Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:1469

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-05-2021
Datum publicatie
09-06-2021
Zaaknummer
200.254.893_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2018:10698
Rechtsgebieden
Goederenrecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

toepassing van HR 24-02-17, ECLI:HR:2017:309, overdracht stuk grond door verkrijger krachtens bevrijdende verjaring aan gedepossedeerde;

uitleg formulering “wetende dat grond aan een ander toebehoorde toen hij in bezit nam”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.254.893/01

arrest van 18 mei 2021

in de zaak van

1 [appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [appellante] ,
wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

hierna aan te duiden als [appellanten] ,

advocaat: mr. R.P.H. Sangers te Heerlen,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. J.L.H. Holthuijsen te Maastricht,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 23 april 2019 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, onder zaaknummer C/03/242258 / HA ZA 17-594 gewezen vonnis van 14 november 2018, aangevuld op 2 januari 2019.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 23 april 2019 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van 13 juni 2019;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord met productie;

  • -

    de akte uitlating en overlegging producties van [geïntimeerde] ;

  • -

    de antwoordakte van [appellanten] ;

  • -

    het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;

  • -

    de door [geïntimeerde] toegezonden producties, die hij bij het pleidooi bij akte in het geding heeft gebracht.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg

6 Samenvatting

[appellanten] en [geïntimeerde] zijn ieder eigenaar van een perceel van ongeveer 1000m2 op een vakantiepark. De percelen van [appellanten] en [geïntimeerde] grenzen aan elkaar, waarbij de feitelijke erfgrens werd gevormd door een door [appellanten] geplante coniferenhaag. Een door het Kadaster op verzoek van [geïntimeerde] verrichte grensreconstructie wees uit dat deze erfgrens niet klopte met de kadastrale registratie. Door de rechtbank Limburg is vervolgens geoordeeld dat [appellanten] door bevrijdende verjaring eigenaar waren geworden van de strook grond tussen de kadastrale erfgrens en de coniferenhaag. Partijen hebben tot aan de Hoge Raad verder geprocedeerd over het lot van de coniferenhaag zelf.

In de zaak die nu aan de orde is, heeft [geïntimeerde] gevorderd dat [appellanten] het stukje grond waarvan zij door verjaring eigenaar waren geworden aan [geïntimeerde] (terug)overdragen, omdat [appellanten] onrechtmatig tegenover [geïntimeerde] hadden gehandeld. Volgens [geïntimeerde] hebben [appellanten] de coniferenhaag met opzet over de kadastrale grenslijn aangeplant, met als gevolg het uiteindelijke eigendomsverlies door [geïntimeerde] . In ieder geval hadden [appellanten] moeten en kunnen weten waar de kadastrale grens werkelijk lag, toen zij de coniferenhaag plantten. [appellanten] moeten daarom aan [geïntimeerde] de schade vergoeden door de verkregen grond aan [geïntimeerde] terug te geven. [geïntimeerde] beroept zich hierbij op het arrest van de Hoge Raad, waarin de mogelijkheid van een dergelijke vordering voor degene die zijn eigendom op deze wijze verloor, voor het eerst werd erkend (HR 24-02-17, ECLI:HR:2017:309).

Het hof zal hierna oordelen dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat [appellanten] de strook grond aan [geïntimeerde] moesten overdragen bij wijze van schadevergoeding omdat [appellanten] wisten dat de coniferen niet op de kadastrale erfgrens waren geplant c.q. de bij hen aanwezige kennis slechts hoefden te activeren.

7 Onderwerp geschil

7.1.

Het gaat in deze zaak in hoger beroep om het volgende.

( i) [appellanten] zijn sinds 26 maart 1991 eigenaar van het perceel [adres 1] , kadastraal bekend gemeente Klimmen, sectie [sectieletter] , nr. [sectienummer 1] . Het perceel is gelegen op vakantiepark [vakantiepark] en bebouwd met een woning. Ten tijde van de verkoop was het park nog in ontwikkeling en bestond het aan [appellanten] geleverde perceel uit een deel van een weiland. Het aan [appellanten] geleverde perceel had volgens de transportakte een oppervlakte van 980 m2. In die akte werd verwezen naar een aangehechte tekening (niet op schaal), waarop de kavel van [appellanten] als een rechthoek staat ingetekend, waarbij de erfgrens met het perceel van (thans) [geïntimeerde] in een haakse rechte lijn loopt. Deze tekening is geparafeerd door [appellanten] onder de vermelding “gezien 25/3/91” (prod. 18 eerste aanleg [geïntimeerde] ).

(ii) Begin maart 1991 zijn de kadastrale grenzen ingemeten door het Kadaster. Toen zijn de grenzen in het veld zichtbaar gemaakt met in de grond geslagen ijzeren buizen met houten piketten.

