Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:1520

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-05-2021
Datum publicatie
15-06-2021
Zaaknummer
200.266.780_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2019:8085
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huur bedrijfsruimte Geschil over energiekosten leidt tot voortijdig einde huurovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.266.780/01

arrest van 25 mei 2021

in de zaak van

[appellant] ,

handelend onder de naam [eenmanszaak appellant] ,

wonende te [gemeente] ,

appellant in het principaal appel,

verweerder in het incidenteel appel,

verder: [appellant] ,

advocaat: mr. J.W.J. Hopmans te Groesbeek ,

tegen:

1 [geïntimeerde] ,
2. [geintimeerde 2] ,
beiden wonende te [gemeente 2] ,

geïntimeerden in het principaal appel,

appellanten in het incidenteel appel,

verder in enkelvoud: [geïntimeerde c.s.] ,

advocaat: mr. M.P.M. Riep te ’s-Hertogenbosch,

op het bij exploot van dagvaarding van 24 september 2019 ingeleide hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen vonnis van 4 september 2019 tussen [appellant] als gedaagde in conventie, eiser in reconventie en [geïntimeerde c.s.] als eisers in conventie, verweerders in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 7504020 \ CV EXPL 19-538)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep van 24 september 2019;

  • -

    de memorie van grieven van [appellant] van 7 januari 2020 met producties;

  • -

    de memorie van antwoord in het principaal appel tevens memorie van grieven in het incidenteel appel van [geïntimeerde c.s.] van 17 maart 2020 met producties;

  • -

    de memorie van antwoord in het incidenteel appel van [appellant] van 28 april 2020.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3. De beoordeling

In het principaal appel en in het incidenteel appel

De feiten

3.1.

De vaststelling van de feiten in het vonnis waarvan beroep onder 2. is niet bestreden, zodat het hof ook in hoger beroep hiervan uitgaat. Deze vaststelling luidt als volgt, met een door het hof aangebrachte letteraanduiding:

  1. [appellant] heeft een eenmanszaak geëxploiteerd waarvan de bedrijfsactiviteiten bestaan uit het vervaardigen en bewerken van glas inclusief technisch glaswerk en het graveren en bewerken van spiegels en glas.

  2. [appellant] heeft om zijn bedrijfsactiviteiten te kunnen uitoefenen vanaf 1 oktober 2014 een gedeelte van het bedrijfspand gelegen aan de [adres] gehuurd van [geïntimeerde c.s.] voor de duur van 2 jaar tegen een huurprijs van € 8.400,- per jaar exclusief btw en vermeerderd met € 75,- per maand aan voorschot energiekosten (gas, water en elektra).

  3. Na ommekomst van deze huurperiode hebben partijen een nieuwe huurovereenkomst gesloten voor de duur van 5 jaar, zijnde vanaf 1 oktober 2016 tot 30 september 2021. De afgesproken huurprijs bedroeg € 9.600,- per jaar, zijnde € 800,- per maand exclusief btw. Voor de energieleveringen werd afgesproken een bedrag van € 150,- per maand inclusief btw, zijnde € 78,97 exclusief btw aan voorschot energiekosten en € 45,- exclusief btw aan vastrecht.

  4. Bij factuur van 1 april 2018 heeft [geïntimeerde c.s.] een eindafrekening van de energiekosten opgemaakt ter hoogte van € 13.301,06 inclusief btw. Het voorschot energiekosten is toen ook verhoogd van € 78,97 exclusief btw naar € 438,-.

  5. [appellant] heeft een achterstand laten ontstaan in de huurbetalingen/energiekosten.

  6. [appellant] heeft op 31 januari 2019 het gehuurde verlaten. [geïntimeerde c.s.] heeft de sleutels ontvangen van [appellant] per post.

De procedure in eerste aanleg

3.2

Bij dagvaarding van 28 januari 2019 heeft [geïntimeerde c.s.] de onderhavige procedure tegen [appellant] aanhangig gemaakt. In deze procedure stelt [geïntimeerde c.s.] dat [appellant] door de achterstand in de betaling van de huurpenningen en energiekosten tekortgeschoten is in de nakoming van zijn betalingsverplichtingen. Deze achterstand beloopt volgens [geïntimeerde c.s.] tot en met 31 januari 2019 een bedrag van in totaal € 15.809,21.

