Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:1527

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-05-2021
Datum publicatie
06-07-2021
Zaaknummer
200.282.798_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2020:6073
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid. Selectieve betaling. Bestuurder niet betrokken bij gang van zaken binnen rechtspersoon en bij betalingen. Betaalautonomie en grenzen daarvan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2021/325
OR-Updates.nl 2021-0318
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.282.798/01

arrest van 25 mei 2021

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] (Duitsland) ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. H.A.J. Stollenwerck te Maastricht,

tegen

Support ME B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als Support ME,

niet verschenen,

op het bij exploot van dagvaarding van 27 augustus 2020 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 12 augustus 2020, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen Support ME als eiseres en [appellant] als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/270880 / HA ZA 19-577)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep

  • -

    het tegen Support ME verleende verstek

  • -

    de memorie van grieven

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De feiten

In dit hoger beroep gaat het hof uit van de feiten die de rechtbank heeft vastgesteld in het bestreden vonnis onder 2. Voor zover relevant vult het hof de opsomming aan met enkele andere feiten die tussen partijen vaststaan.

3.1.

Op 24 juni 2016 is Stichting [stichting] opgericht. [appellant] was enig bestuurder van [stichting] . Bij [stichting] was [arts/medisch directeur] werkzaam als arts en medisch directeur.

3.2.

Op 29 augustus 2016 hebben [stichting] en Support ME een zogenaamde overeenkomst van projectopdracht gesloten voor de duur van zes maanden. De overeenkomst hield in dat Support ME vanaf 1 oktober 2016 werknemers aan [stichting] zou uitlenen voor het

vervullen van secretariële diensten en/of het verlenen van diensten van interim-management. Deze werkzaamheden werden uitgevoerd door [medewerker 1] .

3.3.

Op 6 september 2016 hebben [stichting] en Support ME een tweede projectovereenkomst

gesloten, nu voor de duur van zes maanden en twee dagen. Deze tweede overeenkomst betrof tijdelijke werkzaamheden, inhoudende dienstverlening met betrekking tot het opzetten van een officesecretariaat en processen ten behoeve van de ondersteuning van het management van [stichting] . Deze werkzaamheden werden uitgevoerd door [medewerker 2] .

3.4.

Support ME heeft [stichting] facturen verzonden voor de kosten van het uitlenen. Omdat [stichting] nalatig was met betaling van de factuurbedragen, heeft Support ME eerst op 26 januari 2017 de dienstverlening aan [stichting] opgeschort en vervolgens op 9 februari 2017 de overeenkomsten met [stichting] ontbonden.

3.5.

Bij vonnis van de rechtbank Limburg van 29 maart 2017 is [stichting] op vordering van Support ME bij verstek veroordeeld tot betaling van € 46.404,14 uit hoofde van openstaande facturen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, en € 21.505,10 aan schadevergoeding, te vermeerderen met wettelijke rente. Dit verstekvonnis is op 25 april 2017 aan [stichting] betekend en op 10 juni 2017 aan [appellant] in persoon. Het vonnis is onherroepelijk geworden. Aan het vonnis is niet voldaan.

3.6.

Support ME heeft op 15 maart 2018 de rechtbank Limburg verzocht om [stichting] failliet te verklaren. [stichting] heeft geen verweer gevoerd. Bij vonnis van 3 april 2018 van de rechtbank Limburg is [stichting] bij verstek failliet verklaard.

4 De procedure in eerste aanleg

4.1.

In de onderhavige procedure heeft Support ME gevorderd dat de rechtbank:

I. Voor recht verklaart dat [appellant] onrechtmatig jegens Support ME heeft gehandeld;

II. [appellant] veroordeelt tot het betalen van een bedrag van € 218.435,46 aan Support ME, althans een zodanig bedrag als uw rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;

III. [appellant] veroordeelt tot het betalen van de buitengerechtelijke kosten ad € 6.775,00, althans een zodanig bedrag als uw rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;

IV. [appellant] veroordeelt in de kosten van dit geding, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis en, voor het geval voldoening niet binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover, te rekenen vanaf veertien dagen na dagtekening van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede [appellant] te veroordelen in de nakosten met een bedrag van € 131,- dan wel, indien betekening plaatsvindt, met een bedrag van € 199,- en de eventuele verdere executiekosten.