(iii) Op 9 juli 1991 heeft [appellant] aan het Kadaster de nieuw te vormen grenzen van het reeds ingemeten kavel aangewezen.

(iv) Op 28 februari 1992 hebben [appellanten] zich bij hun verkoopmakelaar ( [verkoopmakelaar] van [projectontwikkeling] Projectontwikkeling bv) schriftelijk beklaagd over de omvang van hun perceel (706 m2), omdat dat niet zou overeenkomen met dat wat in de transportakte was omschreven.

( v) Vervolgens hebben zij een en ander aan het Kadaster te Roermond bericht. De directeur van het Kadaster antwoordde per brief van 30 maart 1992:

“ (..) D.d. 19-02-1991 werden de nieuwe grenzen van de kavels in het plan (..) door [verkoopmakelaar] (..) aangewezen aan [ambtenaar] , ambtenaar van mijn dienst.

Hierbij werd uitgegaan van een matenplan van (..) welk bureau tevens de kaveluitzetting realiseerde. Begin maart 1991 werden de kavels overeenkomstig de verstrekte inlichtingen ingemeten. De kavels waren door middel van ijzeren buizen en houten piketten in het terrein zichtbaar gemaakt. (..)

D.d. 09-07-1991 werd U door [ambtenaar] uitgenodigd teneinde de nieuw te vormen grenzen van Uw reeds ingemeten kavel aan te wijzen.

U heeft bij die gelegenheid kenbaar gemaakt dat de in de akte genoemde grootte afweek van de werkelijke grootte.

[ambtenaar] heeft U toen geadviseerd in deze kontakt op te nemen met [verkoopmakelaar] en is er vervolgens vanuit gegaan dat Uw bezwaar zich richtte op het oppervlakte verschil en niet op de vorm van kavel [adres 1] . (..)”

(vi) Op 21 mei 1992 hebben [appellanten] het Kadaster gevraagd om het perceel opnieuw in te meten.

(vii) Op 2 juni 1992 zijn de grenzen opnieuw ingemeten, en aangewezen door [appellant] . Het relaas van bevindingen vermeldt:

Bij de aanwijs en meting (..) is uitgegaan van een foutief matenplan, hetgeen blijkt uit de grote verschillen tussen de grootte genoemd in de akte en de berekende oppervlakte van de betreffende percelen.”

Het relaas vermeldt dat op drie punten langs de grenzen van het perceel van [appellanten] ijzeren buizen zijn geplaatst (“ij.bs”). Het perceel van [appellanten] ziet er op de tekening in dit relaas uit als een rechthoek. Daar waar de ijzeren buizen zijn ingetekend, staat een stippellijntje dwars over het perceel getekend. Ten tijde van het pleidooi bij dit hof heeft [appellant] verklaard dat dit stippellijntje de plaats aangaf, waar het perceel ten onrechte (feitelijk) eindigde.

(viii) Op 5 augustus 1992 hebben [appellanten] een “kennisgeving inzake het ambtshalve opnieuw vaststellen van de grootte van een perceel” ontvangen, waarin het resultaat van de nieuwe inmeting stond vermeld. Het perceel van [appellanten] werd daarin omschreven met een grootte van 959 m2.

(ix) Perceel [sectienummer 2] naast [appellanten] (dat later eigendom zou worden van [geïntimeerde] ) was destijds eigendom van mevrouw [betrokkene 1] . Omdat volgens [appellanten] de houten piketpalen waren verdwenen, hebben zij in augustus/ september 1992 aan verkoopmakelaar [verkoopmakelaar] gevraagd de grenzen aan te wijzen. De door [verkoopmakelaar] vervolgens aangewezen grenslijn tussen de percelen van [appellanten] en [betrokkene 1] liep schuin in noordelijke richting weg.

( x) [appellanten] hebben vervolgens tussen hun perceel en dat van [betrokkene 1] 50 coniferen geplaatst. In mei 1993 hebben [appellanten] nog 240 coniferen geplaatst.

(xi) Op 3 maart 2000 is [geïntimeerde] eigenaar geworden van het buurperceel nr [sectienummer 2] ( [adres 2] , kadastraal bekend gemeente Klimmen, sectie [sectieletter] , nr. [sectienummer 2] ). [geïntimeerde] heeft het perceel in eigendom verkregen van [betrokkene 2] , die het weer had verkregen van [betrokkene 1] .

(xii) Op 11 december 2012 heeft [geïntimeerde] de grens laten uitzetten door Geo Service BV.

(xiii) Op 24 oktober 2014 is door het Kadaster - in het bijzijn van partijen - een tweede grensreconstructie verricht. Uit deze grensreconstructies is naar voren gekomen dat de kadastrale erfgrens tussen de percelen van [geïntimeerde] en [appellanten] niet samenvalt met de feitelijk aanwezige erfgrens, die werd gevormd door de door [appellanten] geplante coniferenhaag.

