Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:1526

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-05-2021
Datum publicatie
15-06-2021
Zaaknummer
200.272.105_01
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vraag of werkgever de werknemer had moeten informeren over de mogelijkheid van een WIA-excedentverzekering; bewijsopdracht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0780
PJ 2021/96
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.272.105/01

arrest van 25 mei 2021

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. J.C. Brökling te Rotterdam,

tegen

VDNS B.V.,

gevestigd te Helmond,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als VDNS,

advocaat: mr. H.H.C. van de Kerkhof te Helmond,

op het bij exploot van dagvaarding van 23 december 2019 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 26 september 2019, door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, gewezen tussen [appellant] als eiser en VDNS als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 7460880 19/290)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep met grieven en producties;

  • -

    de memorie van antwoord met producties;

  • -

    de akte van VDNS met twee producties;

  • -

    de antwoordakte van [appellant] ;

  • -

    de mondelinge behandeling waarbij partij [appellant] spreekaantekeningen heeft overgelegd.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

Kern van het geschil

3.1.

[appellant] is bij VDNS in dienst geweest. [appellant] is arbeidsongeschikt geraakt en hij ontvangt een WIA-uitkering. Zijn uitkering is veel lager dan zijn loon, vanwege de wettelijke maximering van het WIA-dagloon. Volgens [appellant] heeft VDNS niet als goed werkgever gehandeld. Volgens [appellant] had VDNS voor hem een WIA-excedentverzekering moeten sluiten. In ieder geval had VDNS hem moeten informeren over een WIA-excedentverzekering en hem zo’n verzekering als optie moeten presenteren, aldus [appellant] . Zo’n verzekering dekt het gat tussen het loon en het maximum dagloon.

De feiten

3.2.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.2.1.

[appellant] is van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2012 bij VDNS in dienst geweest in de functie van autoverkoper. [appellant] verdiende bij VDNS jaarlijks ruim € 80.000,-. [appellant] is tijdens zijn dienstverband met VNDS op 5 december 2012 ziek geworden en arbeidsongeschikt gebleven. Na zijn dienstverband met VDNS is aan [appellant] een WIA-uitkering toegekend met ingang van 3 december 2014.

3.2.2.

Op de arbeidsovereenkomst was de CAO voor het Motorvoertuigenbedrijf en Tweewielerbedrijf van toepassing (hierna: de cao) en via deze cao was ook van toepassing de CAO Aanvullend Invaliditeitspensioen Metaal en Technische Bedrijfstakken. De in de bedrijfstak verplichte verzekeringen die in deze cao zijn geregeld worden uitgevoerd door N.V. Schadeverzekering Metaal en Technische Bedrijfstakken (hierna: Schadeverzekering).

3.2.3.

In de tijd dat [appellant] bij VDNS in dienst was, is Schadeverzekering een WIA-excedent-verzekering gaan aanbieden. In mei 2012 heeft Schadeverzekering een brief gestuurd aan VDNS waarin Schadeverzekering erop wijst dat het inkomen van werknemers voor arbeidsongeschiktheid verzekerd is tot € 50.000,- en dat werknemers met een hoger inkomen flink in inkomen terug kunnen vallen en dat dit apart verzekerd kan worden met een WIA-excedentverzekering. Verder staat in die brief vermeld dat de WIA-excedentverzekering een aanvulling is op de WIA-bodemverzekering en de WGA-hiaatverzekering en dat het een goede arbeidsvoorwaarde is. Tussen partijen staat vast dat dit een vrijwillige verzekering is. Er is geen WIA-excedentverzekering gesloten voor [appellant] .

3.2.4.

Partijen hebben op 31 december 2012 een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin een finaal kwijtingsbeding is opgenomen.

De procedure bij de kantonrechter

3.3.1.

