Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:1471

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-05-2021
Datum publicatie
21-05-2021
Zaaknummer
200.273.869_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

zaaknummer : 200.273.869/01

zaaknummer rechtbank : C/03/264135/FA RK 19-1775

beschikking van de meervoudige kamer van 20 mei 2021

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. Q.J. van Riet te Venlo,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. I.E. Grosfeld-van Erp te Son en Breugel.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de hierboven genoemde beschikking van de rechtbank Limburg (zittingsplaats Roermond) van 12 november 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De man is op 10 februari 2020 in hoger beroep gekomen van de voormelde beschikking van 12 november 2019.

2.2.

De vrouw heeft op 4 juni 2020 een verweerschrift ingediend.

2.3.

Het hof heeft voorts kennis genomen van:

- het journaalbericht van de zijde van de vrouw van 28 december 2020 met bijlagen, ingekomen op 28 december 2020;

- het journaalbericht van de zijde van de man van 23 maart 2021 met bijlagen, ingekomen op 24 maart 2021;

- het journaalbericht van de zijde van de vrouw van 26 maart 2021 met bijlagen, ingekomen op 26 maart 2021.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft op 7 april 2021 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

2.5.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de vrouw pleitnotities overgelegd.

3 De feiten

3.1.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2.

Bij beschikking van 2 september 2015 heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder meer tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op 2 december 2015 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.3.

Bij voormelde beschikking heeft de rechtbank verder – voor zover thans van belang – bepaald dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand als uitkering tot levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partneralimentatie) € 1.911,- per maand zal voldoen.

Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt de partneralimentatie:

- met ingang van 1 januari 2017 € 1.976,49 per maand,

- met ingang van 1 januari 2018 € 2.006,14 per maand,

- met ingang van 1 januari 2019 € 2.046,26 per maand,

- met ingang van 1 januari 2020 € 2.097,42 per maand,

- met ingang van 1 januari 2021 € 2.160,34 per maand.

3.4.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking is, met wijziging van de beschikking van 2 september 2015, de partneralimentatie met ingang van 1 augustus 2019 nader bepaald op € 2.002,- per maand.

4.2.

De grieven van de man zien op de ingangsdatum van de partneralimentatie, op de behoefte van de vrouw en op de draagkracht van de man.

4.2.1.

De man heeft verzocht de bestreden beschikking, uitsluitend wat de partneralimentatie betreft, te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zo nodig met aanvulling van de gronden,

primair:

(1) de verplichting van de man om aan de vrouw te betalen als bijdrage in haar kosten van

levensonderhoud aldus te wijzigen:

- met ingang van 1 januari 2017 (althans met ingang van een datum die het hof juist acht) naar € 588,88 netto per maand, dit is € 838,15 bruto per maand;

- met ingang van 1 januari 2018 (na indexering) naar € 850,72 bruto per maand;

- met ingang van 1 januari 2019 (na indexering) naar € 867,73 bruto per maand;

- met ingang van 1 januari 2020 (na indexering) naar € 889,42 bruto per maand;

al het voorgaande: althans een bruto bedrag per maand dat het hof juist acht;

(2) de vrouw te veroordelen om een bedrag van € 33.418,06 bruto, te vermeerderen met hetgeen de man vanaf juni 2019 meer aan de vrouw heeft betaald dan uit het voorgaande volgt

(althans een door het hof vast te stellen bedrag), aan de man te betalen wegens te veel ontvangen partneralimentatie;

Subsidiair:

de verplichting van de man om aan de vrouw partneralimentatie te betalen te wijzigen met inachtneming van hetgeen de man bij zijn derde grief heeft aangevoerd en wel met ingang van een datum die het hof juist acht;

Kosten rechtens.

4.3.

De vrouw heeft verzocht de man in zijn verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, althans zijn primaire en subsidiaire verzoeken af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

Wijziging van omstandigheden

5.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat er, zoals de rechtbank heeft overwogen, gelet op de gewijzigde inkomens van partijen, sprake is van een wijziging van omstandigheden die ertoe leidt dat de bijdrage van de man in het levensonderhoud van de vrouw opnieuw moet worden beoordeeld. Het hof gaat daarvan uit.

Ingangsdatum

5.2.