(xiv) Bij de grensreconstructie op 24 oktober 2014 zijn een of meerdere ijzeren buizen aangetroffen, die bij een eerdere gelegenheid door het Kadaster als grenspalen waren aangebracht.

(xv) De haag staat - onder een hoek - in haar geheel op het kadastrale perceel van [geïntimeerde] . Tussen partijen staat vast dat het gaat om een overschrijding (in de vorm van een punt, schuin weglopend in noordelijke richting) van ongeveer 46 m2.

7.2.

[geïntimeerde] en [appellanten] hebben over de (plaats van de) coniferenhaag eerder tegen elkaar geprocedeerd.

De rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, heeft bij vonnis van 30 maart 2016 geoordeeld dat de strook grond tot aan de feitelijke erfgrens (de coniferenhaag) door verkrijgende verjaring eigendom is geworden van [appellanten] De rechtbank heeft de vorderingen van [geïntimeerde] tot verwijdering van de coniferenhaag en tot veroordeling van [appellanten] tot het verlenen van medewerking aan het oprichten van een mandelige scheidsmuur afgewezen. [geïntimeerde] heeft tegen dat vonnis hoger beroep aangetekend. Hij heeft zich neergelegd bij het oordeel van de rechtbank dat de betreffende strook grond door verkrijgende verjaring eigendom is geworden van [appellanten] , maar heeft zijn vorderingen die zagen op de verwijdering van de coniferenhaag en de oprichting van een scheidsmuur gehandhaafd.

Dit hof heeft bij arrest van 20 februari 2018 geoordeeld dat de coniferenhaag niet kan worden aangemerkt als een scheidsmuur en dat [geïntimeerde] mag verlangen dat de coniferenhaag wordt verwijderd als ook dat een scheidsmuur op de erfgrens wordt gebouwd. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd, en [appellanten] veroordeeld (samengevat) hun medewerking te verlenen aan het voor gezamenlijke rekening verwijderen van de coniferenhaag en het (doen) oprichten van een mandelige scheidsmuur van twee meter hoog op de juridische erfgrens tussen de percelen van partijen, een en ander onder verbeurte van een dwangsom. Bij arrest van 6 december 2019 (ECLI: NL:HR:2019:1907) heeft de Hoge Raad dit arrest bekrachtigd.

7.3.

Op 16 oktober 2017 heeft [geïntimeerde] conservatoir beslag tot levering gelegd op de strook grond die door verkrijgende verjaring eigendom is geworden van [appellanten] , hierna aangeduid als: de strook grond.

7.4.

In de onderhavige procedure heeft [geïntimeerde] op 24 oktober 2017 [appellanten] wederom voor de rechtbank Limburg gedagvaard en gevorderd, kort samengevat,

(i) een verklaring voor recht dat [appellanten] toerekenbaar onrechtmatig hebben gehandeld door de strook grond tussen september 1992 en mei 1993 te kwader trouw in bezit te nemen en vervolgens te houden gedurende de voor verkrijgende verjaring ex art. 3:105 lid 1 jo. 306 BW vereiste termijn van twintig jaren, alsmede dat [appellanten] gehouden zijn aan [geïntimeerde] diens hierdoor geleden en nog te lijden schade te vergoeden;

(ii) veroordeling van [appellanten] om ten titel van schadevergoeding in natura voor bedoelde schade aan [geïntimeerde] de strook grond in eigendom over te dragen en te leveren, op straffe van een dwangsom,

(iii) veroordeling van [appellanten] tot betaling aan [geïntimeerde] ter zake van buitengerechtelijke kosten van € 1.119,25, met rente, beslagkosten, proceskosten en nakosten.

[appellanten] hebben gemotiveerd verweer gevoerd.

De rechtbank heeft de vorderingen toegewezen, met uitzondering van de gevorderde buitengerechtelijke kosten. [appellanten] zijn hiertegen in hoger beroep opgekomen met elf (er zijn twee grieven genummerd IV) grieven.

7.5.

[appellanten] hebben uitvoering gegeven aan het vonnis en bij notariële akte van 13 maart 2019 de strook grond aan [geïntimeerde] overgedragen.

8 Beoordeling

grieven II en III

8.1.

De grieven II en III falen. De overwegingen van de rechtbank, waartegen zij zijn gericht, bevatten samenvattingen van de standpunten van partijen. Zelfs als dit onjuiste of onvolledige samenvattingen zouden zijn, kan dat op zichzelf niet tot vernietiging van het vonnis leiden, omdat het uiteindelijk gaat om de beoordeling door de rechtbank van de vorderingen van [geïntimeerde] en het verweer daartegen van [appellanten] Voor zover [appellanten] met hun klacht over de samenvattingen willen stellen dat zij zich in eerste aanleg onvoldoende gehoord hebben gevoeld, kan het hoger beroep tot herstel daarvan dienen.

grieven I, IV-2, V, VI, VII en IX

8.2.

