Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:1522

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-05-2021
Datum publicatie
30-06-2021
Zaaknummer
200.268.917_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2019:3355
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Insolventierecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WSNP 6:162 BW en 317 Fw. De saniet vordert dat de civiele rechter de bewindvoerder een bevel geeft en deze vordering gegrond op gesteld onrechtmatig handelen. De vordering wordt afgewezen omdat niet gebleken is dat de bewindvoerder onrechtmatig jegens de saniet heeft gehandeld.

Wetsverwijzingen
Wijzigingswet Faillissementswet (sanering van schulden van natuurlijke personen)
Faillissementswet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.268.917/01

arrest van 25 mei 2021

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. A.J.G. Bisscheroux te Kerkrade,

tegen

[wsnp-bewindvoerder] , in haar hoedanigheid van (wsnp)bewindvoerder van [appellant] , handelend onder de naam [bewindvoeringsbureau] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [wsnp-bewindvoerder] Q.Q.,

advocaat: mr. S. Dassen te Maastricht,

op het bij exploot van dagvaarding van 18 juni 2019 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 10 april 2019, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen [appellant] als eiser en [wsnp-bewindvoerder] Q.Q. als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/252607 / HA ZA 18-365)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord met producties;

  • -

    de akte van [appellant] , met twee producties;

  • -

    de antwoordakte van [wsnp-bewindvoerder] Q.Q.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De vaststaande feiten

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.2.

Bij vonnis van rechtbank Limburg (zittingsplaats Maastricht) van 16 april 2013 is op eigen aangifte het faillissement van [appellant] , handelend onder de naam [naam eenmanszaak] , uitgesproken.

3.3.

[appellant] heeft in 1985 een levensverzekering-afgesloten bij Nationale Nederlanden (hierna: NN) met polisnummer [polisnummer] (hierna: de levensverzekering) met een looptijd van 1 juli 1985 tot l juli 2017 met een fiscale lijfrenteclausule. Die clausule houdt – kort gezegd – in dat de uitkeringen uit hoofde van die levensverzekering bij opeisbaarheid uitsluitend kunnen worden aangewend als koopsom voor een lijfrente. De opeenvolgende faillissementscuratoren hebben de levensverzekering gedurende het faillissement niet afgekocht.

3.4.

Bij brief van 2 juni 2017 schreef NN aan [appellant] – onder andere – dat zijn levensverzekering op 1 juli 2017 de einddatum zou bereiken en dat het opgebouwde lijfrentekapitaal van € 86.660,87 dan vrij zou komen. [appellant] is door NN geadviseerd om contact op te nemen met zijn verzekeringsadviseur om – kort gezegd – de afhandeling van dat lijfrentekapitaal te bespreken.

3.5.

Bij vonnis van dezelfde rechtbank van 27 juni 2017 is het faillissement van [appellant] opgeheven en is hij op zijn verzoek toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (wsnp) met aanstelling van [wsnp-bewindvoerder] Q.Q. tot bewindvoerder.

3.6.

De levensverzekering is geëxpireerd op 1 juli 2017 zonder dat [appellant] het opgebouwde kapitaal van € 86.660,87, waarin begrepen een bedrag van € 23.402,09 (ongeveer 27%) aan opgebouwde winstdeling, heeft geïnvesteerd in een lijfrente.

3.7.

Bij beschikking van 14 mei 2019 heeft de rechter-commissaris bepaald dat de levensverzekeringspolis van [appellant] , die is geëxpireerd op 1 juli 2017, tot de boedel dient te worden gerekend en dat de gelden die zijn vrijgevallen aan de boedel toekomen. Bij beschikking van 12 februari 2020 heeft de rechtbank die beschikking van de rechter-commissaris vernietigd en bepaald dat van de netto opbrengst (na aftrek van de verschuldigde belastingen en premies) van de verzekeringspolis 27% toekomt aan [appellant] en 73% aan de boedel (waarbij [appellant] de wijze en duur van de uitkering mag bepalen). De rechtbank heeft ook bepaald dat de rechter-commissaris de bewindvoerder een opdracht zal geven eraan mee te werken dat [appellant] 27% van de netto opbrengst van de verzekeringspolis ter beschikking krijgt om een lijfrente van te kopen.

4 De vorderingen en de beslissing in eerste aanleg

4.1.

In eerste aanleg vorderde [appellant] :

4.1.1.

een verklaring voor recht dat:

- de polis een levensverzekering is in de zin van artikel 22a Fw, die werd afgesloten om te dienen als oudedagsvoorziening voor [appellant] en zijn echtgenote; en

- ten behoeve van [appellant] of diens echtgenote geen wezenlijke andere oudedagsvoorziening is opgebouwd dan die polis en die noodzakelijk is voor een aanvaardbaar niveau van inkomsten voor levensonderhoud in de toekomst;

- [appellant] onredelijk benadeeld wordt wanneer de waarde van die polis zou worden aangewend ten behoeve van betaling van boedelkosten en/of een uitkering aan schuldeisers;

- het hierna onder primair genoemde recht terzake lijfrente, althans het hierna onder subsidiair genoemde geldbedrag buiten de door gedaagde q.q. beheerde boedel valt;

4.1.2.

[wsnp-bewindvoerder] Q.Q. te bevelen:

  • -

    (primair) medewerking te geven aan de door [appellant] gevraagde omzetting van diens vordering op NN in een lijfrente, als aangeboden door NN, ingaande 24 oktober 2023 en voor de duur van 20 jaar;

  • -

    (subsidiair) een passende voorziening te treffen, waardoor de beoogde oudedagsvoorziening voor [appellant] wordt gewaarborgd; zulks – zo nodig – door betaling van een bedrag van euro 86.660,87 dusdanig, dat dit bedrag als boedelactief niet wordt aangewend ter dekking van boedelkosten en/of een uitkering aan schuldeisers, maar wordt aangewend voor een oudedagsvoorziening met een verzorgingskarakter in de zin van artikel 22a Fw ten bate van [appellant] ,

op straffe van een dwangsom en met veroordeling van [wsnp-bewindvoerder] Q.Q. in de proceskosten.