[appellant] heeft gevorderd (samengevat) dat de kantonrechter:

- voor recht verklaart dat VDNS is tekort gekomen in haar verplichtingen c.q. onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellant] vanwege het ontbreken van een WIA-excedentverzekering en dat [appellant] hierdoor schade lijdt die VDNS moet vergoeden;

en dat de kantonrechter VDNS veroordeelt tot:

- betaling van achterstallige uitkeringen over de periode 5 december 2012 tot 1 december 2018, berekend op € 161.844,24, te vermeerderen met de wettelijke rente;

- betaling van de aansluitende uitkeringen vanaf 1 december 2018 tot en met 1 november 2042, totaal € 533.712,96, te vermeerderen met de wettelijke rente;

- buitengerechtelijke incassokosten;

- proceskosten.

3.3.2.

[appellant] heeft aan die vorderingen kort gezegd de stelling ten grondslag gelegd dat VDNS voor hem een WIA-excedentverzekering had moeten afsluiten bij Schadeverzekering. VDNS heeft zich tegen die vorderingen verweerd.

3.3.3.

De kantonrechter heeft bij vonnis van 26 september 2019 de vorderingen van [appellant] afgewezen. Daartoe heeft de kantonrechter overwogen dat de vorderingen van [appellant] afstuiten op de finale kwijting die hij in de vaststellingsovereenkomst heeft gegeven aan VDNS.

De vorderingen van [appellant] in hoger beroep en zijn toelichting daarop

3.4.1.

[appellant] is tijdig in hoger beroep gekomen. Hij heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis moet vernietigen en zijn vorderingen alsnog volledig moet toewijzen en VDNS moet veroordelen in de proceskosten.

3.4.2.

Desgevraagd heeft [appellant] ter zitting verklaard dat zijn vorderingen tot het verstrekken van uitkeringen moet worden opgevat als vorderingen tot vergoeding van schade bestaande uit de misgelopen uitkeringen. VDNS heeft daar geen bezwaar tegen gemaakt.

De grieven I en II

3.5.1.

Met grief I klaagt [appellant] er over dat de kantonrechter een te beperkte selectie heeft gemaakt van de door [appellant] gepresenteerde feiten en omstandigheden en dat de kantonrechter ten onrechte enkel deze selectie heeft gekwalificeerd als ‘voor de vordering van belang’. Volgens grief II is de kantonrechter uitgegaan van een verkeerd jaarinkomen.

3.5.2.

Het hof heeft zelf een overzicht gegeven van de feiten die in hoger beroep het uitgangspunt vormen (zie 3.2 tot en met 3.2.4). Om die reden heeft [appellant] geen belang meer bij grief II.

Het hof ziet geen aanleiding alle door [appellant] in zijn toelichting op de grief genoemde stellingen over te nemen, omdat deze niet allemaal vast staan en ook omdat deze niet allemaal relevant zijn. Het is aan de rechter om te bepalen welke feiten van belang zijn voor de beoordeling van de vorderingen.

Grief III

3.6.1.

Grief III heeft betrekking op de grondslag van de vorderingen. Volgens [appellant] heeft de kantonrechter de grondslag van zijn vorderingen te beperkt of verkeerd opgevat. De WIA-excedentverzekering betreft een vrijwillige verzekering. Partijen zijn het daarover eens. Ondanks het vrijwillige karakter van die verzekering is VDNS volgens [appellant] tekort geschoten in de nakoming van de arbeidsovereenkomst, althans heeft VDNS onrechtmatig jegens hem gehandeld. Daartoe heeft [appellant] (samengevat) aangevoerd dat VDNS heeft gehandeld in strijd met haar verplichting als goed werkgever (artikel 7:611 BW), omdat

- zij op de hoogte was van het feit dat hij medische problemen had,

- zij ook op de hoogte was van zijn hoge inkomen en risico op inkomensterugval wanneer hij arbeidsongeschikt zou raken,

- zij hem desondanks niet heeft gewezen op de voor hem bestaande mogelijkheid van de WIA-excedentverzekering, terwijl zij volgens haar eigen standpunt zelf wel het belang van zo’n verzekering had onderkend.

