Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:1476

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-05-2021
Datum publicatie
21-05-2021
Zaaknummer
200.283.393_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

bekrachtiging beëindiging gezag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 20 mei 2021

Zaaknummer : 200.283.393/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/02/370805 / FA RK 20-1733

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. R. van Domselaar,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de raad.

Deze zaak gaat over [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] .

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de vader,

en

Stichting Jeugdbescherming Brabant,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 16 april 2020 en 16 juni 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 16 september 2020, heeft de moeder verzocht de beschikking van 16 juni 2020 te vernietigen.

2.2.

Bij verweerschrift met productie, ingekomen ter griffie op 5 november 2020, heeft de GI verzocht het hoger beroep van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking in stand te laten.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 14 mei 2020;

- het V6-formulier met producties van de advocaat van de moeder d.d. 16 oktober 2020;

- het V6-formulier met producties van de advocaat van de moeder d.d. 18 november 2020.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 november 2020 (gelijktijdig met de mondelinge behandeling in de zaak 200.283.385/01). Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Van Domselaar;

- de vader;

- namens de GI [vertegenwoordiger van de GI] .

De raad is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.

2.5.

Het hof heeft tijdens de mondelinge behandeling, met instemming van alle aanwezigen, besloten dat de raad in de gelegenheid wordt gesteld om schriftelijk te reageren op het proces-verbaal van de mondelinge behandeling en dat hierna de advocaat van de moeder, de vader en de GI in de gelegenheid worden gesteld om te reageren.

2.6.

Nadien heeft het hof kennisgenomen van de inhoud van:

- de brief van de raad d.d. 18 december 2020;

- de brief van de advocaat van de moeder d.d. 7 januari 2021.

De vader en de GI hebben geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om schriftelijk te reageren.

2.7.

De brief van de raad van 18 december 2020 neemt het hof in aanmerking voor zover de raad daarin reageert op het proces-verbaal van de mondelinge behandeling. De brief van de advocaat van de moeder van 7 januari 2021 neemt het hof in aanmerking, voor zover daarin wordt gereageerd op de – hier in aanmerking te nemen – reactie van de raad.

3 De beoordeling

3.1.

De vader en de moeder zijn met elkaar gehuwd geweest. Uit het huwelijk van de moeder en de vader is op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige] ) geboren.

3.2.

[minderjarige] heeft sinds 30 augustus 2017 onder toezicht van de GI gestaan. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd geweest tot 30 augustus 2020.

3.3.

[minderjarige] heeft na de echtscheiding van de ouders aanvankelijk bij de moeder gewoond. Zij heeft vervolgens van 14 juli 2017 tot maart 2019 bij de vader verbleven. Dit was vanaf 30 augustus 2017 op grond van een machtiging tot uithuisplaatsing. Daarna heeft [minderjarige] van maart 2019 tot april 2020 in een gezinshuis verbleven, eveneens op grond van een machtiging tot uithuisplaatsing. Sinds april 2020 is zij weer bij de vader geplaatst.

3.4.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank het gezag van de ouders over [minderjarige] beëindigd en de GI benoemd tot voogdes over [minderjarige] .

3.5.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.6.

De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, - kort samengevat - het volgende aan.

Het verzoek van de moeder ziet alleen op het gezag van de moeder. Haar verzoek ziet niet op het gezag van de vader. Indien de bestreden beschikking wordt vernietigd, dan verzoekt zij alleen met het gezag over [minderjarige] te worden belast.

De moeder geeft wel emotionele toestemming om [minderjarige] bij de vader te laten wonen. Dit blijkt al uit het feit dat zij niet in hoger beroep is gegaan tegen de beschikking van 30 maart 2020 tot plaatsing van [minderjarige] bij de vader. De rechtbank heeft ten onrechte geredeneerd dat er geen sprake is van een ondubbelzinnige acceptatie waardoor het vrijwillige kader een gepasseerd station is. Voor de continuïteit is het beter dat [minderjarige] bij de vader blijft wonen en de vader en diens familie de dagelijkse zorg op zich nemen en dienaangaande de beslissingen nemen. Het behoud van het gezag door de moeder zou een positieve stimulans kunnen zijn om de verstandhouding tussen de ouders te verbeteren. Er zijn mogelijkheden om de communicatie tussen de ouders te verbeteren, bijvoorbeeld door het ondernemen van een activiteit met [minderjarige] door de ouders gezamenlijk op een neutrale locatie.

