Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:1545

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-05-2021
Datum publicatie
28-05-2021
Zaaknummer
200.260.009_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2020:1871
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omgangsregeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 27 mei 2021

Zaaknummer: 200.260.009/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/257970/ FA RK 18-4594

in de zaak in hoger beroep van:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. L.H.G. Pelzer,

tegen

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M. van Riet.

Deze zaak gaat over [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] .

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidoost Nederland

regio Zuidoost-Nederland, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

5 De beschikking d.d. 16 juni 2020

Bij die beschikking heeft het hof:

  • -

    de raad verzocht een onderzoek in te stellen conform hetgeen in die beschikking onder rechtsoverweging 4.1. is overwogen;

  • -

    de raad verzocht tijdig vóór de pro forma datum rapport en advies uit te brengen aan het hof, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de raadslieden van partijen;

  • -

    iedere verdere beslissing aangehouden tot PRO FORMA.

6 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

6.1.

Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van:

- het rapport van de raad d.d. 30 oktober 2020;

- de brief van de advocaat van de moeder d.d. 11 november 2020;

- de brief van de advocaat van de vader d.d. 13 november 2020;

- de brief met bijlagen van de advocaat van de moeder van 10 maart 2021.

6.2.

De voortzetting van de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 maart 2021. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de vader, bijgestaan door mr. Pelzer;

-de moeder, bijgestaan door mr. Van Riet;

- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .

7 De verdere beoordeling

7.1.

In het rapport van 30 oktober 2021 heeft de raad het hof het volgende geadviseerd.

[minderjarige] is een vrolijk, nieuwsgierig meisje, dat zich leeftijdsadequaat ontwikkelt. Vanwege haar taal/spraakproblemen bezoekt ze sinds het schooljaar 2020/2021 een speciale school en daar lijkt ze goed op haar plek te zitten. [minderjarige] groeit op in een veilige stabiele opvoedsituatie.

Haar zus en moeder hebben nare herinneringen aan haar vader. [minderjarige] lijkt die herinneringen niet te hebben en is nieuwsgierig naar haar vader. Ondanks de angst van haar moeder, ervaart zij ruimte om haar eigen wens en nieuwsgierigheid uit te kunnen spreken. Hoewel [minderjarige] geen vaderfiguur mist in haar leven omdat de stiefvader die rol vervult, heeft [minderjarige] de behoefte aan en nieuwsgierigheid naar kennismaking en contact met de vader.

De moeder heeft hulp voor het verwerken van haar traumatische ervaringen met de vader. Zij gelooft niet in zijn mooie praatjes en heeft geen vertrouwen in de positieve verandering die de vader stelt te hebben doorgemaakt. De moeder en stiefvader willen daar meer bewijzen van zien.

De raad acht het in het belang van [minderjarige] dat zij de mogelijkheid krijgt om haar eigen ervaringen met de vader op te doen en een eigen vaderbeeld te creëren los van de ervaringen van haar moeder en zus. De raad vindt het van belang dat er ruimte is voor haar eigen (identiteits)ontwikkeling. De raad heeft ook ervaren dat zowel de moeder als de stiefvader erkennen dat kennismaken met haar vader in het belang van [minderjarige] is, mits dit op een veilige en verantwoorde wijze wordt vormgegeven.

De moeder heeft nog tijd en hulp nodig om de vader een plek te gunnen in het leven van [minderjarige] . De raad acht het van belang dat de moeder en stiefvader de omgang ondersteunen, zodat [minderjarige] niet klem komt te zitten of loyaliteitsproblemen zal ervaren. De vader zal moeten aansluiten bij de beleving en het tempo van [minderjarige] en hij zal zijn eigen behoeftes en wensen hierop moeten aanpassen. Verder is het van groot belang dat de vader laat zien dat hij zijn beloftes kan waarmaken, dat hij betrouwbaar is in afspraken en dat er sprake is van stabiliteit en veiligheid in zijn leven.

De raad heeft in zijn rapport van 2014 – kort gezegd – aangegeven dat de vader zich aan een persoonlijkheidsonderzoek diende te onderwerpen, dat hulpverlening noodzakelijk was in het kader van agressieregulatie, alsmede een cursus om de pedagogische vaardigheden van de vader te vergroten. De vader stelt dat hij tot rust is gekomen. Hij heeft hulp gezocht en zijn leven gebeterd. Aangezien uit de informatie van de informanten blijkt dat er inderdaad sprake is van kleine stapjes vooruit, lijkt de vader op de goede weg. Omdat de vader echter niets heeft gedaan met de aanbevelingen uit het eerdere onderzoek, vraagt de raad zich af in hoeverre de vader kan omgaan met tegenslagen en met tegengestelde visies/meningen. Ook is het de vraag of de vader zich voldoende realiseert wat het betekent om een band aan te gaan met [minderjarige] , of de vader zijn verzoek vooral vanuit zijn wens ‘om zijn dochter in zijn armen te kunnen sluiten’ heeft gedaan en of hij zich realiseert dat het opbouwen van het contact betekent dat hij duurzaam betrokken zal moeten blijven.