Het hof is, evenals de rechtbank, van oordeel dat de wijzing van de door het hof bij deze beschikking nader te bepalen partneralimentatie, dient in te gaan op 1 juni 2019. De man heeft onvoldoende gemotiveerd gesteld waarom hij zolang heeft gewacht om de vrouw in rechte aan te spreken op haar inspanningsplicht en verdiencapaciteit en zijn wijzigingsverzoek bij de rechtbank in te dienen. De vrouw heeft in redelijkheid geen rekening hoeven te houden met wijziging van de partneralimentatie, eerder dan de datum van indiening van het verzoekschrift van de man, althans niet eerder dan de eerste dag volgend op de dag waarop de man zijn verzoekschrift tot wijziging van de partneralimentatie bij de rechtbank heeft ingediend, 1 juni 2019.

Behoefte van de vrouw

5.3.

Het hof gaat uit van een huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw zoals bij de echtscheidingsbeschikking is vastgesteld op € 2.415,- netto per maand (2015), nu dit tussen partijen niet in geschil is. Analoog aan de wettelijke indexering bedraagt de behoefte van de vrouw met ingang van 1 januari 2019 € 2.586,- netto per maand, met ingang van 1 januari 2020 op € 2.651,- netto per maand en met ingang van 1 januari 2021 op € 2.730,- netto per maand.

Behoeftigheid van de vrouw

Verdiencapaciteit

5.4.1.

De man heeft, kort samengevat, het navolgende gesteld. De vrouw heeft niet voldaan aan haar inspanningsverplichting om in haar eigen behoefte te voorzien. De inspanningsverplichting van de vrouw vloeit voort uit de wet en in de echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank ook uitdrukkelijk overwogen dat op de vrouw de inspanningsverplichting rust om op termijn zoveel mogelijk in haar eigen behoefte te voorzien. De vrouw heeft ruim vier jaar laten verstrijken zonder ooit te solliciteren. Als de vrouw van meet af aan na de echtscheiding haar inspanningsplicht serieus had genomen, had zij met ingang van 1 januari 2017, te weten na een jaar en drie maanden na de echtscheiding, een baan met een minimuminkomen kunnen verwerven. De man is van mening dat de vrouw, gelet op haar verdiencapaciteit, vanaf 1 januari 2017 nog slechts behoefte heeft aan de door hem verzochte bijdrage.

5.4.2.

De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd weersproken. Zij heeft, kort samengevat, het navolgende gesteld. Al tijdens de echtscheidingsprocedure was de vrouw als catering-manager in dienst [BV] BV (hierna: [BV]). Zij heeft sedert de echtscheiding haar vaste uren kunnen uitbreiden naar totaal 16,5 uur per week. De vrouw had een vast contract; zij wilde dat niet in de waagschaal stellen door te gaan solliciteren naar een baan elders voor bepaalde tijd of op basis van een zogeheten nuluren-contract. Regelmatig heeft de vrouw gevraagd bij [BV] of zij in aanmerking kon komen voor extra diensten; zij is altijd bereid geweest om in te vallen voor collega’s, ook op andere locaties van de scholengemeenschap [scholengemeenschap] waar zij haar werkzaamheden feitelijk verrichtte. Binnen [scholengemeenschap] heeft de vrouw een aantal malen gesolliciteerd naar vrijgekomen functies (onder andere als administratief medewerkster), helaas zonder resultaat. Met ingang van 1 augustus 2019 heeft de vrouw bij [scholengemeenschap] een baan aangeboden gekregen als conciërge, met een werktijd factor 0,7 tegen een salaris van € 1.360,80 bruto per maand, excl. vakantiegeld. Dit contract is verlengd tot 1 augustus 2020. De vrouw heeft de toezegging van [scholengemeenschap] dat er voor haar mogelijkheden zijn binnen [scholengemeenschap] als het contract niet meer wordt verlengd. Verder heeft de vrouw fysieke problemen die haar belemmeren om aanvullende werkzaamheden te verrichten. De vrouw is van mening dat zij voldoende aan haar inspanningsverplichting heeft voldaan.

5.4.3.

Het hof overweegt het navolgende.