Er is onvoldoende onderzoek gedaan naar de opvoedsituatie en -vaardigheden van de moeder. Tot op heden is er geen deugdelijk deskundig onderzoeksrapport dat voldoende bewijst dat de opvoedsituatie bij de moeder al dan niet met hulp, onvoldoende veilig is. Het rapport van Keinder, het rapport van de raad uit 2017 en de verslagen van mevrouw [betrokkene] uit 2018 kunnen om verschillende redenen niet de juridische grondslag zijn voor de rechtelijke beslissing daarover. De moeder heeft herhaaldelijk om een tegenonderzoek verzocht in de zin van artikel 810a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), maar dit is ten onrechte afgewezen of zelfs niet op zichtbare wijze beoordeeld.

De GI is ten onrechte tot voogdes benoemd. De rechtbank heeft verzuimd de stellingen van de moeder over het handelen van de GI te beoordelen. Zij vreest dat door de huidige koers van de GI [minderjarige] een afkeer jegens haar en haar familie ontwikkelt, althans dat [minderjarige] steeds onverschilliger jegens haar en haar familie wordt. De redenering dat ook een andere voogd op den duur het vertrouwen van de moeder zou verliezen, is niet redelijk. Het belang van [minderjarige] moet prevaleren. Haar belang bestaat er mede uit dat de moeder op een faire wijze wordt benaderd door de GI en de instanties. Het is voor de ontwikkeling en het zelfbeeld van [minderjarige] belangrijk dat zij op een positieve wijze naar de moeder mag blijven kijken.

De moeder doet een bewijsaanbod. Zij zou onder meer aannemelijk willen maken dat de huidige gezinsvoogd niet kan worden aangemerkt als een voldoende neutrale derde en dat wel degelijk andere beschikbare personen meer geschikt zouden zijn om tot voogd te worden benoemd.

3.7.

De raad voert in zijn brief van 18 december 2020 als reactie op het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 30 november 2020, het volgende aan.

De bestreden beschikking is op goede gronden gegeven en moet in stand blijven. Het is onverminderd in het belang van [minderjarige] dat het gezag niet door één van de ouders wordt uitgeoefend en dat de GI voogdes blijft. Indien de bestreden beschikking wel zou worden vernietigd, dan maakt de raad zich zeer grote zorgen over de ongewenste situatie dat de moeder eenhoofdig belast zou worden met het gezag. Er bestaat in dat geval een onaanvaardbaar groot risico dat het verblijf van [minderjarige] bij de vader ter discussie komt te staan. Dat risico is dusdanig, dat het verblijf van [minderjarige] bij de vader wederom onhoudbaar wordt, dat er getornd wordt aan de afspraken rondom de omgang tussen de moeder en [minderjarige] en dat dit alles een negatief effect heeft op de ontwikkeling en het welzijn/welbevinden van [minderjarige] . Daarnaast zou er in dat geval een ongelijkheid ontstaan in de verantwoordelijkheden van de ouders, nu de vader de opvoedende en verzorgende ouder is. Het standpunt van de raad blijft dat het perspectief van [minderjarige] bij de vader ligt en niet bij de moeder.

3.8.

De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling – kort samengevat – het volgende aan.

De bestreden beschikking is op de juiste gronden afgegeven. De GI onderschrijft de gronden die de raad in het inleidende verzoekschrift heeft aangevoerd.

Nu [minderjarige] bij de vader woont en er een gezagsbeëindigende maatregel is, komt er hopelijk rust voor [minderjarige] waardoor zij meer toekomt aan haar ontwikkelingstaken. Er zijn geen zorgen over de opvoedsituatie bij de vader. Ook vanuit de school van [minderjarige] zijn daarover geen zorgen. [minderjarige] staat nu centraal. Zij moet in haar eigen tempo en onbelast de ruimte krijgen om zich positief te kunnen ontwikkelen en te kunnen genieten van haar kind zijn. In de toekomst zou voor [minderjarige] een vorm van therapie of traumaverwerking goed zijn, maar zij staat daar nu niet voor open. [minderjarige] gaat gesprekken over de moeder en over het verleden uit de weg. Zij wil rust in haar hoofd. Het contact van de GI met [minderjarige] is goed. [minderjarige] weet dat de GI voor haar belangen op komt en dat zij bij de GI terecht kan.