4.2.

[appellant] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. De stellingen en verweren van partijen komen hierna aan de orde, voor zover in hoger beroep van belang.

4.3.

In het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vorderingen toegewezen, met dien verstande dat de vordering onder II is toegewezen tot een bedrag van € 77.103,46.

5 De beoordeling in hoger beroep

5.1.

[appellant] heeft in hoger beroep vijf grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot het vernietigen van het bestreden vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen.

Bevoegdheid

5.2.

[appellant] heeft woonplaats in Duitsland, Support ME in Nederland. De bevoegdheid van de Nederlandse rechter volgt reeds uit art. 26 van de Brussel I bis-Verordening. [appellant] is immers in eerste aanleg verschenen en heeft daar de bevoegdheid van de Nederlandse rechter niet betwist, terwijl er geen ander gerecht bestaat dat krachtens art. 24 van de Brussel I bis-Verordening bij uitsluiting bevoegd is.

Toepasselijk recht

5.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat op grond van art. 4 lid 1 van de Rome II-Verordening het Nederlands recht van toepassing is, omdat de schade, waarvan Support ME in dit geding vergoeding vordert, in Nederland is geleden.

Kern van het geschil

5.4.

Support ME stelt dat [appellant] als bestuurder van [stichting] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld in verband met het feit dat [stichting] haar vorderingen niet (volledig) heeft betaald.

Support ME verwijt in dit verband [appellant] het volgende, volgens haar eigen samenvatting (dagvaarding nr. 43):

‘1) [appellant] heeft bewerkstelligd dan wel toegelaten dat [stichting] een wettelijke en/of

contractuele verplichting jegens Support ME niet is nagekomen, terwijl hij

redelijkerwijs had moeten voorzien dat Support ME hierdoor schade leed;

2) [appellant] heeft bewerkstelligd dan wel toegelaten dat Support ME door [stichting]

onbetaald is gelaten, terwijl andere crediteuren wel werden voldaan (selectieve

betaling);

3) [appellant] heeft bewerkstelligd dan wel toegelaten dat Support ME in het verhaal van

haar vordering werd gefrustreerd.’

Support ME verlangt dat [appellant] bij wijze van schadevergoeding haar vorderingen op [stichting] betaalt, voor zover deze onbetaald zijn gebleven.

5.5.

Uit het bestreden vonnis blijkt dat de rechtbank van oordeel is dat [appellant] een ernstig verwijt treft ‘dat valt binnen het bereik van selectieve betaling’, omdat niet blijkt dat hij zich heeft ingespannen om aan het verstekvonnis van 29 maart 2017 te voldoen, terwijl wel betalingen aan andere schuldeisers zijn gedaan en in elk geval gedeeltelijke betaling aan Support ME had kunnen plaatsvinden. De keus is volgens de rechtbank gemaakt om Support ME niet te betalen en andere schuldeisers wel, aldus de rechtbank. Voor het geval [appellant] daarmee geen actieve bemoeienis heeft gehad, ‘valt zijn totale nalatigheid om te zorgen voor betaling conform het verstekvonnis binnen het bereik van het geval van de bestuurder die toelaat dat selectief is betaald’. Op grond hiervan is [appellant] naar het oordeel van de rechtbank aansprakelijk voor het bedrag tot betaling waarvan [stichting] bij het eerdergenoemde verstekvonnis is veroordeeld. De grieven 1 en 2 hebben betrekking op dit oordeel.

5.6.

De rechtbank is verder van oordeel dat geen redelijk denkend bestuurder na een dergelijk onherroepelijk verstekvonnis doorgaat met een kleine rechtspersoon als [stichting] , zonder dat er voldoende zekerheid is dat deze rechtspersoon levensvatbaar is en op redelijke termijn aan het vonnis kan voldoen. Gesteld noch gebleken is volgens de rechtbank dat een redelijk denkend bestuurder na dit vonnis het bedrijf van [stichting] zou hebben voortgezet, en ook dat levert een ernstig verwijtbaar handelen op. Hierop heeft grief 3 betrekking.