Het hof zal de grieven I, IV-2, V, VI, VII, en IX gezamenlijk bespreken. Centraal staat hierin de vraag of aan [geïntimeerde] een actie uit onrechtmatige daad ten dienste staat jegens [appellanten] omdat [appellanten] de eigendom van de oorspronkelijk aan [geïntimeerde] (c.q. zijn rechtsvoorgangers) toebehorende strook grond door bevrijdende verjaring hebben verkregen.

In het arrest van 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:309 inzake gemeente Heusden/Erven J. c.s., waarop [geïntimeerde] zich had beroepen en waarnaar de rechtbank in haar vonnis uitvoerig heeft verwezen, heeft de Hoge Raad het volgende ten overvloede overwogen.

“3.7.2 Dat de vordering van Erven J. c.s. in dit geding is toegewezen en die van de Gemeente is afgewezen, is mede het gevolg van de keuze van de wetgever een beroep op eigendomsverkrijging als bedoeld in art. 3:314 lid 2 BW in verbinding met art. 3:105 lid 1 BW niet te ontzeggen aan de partij zelf die te kwader trouw de zaak in bezit heeft genomen. Aan deze keuze van de wetgever ligt wat betreft art. 3:105 BW ten grondslag dat in het ontwerp van het BW is “gebroken met de [destijds] bestaande anomalie, dat de werkelijke rechthebbende de zaak niet kan opvorderen en anderzijds de bezitter in zijn bezit beschermd wordt, maar met niet meer dan bezitsacties. Het recht dient zich op den duur bij de feiten aan te sluiten, vooral wanneer dit recht de nodige rechtsvorderingen om wijziging te brengen in de feitelijke verhoudingen aan de rechthebbende onthoudt.” (Parl. Gesch. Boek 3, p. 416).

Aan de eigendomsverkrijging op grond van art. 3:105 BW door een bezitter te kwader trouw ligt dus niet een afweging ten grondslag van de tegenover elkaar staande belangen van de rechthebbende en van die bezitter, zoals dat wel het geval is bij de verjaring ten gunste van een bezitter te goeder trouw (art. 3:99 BW). Art. 3:105 BW is uitsluitend ingegeven door de wens dat, als geen vordering meer kan worden ingesteld om het bezit te beëindigen, de bezitter eigenaar wordt, ook al staat zijn goede trouw niet vast.

3.7.3

Die keuze van de wetgever laat evenwel onverlet dat de zojuist bedoelde partij bloot kan staan aan een vordering uit onrechtmatige daad van de (voormalige) rechthebbende die zijn eigendom aan die partij heeft verloren door de werking van art. 3:105 BW.

Een persoon die een zaak in bezit neemt en houdt, wetende dat een ander daarvan eigenaar is, handelt tegenover die eigenaar immers onrechtmatig. Dat brengt mee dat deze laatste, mits aan de overige voorwaarden daarvoor is voldaan, kan vorderen dat hem door de bezitter de schade wordt vergoed die hij als gevolg van dat onrechtmatig handelen lijdt. Daaraan staan, gelet op de hiervoor in 3.7.2 vermelde bedoeling van de wetgever, het stelsel van de wet en in het bijzonder de door art. 3:105 BW teweeggebrachte eigendomsverkrijging, niet in de weg.

In een dergelijk geval ligt het voor de hand dat de rechter, indien de gedepossedeerde dat vordert en de occupant nog steeds eigenaar is, op de voet van art. 6:103 BW de bezitter veroordeelt bij wijze van schadevergoeding de wederrechtelijk in bezit genomen zaak aan de benadeelde in eigendom over te dragen.

Een en ander strookt met de opmerkingen die de minister in 2004 over de werking van art. 3:105 lid 1 BW heeft gemaakt: (..)”

8.3.

Gezien dit oordeel van de Hoge Raad gaat het in de onderhavige zaak om de vraag of [appellanten] in de door de Hoge Raad gehanteerde formulering “wisten dat” de grond aan [geïntimeerde] toebehoorde. Hierbij maakt niet uit of [appellanten] als bezitters te kwader trouw of bezitters niet te goeder trouw worden omschreven. De wet maakt in Titel 5 van Boek 3 BW een onderscheid tussen “te goeder trouw” en “niet te goeder trouw”. Met het gebruik van de term “te kwader trouw” is geen verdere nuance tussen goede trouw en niet te goeder trouw geïntroduceerd. Het hof verwijst in dit verband naar hetgeen hierover in de parlementaire geschiedenis is opgemerkt: “Bij de bepaling, wie bezitter te kwader trouw is, is volstaan met als zodanig aan te wijzen allen, die niet bezitter te goeder trouw zijn. Men is immers te goeder trouw of te kwader trouw, een derde mogelijkheid kent de wet niet” (Parl. Gesch. Boek 3, p. 443).

