Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:1474

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-05-2021
Datum publicatie
21-05-2021
Zaaknummer
200.281.040_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ontvankelijkheid vermeerdering van verzoek in hoger beroep; nadere termijn voor verweerschrift

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 20 mei 2021

Zaaknummer: 200.281.040/01

Zaaknummers eerste aanleg: 7685584 OV VERZ 19-3604 en 7685601 OV VERZ 19-3605

in de zaak in hoger beroep van:

[de bewindvoerder] ,

in zijn hoedanigheid van bewindvoerder van
[de rechthebbende 1] en [de rechthebbende 2],
beiden wonende te [woonplaats] , in eerste aanleg: verzoekers (hierna te noemen: [de rechthebbende 1] en [de rechthebbende 2] of de rechthebbenden),

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de bewindvoerder,

advocaat: mr. J. van Boekel,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[B.V.] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: [verweerster] ,

advocaat: mr. R.F. Herculeijns.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg, van 20 april 2020, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 15 juli 2020, heeft de bewindvoerder het hof verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, eventueel onder verbetering en aanvulling van de gronden en zo nodig de bestreden beschikkingen te wijzigen en, opnieuw beschikkende, te oordelen dat de klachten tegen [verweerster] gegrond zijn, dat [verweerster] daarvoor aansprakelijk is en dat de schade nader dient te worden opgemaakt bij staat en voorts vast te stellen dat [verweerster] geen beloning toekomt in verband met de gewichtige redenen die in eerste aanleg zijn vastgesteld.

2.2.

Bij ‘aanvulling op het appelschrift’ met producties, ingekomen ter griffie op 4 september 2020, heeft de bewindvoerder gepersisteerd bij zijn eerdere verzoek.

2.3.

Het hof heeft besloten eerst de ontvankelijkheid van de verzoeken in hoger beroep te beoordelen en heeft [verweerster] in de gelegenheid gesteld ten aanzien van dat onderwerp een verweerschrift in te dienen.

2.4.

Bij verweerschrift inzake de ontvankelijkheid, ingekomen ter griffie op 25 maart 2021, heeft [verweerster] verzocht:

- de aanvulling op het beroepschrift buiten beschouwing te laten;

- indien het hof beslist dat de bewindvoerder gedeeltelijk ontvankelijk is in zijn verzoek, dan [verweerster] in de gelegenheid te stellen nader verweer te voeren.

2.5.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 maart 2021. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    namens de bewindvoerder mr. Van Boekel;

  • -

    namens [verweerster] [medewerker] , bijgestaan door mr. I.E. van der Wal (kantoorgenoot van mr. Herculeijns).

2.6.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de brief met bijlagen van [verweerster] van 12 oktober 2020.

3 De beoordeling

Feiten

3.1.

Bij beschikking van 18 mei 2017 heeft de kantonrechter over de goederen die [de rechthebbende 1] en [de rechthebbende 2] toebehoren of zullen toebehoren bewind ingesteld, met benoeming van [verweerster] tot bewindvoerder.

3.2.

Bij de bestreden beschikking van 20 april 2020 (met zaaknummer 7685584 OV VERZ 19-3604) heeft de kantonrechter:

- [verweerster] met ingang van 1 mei 2020 ontslagen als bewindvoerder over de goederen van [de rechthebbende 2] ;

- bepaald dat de ontslagen bewindvoerder rekening en verantwoording zal afleggen ter zake het gevoerde beheer over het vermogen van de rechthebbende;

- de beloning van de ontslagen bewindvoerder voor het opmaken van de eindrekening en verantwoording vastgesteld overeenkomstig artikel 7 lid 5 sub d van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren;

- met ingang van 1 mei 2020 [de bewindvoerder] benoemd als bewindvoerder over de goederen van [de rechthebbende 2] ;

- de jaarbeloning van de bewindvoerder vastgesteld overeenkomstig artikel 1 lid 4 van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren;

- de griffier opgedragen deze uitspraak in te schrijven in het openbare Centraal Curatele – en bewindregister.

3.3.

Bij de bestreden beschikking van 20 april 2020 (met zaaknummer 7685601 OV VERZ 19-3605) heeft de kantonrechter:

- [verweerster] met ingang van 1 mei 2020 ontslagen als bewindvoerder over de goederen van [de rechthebbende 1] ;

- bepaald dat de ontslagen bewindvoerder rekening en verantwoording zal afleggen ter zake het gevoerde beheer over het vermogen van de rechthebbende;

- met ingang van 1 mei 2020 [de bewindvoerder] benoemd als bewindvoerder over de goederen van [de rechthebbende 1] ;

- de jaarbeloning van de bewindvoerder vastgesteld overeenkomstig artikel 1 lid 4 van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren;

- de griffier opgedragen deze uitspraak in te schrijven in het openbare Centraal Curatele – en bewindregister.

3.4.

