Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:1483

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-05-2021
Datum publicatie
25-05-2021
Zaaknummer
200.290.158_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 20 mei 2021

Zaaknummer : 200.290.158/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/03/284573 / JE RK 20-2336

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. A.J.J. Kreutzkamp,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming ,

regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de raad.

Deze zaak gaat over [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] .

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (de GI).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 19 november 2020.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 15 februari 2021, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor wat betreft de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] , en opnieuw rechtdoende, het inleidend verzoek van de raad daartoe alsnog af te wijzen en te bepalen dat [minderjarige] direct dient terug te keren bij de moeder.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 19 maart 2021, heeft de raad verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen en het hoger beroep van de moeder af te wijzen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 april 2021.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. A.J.J. Kreutzkamp

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] .

2.3.1.

De GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 1] en de heer [vertegenwoordiger van de GI 2] , heeft door middel van een videoverbinding (Cisco CMS) deelgenomen aan de mondelinge behandeling.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 19 november 2020;

  • -

    het rapport van de raad van 3 november 2020, ingekomen ter griffie op 19 maart 2021;

  • -

    een V6 formulier met bijlagen namens de moeder, ingekomen ter griffie op 4 mei 2021.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de heer [betrokkene] is op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige] ) geboren.

De moeder oefent het gezag uit over [minderjarige] . De heer [betrokkene] heeft [minderjarige] niet erkend.

3.2.

[minderjarige] is bij beschikking van de rechtbank Limburg van 31 augustus 2020 voorlopig onder toezicht gesteld van de GI tot 30 november 2020. Daarbij is tevens een spoedmachtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor de duur van twee weken (tot 14 september 2020) in een crisispleeggezin, onder aanhouding van iedere verdere beslissing.

Bij beschikking van de rechtbank Limburg van 10 september 2020 is het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing voor de resterende duur van de voorlopige ondertoezichtstelling afgewezen.

Bij beschikking van 20 oktober 2020 is een spoedmachtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor de duur van vier weken (tot 17 november 2020) in een crisispleeggezin.

Bij beschikking van 30 oktober 2020 is een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] met ingang van 17 november 2020 tot 30 november 2020 in een crisispleeggezin.

3.3.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI tot 30 november 2021 en de machtiging uithuisplaatsing bij een pleeggezin verlengd tot 30 mei 2021.

3.4.

De moeder kan zich met deze beschikking voor zover het de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing betreft niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, kort samengevat, het volgende aan. Er is geen aanleiding om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlengen. De moeder is volledig in staat om de verzorging en opvoeding van [minderjarige] op zich te nemen en kan haar een veilige, stabiele en rustige thuissituatie bieden. Van ernstige persoonlijke en verslavingsproblematiek is geen sprake meer. Zij is onder behandeling bij Mondriaan en zij heeft inmiddels concrete stappen gezet voor behandeling c.q. opname bij de [kliniek] Kliniek.

3.6.

De raad voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, kort samengevat, het volgende aan. De raad onderschrijft nog steeds de bevindingen in het raadsrapport van 3 november 2020 die ten grondslag hebben gelegen aan het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing. Er bestaan nog altijd grote zorgen over de opvoedingssituatie bij de moeder. De GI ervaart in de samenwerking met de moeder dat zij niet open is naar de GI over zichzelf, haar problematiek en de thuissituatie. Zij is wantrouwend, angstig en weigert inzage te geven in haar verslavingsproblematiek. Diagnostiek en behandeling gericht op verslaving en persoonlijke problematiek, zijn voor de moeder noodzakelijk. Daarna kan bekeken worden in hoeverre zij in staat is om een veilige opvoedsituatie te creëren voor [minderjarige] . Wanneer dit traject doorlopen is en de uitkomsten hiervan positief zijn, is een eventuele terugplaatsing van [minderjarige] aan de orde. Op 17 februari 2021 heeft met de moeder een intake bij de [kliniek] plaatsgevonden. Op 19 maart is de moeder opgenomen bij de [kliniek] voor behandeling van haar verslavingsproblematiek. Na eerst twee weken in detox te zijn gegaan, is [minderjarige] bij haar gekomen. Inmiddels is er dus sprake van een kleine progressie in de stappen die de moeder lijkt te zetten.

3.7.

De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling, kort samengevat, het volgende naar voren gebracht. Voor nu gaan de ontwikkelingen rondom de moeder goed. Aan alle afspraken die met de moeder zijn gemaakt, wordt hard gewerkt. Met [minderjarige] gaat het goed. De uithuisplaatsing is wel degelijk in het belang van [minderjarige] geweest. [minderjarige] groeide op in een instabiele, wisselende en onvoorspelbare leefsituatie met een moeder die bekend was met stemmingswisselingen en kampte met een drugsverslaving. De plaatsing van [minderjarige] bij de moeder bij de [kliniek] heeft niet geleid tot intrekking van de machtiging uithuisplaatsing. Op 6 mei 2021 vindt bij de rechtbank de mondelinge behandeling plaats van de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing. Er is een verzoek ingediend om [minderjarige] te plaatsen in een netwerkgezin. Er hebben daarvoor gesprekken plaatsgevonden met familieleden van de moeder.

3.8.

Het hof overweegt het volgende.

3.8.1.

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op verzoek van de raad machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.8.2.

Op grond van artikel 1:265c lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

3.8.3.

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen afweging en waardering overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat voldaan is aan de hiervoor vermelde wettelijke vereisten van artikel 1:265b BW.

Het hof overweegt in aanvulling daarop nog het volgende.

3.8.4.

Concrete bedreigingen in de ontwikkeling van [minderjarige] waren aanleiding om [minderjarige] uit huis te plaatsen. [minderjarige] groeide op in een instabiele, wisselende en onvoorspelbare leefsituatie. De moeder kampte met een drugsverslaving (cannabis en cocaïne) en was bekend met stemmingswisselingen. Er bestond teveel onzekerheid of de moeder de veiligheid van de toen nog jonge en kwetsbare [minderjarige] , die op dat moment drie-en-een-halve maand oud was en verslaafd ter wereld is gekomen, kon waarborgen. Een pleeggezin was op dat moment het beste in staat om [minderjarige] veiligheid, stabiliteit en rust te bieden. Gelet hierop, acht het hof de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] destijds op de goede gronden verleend.

3.8.5.

Uit de stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de moeder thans een positieve ontwikkeling doormaakt. Zij is opgenomen bij de [kliniek] voor de behandeling van haar persoonlijke en verslavingsproblematiek. Nadat de moeder eerst twee weken in detox is gegaan, is [minderjarige] bij haar gekomen in de [kliniek] . Ondanks deze positieve ontwikkeling, acht het hof de ontwikkelingen van de moeder nog te pril om de machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] te beëindigen. Daarvoor dient eerst het verloop van de behandeling van de moeder bij de [kliniek] te worden afgewacht. Om die reden acht het hof de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] ook nu nog in haar belang noodzakelijk.

3.8.6.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, dient te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 19 november 2020, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.E. Ackermans-Wijn, E.L. Schaafsma-Beversluis en A.J.F. Manders en is op 20 mei 2021 uitgesproken in het openbaar door mr. A.J.F. Manders in tegenwoordigheid van de griffier.