5.7.

De rechtbank heeft de vorderingen van Support ME afgewezen, voor zover die betrekking hebben op boetes die [stichting] volgens Support ME verschuldigd was.

Op deze beslissing hebben de grieven geen betrekking. Het hof neemt daarom aan dat het bestreden vonnis alleen in hoger beroep is voorgelegd, voor zover de vorderingen van Support ME zijn toegewezen.

Maatstaf bestuurdersaansprakelijkheid

5.8.

Het gaat in dit geval om een schuldeiser die is benadeeld, omdat zijn vordering op een rechtspersoon onbetaald en onverhaalbaar is gebleven. Bij een dergelijke benadeling kan er grond zijn voor persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder voor het geleden nadeel, indien hij heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de rechtspersoon zijn wettelijke of contractuele verplichtingen niet is nagekomen (HR 8 december 2006, ECLI: NL: HR: 2006: AZ0758). Daarvoor is echter wel vereist dat het handelen of nalaten van de bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is, dat hem daarvan, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, persoonlijk een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt (HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2628, HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:73).

Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval. Tot de in aanmerking te nemen omstandigheden behoren onder meer de aard van de door de rechtspersoon uitgeoefende activiteiten, de in het algemeen daaruit voortvloeiende risico's, de taakverdeling binnen het bestuur, de eventueel voor het bestuur geldende richtlijnen, de gegevens waarover de bestuurder beschikte of behoorde te beschikken ten tijde van de aan hem verweten beslissingen of gedragingen, alsmede het inzicht en de zorgvuldigheid die mogen worden verwacht van een bestuurder die voor zijn taak berekend is en deze nauwgezet vervult (HR 10 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2243).

5.9.

Naar het oordeel van het hof maakt het in deze zaak geen relevant verschil dat [appellant] geen vennootschap bestuurde, maar een stichting. Ook partijen hebben niet op een dergelijk verschil gewezen.

Selectieve betaling

5.10.

Selectieve betaling van schuldeisers is op zichzelf niet onrechtmatig tegenover de schuldeiser die geen betaling heeft ontvangen, anders dan de rechtbank lijkt te hebben aangenomen. Er bestaat immers geen algemene regel op grond waarvan een schuldenaar die niet in staat is al zijn schuldeisers volledig te betalen, steeds onrechtmatig handelt wanneer hij een schuldeiser voldoet vóór andere schuldeisers, ook als hij daarbij niet rekening houdt met eventuele preferenties. Het staat (een bestuurder van) een vennootschap – dan ook – in beginsel vrij op grond van een eigen afweging te bepalen welke schuldeisers van de vennootschap in de gegeven omstandigheden zullen worden voldaan (vgl. HR 26 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK9654, rechtsoverweging 4.1.2). Dit uitgangspunt is bevestigd in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:576, rov. 3.5.1). Het uitgangspunt wordt wel aangeduid als de betaalautonomie van het bestuur.

5.11.

De betaalautonomie houdt beleidsvrijheid in, maar wel binnen de grenzen van een behoorlijk bestuur. Een eigen afweging die een redelijk oordelende bestuurder met de voor het bestuur van de desbetreffende rechtspersoon vereiste bekwaamheden in de gegeven omstandigheden nimmer zou hebben gemaakt, overschrijdt deze grenzen. De eigen afweging van de bestuurder om te bepalen welke schuldeisers wel en niet worden voldaan, is dus niet aan elke toets is onttrokken. Welke eisen in dat verband aan de eigen afweging van de bestuurder en het verantwoorden daarvan kunnen worden gesteld, hangt af van de omstandigheden van het geval.

5.12.

In het zicht van het beëindigen van de activiteiten van een onderneming, met name bij insolventie, kan deze vrijheid van de rechtspersoon en de bestuurder beperkter zijn.