3.6.2.

VDNS heeft daartegen ingebracht dat zij verscheidene malen [appellant] heeft gewezen op de mogelijkheid van de WIA-excedentverzekering, maar dat [appellant] heeft aangegeven daar geen behoefte aan te hebben.

3.6.3.

Het hof is van oordeel dat uit de eigen standpunten van VDNS volgt dat zij het belang van de WIA-excedentverzekering heeft onderkend. Zij heeft ter zitting verklaard dat zij heeft gesproken met alle werknemers die het (vanwege de hoogte van het loon) aanging. In dat geval had van VDNS ook mogen worden verlangd dat zij met [appellant] daarover had gesproken en hem daarover op juiste wijze had voorgelicht. Volgens VDNS heeft zij dat gedaan, zelfs meermaals. Volgens [appellant] heeft hij tijdens zijn dienstverband bij VDNS gevraagd naar de mogelijkheid van een WIA-excedentverzekering, maar kreeg hij als antwoord dat dit voor hem niet van belang was omdat de provisie niet zou meetellen voor het salaris, welk antwoord onjuist was. [appellant] heeft ook aangevoerd dat hij er later nog eens naar heeft gevraagd en toen als reactie kreeg dat hij goed verzekerd was. Op [appellant] rust de stelplicht dat VDNS hem verkeerd heeft geïnformeerd. Anders dan [appellant] meent, kan uit de als productie 10 overgelegde brief vooralsnog niet de juistheid van zijn standpunt volgen. Andersom geldt dat ook voor de door VDNS overgelegde stukken. Het hof acht nadere bewijslevering nodig. Wanneer [appellant] slaagt in de bewijslevering dan is het hof van oordeel dat VDNS heeft gehandeld in strijd met goed werkgeverschap, zelfs als zij niet op de hoogte zou zijn geweest van de medische problemen van [appellant] (dat zij daar kennis van had heeft VDNS ter zitting betwist).

3.6.4.

[appellant] heeft nog aangevoerd dat het probleem in deze zaak is dat VDNS een te laag salaris heeft doorgegeven aan Schadeverzekering en/of de pensioenuitvoerder. Het hof ziet de relevantie daarvan niet in. [appellant] heeft immers pas na zijn uitdiensttreding vernomen dat daar een te laag loon was geregistreerd. [appellant] heeft niet aangevoerd dat hij eerder op basis van die onjuiste informatie heeft besloten om geen WIA-excedentverzekering aan te vragen. Hij heeft ook niet aangevoerd dat of waarom Schadeverzekering en/of de pensioenuitvoerder hem tijdens het dienstverband uit zichzelf daarover hadden moeten informeren maar hem daarover verkeerd hebben geïnformeerd als gevolg van een verkeerde loonopgave van VDNS en dat om die reden geen WIA-excedentverzekering tot stand is gekomen. Verder is in dit verband van belang dat [appellant] schade vordert als gevolg van het niet sluiten van de WIA-excedentverzekering bij Schadeverzekering. [appellant] heeft niet aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat hij op andere wijze had gezorgd voor een adequate inkomensvoorziening wanneer hij op de hoogte zou zijn geweest van het risico op een flinke terugval in inkomen en dat of waarom de door VDNS doorgegeven onjuiste loongegevens aan Schadeverzekering en/of de pensioenuitvoerder daarin een rol speelt.

Grief IV

3.7.1.

De kantonrechter heeft het verweer van VDNS gehonoreerd dat partijen in hun vaststellingsovereenkomst zijn overeengekomen elkaar finale kwijting te verlenen. Met grief IV komt [appellant] op tegen dat oordeel.

3.7.2.

