Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:1480

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-05-2021
Datum publicatie
25-05-2021
Zaaknummer
200.289.190_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 20 mei 2021

Zaaknummer : 200.289.190/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/03/281326 / JE RK 20-1766

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. P.M.F.M. Maas,

tegen

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de GI.

Dit hoger beroep betreft de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] .

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 3 november 2020.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 27 januari 2021, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover het de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] betreft en opnieuw rechtdoende het verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing af te wijzen.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 26 maart 2021, heeft de GI verzocht de moeder in het ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel het ingestelde hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 april 2021. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Maas;

- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .

2.3.1.

De raad heeft bij brief van 26 februari 2021 het hof bericht niet tijdens de mondelinge behandeling te zullen verschijnen.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de moeder is - voor zover hier van belang - op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] , [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige] ) geboren.

3.2.

Bij beschikking van 18 november 2019 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI tot 18 november 2020 en is een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, tot uiterlijk 18 mei 2020.

Bij beschikking van 8 mei 2020 is met ingang van 18 mei 2020 tot 18 november 2020 machtiging verleend voor plaatsing van [minderjarige] in een gezinshuis.

Hij verblijft thans in een perspectiefbiedend gezinshuis.

3.3.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 3 november 2020 heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 18 november 2021 alsmede aan de GI machtiging verleent om [minderjarige] met ingang van 18 november 2020 tot uiterlijk 18 november 2021 uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening.

3.3.1.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen voor zover het de machtiging uithuisplaatsing betreft en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.4.

Inmiddels heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, bij beschikking van 17 maart 2021, het gezag van de moeder over [minderjarige] beëindigd en de GI tot voogd over [minderjarige] benoemd.

3.5.

De moeder voert in het hoger beroep tegen de beschikking van 3 november 2020 – kort samengevat – het volgende aan.

De moeder erkent dat er zorgen zijn over de ontwikkeling van [minderjarige] . De persoonlijke situatie van de moeder zal echter op zeer korte termijn wijzigen. Zij gaat samenwonen met haar nieuwe partner, de heer [partner] . Samen kunnen zij [minderjarige] een stabiele opvoedingsomgeving bieden. De nieuwe partner kan de moeder structureel en actief begeleiden en ondersteunen bij de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . De moeder heeft bovendien een netwerk dat haar kan ondersteunen, bestaande uit haar broer, moeder, buurvrouw en het kerkgenootschap waarvan zij lid is.

De huidige bezoekmomenten zijn kort maar verlopen goed. De moeder stelt vragen over [minderjarige] en er zijn geen ruzies. De moeder verdient een kans om [minderjarige] te laten opgroeien in zijn eigen biologische gezinsverband. De moeder vreest dat [minderjarige] verwaarloosd wordt in het gezinshuis.

Iedere uithuisplaatsing moet gericht zijn op thuisplaatsing. Daar is niet op ingezet. De moeder heeft geen eerlijke kans gekregen.

3.6.

De GI voert – kort samengevat – het volgende aan.

Er geen enkel zicht op de persoon van de heer [partner] en of hij in staat zou zijn een kind op te voeden. De GI heeft overigens gerede twijfels over het bestaan van deze relatie. De moeder was vlak voor het indienen van het hoger beroep in de onderhavige zaak actief op zoek naar een partner op internet. Echter, ook als de moeder een partner heeft die goed voor [minderjarige] zou kunnen zorgen, heeft de GI grote zorgen over [minderjarige] ’s emotionele en fysieke veiligheid als hij bij de moeder is. Het netwerk van de moeder kan haar onvoldoende ondersteunen: haar broer is ook blind, haar moeder is zeer slecht ziend en verstandelijk beperkt en de buurvrouw heeft het contact met de moeder verbroken.

Bij [minderjarige] is sprake van zeer ernstige medische problematiek. Hij heeft het Hermansky-pudlak-syndroom, een defect op het pax6 gen en mogelijk het mecp2 duplicatie syndroom. Ten gevolge van dit eerste syndroom heeft [minderjarige] homozygote gen afwijkingen, hetgeen bevestigt dat sprake is geweest van incest. [minderjarige] heeft veel aandacht nodig en met een team bestaande uit een kinderarts, neuroloog, klinisch geneticus, oogarts, fysiotherapeut, logopedist en Koninklijke Visio wordt intensief gewerkt om hem zich zo optimaal mogelijk te laten ontwikkelen. De gezinshuisouders hebben een specialisatie in kinderen met een meervoudige beperking en bieden [minderjarige] een fantastische plek om op te groeien.

Wegens voortdurende bedreigingen van moeder richting het pleeggezin is de begeleide omgangsregeling afgebouwd tot één uur per zes weken op een neutrale plek. De moeder heeft gedurende het gehele bezoek aansturing nodig; overname is ook aan de orde. De moeder kan niet zelfstandig handelen, reageert niet sensitief en responsief en kan niet handelen in acute en onverwachte situaties, waardoor er gevaarlijke situaties ontstaan.

Moeder is nagenoeg blind en heeft het syndroom van Rieger en Peters Anomalie. De moeder heeft een verstandelijke beperking, een niet nader gediagnosticeerde persoonlijkheidsstoornis en een getraumatiseerd verleden met ernstig seksueel misbruik waarbij sprake is van hechtingsproblematiek. De moeder is voor haar functioneren afhankelijk van derden, op dit moment haar broer en de messiaanse geloofsgemeenschap. Eerder was dit haar oom, met wie de moeder twee kinderen heeft, en een andere geloofsgemeenschap. De moeder staat niet open voor hulp; zij wenst geen pottenkijkers.