Op grond hiervan vorderde [geïntimeerde c.s.] in eerste aanleg in conventie, samengevat, ontbinding van de huurovereenkomst en veroordeling van [appellant] tot ontruiming van het gehuurde en tot betaling van het bedrag van € 15.809,21 (verminderd met een nabetaling van € 325,-), met de wettelijke rente, en van een bedrag van € 1.153,92 aan buitengerechtelijke incassokosten. Voorts vorderde [geïntimeerde c.s.] veroordeling van [appellant] tot betaling van huurpenningen/schadevergoeding vanaf 1 februari 2019 tot het tijdstip van ontruiming en tot betaling van de gederfde huurinkomsten tot 30 september 2021.

3.3

[appellant] heeft de vorderingen van [geïntimeerde c.s.] bestreden. Volgens hem is de huurovereenkomst met wederzijds goedvinden ontbonden en heeft [geïntimeerde c.s.] een onjuist bedrag aan energiekosten in rekening gebracht. Verder stelt [appellant] dat het gehuurde een aantal gebreken vertoonde waardoor hij kosten heeft moeten maken en schade heeft geleden. Deze kosten komen volgens [appellant] voor rekening van [geïntimeerde c.s.] als verhuurder. Ook dient [geïntimeerde c.s.] de waarborgsom van € 2.500,- nog terug te betalen. Alles bij elkaar heeft [geïntimeerde c.s.] nog een vordering op hem van € 3.213,78, terwijl hij zelf een vordering van € 3.873,96 op [geïntimeerde c.s.] heeft. Hij beroept zich hierbij op verrekening.

Op grond hiervan vorderde [appellant] in reconventie, samengevat, veroordeling van [geïntimeerde c.s.] tot betaling van een bedrag € 660,18 indien in conventie zijn beroep op verrekening wordt gehonoreerd en tot betaling van een bedrag van € 6.373,96 (€ 3.873,96 + € 2.500,-) indien dit beroep op verrekening niet wordt gehonoreerd.

[geïntimeerde c.s.] heeft deze vordering op zijn beurt bestreden.

3.4

Bij vonnis van 4 september 2019 heeft de kantonrechter geoordeeld dat de stelling van [appellant] dat de huurovereenkomst met wederzijds goedvinden is beëindigd niet is komen vast te staan (r.o. 4.2). De kantonrechter heeft verder geconcludeerd dat de verschuldigde energielasten van € 13.301,06 inclusief btw vast staan (r.o. 4.4) en dat de gevorderde hoofdsom van € 15.809,21 met de wettelijke rente toewijsbaar is evenals de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst met ontruiming van het gehuurde (r.o. 4.5). Ook de vordering inzake buitengerechtelijke incassokosten oordeelde de kantonrechter toewijsbaar (r.o. 4.6). De verdere schadevergoeding is (alleen) toewijsbaar geoordeeld voor de maand februari 2019 (r.o. 4.8). De reconventionele vorderingen van [appellant] zijn niet toewijsbaar geoordeeld (r.o. 4.10).

3.5

Een en ander heeft ertoe geleid dat de vorderingen van [geïntimeerde c.s.] in conventie in zoverre zijn toegewezen dat de bestaande huurovereenkomst is ontbonden, met veroordeling van [appellant] tot ontruiming van het gehuurde (voor zover nodig) en tot betaling van € 17.169,68 (tot en met januari 2019), vermeerderd met de wettelijke rente over € 15.809,21 vanaf 28 januari 2019, en tot betaling van enkel de huurpenningen (zonder voorschot energielasten) over de maand februari 2019, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vervaldatum. De vorderingen van [appellant] in reconventie zijn geheel afgewezen. [appellant] is veroordeeld in de proceskosten in conventie en in reconventie. Ten slotte heeft de kantonrechter bepaald dat op de door [appellant] te betalen bedragen de nabetaling van € 325,- en de waarborgsom van € 2.500,- in mindering strekken. Het meer of anders gevorderde is afgewezen.