VDNS heeft een beroep gedaan op artikel 8 van de vaststellingsovereenkomst, waarin het volgende is vermeld:

“Na uitvoering van het bovenstaande verklaren beide partijen over en weer van elkaar niets meer te vorderen hebben uit hoofde van het dienstverband en/of terzake van de beëindiging daarvan en elkaar terzake finale kwijting verlenen”.

Volgens [appellant] ziet deze bepaling niet op kwesties die in de onderhandelingen niet aan de orde zijn geweest. Het onderwerp verzekering tegen arbeidsongeschiktheid was geen onderdeel van de onderhandelingen.

VDNS heeft daartegen ingebracht dat partijen met de vaststellingsovereenkomst hebben bedoeld een allesomvattende regeling te bereiken.

3.7.3.

Volgens vaste rechtspraak gaat het bij de vraag wat partijen zijn overeengekomen niet enkel om de taalkundige bewoordingen van de tekst van de overeenkomst, maar komt het tevens aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang, waaronder mede van belang kan zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht (HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 Haviltex). Daarbij verdient opmerking dat ook gedragingen van partijen na het sluiten van de overeenkomst van belang kunnen zijn voor de aan die overeenkomst te geven uitleg (HR 12 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5572, NJ 2012/589 Portier/Montessori).

3.7.4.

[appellant] heeft onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 14 februari 2020 (ECLI:NL:HR:2020:260) aangevoerd dat een kwijtingsbeding niet méér betreft dan een verklaring ten bewijze dat betaling heeft plaatsgevonden. Volgens [appellant] is de Hoge Raad in dat arrest uitgebreid ingegaan op de betekenis van finale kwijting. Het hof stelt vast dat de Hoge Raad in dat arrest daar heel beperkt op in is gegaan. Waarschijnlijk heeft [appellant] het oog op het arrest van 22 juni 2018 (ECLI:NL:HR:2018:975) waarin de Hoge Raad wel iets heeft overwogen over de bewijskracht. Het hof is van oordeel dat het standpunt van [appellant] op een te beperkte lezing van dat arrest berust. De Hoge Raad heeft in dat arrest overwogen:

“Een kwijting houdt immers in beginsel niet meer in dan de verklaring ten bewijze dat de desbetreffende betaling heeft plaatsgevonden, waartegen tegenbewijs openstaat (art. 6:48-49 BW in verbinding met art. 157 Rv). In een dergelijke verklaring ligt niet zonder meer tevens een kwijtschelding als bedoeld in art. 6:160 lid 2 BW besloten. Daartoe is vereist dat partijen zijn overeengekomen dat het verschuldigde bedrag niet geheel zou worden voldaan, of dat zij, bij wege van een vaststellingsovereenkomst, aan enige onzekerheid over de verschuldigdheid ervan een einde hebben willen maken (vgl. HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2098). Dat één van deze gevallen zich voordoet heeft het hof evenwel niet vastgesteld.” [onderstreping hof].

In dit hoger beroep staat nu juist wel vast dat partijen een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten. Het gaat er in dit hoger beroep om wat de reikwijdte is van die vaststellingsovereenkomst.

3.7.5.