De raad adviseert het verzoek van vader toe te wijzen in die zin dat het hof bepaalt dat de vader en [minderjarige] voorlopig recht hebben op contact met elkaar in het kader van een BOR2 traject en een definitieve beslissing op het verzoek van de vader aan te houden.

In een BOR2 traject kan er meer zicht komen op het persoonlijk functioneren van de vader en zal blijken of hij zijn beloftes over duurzaamheid, betrouwbaarheid en veiligheid kan waarmaken en krijgt de vader een kans zich te bewijzen. [minderjarige] kan in een BOR2 traject op een veilige manier kennismaken met haar vader en het biedt beide ouders ondersteuning. Gedurende het BOR2 traject zal verder duidelijk moeten worden of de vader kan bieden wat [minderjarige] nodig heeft en voldoende kan aansluiten bij de belangen en beleving van [minderjarige] .

Persoonlijke hulp en ondersteuning van de moeder is nodig om haar draagkracht te vergroten en zodat zij over de spanningen kan praten die dit traject met zich zullen brengen.

De vader dient in de intakefase duidelijk te worden gemaakt wat van hem verwacht wordt en dat hij pedagogisch en emotioneel dient aan te sluiten bij de mogelijkheden van [minderjarige] en de moeder. De moeder en stiefvader dienen te worden meegenomen in het verloop van de contacten, zodat bij een positief verloop hun vertrouwen kan groeien.

De raad heeft geadviseerd om tot de mondelinge behandeling bij het hof de vader de gelegenheid te geven zijn interesse te laten blijken, door het sturen van brieven/mails/kaartjes/foto’s. Dit is nodig om de moeder mee te nemen in de opbouw van het contact en de moeder zo beter kan wennen aan het proces richting omgang waarbij zij de juiste ondersteuning kan krijgen.

7.2.

De moeder heeft het volgende aangevoerd.

De moeder kan de omgang tussen [minderjarige] en de vader niet ondersteunen, omdat zij daarvoor zelf de draagkracht niet heeft en vanwege de onduidelijkheid over de persoonlijke situatie van de vader.

Het raadsonderzoek en de gesprekken in dat kader en het advies om via kaartjes en e-mail contact te laten plaatsvinden, hebben een grote impact gehad op de moeder en haar gezin. De moeder heeft vreselijke nachtmerries, geen energie meer overdag en depressieve gevoelens. Ze krijgt psychische ondersteuning van de praktijkondersteuner van de huisarts tot zij begin 2021 met therapie begint bij [psychotherapie] psychotherapie. De huisarts heeft antidepressiva voorgeschreven. [dochter] , de zestienjarige dochter van de moeder, heeft met angst en frustratie gereageerd op het raadsonderzoek en de adviezen. De relatie van de moeder en de stiefvader staat onder grote druk. Ook functioneert de moeder niet goed meer op haar werk. De raadsonderzoeker heeft de interesse van [minderjarige] in haar vader verder aangewakkerd en de moeder onder druk gezet om mee te werken aan het schriftelijk contact, terwijl zij zich hier helemaal niet goed bij voelt. De moeder heeft [minderjarige] niets verteld over het verleden met de vader en [minderjarige] ziet daarom slechts kansen; zij kan de risico’s niet overzien.

Het raadsonderzoek is oppervlakkig uitgevoerd en diverse uitlatingen van de vader zijn niet bij de betreffende instanties geverifieerd. De moeder begrijpt het advies om een BOR traject op te leggen niet goed in het kader van alle zorgsignalen die de raad op pagina zeventien van het raadsrapport benoemt over de vader. De moeder begrijpt niet waarom de onderzoeken en hulpverlening die in 2014 voor de vader noodzakelijk werden geacht, nu niet meer nodig worden gevonden door de raad. In een BOR traject zou dit alles maar bekeken moeten worden volgens de raad, maar het is de vraag of de medewerkers dit gaan monitoren. De moeder vindt de geschiedenis met de vader en alle huidige zorgelijke signalen te ernstig om [minderjarige] , die acht jaar oud is, hieraan bloot te stellen met alle risico’s van dien. De moeder kan [minderjarige] hierin in ieder geval niet ondersteunen. Er moet eerst meer zekerheid komen over het functioneren van de vader middels een persoonlijkheidsonderzoek; nu kan de moeder er niet op vertrouwen dat de BOR kan leiden tot een stabiel en langdurig contact tussen vader en kind. De moeder is zich bewust van [minderjarige] ’s recht en belang om haar vader te leren kennen, maar dit kan alleen worden gestart als dit met alle waarborgen en de nodige zorgvuldigheid wordt omkleed.