Dit geldt dan met name voor de keuze om wel betalingen te doen aan schuldeisers die aan de rechtspersoon zijn gelieerd of waarbij de bestuurder een persoonlijk belang heeft, maar niet aan andere schuldeisers, indien deze keuze niet door bijzondere omstandigheden wordt gerechtvaardigd (HR 12 juni 1998, ECLI: NL: HR: 1998: ZC2669, rov. 3.4.3; HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:576, rov. 3.5.2).

5.13.

Uit de stellingen van partijen blijkt dat de gedragingen die Support ME aan [appellant] verwijt, niet plaatsvonden in het zicht van het beëindigen van de activiteiten van de onderneming van [stichting] . Volgens Support ME was, in elk geval aanvankelijk, ook geen sprake van insolventie. Support ME heeft aangevoerd dat zij niet werd betaald, hoewel [stichting] wel degelijk beschikte over liquiditeiten en voldoende inkomsten had om Support ME te betalen (dagvaarding nr. 48). Support ME heeft ook niet concreet gemaakt dat [stichting] , in elk geval vóór het verzoek van Support ME tot faillietverklaring van [stichting] , andere schulden onbetaald liet dan de schuld aan Support ME.

5.14.

Verder blijkt uit de stellingen van partijen dat [appellant] weliswaar bestuurder was, maar feitelijk weinig bij [stichting] was betrokken. Support ME heeft volgens haar eigen stellingen steeds gesproken met [arts/medisch directeur] . [arts/medisch directeur] heeft Support ME al ten tijde van het sluiten van de overeenkomsten meegedeeld dat [appellant] in Duitsland woonde en werkzaam was, druk was met zijn eigen kliniek en zich daarom niet of nauwelijks bemoeide met [stichting] , dat het contact voor de dagelijkse gang van zaken moest verlopen via [arts/medisch directeur] en dat de financiële zaken en alle overige kwesties geheel overgelaten werden aan [arts/medisch directeur] (dagvaarding nr. 10).

De curator in het faillissement van [stichting] heeft dit kennelijk later aan Support ME bevestigd. Support ME heeft niet of niet voldoende weersproken dat juist is wat zij van de curator in het faillissement van [stichting] heeft vernomen, namelijk dat [appellant] zich niet of nauwelijks bemoeide met de gang van zaken binnen [stichting] , maar die overliet aan [arts/medisch directeur] , en dat hij ook het doen van betalingen overliet aan [arts/medisch directeur] (dagvaarding nr. 39). [appellant] zelf heeft bij conclusie van antwoord (nrs. 4.9 en 5.4) aangevoerd dat hij in naam bestuurder was, maar zonder salaris of onkostenvergoeding, dat hij nauwelijks in [stichting] werkte en dat hij niet persoonlijk betrokken was bij gedragingen die Support ME [stichting] verwijt. Ook dit is niet (voldoende) tegengesproken. Uit de bankoverzichten die Support ME in het geding heeft gebracht, blijkt verder niets van betalingen aan [appellant] of van betalingen waarbij hij een persoonlijk belang had.

5.15.

Waar Support ME stelt dat het er meer op lijkt dat sprake was van betalingsonwil (dagvaarding nr. 47), verwijst Support ME naar betalingen die [stichting] aan anderen dan Support ME heeft gedaan en waarvan Support ME stelt dat die nodeloos of zonder rechtsgrond waren. In aanmerking genomen dat [appellant] het doen van betalingen heeft overgelaten aan [arts/medisch directeur] , moet worden aangenomen dat het [arts/medisch directeur] was, die de betalingen namens [stichting] heeft gedaan. Support ME heeft geen concrete feiten of omstandigheden naar voren gebracht die het oordeel rechtvaardigen dat [appellant] uit onwil betaling van Support ME achterwege heeft gelaten.

5.16.