Op de vrouw rust de verplichting om zoveel mogelijk in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Het hof constateert dat de vrouw aansluitend aan de echtscheiding wel werkzaamheden heeft verricht, maar zij heeft nooit voldoende inkomsten gegenereerd om volledig in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Ook het salaris dat de vrouw thans als conciërge verdient is daartoe onvoldoende. Het hof stelt voorts vast dat de vrouw, buiten de enkele keer bij [scholengemeenschap] zoals zij heeft gesteld, niet elders heeft gesolliciteerd op functies waarmee zij wel, of in ieder geval meer dan zij tot heden heeft gedaan, in haar levensonderhoud kon voorzien. Als de vrouw zich vanaf de echtscheiding had ingespannen om, meer dan zij heeft gedaan en thans doet, in haar levensonderhoud te voorzien, acht het hof het niet ondenkbeeldig dat de vrouw in staat zou zijn geweest om binnen enkele jaren na de echtscheiding een salaris te verdienen conform het wettelijk minimumloon. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de vrouw in ieder geval op de ingangsdatum, 1 juni 2019, geacht kon worden in redelijkheid het minimumloon te verwerven op fulltime basis. De vrouw heeft wel gesteld dat zij gezondheidsklachten heeft, maar aan de hand van de door de vrouw overgelegde stukken, valt in redelijkheid niet te oordelen dat de vrouw daardoor beperkt is in haar arbeidsmogelijkheden, nog daargelaten dat het een aantalstukken van recente datum betreft en dus onvoldoende zeggen over de gezondheidssituatie van de vrouw tijdens de gehele periode na de echtscheiding.

Interen op vermogen?

5.5.1.

De man heeft gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat van de vrouw niet kan worden verlangd dat zij inteert op haar vermogen om daarmee in haar behoefte te voorzien en dat dit ook de afgelopen jaren niet van de vrouw had mogen worden verwacht. De vrouw heeft die stelling van de man gemotiveerd weersproken.

5.5.2.

Het hof overweegt het navolgende.

Uit de stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen uit de verdeling van de gemeenschap beiden een even groot bedrag hebben ontvangen. Deze omstandigheid maakt dat het hof het niet redelijk acht, waarbij het hof opmerkt dat de man ook geen andere omstandigheden heeft gesteld, dat de vrouw op dat bedrag zou moeten interen en de man niet.

5.6.

Voor de berekening van de aanvullende behoefte van de vrouw gaat het hof uit van het navolgende redelijkerwijs te verdienen inkomen van de vrouw:

- met ingang van 1 juni 2019 van een bruto minimumloon van € 1.635,60 per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag;

- van 1 januari 2020 tot 1 januari 2021 van een bruto minimumloon van € 1.680,- per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag;

- met ingang van 1 januari 2021 van een bruto minimumloon van € 1.701,- per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag.

Het netto besteedbaar inkomen van de vrouw bedraagt op basis van dit inkomen:

- van 1 juni 2019 tot 1 januari 2020 € 1.604,- per maand (zie bijlage);

- van 1 januari 2020 tot 1 januari 2021 € 1.658,- per maand (zie bijlage);

- met ingang van 1 januari 2021 € 1.707,- per maand (zie bijlage).

5.7.

Het hof berekent de behoefte van de vrouw aan een bijdrage van de man in haar levens-onderhoud als volgt:

- van 1 juni 2019 tot 1 januari 2020 op € 982,- per maand, dat is € 1.923,- bruto per maand;

- van 1 januari 2020 tot 1 januari 2021 op € 993,- netto per maand, dat is € 1.928,- bruto per maand;

- met ingang van 1 januari 2021 op € 1.023,- per maand, dat is € 2.000,- bruto per maand.

5.8.

Vervolgens moet het hof berekenen of de man de draagkracht heeft om in de aanvullende behoefte van de vrouw te voorzien.

Draagkracht van de man

5.9.

Gelet op de afbouwregelingen ter zake de aftrekbaarheid voor de Inkomstenbelasting van zowel de hypotheekrente als de partneralimentatie, zal het hof de draagkracht van de man berekenen in de navolgende perioden:

- van 1 juni 2019 tot 1 januari 2020;

- van 1 januari 2020 tot 1 januari 2021;

- met ingang van 1 januari 2021.

Inkomen van de man

5.10.