Er is gedurende de ondertoezichtstelling van 10 augustus 2017 tot 16 juni 2020 veelvuldig op ingezet om tot een betere samenwerking te komen met de moeder. Het is de moeder niet gelukt om een samenwerkingsrelatie op te bouwen met de GI en/of de ingezette hulpverlening.

3.9.

De vader voert tijdens de mondelinge behandeling het volgende aan.

De ouders hebben in het verleden gedurende vier jaren in een vrijwillig kader hulpverlening gehad. Die hulpverlening was erop gericht dat [minderjarige] bij de moeder zou wonen. De reden waarom daarna in een gedwongen kader is besloten tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader, is dat de zorgmeldingen vanuit de school van [minderjarige] bleven komen. [minderjarige] is vervolgens geplaatst in een neutraal gezin, maar dat ging niet goed. Er is nu gekozen voor plaatsing van [minderjarige] bij hem en voor beëindiging van het gezag van beide ouders. De vader is het daarmee eens. Hij wil niet samen met de moeder het gezag uitoefenen en hij wil ook niet dat het gezag door de moeder alleen wordt uitgeoefend.

De vader is het eens met de benoeming van de GI tot voogdes over [minderjarige] . De GI is al een aantal jaren betrokken en kent [minderjarige] goed. Het is niet in het belang van [minderjarige] om dat te veranderen. [minderjarige] heeft het afgelopen jaar veel verschillende gezichten gezien. Weer een wisseling heeft geen zin, te meer omdat in het verleden is gebleken dat de moeder vroeg of laat met de hulpverlening niet overweg kan. Er is nu eindelijk rust voor [minderjarige] , aldus de vader.

3.10.

Het hof overweegt het volgende.

3.10.1.

Ingevolge artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het gezag van een ouder over een of meer van zijn kinderen beëindigd worden indien

  1. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

  2. de ouder het gezag misbruikt.

3.10.2.

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen afweging en waardering overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat [minderjarige] zodanig opgroeit dat zij in haar ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de vader – zonder tussenkomst van een derde – én de moeder niet in staat zijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van [minderjarige] aanvaardbaar te achten termijn. Het hof voegt daar nog het volgende aan toe.

3.10.3.

Grief I van de moeder richt zich met name tegen de overweging van de rechtbank dat de moeder de plaatsing en het permanente verblijf van [minderjarige] bij de vader niet onvoorwaardelijk en ondubbelzinnig accepteert. Volgens de moeder accepteert zij wel dat [minderjarige] bij de vader woont en kan daarom haar gezag over [minderjarige] behouden blijven.

Het hof is op grond van de processtukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat de moeder tegen de beslissing tot herplaatsing van [minderjarige] bij de vader vanaf april 2020 geen gerechtelijke procedure heeft gevoerd en dat zij meerdere malen heeft verklaard te accepteren dat [minderjarige] bij de vader woont. Echter is ook gebleken dat de moeder het niet eens met de overweging van de rechtbank dat voldoende onderzoek is gedaan naar de opvoedsituatie en opvoedvaardigheden van de moeder. De moeder stelt onder grief II dat er tot op heden geen deugdelijk deskundig onderzoeksrapport is dat voldoende bewijst dat de opvoedsituatie bij haar al dan niet met hulp onvoldoende veilig is. Zij richt zich daarmee (indirect) tegen de beslissing dat het perspectief van [minderjarige] niet meer bij de moeder maar bij de vader ligt. Dit duidt erop dat de moeder de plaatsing van [minderjarige] bij de vader niet onvoorwaardelijk en ondubbelzinnig accepteert. Daarmee valt naar het oordeel van het hof niet te verenigen dat de moeder het gezag behoudt.

3.10.4.