Dat verzekering tegen arbeidsongeschiktheid geen onderdeel was van de onderhandelingen met betrekking tot de vaststellingsovereenkomst, heeft VDNS niet betwist. Het ging (in ieder geval) om de eindafrekening en om (de wijze van) het eindigen van de arbeidsovereenkomst. Tussen partijen staat vast dat een ontslag op staande voet aanleiding is geweest voor besprekingen over de vaststellingsovereenkomst. Waar het nu om gaat is of partijen elkaar alleen finale kwijting hebben verleend ter zake de eindafrekening en ter zake eventuele vorderingen met betrekking tot (de wijze van) het eindigen van de arbeidsovereenkomst, of dat het de bedoeling was om voor eens en altijd alle mogelijk nog niet te voorziene geschilpunten te regelen. Het hof gaat uit van dat laatste. Dat kan worden afgeleid uit de formulering van artikel 8 van de vaststellingsovereenkomst, te weten dat partijen ‘uit hoofde van het dienstverband over en weer niets meer van elkaar hebben te vorderen’ en uit de omstandigheid dat wat dat betreft geen enkel voorbehoud is gemaakt, terwijl beide partijen werden bijgestaan door juridisch adviseurs. Minstens zo belangrijk acht het hof hetgeen na de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst is gebeurd. Uit het gedrag van [appellant] dient te worden afgeleid dat hij zelf de vaststellingsovereenkomst en de kwijtingsclausule zo heeft opgevat, dat partijen definitief niets meer van elkaar te vorderen hadden en dat het ging om een finale regeling. VDNS heeft immers onbetwist aangevoerd dat [appellant] met een beroep op het kwijtingsbeding heeft geweigerd na de overeenkomst de bij VDNS binnengekomen verkeersboetes te voldoen. Ook achterstallige pensioenpremies die nadien nog betaald moesten worden heeft [appellant] met een beroep op de vaststellingsovereenkomst niet voldaan. Weliswaar heeft [appellant] in zijn antwoordakte aangevoerd dat een door VDNS overgelegde verklaring van een deurwaarder (die was overgelegd ten bewijze van dit gedrag van [appellant] ) geen enkele juridische betekenis heeft, maar dat is geen afdoende betwisting. [appellant] heeft niet betwist dat hij dat standpunt destijds heeft ingenomen. Ter zitting is dat evenmin betwist, ook niet nadat VDNS opnieuw dienovereenkomstig had verklaard.

3.7.6.

Subsidiair heeft [appellant] aangevoerd dat hij de vaststellingsovereenkomst met een beroep op dwaling vernietigt. Het hof oordeelt daarover als volgt.

3.7.7.

Een vaststellingsovereenkomst strekt “ter beëindiging of ter voorkoming van onzekerheid of geschil omtrent hetgeen tussen partijen rechtens geldt”. Bij de beoordeling van een beroep op (wederzijdse) dwaling, heeft in het geval dat de gestelde dwaling het aangaan van een vaststellingsovereenkomst betreft, als uitgangspunt te gelden dat de rechter artikel 6:228 BW met terughoudendheid moet toepassen en partijen in beginsel geen beroep op dwaling toekomt ten aanzien van hetgeen waarover juist werd getwist of onzekerheid bestond (HR 15 november 1985, ECLI:NL:HR: 1985:AC4400; NJ 1986/228).

De omstandigheid dat partijen met betrekking tot een bepaalde kwestie in onzekerheid verkeren en te dien aanzien een vaststellingsovereenkomst sluiten, sluit een geslaagd beroep op dwaling ten aanzien van die overeenkomst niet uit. Dit geldt in het bijzonder indien sprake is van betrokkenheid van de wederpartij bij de dwaling op een wijze als genoemd in art. 6:228 lid 1, onder a of b, BW. Indien wordt gesteld dat de dwaling is te wijten aan een inlichting van de wederpartij, staat voorts aan een succesvol beroep op dwaling niet in de weg dat die inlichting niet rechtstreeks aan de dwalende partij is verstrekt of niet specifiek is verstrekt in verband met de overeenkomst ten aanzien waarvan het beroep op dwaling is gedaan (HR 1 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY3129).

3.7.8.

Zoals hiervoor al is overwogen was de WIA-excedentverzekering geen onderdeel van de onderhandelingen met betrekking tot de vaststellingsovereenkomst en hebben partijen het finale kwijtingsbeding in de vaststellingsovereenkomst opgevat als een allesomvattende regeling. Daarmee werd dus bedoeld ook een einde te maken aan eventueel in de toekomst opkomende geschillen die zij op dat moment niet hadden voorzien of konden voorzien.