De vraag of [appellanten] “wisten dat” de grond aan [geïntimeerde] toebehoorde wordt hier ook niet gesteld in het kader van de toepasselijkheid van artikel 3:99 BW of 3:105 jo 3:306 BW op eigendomsverkrijging na bezitsverkrijging, maar in het kader van de vraag of in het beoordeelde geval onrechtmatig is gehandeld door dat bezit te nemen en te houden, wetende dat een ander eigenaar is. Gaat het daarbij om pure subjectieve wetenschap, of spelen daarbij ook objectieve elementen een rol? De door de Hoge Raad gehanteerde bewoordingen “wetende dat” in plaats van de vaker gebruikte uitdrukking “weten of behoren te weten dat” lijken erop te duiden dat er geen of hooguit heel weinig objectieve elementen bij de beoordeling van de vraag naar de onrechtmatigheid meespelen, althans dat die beoordeling strikt zal moeten zijn. Hoewel de hierboven in rov 8.2.2. geciteerde overwegingen van de Hoge Raad ten overvloede waren, en als zodanig toen niet van invloed zijn geweest op de uitkomst van het arrest, kan het hier echter nog wel van belang zijn dat in het door de Hoge Raad beoordeelde geval vaststond dat de Erven J c.s. (althans de erflater) heel goed wisten dat de grond die zij in bezit namen in eigendom aan de gemeente toebehoorde, zodat de vraag naar het eventuele “behoren te weten” daar niet aan de orde was.

8.4.1.

In het thans aan de orde zijnde geval, hebben [appellanten] aangevoerd dat zij niet wisten dat zij de coniferen niet op de werkelijke grenslijn plantten (waardoor zij een stuk grond van - toen [betrokkene 1] , thans [geïntimeerde] - in bezit namen). Daarom, aldus [appellanten] , kan er geen sprake zijn van een onrechtmatige daad als door de rechtbank aanwezig geoordeeld. Het hof volgt dit standpunt niet.

8.4.2.

[appellanten] hebben oorspronkelijk alle informatie verkregen, waarop de hen verweten wetenschap betrekking had. Zelfs als aangenomen moet worden dat zij die informatie later niet paraat hadden (bijvoorbeeld doordat zij vergeten waren waar de grens lag, toen vlak voor het planten van de coniferen de piketpaaltjes waren verdwenen), hadden zij die wetenschap op eenvoudige wijze weer kunnen activeren, door in hun eigen archieven te kijken en/of een ter zake deskundige zoals het Kadaster te raadplegen. Daarmee staat naar het oordeel van het hof wetenschap van [appellanten] - als bedoeld door de Hoge Raad in zijn arrest Heusden/Erven J c.s. - vast.

Het hof komt hiertoe op grond van de volgende feiten en omstandigheden.

( i) De door [appellanten] geparafeerde tekening die aan de transportakte was gehecht, toonde, hoewel niet op schaal, het perceel van [appellanten] (en dat van hun buren [betrokkene 1] ) als in ieder geval op het oog rechthoekig.

(ii) De kadastrale grenzen zijn in maart 1991 door het Kadaster in het veld zichtbaar gemaakt met ijzeren buizen en houten piketten, waarna [appellant] aan de hand van de piketten met behulp van palen heeft getracht de omvang van zijn kavel te bepalen

(iii) Op 9 juli 1991 heeft [appellant] aan het Kadaster die nieuw te vormen grenzen aangewezen.

(iv) Op 2 juni 1992 zijn de grenzen opnieuw door het Kadaster ingemeten, aangewezen door [appellant] en in het veld zichtbaar gemaakt met (in ieder geval) twee ijzeren buizen op de erfgrens en (bovengronds) met drie piketpaaltjes die de erfgrens markeerden. Het relaas van bevindingen laat op de tekening een rechthoekig perceel zien, waarbij de grens tussen [appellanten] en [betrokkene 1] in een haakse rechte lijn loopt.

( v) De - terechte - kritiek van [appellanten] op de oorspronkelijk uitgemeten grenzen betrof de oppervlakte van het door de verkoper aan hem geleverde perceel, niet de loop van de grens tussen hun perceel en dat van [betrokkene 1] . Door [appellanten] is tijdens het pleidooi bij dit hof erkend dat de vervolgens toegepaste correctie ook alleen zag op de oppervlakte (er is een stuk aan de noordzijde bijgekomen) en dat de loop van de grens tussen hun perceel en dat van [betrokkene 1] toen niet is gewijzigd. Dat betekent dat evenmin de rechthoekige vorm van de percelen toen is gewijzigd.

(vi) Vast is komen te staan dat (een of meer van) de ijzeren buizen in de grond niet (allemaal) verdwenen waren na de aanwijs in juni 1992, nu tussen partijen vaststaat dat bij de reconstructie in 2014 een of meer buizen tevoorschijn zijn gekomen op de plaats waar de grens oorspronkelijk lag.