Ten aanzien van grief II overweegt het hof voorts dat, gelijk aan het oordeel van de rechtbank, voldoende onderzoek is gedaan naar de opvoedsituatie en opvoedvaardigheden van de moeder. Na het onderzoek van Keinder in juni 2018 is begeleiding van Gezinsbegeleiding [plaats] binnen de ondertoezichtstelling ingezet geweest. Hierna bestond voldoende zicht op de mogelijkheden en onmogelijkheden van een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder, zoals het hof heeft overwogen bij beschikking van 19 december 2019 (met zaaknummers 200.257.039/01 en /02 en 200.260.119/01 en /02). Een nader deskundigenonderzoek op grond van artikel 810a lid 2 Rv heeft het hof in die beschikking te belastend geacht voor [minderjarige] .

Voor zover de moeder met grief II heeft beoogd (opnieuw) te verzoeken om een nader deskundigenonderzoek, zal het hof dit verzoek afwijzen. Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat de termijn waarin het nog aanvaardbaar is voor [minderjarige] om in onzekerheid te verkeren over waar ze zal opgroeien inmiddels is verstreken. Dit is in hoger beroep ook niet in geschil. Nu de aanvaardbare termijn is verstreken, zal de uitkomst van een nieuw deskundigenonderzoek niet meer mede kunnen bijdragen aan de in deze zaak te nemen beslissing en verzet een dergelijk onderzoek zich tegen het belang van [minderjarige] zodat het hof het verzoek van de moeder zal afwijzen.

3.10.5.

Grief III van de moeder is gericht tegen de benoeming van de GI tot voogdes over [minderjarige] .

De vader en de GI hebben in hoger beroep verklaard dat het contact tussen de GI en [minderjarige] goed verloopt. De GI is al een aantal jaren betrokken bij [minderjarige] en is in staat de belangen van [minderjarige] te behartigen. Het hof acht het niet in het belang van [minderjarige] om dit te veranderen en een ander als voogd(es) te benoemen, nu [minderjarige] de afgelopen jaren al veel verschillende hulpverleners heeft gehad en zij gebaat is bij duidelijkheid en stabiliteit. Niet aannemelijk is geworden dat de GI als voogdes een negatieve invloed zal hebben op de relatie tussen [minderjarige] en de moeder en haar familie, zoals de moeder vreest. Evenmin is aannemelijk geworden dat eerdere handelingen/beslissingen van de GI in het kader van de ondertoezichtstelling er thans aan in de weg staan dat de GI als voogdes betrokken is.

De moeder heeft bewijs aangeboden door informanten en/of deskundigen die kunnen verklaren dat de huidige gezinsvoogdes niet kan worden aangemerkt als een voldoende neutrale derde en dat andere beschikbare personen meer geschikt zouden zijn om tot voogd te worden benoemd. Nu gelet op hetgeen hiervoor is overwogen een andere voogdes niet in het belang van [minderjarige] wordt geacht, gaat het hof aan het bewijsaanbod voorbij.

3.10.6.

Het gebrek aan vertrouwen van de moeder jegens de GI en de mening van de moeder dat zij onvoldoende geïnformeerd en betrokken wordt door de GI, dient de GI serieus te nemen. De raad heeft dit in het raadsrapport van 2 april 2020 reeds benoemd. Binnen de voogdijmaatregel moet gewerkt worden aan herstel hiervan. Dat het eerder niet is gelukt om tot een samenwerkingsrelatie te komen, zoals de GI in hoger beroep heeft aangevoerd, maakt niet dat hier geen (of: niet opnieuw) aandacht voor moet zijn.

In dit verband is nog van belang dat de moeder ter zitting naar voren heeft gebracht dat zij geen terugkoppeling krijgt na de omgangsmomenten met [minderjarige] . Het is een aandachtspunt voor de GI dat de moeder terugkoppeling krijgt over hoe zij onbelast contact met [minderjarige] kan hebben.

4 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen slagen de grieven van de moeder niet en zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen. Het in hoger beroep meer of anders verzochte zal worden afgewezen.

5 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 16 juni 2020 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.L. Schaafsma-Beversluis, J.C.E. Ackermans-Wijn en M.J.C. van Leeuwen en is op 20 mei 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.