Gelet op het een en ander blijft in wezen ten aanzien van [appellant] alleen het verwijt over dat hij geen of onvoldoende toezicht heeft gehouden op het handelen van [arts/medisch directeur] en geen maatregelen heeft getroffen om ervoor te zorgen dat de schuld aan Support ME werd betaald. Daarmee heeft [appellant] volgens Support ME toegelaten dat de schuld aan Support ME onbetaald bleef.

5.17.

In dit verband is van belang dat Support ME onvoldoende heeft aangevoerd om te oordelen dat het enkele feit dat [appellant] de gang van zaken en het doen van betalingen overliet aan [arts/medisch directeur] , op zichzelf reeds zodanig onzorgvuldig jegens Support ME was dat hem persoonlijk een voldoende ernstig verwijt valt te maken ten aanzien van mogelijk onzorgvuldige handelingen van [arts/medisch directeur] . [arts/medisch directeur] had Support ME bovendien al ten tijde van het sluiten van de overeenkomsten met [stichting] op de hoogte gesteld hoe de taakverdeling tussen haar en [appellant] was. Voor Support ME was dit kennelijk geen reden om van het sluiten van de overeenkomsten af te zien. Hetgeen Support ME heeft aangevoerd over de achtergrond van [arts/medisch directeur] , met name dat zij failliet was of was geweest en betrokken was geweest bij een faillissement van [X] B.V., maakt dit niet anders. Feiten of omstandigheden waaruit volgt dat [appellant] op basis van deze faillissementen reden had om aan te nemen dat [arts/medisch directeur] ongeschikt was voor haar taak bij [stichting] , zijn niet of niet voldoende naar voren gebracht.

5.18.

Wel mocht van [appellant] als zorgvuldig handelend bestuurder, die was berekend voor zijn taak en deze taak nauwgezet uitvoerde, worden verwacht dat hij zou nagaan of de schuld aan Support ME kon worden betaald, gegeven andere betalingen die [stichting] had te doen, vanaf het moment dat hij van de schuld in kennis werd gesteld. [appellant] werd in november 2016 door Support ME op de hoogte gesteld van het onbetaald blijven van haar facturen (akte Support ME, prod. 11). [appellant] heeft toen (bij e-mail van 29 november 2016) aan Support ME laten weten dat hij met [arts/medisch directeur] bezig was om financieringsmogelijkheden te onderzoeken (akte Support ME, prod. 14).

5.19.

Uit de e-mail van 29 november 2016 valt op te maken dat [appellant] in overleg was getreden met [arts/medisch directeur] over de financiële situatie bij [stichting] . Het mag van [appellant] worden verwacht dat hij daarbij inzicht vroeg en kreeg in inkomsten en financiële verplichtingen van [stichting] . Indien hem daaruit bleek of moest blijken dat er voldoende middelen beschikbaar waren om Support ME te betalen en deze middelen niet daarvoor werden aangewend, maar voor het betalen van anderen, hoewel daartoe voor [stichting] geen verplichting of redelijke grond bestond, kan er reden zijn om te oordelen dat [appellant] persoonlijk een ernstig verwijt treft dat hij heeft toegelaten dat Support ME niet werd betaald.

5.20.

Het hof tekent hierbij het volgende aan. De betaalautonomie van [stichting] brengt mee dat er op zichzelf geen reden was om [stichting] of haar bestuur verplicht te achten aan het betalen van de schuld aan Support ME voorrang te geven boven het betalen van andere schuldeisers of redelijke uitgaven. Het enkele feit dat Support ME op enig moment zich had voorzien van een executoriale titel voor verhaal van haar vordering, maakte dit niet anders. De titel maakte de vordering niet preferent, en bovendien tasten preferenties de betaalautonomie niet aan.

5.21.

In wezen slagen hiermee reeds de grieven 1 en 2. De rechtbank heeft immers niets vastgesteld waaruit blijkt dat [stichting] haar betaalautonomie te buiten ging en dat [appellant] daarvan persoonlijk een ernstig verwijt valt te maken.

5.22.