8.4.3.

Aldus is het hof van oordeel dat [appellanten] in ieder geval tot en met 2 juni 1992 actief wisten waar de grens tussen hun perceel en dat van (toen) [betrokkene 1] liep. Kennelijk zijn kort daarna de houten piketpaaltjes, die boven de grond uitstaken, verdwenen.

Toen [appellanten] vervolgens de coniferen op de erfgrens wilden plaatsen, hebben zij niet aan het Kadaster – dat al meerdere malen ter plaatse was geweest – maar aan een vertegenwoordiger van de verkopende partij, [verkoopmakelaar] , gevraagd om de grens aan te wijzen in het veld. Thans staat vast dat [verkoopmakelaar] toen geen haakse rechte lijn, maar een schuine lijn moet hebben aangewezen. Het perceel van (toen) [betrokkene 1] werd daardoor aan de noordkant smaller, en dat van [appellanten] werd breder. Beide percelen hadden geen rechthoekige vorm meer.

Op dat moment waren [appellanten] zich er ten volle van bewust dat zij een rechthoekig perceel hadden, dat de correcte erfgrens meerdere malen door het Kadaster zichtbaar was gemaakt en door deze weer zichtbaar gemaakt kon worden door een nieuwe uitmeting, hetzij door [appellanten] zelf weer zichtbaar gemaakt kon worden door het raadplegen van hun documentatie en/of het opgraven van de ijzeren buizen. In plaats daarvan lieten [appellanten] een derde de grens aanwijzen, en gingen zij er kennelijk maar vanuit dat het wel zou kloppen (ondanks de zichtbaar afwijkende nieuwe vorm van hun perceel). Vervolgens plantten zij op of vlak langs die schuine grenslijn hun coniferen.

8.4.4.

Door deze gang van zaken namen [appellanten] grond in bezit die aan [betrokkene 1] toebehoorde, terwijl zij de wetenschap bezaten dat die grond aan [betrokkene 1] toebehoorde, althans de (latent) aanwezige wetenschap daarvan slechts behoefden te activeren, nu zij die wetenschap zeer kort vóór de inbezitneming actief hadden bezeten. Door aldus te handelen en vervolgens de strook grond in bezit te houden totdat zij door bevrijdende verjaring daarvan eigenaar waren geworden, hebben [appellanten] toerekenbaar onrechtmatig gehandeld tegenover de eigenaar van de in bezit genomen grond, thans [geïntimeerde] . Het doet hierbij niet ter zake of [betrokkene 1] het in 1992 eens was met de gang van zaken of niet, nu gesteld noch gebleken is dat tussen [appellanten] en [betrokkene 1] een afspraak is gemaakt die goederenrechtelijke consequenties had, noch dat met [betrokkene 1] een vaststellingsovereenkomst was gesloten dat beide partijen de door [verkoopmakelaar] aangewezen grens zouden accepteren als eigendomsgrens.

8.4.5.

De tweede grief IV en grief V gaan over de vaststelling door de rechtbank van de feiten in het kader van de vraag of [appellanten] wisten dat de haag op de grond van [geïntimeerde] stond. Deze grieven, evenals de grieven I, VI, VII en IX falen in onderlinge samenhang bezien op grond van het hiervoor overwogene.

grief VIII

8.5.1.

Met de achtste grief voeren [appellanten] aan dat met de overdracht van de volle eigendom [geïntimeerde] méér krijgt dan de vergoeding van zijn schade. [appellanten] stellen - zakelijk weergegeven - dat zij aan [geïntimeerde] ten titel van schadevergoeding alleen de eigendom behoeven terug te leveren, maar dat zij het bezit (en daarmee het genot) van de zaak mogen houden.

8.5.2.

Zouden [appellanten] in dit betoog worden nagevolgd, dan zou daarmee een soort van bloot eigendom worden gecreëerd voor [geïntimeerde] . Het is juist vanwege de wens tot het opheffen van de (door de werking van verjaringsregels onder oud-BW ontstane) splitsing tussen bezit en eigendom, dat de regeling van artikel 3:105 jo 3:306 BW in de wet is gekomen. Het hof verwijst naar rov 3.7.2. van het arrest van de Hoge Raad inzake Heusden/Erven J. c.s., waarin verwezen wordt naar de parlementaire geschiedenis in dit verband:

Aan deze keuze van de wetgever ligt wat betreft art. 3:105 BW ten grondslag dat in het ontwerp van het BW is “gebroken met de [destijds] bestaande anomalie, dat de werkelijke rechthebbende de zaak niet kan opvorderen en anderzijds de bezitter in zijn bezit beschermd wordt, maar met niet meer dan bezitsacties. Het recht dient zich op den duur bij de feiten aan te sluiten, vooral wanneer dit recht de nodige rechtsvorderingen om wijziging te brengen in de feitelijke verhoudingen aan de rechthebbende onthoudt.” (Parl. Gesch. Boek 3, p. 416).”.