De omvang van het hoger beroep

3.6

In het principaal appel heeft [appellant] vier grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis van 4 september 2019, toewijzing van zijn vorderingen en afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde c.s.] , met veroordeling van [geïntimeerde c.s.] in de kosten van beide instanties.

3.7

In het incidenteel appel heeft [geïntimeerde c.s.] een grief aangevoerd en geconcludeerd tot alsnog en aanvullend toewijzen van zijn vordering, voor zover het betreft het meer gevorderde en voor zover dat in eerste aanleg is afgewezen, strekkende tot vergoeding van schade en/of de gederfde huurinkomsten ten bedrage van EUR 3.200,-, met veroordeling van [appellant] in de kosten van beide instanties met nakosten en de wettelijke rente vanaf de dagvaarding in eerste aanleg.

3.8

Partijen hebben over en weer elkaars grieven bestreden. Het hof zal de grieven achtereenvolgens bespreken.

Grief 1 [appellant]

3.9

Deze grief betreft de vraag of de huurovereenkomst die was aangegaan voor de periode van 1 oktober 2016 tot en met 30 september 2021, met wederzijds goedvinden is beëindigd per 31 januari 2019. Ter onderbouwing van zijn stelling dat dit het geval is voert [appellant] aan dat hij bij e-mail van 30 oktober 2018 aan [geïntimeerde c.s.] de afspraken over de beëindiging van de huurovereenkomst heeft bevestigd en dat hij daarop geen reactie heeft gekregen zodat hij ervan uitging dat een en ander akkoord was. Bij e-mail van 17 november 2018 heeft [geïntimeerde c.s.] nadere voorwaarden gesteld, waar [appellant] het evenwel niet mee eens was. Bij e-mail van 26 november 2018 heeft [appellant] de afspraken die volgens hem waren gemaakt nogmaals laten weten, waarop een reactie uitbleef. Bij e-mail van 31 december 2018 heeft hij opnieuw bevestigd dat hij erop vertrouwde dat de huurovereenkomst per 31 januari 2019 werd beëindigd. Hieruit blijkt volgens [appellant] dat de huurovereenkomst per die datum met wederzijds goedvinden is geëindigd.

3.10

[geïntimeerde c.s.] heeft hiertegen aangevoerd dat tussen partijen geen afspraken zijn gemaakt over de beëindiging van de huurovereenkomst en dat de e-mail van [appellant] van 26 november 2018 een voorstel van zijn kant inhield waarmee [geïntimeerde c.s.] niet heeft ingestemd. De e-mail van [geïntimeerde c.s.] van 17 november 2018 behelsde een tegenvoorstel. Daarmee heeft [appellant] vervolgens niet ingestemd. Daarvoor en daarna hebben partijen geen afspraken gemaakt die leidden tot beëindiging van de huurovereenkomst per 31 januari 2019. De huurovereenkomst is dan ook in stand gebleven, aldus [geïntimeerde c.s.] .

3.11

Het hof overweegt hierover het volgende. Volgens [appellant] zijn in zijn e-mail van 30 oktober 2018 eerder gemaakte afspraken bevestigd. Tegenover de gemotiveerde betwisting van deze stelling door [geïntimeerde c.s.] heeft [appellant] geen enkel feitelijk gegeven over het tot stand komen van de gestelde afspraken aangevoerd (waar, wanneer, hoe, tussen welke personen, et cetera). Voor zover [appellant] wil betogen dat partijen voorafgaande aan de e-mail van 30 oktober 2018 overeenstemming hebben bereikt, heeft [appellant] zijn stellingen onvoldoende feitelijk onderbouwd. Voor zover [appellant] wil betogen dat uit het uitblijven van een reactie van [geïntimeerde c.s.] op deze e-mail diens instemming kan worden afgeleid, kan hij in dit betoog niet worden gevolgd. Er is immers een reactie gevolgd, en wel bij e-mail van [geïntimeerde c.s.] van 17 november 2018. Daaruit blijkt dat [geïntimeerde c.s.] niet instemde met de inhoud van de e-mail van [appellant] van 30 oktober 2018, zodat ook op dat moment geen overeenstemming over de beëindiging van de huurovereenkomst bestond. Met de e-mail van [geïntimeerde c.s.] van 17 november 2018 heeft [appellant] niet ingestemd zodat ook nadien geen overeenstemming is bereikt, ook niet na de e-mail van [appellant] van 26 november 2018 die opnieuw het standpunt van [appellant] verwoordde zonder dat [geïntimeerde c.s.] van zijn instemming heeft blijk gegeven. Door [appellant] zijn verder ook geen feiten of omstandigheden aangevoerd die meebrengen dat hij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat die overeenstemming wel was bereikt. Het hof deelt het oordeel van de kantonrechter over deze kwestie in rechtsoverweging 4.2 van het vonnis. Dit betekent dat grief 1 van [appellant] wordt verworpen.

