Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:1473

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-05-2021
Datum publicatie
21-05-2021
Zaaknummer
200.280.977_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bekrachtiging beslissing kantonrechter provisioneel bewind in afwachting beslissing op verzoek tot ondercuratelestelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 20 mei 2021

Zaaknummer: 200.280.977/01

Zaaknummer eerste aanleg: 8436127 TE VERZ 20-448

in de zaak in hoger beroep van:

[verzoekster] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats,

thans verblijvende in de [GGZ] Kliniek Autisme te [plaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: [verzoekster] ,

advocaat: mr. M.P. Ufkes.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

- [GGZ] Kliniek Autisme te [plaats] ,

gevolmachtigde: mevrouw [psychiater] (psychiater).

hierna: [psychiater] ,

&

- de heer [curator] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: [curator] .

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 15 april 2020.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 14 juli 2020, heeft [verzoekster] verzocht voormelde beschikking te vernietigen en de provisionele onderbewindstelling te beëindigen met ontslag van de bewindvoerder en de [GGZ] te veroordelen in de proceskosten.

2.2.

Er is geen verweerschrift ingekomen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 april 2021. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de advocaat van [verzoekster] ;

  • -

    [psychiater] ;

  • -

    [curator] .

[verzoekster] is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet bij de mondelinge behandeling verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van het e-mailbericht van de provisioneel bewindvoerder van 1 april 2021 met als bijlage de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 23 oktober 2020.

3 De beoordeling

3.1.

[verzoekster] is geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] . In november 2019 is zij bij de [GGZ] kliniek in [plaats] (afdeling autisme volwassenen) opgenomen op basis van een machtiging BOPZ. In de kliniek kreeg zij drie keer per dag dwangbehandeling met medicatie.

Procedure eerste aanleg

3.2.1.

De [GGZ] heeft de kantonrechter op 7 april 2020 verzocht om [verzoekster] onder curatele te stellen met benoeming van [curator] tot curator.

3.2.2.

Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter, voor zover hier relevant, met ingang van 15 april 2020 een provisioneel bewind ingesteld over alle goederen die (zullen) toebehoren aan [verzoekster] , met benoeming van [curator] tot provisioneel bewindvoerder. De kantonrechter heeft aan [curator] alle bevoegdheden toegekend die een curator heeft.

De kantonrechter heeft iedere verdere beslissing aangehouden.

Actuele informatie

3.3.1.

Het hof is ambtshalve bekend (centraal curatele- en bewindregister) met de beslissing van de kantonrechter, zittingsplaats Eindhoven , van 30 oktober 2020 waarbij [verzoekster] onder curatele is gesteld met benoeming van [curator] tot curator.

3.3.2.

Op 1 april 2021 heeft het hof het bericht ontvangen van [curator] dat [verzoekster] de [GGZ] kliniek is ontvlucht en dat zij op de telex staat.

Procedure hoger beroep

3.4.

[verzoekster] kan zich met de beslissing van de kantonrechter van 15 april 2020 (provisioneel bewind) niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

In haar beroepschrift, zoals aangevuld door haar advocaat tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep, voert zij – kort samengevat en voor zover relevant – het volgende aan.

De rechtbank heeft onvoldoende gemotiveerd waarom er een provisioneel bewind ingesteld moest worden en er een provisioneel bewindvoerder diende te worden benoemd.

[verzoekster] heeft vermogen uit een erfenis en komt niet in aanmerking voor een uitkering. Met haar vermogen kan zij een huurwoning bekostigen. [verzoekster] heeft alleen maar hulp nodig bij het vinden van passende woonruimte. [verzoekster] is verzekerd; zij heeft zelf een zorgverzekering afgesloten.

Uit het inleidend verzoek blijkt het spoedeisend karakter niet en ook niet waarom een eventuele ondercuratelestelling niet kan worden afgewacht. Er was geen noodzaak om [verzoekster] onmiddellijk te beschermen met een provisioneel bewind. Dit hamert op de inbreuk van haar autonomie en privacy. Die inbreuk heeft een negatieve invloed op haar geestesgesteldheid. De (medische) verklaringen die aan het verzoek ten grondslag zijn gelegd, zijn van onvoldoende gewicht om de inbreuk op het privéleven en privacy van [verzoekster] te rechtvaardigen.

[verzoekster] wil meewerken aan behandelingen, maar niet aan alle behandelingen.

3.5.

[psychiater] heeft tijdens de mondelinge behandeling, het volgende verklaard:

[verzoekster] is weggelopen uit de kliniek, omdat zij zich niet wilde houden aan de aangepaste huisregels die vanwege de Coronamaatregelen gelden. [verzoekster] is als vermist opgegeven. Zij werkt zichzelf de afgelopen jaren steeds tegen door niet te verschijnen op belangrijke momenten. Het is niet realistisch wat [verzoekster] eist. Ze eiste dat er een woning zou worden geregeld voor haar, maar als er inderdaad een poging wordt gedaan om haar te plaatsen, verschijnt ze niet op de afspraak.

3.6.