In het verlengde hiervan slaagt ook grief 3. Gegeven de betaalautonomie van [stichting] valt niet in te zien dat [stichting] haar activiteiten had moeten beëindigen, alleen omdat zij Support ME niet kon betalen, maar andere schuldeisers wel. Bovendien heeft Support ME niet aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat [stichting] in de periode na het verstekvonnis niet levensvatbaar was en valt dit uit de stellingen van partijen ook niet op te maken. Integendeel, volgens Support ME had [stichting] voldoende inkomsten om haar te betalen.

Ten slotte is niet goed te begrijpen waarom het voortzetten van de onderneming van [stichting] onrechtmatig is jegens Support ME, hoewel Support ME geen werkzaamheden meer voor de voortgezette onderneming verrichtte. Ook bij het beëindigen van de onderneming zou Support ME immers geen betaling op haar vordering hebben ontvangen. Verder is gesteld noch gebleken dat de mogelijkheden voor Support ME om haar vordering op [stichting] te verhalen, door het voortzetten van de onderneming zijn verslechterd.

5.23.

Het slagen van de grieven brengt nog niet mee dat de vorderingen van Support ME hadden moeten worden afgewezen. Het hof moet immers nagaan of in de stellingen van Support ME die de rechtbank niet heeft besproken, wél een voldoende grondslag is gelegen voor het toewijzen van de vorderingen.

5.24.

De kern van het betoog van Support ME op dit punt is dat [stichting] betalingen heeft gedaan, zonder dat daarvoor een rechtsgrond bestond, terwijl Support ME onbetaald werd gelaten. Voorop staat dat het er niet om gaat of Support ME betalingen noodzakelijk vindt en of die betalingen volgens Support ME een grondslag vinden in rechtsverhoudingen die tot betaling verplichtten. Het gaat erom of een redelijk oordelende bestuurder met de voor het bestuur van [stichting] vereiste bekwaamheden nimmer tot de afweging had kunnen komen om in de gegeven omstandigheden de betalingen in het belang van [stichting] te doen, ondertussen betaling van Support ME achterwege latend.

5.25.

De betalingen waar Support ME zich tegen verzet, betreffen personeel, tankkosten en huur in de periode van 15 oktober 2016 tot en met 25 april 2018 (dagvaarding nrs. 66-69). Voor het overige heeft Support ME niet of onvoldoende gesteld dat de betalingen vallen buiten de grenzen van de betaalautonomie van het bestuur van [stichting] .

5.25.1.

De betalingen aan het personeel zijn betalingen aan [medewerker 3] en [medewerker 4] .

In de periode van 15 oktober 2016 tot en met 25 april 2018 is aan hen € 26.791,62 betaald (dagvaarding nr. 66). Waarom Support ME aanneemt dat deze personen geen werkzaamheden voor [stichting] hebben verricht, maakt Support ME niet of onvoldoende duidelijk. De enkele omstandigheid dat [medewerker 4] eerder bij [X] B.V. langdurig ziek is geweest en een relatie van [arts/medisch directeur] was, maakt niet dat zij in de genoemde periode, bij [stichting] , geen werkzaamheden heeft kunnen verrichten. Support ME heeft overigens ook niet concreet weersproken wat [appellant] in eerste aanleg heeft aangevoerd, namelijk dat [medewerker 4] werknemer was en dat [medewerker 3] poetsvrouw was (conclusie van antwoord nr. 5.3).

Support ME heeft dus te weinig gesteld voor het oordeel dat [stichting] onverplicht of zonder redelijke grond betalingen aan [medewerker 3] en [medewerker 4] heeft gedaan.

5.25.2.

De tankkosten bedragen in genoemde periode in totaal € 4.609,94 (dagvaarding nr. 67). De omstandigheid dat [stichting] geen eigen auto’s had, dat het volgens Support ME ongebruikelijk is om tankkosten voor personeel te betalen, dat dergelijke kosten moeten worden gedeclareerd en dat niet is gebleken van afspraken over het vergoeden van dergelijke kosten, brengt niet mee dat [stichting] geen redelijke grond had om dergelijke kosten te vergoeden aan wie voor haar werkzaam was. Feiten of omstandigheden waaruit volgt dat dit anders is, zijn niet aangevoerd. Bovendien is een gemiddelde vergoeding van ongeveer

€ 250,00 per maand niet buitensporig te noemen.

