldoende. De vrouw had inzage dienen te geven in haar financiële situatie. Het arbeidscontract van de vrouw uit 2012 en haar jaaropgave 2020 zijn in dat kader volstrekt ontoereikend.

5.3.

Het hof overweegt als volgt.

5.4.

Bij echtscheidingsbeschikking van 22 januari 2019 heeft de rechtbank Oost-Brabant het verzoek van de vrouw om partneralimentatie ten bedrage van € 250,- per maand afgewezen. De rechtbank is ervan uitgegaan dat de vrouw naast haar inkomen uit dienstverband ook inkomsten had uit kapperswerkzaamheden. De rechtbank kwam uit op een aanvullende behoefte van € 15,- netto per maand. De rechtbank was van oordeel dat de vrouw geacht kon worden haar werkzaamheden (uit welke hoofde dan ook) zodanig uit te breiden dat zij zelf in deze (beperkte) aanvullende behoefte kon voorzien.

5.5.

Het hof is van oordeel dat er wellicht een gewijzigde omstandigheid is aan te wijzen, maar de vrouw heeft niet onderbouwd dat dit een rechtens relevante wijziging van omstandigheden betreft die een nieuwe beoordeling van haar verzoek om partneralimentatie rechtvaardigt. De vrouw heeft de, door de man betwiste, stelling dat zij vanwege medische redenen niet in staat was om in haar behoefte te voorzien, niet onderbouwd. Zo heeft zij, zoals de rechtbank ook overweegt, geen arbeidsdeskundige verklaring overgelegd die haar stelling ondersteunt. Uit de overgelegde stukken maakt het hof ook niet op dat de vrouw baarmoederhalskanker had, zoals zij ter mondelinge behandeling in hoger beroep heeft gesteld. In de brief van het Bevolkingsonderzoek Zuid van 8 mei 2019 staat dat er geen aanwijzingen zijn dat de vrouw baarmoederhalskanker of een voorstadium daarvan heeft, maar dat het – omdat er lichte afwijkingen zijn gevonden – goed is verder onderzoek te laten doen. De vrouw heeft voorts geen enkel stuk overgelegd waaruit zou moeten blijken dat zij niet of niet meer in staat was om te werken. Wat haar inkomen betreft blijkt verder uit de door de vrouw overgelegde stukken niet van een lager inkomen, maar juist van een hoger inkomen. Waar de vrouw blijkens haar jaaropgaven in 2018 en 2019 een inkomen uit dienstverband had van minder dan € 20.000,- per jaar, had zij in 2020 een inkomen van ruim € 23.000 per jaar.

Ook haar, eveneens door de man betwiste, stelling dat zij vanwege haar woonruimte niet in staat was kappersactiviteiten te ontplooien, heeft de vrouw niet onderbouwd. Dat de vrouw een klein huurappartement zou hebben, maakt niet per definitie dat zij daar deze activiteiten niet kan uitoefenen. Bovendien heeft zij gesteld noch onderbouwd waarom zij deze activiteiten niet elders kan uitoefenen, bijvoorbeeld bij haar klanten thuis. Dat de vrouw, zoals zij ter mondelinge behandeling in hoger beroep heeft opgemerkt, een tijd geen activiteiten heeft kunnen ontplooien vanwege de coronamaatregelen, betekent tot slot niet dat zij in het geheel geen inkomsten uit kappersactiviteiten heeft kunnen verwerven. Het betrof twee periodes van enkele maanden, waarbij het hof zich verder kan voorstellen dat de vrouw na afloop van deze periodes extra inkomsten kon genereren met kapperswerk, omdat op dat moment veel mensen op korte termijn gekapt wilden worden.

Proceskostenveroordeling

5.6.

De vrouw stelt dat er geen enkele valide reden is af te wijken van de hoofdregel dat de kosten in geval van (gewezen) echtgenoten dienen te worden gecompenseerd. Zij betwist dat zij geen deugdelijke gronden heeft aangevoerd. De vrouw verzet zich ook tegen de hoogte van het bedrag en tegen het feit dat de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.

Ter mondelinge behandeling heeft de vrouw, bij monde van haar advocaat, voorts nog opgemerkt dat de rechtbank haar ten onrechte klakkeloos in de proceskosten heeft veroordeeld.

De vrouw verzoekt het verzoek van de man om haar ook in de in hoger beroep gemaakte proceskosten te veroordelen, af te wijzen. Ten tijde van het instellen van hoger beroep was nog niet te voorzien dat het in 2020 uiteindelijk beter zou gaan met de vrouw. Zij is pas in de tweede helft van dat jaar gaan opkrabbelen. De vrouw verzoekt de hoofdregel toe te passen en ieder de eigen proceskosten te laten betalen.

5.7.

De man heeft zich ter mondelinge behandeling, bij monde van zijn advocaat, op het standpunt gesteld dat de vrouw terecht in de proceskosten is veroordeeld. Zij heeft de hoger beroepstermijn van de echtscheidingsbeschikking van 22 januari 2019, waarin haar verzoek om partneralimentatie was afgewezen, ongebruikt voorbij laten gaan en heeft korte tijd later een nieuw verzoek gedaan tot vaststelling van partneralimentatie.

De man verzoekt de vrouw ook in de in hoger beroep gemaakte proceskosten te veroordelen. De vrouw onderbouwt nog altijd niet waarom sprake zou zijn van gewijzigde omstandigheden, zodat zij geen bepleitbare zaak heeft. Hij snapt ook niet dat de vrouw haar verzoek in hoger beroep handhaaft.

5.8.

Het hof overweegt als volgt.

5.9.

Met de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof – na eigen beoordeling en waardering – overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat er aanleiding is om de vrouw te veroordelen in de proceskosten ten bedrage van € 1.383,- die de man in eerste aanleg heeft gemaakt.

Het verzoek van de man om de vrouw ook te veroordelen in de door hem in hoger beroep gemaakte proceskosten, is op een dusdanig laat tijdstip gedaan, dat dit verzoek als zijnde tardief afgewezen dient te worden. Het hof ziet ook ambtshalve geen aanleiding de vrouw in de in hoger beroep gemaakte proceskosten te veroordelen.

6 De slotsom

in het hoger beroep

6.1.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

6.2.

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt.

7 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant ('s-Hertogenbosch) van 14 februari 2020;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.D.M. Lamers, E.M.C. Dumoulin en A.M. Bossink, bijgestaan door de griffier, en is op 27 mei 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.