Grief 2 [appellant]

3.12

Deze grief betreft het oordeel van de kantonrechter over de verschuldigde energielasten in rechtsoverweging 4.4 van het vonnis. De kantonrechter heeft daarin vastgesteld dat [appellant] voor de levering van energie over de periode 2 oktober 2014 tot en met 3 april 2018 aan [geïntimeerde c.s.] een bedrag van € 13.301,06 inclusief btw is verschuldigd. Hierbij is de kantonrechter uitgegaan van een door [appellant] ondertekend stuk van 20 april 2018, waarin dat is opgenomen en waarin tevens is opgenomen dat partijen hebben afgesproken op straffe van verval van de regeling dat [appellant] het bedrag in 41 maandelijkse termijnen zal voldoen. Het beroep van [appellant] op vernietigbaarheid van dit stuk, en van de tweede huurovereenkomst, heeft de kantonrechter verworpen.

3.13

Volgens [appellant] is het schriftelijk stuk van 20 april 2018 door hem onder druk ondertekend. Die druk bestond in het dreigement van [geïntimeerde c.s.] dat hij, wanneer [appellant] het stuk niet zou ondertekenen, hem de toegang tot het gehuurde zou weigeren en dit onmiddellijk zou laten ontruimen. Het bedrag dat in het stuk is opgenomen is volgens [appellant] onjuist. Dat hij gedurende enige tijd de daarin opgenomen betalingsregeling is nagekomen, is ook een uitvloeisel van de dreigementen van [geïntimeerde c.s.] . Als hij tijdig geweten had van de hoge energielasten die bij hem in rekening gebracht zouden worden, zou hij de tweede huurovereenkomst niet zijn aangegaan, aldus [appellant] .

3.14

[geïntimeerde c.s.] heeft betwist dat de overeenkomst van 20 april 2018 met de daarin opgenomen betalingsregeling onder dwang tot stand zou zijn gekomen, dat het daarin opgenomen bedrag niet juist zou zijn en dat er grond is voor vernietiging van deze overeenkomst en/of voor de tweede huurovereenkomst. [appellant] heeft een en ander volgens [geïntimeerde c.s.] alleen gesteld en niet onderbouwd.

3.15

Het hof overweegt hierover het volgende. Het stuk van 20 april 2018 dat door [appellant] op twee plaatsen voor akkoord is getekend, luidt als volgt:

“Hiermede bevestigt [appellant] , ook handelende onder de naam [eenmanszaak appellant] , gevestigd aan de [adres] alsmede aan [adres 2] , nog schuldig te zijn aan; [geïntimeerde c.s.] O.G. de heren [geïntimeerde c.s.] , wonende te [gemeente 2] , voor de levering van gas en elektriciteit over de periode van 2 oktober 2014 t/m 3 april 2018 volgens bijgaande afrekening d.d. 1 april 2018 ten bedrag van € 13.301.06 incl. B.T.W.

Voor akkoord d.d. 20 april 2018

[appellant] .

Op 19 april 2018 is er overeengekomen dat deze schuld per maand zal worden afgelost in de resterende periode van het huurcontract wat nog loopt tot 30 september 2021 dus in 41 maandelijkse termijnen.