[appellant] heeft echter aangevoerd dat hij in februari 2012 bij de directeur van VDNS navraag heeft gedaan naar de mogelijkheid van het sluiten van een WIA-excedentverzekering en dat hem toen werd gezegd dat dit niet voor hem van belang was, omdat provisie niet meetelt voor het salaris. In november 2012 heeft hij nog eens geïnformeerd en een soortgelijke reactie gekregen, aldus [appellant] .

Daarvan uitgaande acht het hof dat zo’n cruciale door VDNS gegeven inlichting, dat ervan uitgegaan dient te worden dat [appellant] in dat geval niet (of niet met die inhoud) de vaststellingsovereenkomst met het kwijtingsbeding zou hebben gesloten, althans dat VDNS in dat geval ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst bij [appellant] had moeten verifiëren of hij geen WIA-excedentverzekering wilde. Maar dat hoefde VDNS niet bij [appellant] te verifiëren wanneer zij al meermaals [appellant] op die mogelijkheid had gewezen, zoals zij heeft aangevoerd. Kortom, ook de vraag of de vaststellingsovereenkomst onder invloed van dwaling tot stand is gekomen en [appellant] zich terecht beroept op vernietiging van de vaststellingsovereenkomst, is afhankelijk van de vraag wat tijdens het dienstverband is besproken over de WIA-excedentverzekering.

3.7.9.

Samengevat komt het er dus op neer dat het beroep van VDNS op het kwijtingsbeding in de vaststellingsovereenkomst slaagt, tenzij [appellant] heeft gedwaald en hij de vaststellingsovereenkomst om die reden terecht heeft vernietigd. Aangezien [appellant] een beroep doet op dwaling, rust op hem de bewijslast dat VDNS hem heeft geïnformeerd op de door hem gestelde wijze.

Verjaring

3.8.

VDNS heeft zich ook nog verweerd met een beroep op verjaring. [appellant] heeft schadevergoeding gevorderd (zie 3.4.2). Een rechtsvordering tot schadevergoeding verjaart door verloop van vijf jaar na de aanvang van de dag, volgende op de dag waarop de benadeelde zowel met de schade als met de aansprakelijke persoon bekend is geworden (art. 3:310 BW). Anders dan VDNS heeft aangevoerd is de verjaringstermijn dus niet aangevangen op de datum waarop het dienstverband is geëindigd. Ook kan het hof VDNS niet volgen in haar verweer dat de verjaringstermijn is aangevangen in februari 2012 toen [appellant] informeerde bij zijn verzekeraar. Dat was nog vóór Schadeverzekeraar de brief stuurde aan VDNS over de mogelijkheid een WIA-excedentverzekering af te sluiten (zie 3.2.3). Wanneer [appellant] bekend is geworden met de schade is niet duidelijk, maar onaannemelijk is dat dit eerder is geweest dan de ingangsdatum van de WIA-uitkering (3 december 2014). Daarvan uitgaande is de vordering niet verjaard (VDNS is gedagvaard op 7 januari 2019). Andere momenten waarop [appellant] bekend was met de schade of aansprakelijke persoon, heeft VDNS niet, althans onvoldoende duidelijk aangevoerd.

Slotsom

3.9.

Uit het voorgaande volgt dat het hof [appellant] zal toelaten tot bewijslevering. Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.

4 De uitspraak

Het hof:

laat [appellant] toe te bewijzen dat hij tijdens zijn dienstverband bij VDNS heeft gevraagd naar de mogelijkheid van het sluiten van een WIA-excedentverzekering en dat daarop is gereageerd met de mededeling dat dit voor hem niet van belang was of voor hem niet gold, althans dat hij goed verzekerd was;

bepaalt, voor het geval [appellant] bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. M. van Ham als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rol van 8 juni 2021 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige(n) in de maanden juli, september, oktober en november 2021;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de advocaat van [appellant] tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. M. van Ham, J.M.H. Schoenmakers en Z.D. van Heesen-Laclé en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 25 mei 2021.

griffier rolraadsheer