[curator] heeft tijdens de mondelinge behandeling, het volgende verklaard:

Er was sprake van een spoedeisende situatie toen het provisioneel bewind werd ingesteld. Het is aantoonbaar dat [verzoekster] de situatie niet meer kon overzien. Het provisioneel bewind, en later de ondercuratelestelling, is zeer helpend geweest voor [verzoekster] . De situatie was onhoudbaar en [curator] kon meteen aan de slag toen het provisioneel bewind werd uitsproken. De spoedeisendheid zat in: het risico op zwerven, het laten ontstaan van schulden, het gevaar voor derden en de invloed die [verzoekster] op derden (met name: haar partner) heeft. Ook de zorgverzekering dreigde beëindigd te worden.

[verzoekster] had flinke schulden laten ontstaan, maar zij bleek nog geld tegoed te hebben uit een erfenis. De zus van [verzoekster] , die in België woont, beheerde dat geld. Het is [curator] gelukt om over dat geld het beheer te krijgen en hiermee alle schulden af te lossen, onder meer circa € 3.000,- aan achterstallige premie ter zake de zorgverzekering. Dit is voortvarend verlopen. Als [curator] niet direct zou hebben ingegrepen, zou de zorgverzekering zijn beëindigd. [verzoekster] overziet dit niet.

Het hof overweegt als volgt

Verzoek om aanhouding

3.7.1.

Mr. Ufkes heeft bij aanvang van de mondelinge behandeling verzocht om aanhouding van de zaak, omdat [verzoekster] niet is verschenen en hij haar wel had verwacht. [psychiater] heeft hier geen bezwaar tegen, maar [curator] wel; hij vindt het bovendien niet relevant om aan te houden, omdat [verzoekster] er wel bij had kunnen zijn. Na een korte schorsing van de mondelinge behandeling, heeft het hof aan de aanwezige betrokkenen medegedeeld dat de zaak niet wordt aangehouden, omdat het hof daarvoor geen grond ziet.

Inhoudelijke beoordeling

3.7.2.

Op grond van artikel 1:380 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter voor wie het verzoek tot ondercuratelestelling aanhangig is of laatstelijk aanhangig was, op verzoek of ambtshalve, een provisionele bewindvoerder benoemen. Het provisioneel bewind is een tijdelijke voorziening en bedoeld voor situaties waarin onmiddellijke bescherming van de belangen van de meerderjarige noodzakelijk is omdat nog geen beslissing of onherroepelijke beslissing is of kan worden gegeven op het verzoek tot ondercuratelestelling.

3.7.3.

Het hof stelt voorop dat het provisioneel bewind is komen te vervallen toen de ondercuratelestelling op 30 oktober 2020 werd uitgesproken. In het midden latend of [verzoekster] nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van dit hoger beroep, overweegt het hof ten aanzien van de inhoud als volgt.

3.7.4.

Uit het dossier is gebleken dat [verzoekster] lijdt aan ernstige psychiatrische problematiek (waaronder psychoses). Sinds 2016 is zij bekend op de PAAZ-afdeling. Eind 2019 was [verzoekster] dakloos en is zij met fors ondergewicht opgenomen in de [GGZ] kliniek.

3.7.5.

Het hof is van oordeel dat de belangen van [verzoekster] – de materiële en de immateriële – onmiddellijke bescherming nodig hadden en dat de afloop van de procedure tot ondercuratelestelling niet langer kon worden afgewacht. De psychiatrische problematiek is onderschreven door [psychiater] en [curator] tijdens de mondelinge behandeling. Er bleek ook sprake te zijn van financiële problemen. [verzoekster] had verschillende schulden laten ontstaan, onder meer vanwege het niet betalen van de zorgpremie. [curator] heeft ervoor gezorgd dat geld, dat voor [verzoekster] uit hoofde van een erfenis beschikbaar was, daadwerkelijk is gebruikt om bestaande schulden af te lossen en daarmede problemen, zoals het eindigen van de zorgverzekering, af te wenden.

3.7.6.

De ernst van de situatie in april 2020 is bevestigd door alles wat er sindsdien is gebeurd. De rechtbank heeft bij beschikking van 23 oktober 2020 een zorgmachtiging verleend (geldig voor één jaar). Op 30 oktober 2020 is het provisioneel bewind omgezet in een ondercuratelestelling waartegen geen hoger beroep is ingesteld. Deze beslissingen van de rechtbank bevestigen dat onmiddellijk ingrijpen in april 2020 nodig was en dat er niet langer kon worden gewacht. Het hof is dan ook van oordeel dat het provisioneel bewind terecht en op goede gronden is uitgesproken; er was op dat moment geen minder bezwarend alternatief aanwezig om [verzoekster] te beschermen.

3.7.7.

Dit betekent dat het hof de bestreden beschikking zal bekrachtigen.

Proceskosten

3.7.8.

[verzoekster] heeft tot slot verzocht om de [GGZ] te veroordelen in de proceskosten. Daarvoor ziet het hof, gelet op de uitkomst van de zaak, geen aanleiding.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

compenseert de op dit hoger beroep gevallen proceskosten tussen partijen aldus, dat ieder van hen de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, E.L. Schaafsma-Beversluis, H. van Winkel en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2021 door mr. H. Winkel in tegenwoordigheid van mr. D. van der Horst, griffier.