Het bedrag van € 13.301.06 ./. 41 maanden = € 324.42 per maand, te beginnen op 1 mei 2018, de betaling moet voor de 1e van de komende maand tegelijk met de huur op onze bankrekening bij de ING Bank met rekening nummer [rekeningnummer] op naam van [geïntimeerde c.s.] staan.

Mocht de regeling niet stipt worden nagekomen vervalt deze per direct en wordt het bedrag terstond opeisbaar en worden er rente en kosten in rekening gebracht.

Voor akkoord d.d. 20 april 2018

[eenmanszaak appellant] en [appellant] in privé.”

Tussen partijen is niet in geschil dat dit stuk de weerslag is van een tussen partijen gesloten overeenkomst die twee elementen bevat:

  • -

    de vaststelling van het bedrag dat [appellant] aan [geïntimeerde c.s.] verschuldigd was aan energiekosten over de periode tot en met 3 april 2018;

  • -

    een betalingsregeling om dit bedrag in de resterende periode van de huurovereenkomst af te lossen.

De vaststelling van het verschuldigde bedrag is gebaseerd op een gedetailleerde en onderbouwde specificatie van [geïntimeerde c.s.] . De betalingsregeling is aanvankelijk door [appellant] nagekomen.

3.16

De stelling van [appellant] dat deze overeenkomst vernietigbaar is omdat deze onder druk tot stand is gekomen wordt ook door het hof verworpen. Bij deze stelling heeft [appellant] kennelijk het oog op in artikel 3:44 BW dat in lid 1 bepaalt dat een rechtshandeling vernietigbaar is, wanneer zij door bedreiging, door bedrog of door misbruik van omstandigheden is tot stand gekomen. Door [appellant] zijn evenwel geen feiten of omstandigheden aangevoerd die voldoen aan de vereisten die daarvoor in de artikel 3:44 lid 2 respectievelijk 3 en 4 worden gesteld. Ook overigens heeft [appellant] onvoldoende feitelijk en juridisch onderbouwd op grond waarvan hij door [geïntimeerde c.s.] niet aan deze overeenkomst en de daarin opgenomen vaststelling van de energiekosten gehouden zou mogen worden. Enige vordering die hiermee samenhangt heeft hij in reconventie niet ingesteld.

3.17

Bij zijn stelling dat de tweede huurovereenkomst vernietigbaar is, heeft [appellant] kennelijk het oog op dwaling. Hiervoor geldt in het algemeen het volgende. Een overeenkomst die is tot stand gekomen onder invloed van dwaling (een onjuiste voorstelling van zaken) en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten (causaal verband), is vernietigbaar indien de wederpartij in verband met hetgeen zij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten (kenbaarheidsvereiste), de dwalende had behoren in te lichten (mededelingsplicht), zo volgt uit artikel 6:228 lid 1 onder b BW. Artikel 6:228 lid 2 BW bepaalt dat de vernietiging niet kan worden gegrond op een dwaling die een uitsluitend toekomstige omstandigheid betreft of die niet in verband met de aard van de overeenkomst, de in het verkeer geldende opvattingen of de omstandigheden van het geval voor rekening van de dwalende behoort te blijven (verschoonbaarheid). Het bestaan van een mededelingsplicht veronderstelt (i) dat de wederpartij de juiste stand van zaken kende en (ii) voor haar kenbaar was dat het punt in kwestie voor de dwalende causaal was, terwijl (iii) zij er rekening mee moest houden dat de ander dwaalde en (iv) zij de dwalende naar verkeersopvattingen had behoren in te lichten. In de beoordeling of er een mededelingsplicht is geschonden, zijn het kenbaarheidsvereiste en de verschoonbaarheid al verdisconteerd.