5.25.3.

De huur betreft een bedrag van € 1.150,00 per maand aan [verhuurder] . [appellant] heeft verklaard dat de beloning die [arts/medisch directeur] kreeg voor haar werk als medisch directeur/arts voor [stichting] , was gelegen in het betalen van kosten voor [arts/medisch directeur] , met name de huur en benzine (conclusie van antwoord nr. 5.3). Dat is aannemelijk, omdat niet blijkt van andere betalingen die als beloning voor de werkzaamheden van [arts/medisch directeur] kunnen gelden. Of hiermee werd beoogd inkomsten voor de curator in het faillissement van [arts/medisch directeur] verborgen te houden (dagv. nr. 68), doet in dit verband niet ter zake. Feiten of omstandigheden waaruit volgt dat [stichting] geen redelijke grond had om [arts/medisch directeur] te belonen voor haar werk of dat de beloning buiten proportie was, zijn gesteld noch gebleken.

5.26.

Uit het voorgaande volgt dat [appellant] de aard en strekking van de besproken betalingen en de afweging om de betalingen te doen, voldoende heeft toegelicht. Ook is voldoende toegelicht waarom voorrang is gegeven aan deze betalingen boven het betalen van de schuld aan Support ME. De betalingen die [stichting] heeft gedaan, betroffen de lopende, maandelijkse kosten voor het in stand houden van de onderneming, met de daaruit te verkrijgen inkomsten, terwijl de schuld aan [stichting] betrekking had op kosten uit het verleden. De inkomsten uit de onderneming waren, zo volgt uit de stellingen van partijen, in elk geval geruime tijd voldoende om de lopende kosten te voldoen, maar niet voldoende om daarnaast de schuld aan Support ME te betalen. Een dergelijke afweging overschrijdt naar het oordeel van het hof niet de grenzen van de betaalautonomie van het bestuur van [stichting] . Alles bij elkaar is daarom de conclusie dat Support ME te weinig heeft aangevoerd om te oordelen dat de betalingen die [stichting] heeft gedaan en waartegen Support ME bezwaar heeft, voor [appellant] reden hadden moeten zijn om deze te verhinderen, ten voordele van het betalen van de schuld aan Support ME.

Andere verwijten

5.27.

Support ME heeft verder nog gesteld dat het er de schijn van heeft dat contante betalingen door cliënten van [stichting] buiten de boeken en het bereik van schuldeisers werden gehouden (dagvaarding nr. 70). Naar het oordeel van het hof is dit slechts speculatie. Bovendien heeft Support ME geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat [appellant] hierbij was betrokken, of dat hij hiervan wist of moest weten, ook bij een naar redelijkheid te vergen toezicht.

5.28.

Ten slotte heeft Support ME [appellant] verweten dat hij heeft bewerkstelligd of toegelaten dat verhaal van de vordering van Support ME op de inventaris van [stichting] is gefrustreerd (dagvaarding nr. 64). Support ME voert daartoe aan dat [stichting] bij een poging tot beslaglegging op 3 februari 2017 heeft meegedeeld dat de inventaris niet haar eigendom was en dat [stichting] daartoe een koopovereenkomst van 18 januari 2017 heeft getoond (akte Support ME prod. 25). Volgens Support ME is het vreemd dat [stichting] de inventaris aan [betrokkene] heeft verkocht en overgedragen, zonder daarvoor een koopprijs te verlangen, en zij stelt dat deze verkoop en overdracht niet in het belang van [stichting] waren.

5.29.