De moeder heeft wel degelijk een eerlijke kans gekregen. Er was echter geen enkel ‘moeder-kind’-huis bereid de moeder en [minderjarige] op te nemen, omdat vanwege de meervoudige problematiek van de moeder en [minderjarige] 24-uurs begeleiding noodzakelijk zou zijn.

3.7.

Het hof overweegt het volgende.

3.7.1.

Ter beoordeling aan het hof ligt voor of de gronden voor de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing over de periode vanaf de datum van de bestreden beschikking tot 17 maart 2021, toen het gezag van de moeder werd beëindigd, aanwezig waren.

3.7.2.

De machtiging uithuisplaatsing is vervallen nadat bij beschikking van de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, het gezag van de moeder werd beëindigd. Gelet op het door artikel 8 EVRM gewaarborgde recht op eerbiediging van haar gezinsleven, heeft de moeder een rechtens relevant belang om de rechtmatigheid van de machtiging over de periode van 18 november 2020 tot 17 maart 2021 te laten toetsen en behoort aan haar niet haar procesbelang te worden ontzegd op de enkele grond dat de maatregel inmiddels is vervallen.

3.7.3.

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.7.4.

Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

3.7.5.

Het hof is van oordeel dat inderdaad sprake was van voldoende gronden voor verlening van de machtiging uithuisplaatsing. Het hof verwijst naar de bestreden beschikking waarin uitvoerig de zorgen over [minderjarige] en de moeder staan beschreven.

De GI heeft in hoger beroep nog eens uiteengezet wat maakt dat [minderjarige] een kwetsbaar jongetje is dat een bovengemiddelde behoefte heeft aan adequate (medische) zorg, begeleiding en aandacht, waar het hof eveneens naar verwijst en hetgeen in hoger beroep niet is bestreden. [minderjarige] heeft ernstige lichamelijke en cognitieve beperkingen en is daarnaast al veel geconfronteerd geweest met wisselingen en spanningen.

Tevens heeft de GI uitvoerig en gemotiveerd onderbouwd, hetgeen niet of onvoldoende is weersproken, dat de moeder, gezien haar eigen (ernstige) beperkingen en problematiek niet in staat is [minderjarige] de zorg en begeleiding te bieden die hij nodig heeft. Er bestaat naar het oordeel van het hof in de thuissituatie bij de moeder een ernstig risico op het ontstaan van onveilige (en grensoverschrijdende) situaties. Met de GI is het hof van oordeel dat plaatsing van [minderjarige] bij de moeder een ernstig risico voor zijn veiligheid en ontwikkeling zou opleveren.

3.7.6.

In hoger beroep is slechts aangevoerd dat de moeder geen eerlijke kans heeft gekregen en dat haar omstandigheden zijn verbeterd door de aanwezigheid van een nieuwe partner en een netwerk.

Onweersproken is echter gebleven dat de plaatsing in een ‘moeder-kind’-huis, hetgeen de moeder graag wilde, niet mogelijk was vanwege de complexe meervoudige problematiek. Als alternatief is een begeleide omgangsregeling via Anacare aangeboden. Vanwege het grensoverschrijdende gedrag van de moeder richting het pleeggezin heeft de GI dit contact moeten beperken. Tijdens de thans beperkte omgang van één uur per zes weken is continue aansturing en ondersteuning van de moeder nodig om de veiligheid van [minderjarige] te waarborgen.

Het hof stelt verder vast dat uit hetgeen in hoger beroep is aangevoerd niet blijkt dat sinds de bestreden beschikking de situatie van de moeder dusdanig is verbeterd dat thuisplaatsing van [minderjarige] nu wel mogelijk zou zijn. De enige nieuwe omstandigheid is de (gestelde) aanwezigheid van een nieuwe partner in het leven van de moeder. Deze relatie is echter nog pril en er is nog geen sprake van samenwonen. De GI heeft geen zicht op deze persoon en op zijn pedagogische vaardigheden. Daarbij overweegt het hof dat het niet in het belang [minderjarige] is, een kwetsbare jongen die al veel wisselingen heeft meegemaakt, om geconfronteerd te worden met een nieuwe verzorger/opvoeder die hem niet kent en die hijzelf niet kent. Nog afgezien van het voorgaande, doet de aanwezigheid van een nieuwe partner in het leven van de moeder niets af aan het oordeel van het hof dat de ontwikkeling en veiligheid van [minderjarige] in het gedrang komt als de moeder (mede) verantwoordelijk zou worden gemaakt voor zijn verzorging en opvoeding.

3.7.7.

In het gezinshuis, waar de gezinshuisouders beschikken over voldoende expertise en ervaring die nodig zijn om een jongen als [minderjarige] zich zo optimaal mogelijk te laten ontwikkelen, wordt hem een veilige, stabiele en adequate opvoedomgeving geboden. [minderjarige] wordt door de gezinshuisouders op alle gebieden ondersteund en begeleid en de juiste medische zorg geboden, waardoor hij zich naar omstandigheden goed ontwikkelt. Het is noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding [minderjarige] dat het verblijf in het gezinshuis voortgezet wordt.

3.8.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, dient te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 3 november 2020, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.D.M. Lamers, E.M.C. Dumoulin en A.M. Bossink en is op 20 mei 2021 uitgesproken in het openbaar door mr. A.J.F. Manders in tegenwoordigheid van de griffier.