3.18

In dit geval is de enkele stelling van [appellant] dat hij de tweede huurovereenkomst niet zou zijn aangegaan wanneer hij geweten had van de energiekosten een onvoldoende basis voor een beroep op dwaling. Aan de hiervoor weergegeven omschrijving en maatstaf voor een beroep op dwaling voldoet die enkele stelling niet. Ook overigens heeft [appellant] niet onderbouwd waarom deze huurovereenkomst niet rechtsgeldig tot stand gekomen zou zijn of waarom hij zich niet zou moeten houden aan de daaruit voor hem voortvloeiende verplichtingen.

3.19

Een en ander leidt tot de slotsom dat grief 2 van [appellant] wordt verworpen.

Grief 3 [appellant]

3.20

Deze grief betreft de hoogte van de energiekosten die [geïntimeerde c.s.] aan [appellant] in rekening heeft gebracht, het niet in aanmerking nemen van een bedrag van € 3.626,06 dat [appellant] in het kader van de betalingsregeling heeft betaald en de toewijzing van een bedrag van € 1.153,92 aan buitengerechtelijke incassokosten. Volgens [appellant] heeft de kantonrechter een en ander in de rechtsoverwegingen 4.5 e.v. van het vonnis onjuist beoordeeld. Wat de buitengerechtelijke incassokosten betreft stelt [appellant] dat deze hem niet zijn aangezegd. De brief van [geïntimeerde c.s.] van 20 december 2018 en de brief van de deurwaarder van 3 januari 2019 waar [geïntimeerde c.s.] zich op beroept heeft hij niet ontvangen omdat deze naar zijn oude adres in [oude woonplaats] zijn gestuurd. Per 1 mei 2016 is hij naar [gemeente] verhuisd.

3.21

[geïntimeerde c.s.] heeft deze grief bestreden. Volgens [geïntimeerde c.s.] heeft hij in eerste aanleg de verschuldigde energiekosten voldoende onderbouwd en bestaat zijn vordering niet alleen uit onbetaald gebleven energiekosten maar ook uit huurachterstand. De bedragen die [appellant] heeft betaald zijn in de overzichten verdisconteerd en maken geen deel uit van de vordering die in deze procedure aan de orde is. Het bedrag van € 3.626,06 behoeft daar dan ook niet op in mindering gebracht te worden. [geïntimeerde c.s.] acht het niet aannemelijk dat [appellant] de brieven niet heeft ontvangen. De brief van 20 december 2018 is niet alleen naar het woonadres in [oude woonplaats] gestuurd maar ook (regulier en aangetekend) naar het adres van het gehuurde en naar het e-mailadres dat bij [appellant] in gebruik is. Op de brief van de deurwaarder van 3 januari 2019 heeft [appellant] bij e-mail van 8 januari 2019 gereageerd.

3.22

Het hof overweegt hierover het volgende. Wat de hoogte van de energiekosten tot en met 3 april 2018 betreft geldt hetgeen hiervoor over de overeenkomst van 20 april 2018 is vastgesteld. Voor het overige heeft [geïntimeerde c.s.] in eerste aanleg met zijn overzichten bij de inleidende dagvaarding en de conclusie van repliek in conventie voldoende gespecificeerd welke bedragen [appellant] verschuldigd is geworden, welke bedragen hij daarop heeft betaald en welk bedrag aan huurachterstand en energiekosten vervolgens resteert. Dat bedrag wordt door [geïntimeerde c.s.] in deze procedure gevorderd; daarvan maken geen posten deel uit die al door [appellant] zijn voldaan, zodat er ook geen grond is om op het gevorderde bedrag nog een bedrag van € 3.626,06 in mindering te brengen.

3.23

Het onderwerp van de e-mail van [appellant] van 8 januari 2019 is onder meer ‘de sommatiebrief’. Daarmee reageert hij kennelijk op de sommaties van de kant van [geïntimeerde c.s.] die kort daarvoor zijn verzonden, zodat het ervoor gehouden dient te worden dat de aanzegging van buitengerechtelijke incassokosten hem heeft bereikt. Voor het overige is deze post door [geïntimeerde c.s.] bij dagvaarding in eerste aanleg voldoende feitelijk onderbouwd; daar tegenover is de overige betwisting door [appellant] onvoldoende gemotiveerd.

3.24

Een en ander leidt tot de slotsom dat grief 3 van [appellant] wordt verworpen.