De stellingen van Support ME berusten op een verkeerde lezing van de koopovereenkomst. Volgens de koopovereenkomst gaat het om inventaris die eigendom is van [betrokkene] , die [betrokkene] ter beschikking had gesteld aan [X] B.V. en waarvan het gebruik na het faillissement van [X] B.V. is voortgezet door [stichting] . [stichting] verkoopt deze inventaris niet aan [betrokkene] , maar [betrokkene] verkoopt deze inventaris aan [stichting] , waarbij de eigendom naar [stichting] zou overgaan na betaling van de koopsom. Reeds om deze reden gaat het verwijt dat Support ME [appellant] op dit punt maakt, niet op. Support ME heeft overigens ook geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgt dat onjuist is wat in de koopovereenkomst is vermeld. Ten overvloede tekent het hof hierbij aan dat als het verwijt van Support ME terecht was geweest, haar schade beperkt zou zijn geweest tot de verkoopopbrengst van de inventaris. Wat de inventaris zou hebben opgebracht, heeft Support ME niet gesteld, zodat het hof haar geen bedrag aan schadevergoeding had kunnen toekennen.

5.30.

De conclusie is dat ook in hetgeen Support ME verder nog heeft aangevoerd, geen grondslag is gelegen om te oordelen dat het handelen of nalaten van [appellant] ten opzichte van Support ME in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is geweest, dat hem daarvan, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, persoonlijk een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt.
De vorderingen van Support ME hadden daarom moeten worden afgewezen.

Buitengerechtelijke kosten en proceskosten eerste aanleg

5.31.

De omstandigheid dat de vorderingen van Support ME niet toewijsbaar zijn, brengt mee dat zij ook geen aanspraak heeft op het vergoeden van buitengerechtelijke kosten.

Grief 4 slaagt dus. Bovendien had Support ME vanwege haar ongelijk in de proceskosten van de eerste aanleg behoren te worden veroordeeld. Ook grief 5 treft dus doel.

Slotsom

5.32.

De grieven slagen. Omdat ook hetgeen Support ME in eerste aanleg heeft aangevoerd en de rechtbank onbesproken heeft gelaten, niet tot het toewijzen van de vorderingen van Support ME kan leiden, zal het hof het bestreden vonnis vernietigen, voor zover dit aan het hof is voorgelegd, en de vorderingen alsnog afwijzen.

Proceskosten

5.33.

De proceskosten van beide instanties komen ten laste van Support ME, omdat zij in het ongelijk is gesteld. Het salaris van de advocaat van [appellant] wordt bepaald aan de hand van het liquidatietarief. Voor de eerste aanleg is dit het liquidatietarief dat gold op de dag waarop het bestreden vonnis is uitgesproken. Daarbij past het hof tarief VI toe, gelet op de vorderingen die Support ME in eerste aanleg heeft ingesteld. In hoger beroep is het nu geldende liquidatietarief van toepassing. Daarbij past het hof tarief IV toe, omdat in hoger beroep alleen de vorderingen van Support ME aan de orde zijn, voor zover de rechtbank die heeft toegewezen. Met inachtneming hiervan stelt het hof de proceskosten tot heden aan de zijde van [appellant] als volgt vast:

eerste aanleg:

- griffierecht € 1.599,00

- salaris advocaat € 4.804,00 (tarief VI, 2 punten)

Totaal € 6.403,00

hoger beroep

- explootkosten € 106,47

- griffierecht € 1.727,00

- salaris advocaat € 2.031,00 (tarief IV, 1 punt)

totaal € 3.864,47

6 De uitspraak

Het hof:

6.1.

vernietigt het bestreden vonnis, voor zover het 5.1 tot en met 5.6 van het dictum betreft;

6.2.

in zoverre opnieuw rechtdoende, wijst de vorderingen die de rechtbank heeft toegewezen alsnog af;

6.3.

veroordeelt Support ME in de proceskosten van beide instanties, aan de zijde van [appellant] vastgesteld op:

- € 6.403,00 tot heden voor de eerste aanleg,

- € 3.864,47 tot heden voor het hoger beroep,

beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de dag van deze uitspraak tot de dag van betaling;

6.4.

verklaart dit arrest zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.J.J. Los, L.S. Frakes en C.B.M. Scholten van Aschat en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 25 mei 2021.

griffier rolraadsheer