Het behoeft daarom geen verder betoog dat de Hoge Raad, toen hij de mogelijkheid van schadevergoeding in natura in dit verband aanhaalde, daarmee zeker niet heeft bedoeld dat ten titel van schadevergoeding slechts een betekenisloos eigendomsrecht (zonder bezit) behoeft te worden overgedragen.

grief IV-1

8.6.1.

Met de eerste grief IV klagen [appellanten] over het oordeel van de rechtbank dat geen sprake kan zijn van verjaring van de schadevergoedingsvordering van [geïntimeerde] .

Zij voeren aan dat zij de strook grond op 25/26 september 1992 in bezit hebben genomen door de aanplanting van coniferen en het plaatsen van palen met draad. Dit zou betekenen dat de bevrijdende verjaring is ingetreden op 24/25 september 2012 en zij toen door de werking van de artikelen 3:105 jo 3:306 BW eigenaar zijn geworden van de strook. [geïntimeerde] wist echter al eerder hoe de werkelijke erfgrens liep, althans hij behoorde dat te weten, aldus [appellanten] [geïntimeerde] kocht het perceel in 2000 en heeft toen een huis op het perceel gebouwd. Toen heeft hij tekeningen moeten laten maken waarop hij kon zien dat de erfgrens en de kadastrale grens niet samenvielen, maar eigenlijk wist hij het al eerder, aldus nog steeds [appellanten] [geïntimeerde] heeft echter pas op 11 december 2012 actie ondernomen (toen hij de eerste grensreconstructie heeft laten verrichten), terwijl hij bij de aankoop van de kavel en/of bij het bouwen van de woning de erfgrens had kunnen laten toetsen. [geïntimeerde] heeft dus buitensporig lang stilgezeten.

8.6.2.

[geïntimeerde] wijst er allereerst op dat [appellanten] in de conclusie van dupliek (nr 9) hebben geschreven:

Ten slotte merkt [appellanten] het volgende op. Zijn stelling, dat artikel 3:312 BW op de vordering van [geïntimeerde] van toepassing zou zijn, geeft hij prijs. Hetgeen [geïntimeerde] hierover stelt in sub 32 t/m 35 van zijn conclusie van repliek zal om die reden buiten beschouwing blijven”.

Anders dan [geïntimeerde] in zijn memorie van antwoord stelt, hebben [appellanten] hiermee niet hun gehele beroep op verjaring van de vordering van [geïntimeerde] tot teruggave in natura prijsgegeven, maar slechts de stelling dat artikel 3:312 BW - dat ziet op nevenverplichtingen - op die verjaring mede van toepassing zou zijn.

8.6.3.

Voor zover [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat [appellanten] in eerste aanleg geen (expliciet) beroep hebben gedaan op de verjaringsregeling van artikel 3:310 BW, zodat de rechtbank daarover niet ambtshalve had mogen oordelen, geldt dat [appellanten] in hoger beroep wel duidelijk hebben gemaakt op die verjaring te doelen. Nu het hoger beroep mede strekt tot het herstel van in eerste aanleg gemaakte fouten en omissies, zal het hof hierover oordelen.

8.6.4.

Dit gezegd hebbende, faalt de grief. In zijn arrest Heusden/Erven J. c.s. heeft de Hoge Raad geoordeeld:

“3.7.4. (a) (..)

(b) De zojuist bedoelde vordering is onderworpen aan verjaring op de voet van art. 3:310 lid 1 BW. Voor zover de schade waarvan de benadeelde vergoeding wenst, bestaat in het verlies van zijn eigendom, neemt de vijfjarige verjaringstermijn ingevolge die bepaling een aanvang op het moment dat de benadeelde bekend is met zijn eigendomsverlies (en met de daarvoor aansprakelijke persoon), en is de verjaring in elk geval voltooid twintig jaar na de voltooiing van de verjaring van art. 3:314 lid 2 BW, zijnde de gebeurtenis waardoor de schade – het verlies van de eigendom – is veroorzaakt, alles onverminderd eventuele stuiting van die verjaring.”.

Het eigendomsverlies van [geïntimeerde] vond plaats 20 jaar nadat [appellanten] de strook grond in bezit hadden genomen, dat wil zeggen in op zijn vroegst in september 2012 of in mei 2013, toen de coniferenhaag werd geplant. Op het moment van de bekendheid met het eigendomsverlies gaat de vijfjarige verjaringstermijn lopen. [geïntimeerde] heeft de verjaring gestuit bij confraternele email van 8 maart 2017 (aldus de onweersproken stelling van [geïntimeerde] , mva nr 49). Of [geïntimeerde] eerder dan september 2012 wist of behoorde te weten dat de kadastrale grens niet samenviel met de feitelijke grens is hierbij niet relevant, nu het daarbij gaat om bezitsverlies en niet om eigendomsverlies.