4.2.

Bij vonnis van 10 april 2019, dat wil zeggen voordat de rechter-commissaris de beschikking had gegeven over de levensverzekering (zie onder 3.7), oordeelde de rechtbank dat [appellant] niet-ontvankelijk was in zijn vorderingen, omdat daarvoor (alleen) de weg van 317 lid 1 Fw openstond: het uitlokken van een bevel van de rechter-commissaris aan de bewindvoerder. [appellant] werd in de proceskosten veroordeeld.

4.3.

In hoger beroep vordert [appellant] vernietiging van het vonnis en alsnog toewijzing van zijn vorderingen.

5 De beoordeling in hoger beroep

5.1.

Artikel 317 lid 1 Fw bepaalt – kort gezegd – dat de rechter-commissaris (op verzoek van de schuldeisers of de schuldenaar) de bewindvoerder een bevel kan geven om een bepaalde handeling te verrichten of na te laten. De rechtbank heeft de vraag of daarnaast ook de civiele rechter op basis van een vordering uit onrechtmatige daad de bewindvoerder een bevel kan geven, ontkennend beantwoord. Tegen die beslissing richt [appellant] zijn grieven.

5.2.

Dit punt kan in het midden blijven, omdat [appellant] onvoldoende gesteld heeft om te oordelen dat de bewindvoerder onrechtmatig heeft gehandeld. Onvoldoende onderbouwd is dat [wsnp-bewindvoerder] Q.Q. in de periode tussen haar benoeming als bewindvoerder (bij vonnis van 27 juni 2017) en het moment dat de levensverzekering de einddatum bereikte (op 1 juli 2017) anders had kunnen of moeten handelen dan zij gedaan heeft en zo ja, waarom.

Nadat de levensverzekering de einddatum had bereikt, heeft de bewindvoerder de beslissing van de rechter-commissaris afgewacht en daarna de uitkomst van het beroep daartegen afgewacht. Dat is niet onrechtmatig. Integendeel, het getuigde van zorgvuldigheid door de in de wet voor gevallen als deze geopende rechterlijke toetsing af te wachten.

[appellant] stelt ook niet voldoende om aan te nemen dat er vóór het bereiken van de einddatum van de levensverzekering door de faillissementscuratoren een toezegging zou zijn gedaan die ook na het bereiken van de einddatum nog relevant zou zijn én die voor [wsnp-bewindvoerder] Q.Q. bindend zou zijn. Aan bewijslevering op deze punten komt het hof daarom niet toe.

5.3.

Dat betekent dat het gevorderde bevel aan [wsnp-bewindvoerder] Q.Q. geen feitelijke grondslag heeft. Daardoor komt het hof niet toe aan de vraag of [wsnp-bewindvoerder] Q.Q. op basis van een vordering gebaseerd op onrechtmatige daad, kan worden belast met de handelingen die met het (primaire en subsidiaire) bevel worden beoogd. Die vordering moet dan ook worden afgewezen. Ook de gevorderde verklaringen voor recht zijn niet toewijsbaar, voor zover die ook op de gestelde onrechtmatige daad zijn gebaseerd. Voor zover [appellant] een andere juridische grondslag aan die vorderingen ten grondslag heeft gelegd, geldt dat de rechtbank Limburg (zittingsplaats Maastricht) in de beschikking van 12 februari 2020 (zie onder 3.7) al heeft overwogen dat het hier inderdaad gaat om de oudedagsvoorziening van [appellant] (r.o. 4.6.5. van die beschikking) en beslist dat van de netto opbrengst (na aftrek van de verschuldigde belastingen en premies) van de verzekeringspolis 27% toekomt aan [appellant] en 73% aan de boedel. [appellant] heeft in deze procedure tussen hem en zijn bewindvoerder – naast deze uitspraak van de rechtbank, waarin ook bewindvoerder is betrokken – verder geen belang bij een verklaring voor recht over hetzelfde onderwerp. In deze procedure moeten daarom ook deze vorderingen worden afgewezen.

5.4.

Het hof zal het vonnis van de rechtbank vernietigen, omdat deze uitkomst betekent dat [appellant] niet niet-ontvankelijk is in zijn vordering, maar dat desondanks de vorderingen worden afgewezen. [appellant] is in eerste aanleg wel terecht in de proceskosten veroordeeld, want hij wordt in het ongelijk gesteld. Het hof zal daarom dat deel van het vonnis bekrachtigen. Ook in het hoger beroep wordt de vordering van [appellant] afgewezen. Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [wsnp-bewindvoerder] Q.Q. zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 324,00

- salaris advocaat € 1.671,00 (1,5 punt × tarief II)

5.5.

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde de nakosten en de wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals hierna vermeld.

6 De uitspraak

Het hof:

6.1.

vernietigt het bestreden vonnis van de rechtbank Limburg (zittingsplaats Maastricht) , behoudens de veroordeling van [appellant] in de proceskosten, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

6.2.

wijst de vorderingen van [appellant] af;

6.3.

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [wsnp-bewindvoerder] Q.Q. vastgesteld op € 324,00 voor verschotten en op € 1.671,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief; te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

6.4.

veroordeelt [appellant] in de nakosten, begroot op € 163,00, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 85,00 in geval [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

6.5.

verklaart dit arrest wat de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

6.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.J. van Sandick, O.G.H. Milar en C.B.M. Scholten van Aschat en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 25 mei 2021.

griffier rolraadsheer