De moeder zal niet meewerken aan een BOR-traject. Als het hof het toch nodig acht de ouders naar een BOR-traject te verwijzen, dan verzoekt de moeder het hof een BOR3-traject te overwegen.

7.3.

De vader heeft het volgende aangevoerd.

De vader stemt in met het advies van de raad en kan niet wachten tot het BOR-traject kan aanvangen. De vader verbaast zich over de terughoudendheid van de moeder. Zij blijft teruggrijpen naar het verleden. De vader wil naar de toekomst kijken. Hij heeft zijn leven op de rit en [minderjarige] kan hem op een veilige manier leren kennen.

De vader zoekt al jarenlang geen contact meer met de moeder en gunt haar een fijn leven. Hij heeft niet de intentie het leven van de moeder te bemoeilijken. Hij wil alleen het contact met [minderjarige] herstellen.

Uit het gehele raadsonderzoek blijkt overduidelijk dat [minderjarige] enorm nieuwsgierig is naar haar biologische vader en dat zij hem graag wil leren kenen. De moeder heeft dit erkend en tijdens het raadsonderzoek haar medewerking toegezegd, mits het veilig en verantwoord is. Een BOR-traject wordt door professionals begeleid en geobserveerd. Er komt nadien een onafhankelijk en objectief oordeel over het verloop tot stand. Op deze wijze kan [minderjarige] op een veilige manier kennismaken met de vader. De vader weet wat in dat kader van hem verwacht wordt. Hij is gemotiveerd om aan die verwachtingen te voldoen en zichzelf te bewijzen. Het maakt de vader niet uit of het een BOR2 of BOR3-traject wordt.

De moeder is al vanaf begin 2019 in behandeling voor een veelvoud aan problematiek. Toen was de vader nog niet in beeld. Hij hoopt dat de moeder haar eigen problematiek toch los kan zien van het contact tussen hem en [minderjarige] .

Conform het advies van de raad heeft de vader e-mailberichten naar [minderjarige] gestuurd naar het voor [minderjarige] aangemaakte e-mailadres. De vader betreurt dat hij nog geen reactie heeft mogen ontvangen. De vader vraagt de moeder om [minderjarige] in staat te stellen zijn e-mailberichten te beantwoorden.

7.4.

De raad heeft ter mondelinge behandeling het volgende aangevoerd.

De raad heeft in het rapport beschreven om welke redenen een BOR nodig is. Het is gericht op situaties waarin er zorgen zijn zoals omschreven. De ouders worden begeleid om daarmee om te gaan. De begeleiding is er dus niet alleen voor het kind. Het verloop van het traject, hoe [minderjarige] daarop reageert en het handelen van de ouders in dat kader voorzien de professionals van informatie.

Het verschil tussen de situatie toen en nu is dat er destijds veel meer ruimte was bij de moeder. Nu, een paar jaar later, heeft zij meer zorgen. De moeder wil dat er eerst een persoonlijkheidsonderzoek komt, maar bij de moeder zou ook onderzoek gedaan kunnen worden naar ‘AS2’-problematiek. Het gaat erom dat de ouders met de problematiek die er is leren omgaan. De insteek is hoe de vader in het leven van [minderjarige] betrokken kan worden en hoe de ouders daarin begeleid kunnen worden.

[minderjarige] heeft een andere ‘opvoedvader’, maar is nieuwsgierig naar haar biologische vader. Het is in haar belang dat zij zich met de vader kan identificeren, dat zij kan ervaren hoe hij is, inclusief alle eigenaardigheden zoals alle mensen die hebben. Die nieuwsgierigheid is voor de raad doorslaggevend, maar doet niet af aan het feit dat zij veilig opgroeit bij de moeder en de stiefvader.