Het hof gaat voor de berekening van de draagkracht van de man voor de periode van

1 juni 2019 tot 1 januari 2020 uit van de door de man in hoger beroep overgelegde jaaropgaaf 2019, waaruit een fiscaal loon blijkt van € 70.688,-. In 2020 gaat het hof uit van een fiscaal loon conform de jaaropgaaf 2020 van € 71.340,-. Het hof gaat ook met ingang van 1 januari 2021 uit van een fiscaal loon van € 71.340,-, nu niet is gesteld of gebleken dat het fiscaal loon in 2021 significant zal afwijken van dat in 2020.

Woonlasten van de man

5.11.

Het hof houdt voorts, evenals de rechtbank, rekening met de helft van de aflossing en de helft van de rente op de schuld van de man aan zijn ouders. De man heeft de woning van zijn ouders gekocht waarbij hij ervoor heeft gekozen om op zijn 70ste geen restschuld meer te hebben. Daardoor is er sprake van een veel grotere maandelijkse aflossing dan normaal het geval zou zijn. De financiële gevolgen van deze eigen keuze van de man, mogen in redelijkheid niet op de vrouw worden afgewenteld.

Gelet op het voorgaande houdt het hof, evenals de rechtbank, rekening met de navolgende woonlasten van de man:

- € 77,- per maand, zijnde de helft van de hypotheekrente (ook in het bruto gedeelte van de berekening);

- € 445,- per maand, zijnde de helft van de aflossing op de hypothecaire lening van de ouders van de man.

Ten slotte houdt het hof rekening met € 95,- per maand ter zake eigenaarslasten en met een bijdrage van de man in de woonkosten van zijn partner van € 250,- per maand, als niet, althans niet voldoende door de vrouw weersproken.

Premie ziektekostenverzekering

5.12.

Uit de door de man in eerste aanleg en in hoger beroep overgelegde polis bescheiden ter zake de ziektekostenverzekering, houdt hof rekening met het navolgende premie ziektekostenverzekering:

- in 2019 van € 86,- per maand;

- in 2020 van € 112,- per maand;

- in 2021 van € 115,- per maand.

Het hof houdt voorts in 2019 rekening met het vrijwillig risico van € 42,- per maand (gemaximeerd) en in alle voornoemde jaren rekening met het verplicht eigen risico van

€ 32,- per maand.

5.13.

Het hof becijfert de draagkracht van de man als volgt:

- van 1 juni 2019 tot 1 januari 2020 op € 1.953,- per maand (zie bijlage);

- van 1 januari 2020 tot 1 januari 2021 op € 2.002,- per maand (zie bijlage);

- met ingang van 1 januari 2021 op € 2.014,-per maand (zie bijlage)

Uitgaande van de aanvullende behoefte van de vrouw heeft de man voldoende draagkracht om de hierna vast te stellen partneralimentatie aan de vrouw te voldoen.

Terugbetaling

5.14.

Indien en voor zover de man vanaf 1 juni 2019 tot heden meer heeft betaald en/of meer op hem is verhaald dan de in het dictum van deze beschikking bepaalde bijdrage, kan van de vrouw in redelijkheid niet worden gevergd dat hij/zij het meerdere terugbetaalt. De vrouw wordt eerst op de datum van de beschikking van het hof geconfronteerd met een lagere bijdrage dan de rechtbank heeft bepaald en de bijdrage pleegt van maand tot maand te worden verbruikt.

Proceskosten

5.15.

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw betreft.

Van de zes door het hof gemaakte berekeningen zijn gewaarmerkt exemplaren aan deze beschikking gehecht en deze maken daarvan deel uit.

6 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg (Roermond) van 12 november 2019, uitsluitend voor zover het de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw betreft,

en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijzigt de beschikking van de rechtbank Limburg (Roermond) van 2 september 2015 voor zover het de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw betreft,

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in haar levensonderhoud:

- van 1 juni 2019 tot 1 januari 2020 nader op € 1.923,- per maand;

- van 1 januari 2020 tot 1 januari 2021 nader op € 1.928,- per maand;

en met ingang van 1 januari 2021 nader op € 2.000,- bruto per maand,

de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.D.M. Lamers, E.P. de Beij en A. M. van Riemsdijk en is door mr. M.J. van Laarhoven op 20 mei 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.