Grief 4 [appellant]

3.25

De laatste grief van [appellant] betreft de afwijzing van zijn vordering in reconventie tot schadevergoeding vanwege gebreken aan het gehuurde die hij heeft verholpen terwijl de kosten voor rekening van de verhuurder komen. Dit onderdeel van zijn vordering beloopt een bedrag van € 1.931,86 en bestaat uit de volgende posten::

  • -

    kosten vervangen ruit i.v.m. lekkage van € 34,79

  • -

    waterschade aan vloer van € 789,60 en ondervloer van € 203,39

  • -

    kosten vervangen en plaatsen kozijn inclusief glas € 904,08.

[geïntimeerde c.s.] heeft deze vordering bestreden. Volgens hem zijn deze kosten niet onderbouwd met bewijsstukken en is hij niet in gebreke gesteld. De kantonrechter heeft het verweer van [geïntimeerde c.s.] gehonoreerd en de vordering afgewezen. In hoger beroep heeft [appellant] verwezen naar correspondentie waaruit volgens hem blijkt dat de vordering gegrond is en dat [geïntimeerde c.s.] van een en ander op de hoogte was. [geïntimeerde c.s.] heeft dit betwist.

3.26

Het hof overweegt hierover het volgende. [appellant] heeft correspondentie overgelegd zonder daarbij toe te lichten welk onderdeel daarvan op welke wijze enig standpunt van hem ondersteunt. Het hof acht het niet aangewezen om daar zelf naar op zoek te gaan. Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft [appellant] naar het oordeel van het hof dit onderdeel van zijn vordering zowel feitelijk als juridisch in onvoldoende mate onderbouwd, zodat dit niet voor toewijzing in aanmerking komt. Zijn vierde en laatste grief wordt verworpen.

Grief [geïntimeerde c.s.]

3.27

De grief van [geïntimeerde c.s.] betreft het oordeel van de kantonrechter dat hem aan vergoeding van de schade als gevolg van het voortijdige einde van de huurovereenkomst alleen het huurbedrag over februari 2019 toekomt. Volgens [geïntimeerde c.s.] heeft hij voor de helft van de door [appellant] gehuurde ruimte met ingang van 1 maart 2019 een nieuwe huurder gevonden (de buurman, [nieuwe huurder 1] ) en is hij er ondanks zijn inspanningen om ook de andere helft te verhuren er pas per 1 november 2019 in geslaagd dat gedeelte te opnieuw verhuren ( [nieuwe huurder 2] ). Aldus was de gehele door [appellant] gehuurde ruimte per 1 november 2019 weer verhuurd. Volgens [geïntimeerde c.s.] dient [appellant] hem, naast hetgeen reeds is toegewezen voor de maand februari 2019, de misgelopen huur over de helft van de ruimte voor de periode van 1 maart 2019 tot 1 november 2019 te vergoeden, hetgeen neerkomt op 8 x ½ x € 800,- = € 3.200,-. Dit bedrag dient volgens [geïntimeerde c.s.] alsnog te worden toegewezen. Ter onderbouwing hiervan heeft [geïntimeerde c.s.] een toelichting gegeven op de gang van zaken bij het zoeken van een nieuwe huurder en de huurovereenkomst met [nieuwe huurder 2] overgelegd. Hierin is een huurprijs van € 300,- per maand vermeld, met ingang van 1 november 2019.

3.28

[appellant] voert hiertegen aan dat het verhuren van de ruimte in twee gedeeltes een keuze is geweest die voor rekening van [geïntimeerde c.s.] moet blijven, dat [geïntimeerde c.s.] de resterende ruimte eerder had kunnen verhuren en dat de overgelegde huurovereenkomst niet is ondertekend zodat de ingangsdatum ervan ‘aangepast’ kan zijn.