De moeder is angstig en wantrouwend. De raad ziet echter vaak dat door de BOR de ouders gaan ervaren dat het meer angst voor angst is dan werkelijke bezwaren tegen de omgang. De moeder kan ervaren dat de vader misschien toch is veranderd, maar dat zij dat niet wilde zien. De zorgen van de moeder over de veiligheid zullen echter wel degelijk aandacht krijgen. De vader zal begeleid moeten worden in het op een goede manier laten blijken van zijn gretigheid. Zo zijn er verschillende hobbels die genomen moeten worden, maar die maken niet dat het traject bij voorbaat al geen kans van slagen heeft. Een BOR3-traject lijkt de raad in deze situatie het meest geschikt.

7.5.

Het hof oordeelt als volgt

7.5.1.

Ingevolge artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (BW) stelt de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast.

7.5.2.

De vader heeft verzocht conform artikel 1:377a BW een omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] vast te stellen. De moeder heeft verzocht dat verzoek af te wijzen.

7.5.3.

Het hof is van oordeel dat een (voorlopige) begeleide omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] in het belang van [minderjarige] wenselijk is.

Daartoe overweegt het hof met de raad dat het in het belang van de identiteitsontwikkeling van [minderjarige] is dat zij zich een beeld kan vormen van de vader en zich met hem kan identificeren. [minderjarige] is nieuwsgierig naar de vader en staat ervoor open hem te ontmoeten. De vader is gemotiveerd voor een begeleid omgangstraject en stelt aan alle voorwaarden te kunnen en willen voldoen.

Intensieve en professionele begeleiding van de ouders en [minderjarige] is noodzakelijk, gezien de ernst van de voorgeschiedenis tussen de ouders, de weerstand bij de moeder en het feit dat [minderjarige] haar vader nog niet kent. Een BOR3-traject bij de Mutsaersstichting acht het hof passend in deze situatie, gezien de kwalificaties van de betrokken BOR-medewerkers en de intensiteit van de begeleiding die de ouders in dat kader geboden wordt.

7.5.4.

Het hof is tevens van oordeel dat in dat kader, vóórdat met de begeleiding van de ouders en [minderjarige] gestart wordt, de vader een persoonlijkheidsonderzoek dient te ondergaan.

De moeder heeft zorgen over de situatie van de vader, die het hof serieus neemt. Het hof neemt hierbij de (gewelddadige) geschiedenis tussen de ouders in aanmerking, alsmede het feit dat er, ondanks het raadsonderzoek, nog onvoldoende zicht is op de door de vader gestelde positieve ontwikkelingen in zijn persoonlijke situatie.

De vader heeft de overtuiging dat hij [minderjarige] in het kader van (begeleide) omgang veiligheid en zekerheid kan bieden. De vader krijgt een kans dat te bewijzen door het persoonlijkheidsonderzoek te ondergaan en vervolgens mee te werken aan het BOR3-traject en in dat kader de afspraken na te komen.

7.5.5.

Zodra het persoonlijkheidsonderzoek heeft plaatsgevonden, de resultaten daarvan met de medewerkers van de Mutsaersstichting zijn gedeeld en naar het inzicht van de Mutsaersstichting geen contra-indicaties aanwezig zijn, kan met de feitelijke begeleiding van de ouders en [minderjarige] worden aangevangen.

7.6.

Op grond van het vorenstaande beslist het hof als volgt.

8 De beslissing

Het hof:

bepaalt dat [minderjarige] en de vader voorlopig, totdat daarover nader wordt beslist, recht hebben op omgang met elkaar onder therapeutische begeleiding van de Mutsaersstichting (BOR-traject niveau 3), waarbij de invulling van het BOR-traject wordt overgelaten aan de Mutsaersstichting, in overleg met de ouders te bepalen, met dien verstande dat vóór de aanvang van de begeleiding van Mutsaersstichting, de vader een persoonlijkheidsonderzoek dient te ondergaan en de resultaten daarvan aan de medewerkers van de Mutsaersstichting dient te overleggen en dat met de feitelijke begeleiding van de ouders en [minderjarige] kan worden aangevangen, als naar het inzicht van de Mutsaersstichting geen contra-indicaties aanwezig zijn;

verzoekt partijen uiterlijk op 20 januari 2022 (pro forma) de rapportage van de Mutsaersstichting omtrent de voortgang bij het hof in te dienen;

verzoekt partijen, indien het BOR-traject niet is gestart of voortijdig wordt afgesloten, zo spoedig mogelijk het hof daarvan op de hoogte te stellen onder overlegging van het bericht van de Mutsaersstichting daarover, waarna het hof partijen zal informeren over de verdere voortgang van de procedure;

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt iedere verdere beslissing aan tot pro forma 20 januari 2022.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.N.M. Antens, C.A.R.M. van Leuven, mr. A.M. Bossink en is in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2021 door mr. C.A.R.M. van Leuven in tegenwoordigheid van de griffier.