De bewindvoerder, in zijn hoedanigheid van bewindvoerder van [de rechthebbende 2] en [de rechthebbende 1] , kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

Ontvankelijkheid

3.5.

[verweerster] voert, samengevat, het volgende aan.

De bewindvoerder had geen geldige reden om op 4 september 2020, buiten de termijn van artikel 806 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, een aanvullend beroepschrift in te dienen. Hij heeft geen bekwame spoed betracht bij de indiening van het aanvullend beroepschrift. Het aanvullend beroepschrift moet daarom buiten beschouwing worden gelaten.

[verweerster] wordt een instantie ontnomen, indien het hof de bewindvoerder ontvankelijk verklaard in zijn verzoeken in hoger beroep ten aanzien van de klachten jegens [verweerster] en de aansprakelijkheid daarvoor. Die verzoeken hadden in eerste aanleg moeten worden ingediend. De bewindvoerder dient daarom in zijn verzoeken niet-ontvankelijk te worden verklaard en in de proceskosten te worden veroordeeld.

Indien de bewindvoerder wel in zijn verzoeken wordt ontvangen, dan dient [verweerster] in de gelegenheid te worden gesteld nader inhoudelijk verweer te voeren.

3.6.

De bewindvoerder voert, samengevat, het volgende aan.

De grieven staan in het beroepschrift, dat tijdig is ingediend. De aanvulling op het beroepschrift bevat geen afzonderlijke grieven. Daarin staat met name een toelichting op de stukken die daarbij zijn overgelegd.

De rechthebbenden hebben in hun inleidende verzoekschrift klachten over het functioneren van [verweerster] geuit. De kantonrechter benoemt in de bestreden beschikkingen deze klachten te hebben ontvangen. Echter is daarop vervolgens niet beslist. De klachten en daarmee samenhangende verzoeken dienen in hoger beroep alsnog inhoudelijk behandeld te worden.

Een proceskostenveroordeling is niet aan de orde.

3.7.

Het hof overweegt als volgt.

3.7.1.

Het processtuk genaamd ‘aanvulling op het appelschrift’ dat de bewindvoerder op 4 september 2020 heeft ingediend beschouwt het hof niet als een aanvullend beroepschrift, maar als een akte overlegging producties. Het stuk bevat namelijk (enkel) een overzicht van de daarbij overgelegde producties met een korte toelichting daarop en geen nadere grieven.

Het hof zal dit processtuk daarom, anders dan door [verweerster] is verzocht, wel tot de processtukken toelaten.

3.7.2.

In eerste aanleg hebben de rechthebbenden het ontslag van [verweerster] verzocht en klachten geuit over het functioneren van [verweerster] . Het verzoek van de bewindvoerder in hoger beroep – te oordelen dat de klachten tegen [verweerster] gegrond zijn, [verweerster] daarvoor aansprakelijk is en de schade nader dient te worden opgemaakt – betreft een vermeerdering van het in eerste aanleg gedane verzoek. De vermeerdering van het verzoek acht het hof toelaatbaar nu deze tijdig, dat wil zeggen in het beroepschrift, is gedaan en in het verlengde ligt van (de gronden van) het verzoek in eerste aanleg. [verweerster] heeft op de klachten van de rechthebbenden over haar functioneren, die ten grondslag liggen aan het verzoek in hoger beroep, voor en tijdens de procedure in eerste aanleg kunnen reageren en gereageerd.

Dat de vermeerdering van het verzoek voor het eerst in hoger beroep is gedaan, doet aan het voorgaande niet af, nu degene die in eerste aanleg verzoeker was, in hoger beroep zijn verzoek kan vermeerderen of aanvullen en het hoger beroep mede strekt tot herstel van eventuele fouten of omissies in eerste aanleg. Van strijd met een goede procesorde is geen sprake.

3.7.3.

Ten aanzien van het andere verzoek van de bewindvoerder in hoger beroep, namelijk om vast te stellen dat [verweerster] geen beloning toekomt in verband met de gewichtige redenen die in eerste aanleg zijn vastgesteld, is de ontvankelijkheid tussen partijen niet in geschil.

3.8.

Op grond van het voorgaande zal het hof de bewindvoerder ontvangen in zijn verzoeken in hoger beroep. [verweerster] zal in de gelegenheid worden gesteld een nader verweerschrift in te dienen binnen zes weken na de datum van deze beschikking. Het hof zal daarna in beginsel een nieuwe mondelinge behandeling bepalen, tenzij partijen te kennen geven dat onderhavige zaak op de stukken kan worden afgedaan.

4 De beslissing

Het hof:

verklaart de bewindvoerder ontvankelijk in de verzoeken in hoger beroep;

bepaalt dat [verweerster] – door tussenkomst van een advocaat – binnen zes weken na heden een nader verweerschrift in hoger beroep kan dienen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.E. Ackermans-Wijn, H. van Winkel en P.M.M. Mostermans en is op 20 mei 2021 door mr. H. van Winkel in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.