3.29

Het hof overweegt hierover het volgende. Wanneer [appellant] zijn verplichtingen uit de tweede huurovereenkomst jegens [geïntimeerde c.s.] zou zijn nagekomen, zou de gehele aan [appellant] verhuurde ruimte tot en met 30 september 2021 verhuurd zijn gebleven. Als gevolg van de wanprestatie van [appellant] is de huurovereenkomst voortijdig ontbonden. [appellant] heeft het gehuurde op 31 januari 2019 voorgoed verlaten, zodat vanaf dat moment het gehuurde voor [geïntimeerde c.s.] beschikbaar was voor een nieuwe huurder. Op grond van de op hem rustende schadebeperkingsplicht diende [geïntimeerde c.s.] initiatieven te ontplooien om een nieuwe huurder te vinden. Voor de helft van de ruimte is [geïntimeerde c.s.] daarin per 1 maart 2019 geslaagd; met de tussenliggende maand, februari 2019, is in het vonnis rekening gehouden. Voor de periode vanaf 1 maart 2019 heeft de kantonrechter geen schadevergoeding toegewezen op de grond dat [geïntimeerde c.s.] niet had toegelicht waarom enkel de helft was wederverhuurd en welke inspanningen waren verricht om het geheel weder te verhuren. Die toelichting heeft [geïntimeerde c.s.] in hoger beroep wel gegeven. Door op korte termijn al de helft van het gehuurde aan een bestaande huurder van een aangrenzend gedeelte te verhuren en vervolgens op zoek te gaan naar een huurder voor het resterende deel heeft [geïntimeerde c.s.] naar het oordeel van het hof gehandeld op een wijze waarvan in redelijkheid niet gezegd kan worden dat hij daardoor zijn schadebeperkingsplicht zou hebben verzaakt. Volgens [appellant] had [geïntimeerde c.s.] het anders kunnen aanpakken, maar hij laat na dit te concretiseren. Zijn opmerking dat de huurovereenkomst met [nieuwe huurder 2] eerder kan zijn aangegaan dan uit de overgelegde huurovereenkomst blijkt, met andere woorden: dat [geïntimeerde c.s.] heeft gehandeld in strijd met artikel 21 Rv, is door [appellant] niet feitelijk onderbouwd terwijl dat bij een dergelijke suggestie wel op zijn weg zou hebben gelegen. Alles bij elkaar acht het hof de aanvullende vordering van [geïntimeerde c.s.] gerechtvaardigd en voldoende onderbouwd, terwijl de betwisting ervan door [appellant] als onvoldoende gemotiveerd wordt verworpen. De slotsom is dat het incidenteel appel van [geïntimeerde c.s.] slaagt en dat in aanvulling op het vonnis van de kantonrechter in conventie het bedrag van € 3.200,- zal worden toegewezen.

Conclusie

3.30

De grieven van [appellant] in het principaal appel worden verworpen en de grief van [geïntimeerde c.s.] in het incidenteel appel slaagt. Het vonnis van 4 september 2019 zal worden vernietigd voor zover daarbij in conventie aan schadevergoeding niet het bedrag van € 3.200,- is toegewezen en zal voor het overige worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het principaal appel en het incidenteel appel. De wettelijke rente over de proceskosten in hoger beroep zal worden toegewezen vanaf veertien dagen na dit arrest.

4 De uitspraak

Het hof:

in het principaal appel en in het incidenteel appel

vernietigt het vonnis van 4 september 2019, uitsluitend voor zover daarbij aan [geïntimeerde c.s.] in conventie niet het bedrag van € 3.200,- aan schadevergoeding aan [geïntimeerde c.s.] is toegewezen en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [appellant] aanvullend tot betaling aan [geïntimeerde c.s.] van bedrag van € 3.200,-;

bekrachtigt het vonnis van 4 september 2019 in conventie en in reconventie voor het overige;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep tot op deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde c.s.] begroot op € 714,= aan griffierecht en op 1.114,- aan salaris advocaat in het principaal appel, op € 557,- aan salaris advocaat in het incidenteel appel en wat betreft de nakosten op € 157,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 239,- vermeerderd met de explootkosten indien betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, deze bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dit arrest tot aan de voldoening;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.S. Frakes, P.S. Kamminga en B.A. Meulenbroek en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 25 mei 2021.

griffier rolraadsheer