8.6.5.

Voor zover [appellanten] bedoeld hebben een beroep te doen op eigen schuld van [geïntimeerde] , faalt dit eveneens. In de hierboven geciteerde rechtsoverweging 3.7.4. heeft de Hoge Raad onder (a) onder meer overwogen:

De bezitter kan in een dergelijke procedure, indien die betrekking heeft op een onroerende zaak, de benadeelde in de regel niet, bij wijze van eigen schuld (art. 6:101 BW) of ten betoge dat causaal verband ontbreekt, tegenwerpen dat deze heeft nagelaten regelmatig onderzoek te doen naar eventuele inbezitnemingen van zijn zaak door onbevoegden. Van een grondeigenaar kan niet worden verlangd dat hij zijn percelen periodiek op bezitsinbreuken controleert als daarvoor geen concrete aanleiding bestaat – in het bijzonder niet voor zover die percelen moeilijk begaanbaar of moeilijk toegankelijk zijn – op straffe van het verval of de beperking van zijn aanspraken op schadevergoeding jegens degenen die hem toebehorende grond wederrechtelijk in bezit mochten hebben genomen. Daarom kan het achterwege laten van dergelijke periodieke inspecties in de regel niet worden aangemerkt als een aan de eigenaar toerekenbare omstandigheid waarvan het verlies van de eigendom mede het gevolg is.”

Wat [appellanten] hebben aangevoerd, kan niet tot de conclusie leiden dat de schade die [geïntimeerde] lijdt doordat hij de eigendom van de grond is verloren, het gevolg is van een omstandigheid die aan [geïntimeerde] zelf is toe te rekenen. Door [appellanten] is bovendien onvoldoende onderbouwd dat [geïntimeerde] eerder dan in december 2012 had moeten weten dat de grens van het door hem in eigendom verkregen perceel niet klopte, temeer niet nu de inbezitneming door hen reeds was geschied toen [betrokkene 1] nog eigenaar was. Dat [betrokkene 1] terzake iets zou kunnen worden verweten – en wat de eventuele relevantie daarvan zou zijn - is niet gesteld. Ten slotte stelden [appellanten] dat zij zelf nooit iets gezien/gemerkt hadden van de afwijkende schuine erfgrens (hetgeen het hof heeft verworpen), maar nemen zij wel voetstoots aan dat [geïntimeerde] - die niet bij de originele grensbepaling en de latere inmetingen door het Kadaster aanwezig was - dat wel zou hebben moeten bemerken. Die stelling verwerpt het hof eveneens.

nieuwe grief

8.7.

Tijdens het pleidooi bij dit hof hebben [appellanten] nog aangevoerd dat de schadeplichtigheid van de verkrijger door verjaring, niet (zonder meer) geldt jegens de rechtsopvolgers van de gedepossedeerde: de schadevergoedingsvordering van [betrokkene 1] is niet overgegaan op [betrokkene 2] en daarna op [geïntimeerde] . Het hof laat deze stelling onbesproken, nu het een nieuwe grief betreft, waartegen [geïntimeerde] uitdrukkelijk bezwaar heeft gemaakt. Hetzelfde geldt voor de stelling dat [geïntimeerde] de grond heeft gekocht, zoals hij die had bezichtigd. Alhoewel deze stelling in eerste aanleg wel is aangevoerd, is deze toen door de rechtbank verworpen, waartegen [appellanten] niet hebben gegriefd.

slot/grief X

8.8.

De slotsom is dat het vonnis zal worden bekrachtigd. [appellanten] zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, als gevorderd. Daarmee is gegeven dat grief X, gericht tegen de proceskostenveroordeling in eerste aanleg, faalt.

[appellanten] hebben meerdere bewijsaanbiedingen gedaan in de memorie van grieven, maar nu datgene wat zij te bewijzen aanbieden, niet kan leiden tot een ander oordeel, passeert het hof deze bewijsaanbiedingen.

9 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 14 november 2018, aangevuld op 2 januari 2019;

veroordeelt [appellanten] – hoofdelijk – in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden bepaald op € 318,00 aan griffierecht en € 3.342,00 aan salaris advocaat en voor wat betreft de nakosten op € 163,00 indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 248,00 vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

en bepaalt dat deze bedragen van € 318,00 en € 3.342,00 binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak en het bedrag van € 163,00 binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak dan wel het bedrag van € 248,00 vermeerderd met explootkosten binnen veertien dagen na de dag van betekening moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.G. Fikkers, S.C.H. Molin en N.W.M. van den Heuvel en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 mei 2021.

griffier rolraadsheer