Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:1445

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-05-2021
Datum publicatie
08-06-2021
Zaaknummer
200.234.834_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2018:77
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering tot gelasting van verdeling nalatenschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.234.834/01

arrest van 18 mei 2021

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. A. Schmidt te Herten,

tegen

[geïntimeerde] ,

ingeschreven te [woonplaats] (Duitsland),

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. J.P.C.M. van Riet te Hoensbroek,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 28 april 2020 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, onder zaaknummer C/03/235267/HA ZA 17-249 gewezen vonnis van 3 januari 2018.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 28 april 2020;

  • -

    de akte uitlaten van [appellante] van 30 juni 2020 met producties;

  • -

    de antwoordakte van [geïntimeerde] van 28 juli 2020 met producties.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

6 De verdere beoordeling

Omvang van het hoger beroep

6.1

In dit hoger beroep gaat het, kort weergegeven, om het volgende. [appellante] en [geïntimeerde] zijn ieder tot de helft gerechtigd tot de nalatenschap van hun moeder. Tot de nalatenschap behoort de woning ( [adres] in [plaats] ) en het saldo op de bankrekening van moeder.

6.2

Het hof heeft [appellante] in het tussenarrest in de gelegenheid gesteld om:
- te beslissen of zij de woning alsnog voor het getaxeerde bedrag toebedeeld wil krijgen;
- en, met betrekking tot de toebedeling van het banksaldo van moeder aan [appellante] , te reageren op het verweer van [geïntimeerde] tegen de door [appellante] gestelde uitgaven, de volgens [geïntimeerde] door [appellante] ontvangen inkomsten aan huur en de hoogte van het banksaldo van moeder op haar sterfdatum (5 juli 2014).

De woning

6.3

[appellante] heeft in haar akte uitlaten toegelicht dat de woning is verkocht, op 31 maart 2020 is geleverd aan de kopers en dat de notaris de netto-opbrengst van de verkoop in depot houdt (€ 42.631,19). [appellante] ziet af van (mogelijke) toebedeling van de woning en hoeft niet te onderzoeken of zij de woning nog wil overnemen. De onderdelen a tot en met f van rov. 5.1 van het dictum van het beroepen vonnis kunnen als afgedaan worden beschouwd, aldus [appellante] .

6.4

[geïntimeerde] heeft in zijn antwoordakte bevestigd dat de woning is verkocht. Volgens hem is met de verkoop van de woning voldaan aan het in het beroepen vonnis bepaalde onder 1.a tot en met f, zodat volgens hem uitsluitend nog voorligt het bepaalde onder 1 sub g.

6.5

Het hof verstaat de omvang van het hoger beroep daarom zo dat partijen geen nieuwe beoordeling wensen van de veroordelingen onder 5.1 a tot en met f van het vonnis waarvan beroep, maar dat nog wel dient te worden beoordeeld of [appellante] terecht is veroordeeld tot betaling van een dwangsom (grief IV).

Gezien hetgeen het hof onder 3.8 heeft geoordeeld is dat niet het geval. In zoverre slaagt grief IV. Het hof zal de veroordeling van [appellante] tot betaling van een dwangsom aan [geïntimeerde] , zoals bepaald onder 5.2 van het beroepen vonnis, vernietigen en de vordering van [geïntimeerde] tot oplegging van de last van een dwangsom alsnog afwijzen.

Toebedeling banksaldo en overbedeling

6.6.

Het gaat in deze procedure voorts om de beslissing van de rechtbank om het banksaldo van € 10.000,- aan [appellante] toe te bedelen en de beslissing dat zij in verband daarmee aan [geïntimeerde] een overbedelingsvergoeding van € 5.000,- is verschuldigd (beroepen vonnis rov. 5.1 onder g). De grieven VI en VII van [appellante] richten zich tegen deze beslissing.

6.7

[appellante] heeft in haar dagvaarding in hoger beroep gevorderd om de vorderingen van [geïntimeerde] , dus ook de vordering tot betaling van de helft van het banksaldo van moeder aan hem (€ 5.000,00), alsnog af te wijzen. Daaraan doet niet af dat zij in haar memorie van grieven slechts vernietiging van het beroepen vonnis heeft gevorderd.

6.8

De grieven VI en VII stellen de vraag aan de orde of de door [appellante] van het saldo van de bankrekening van moeder betaalde bedragen al dan niet schulden van de nalatenschap zijn, die ten laste van de nalatenschap moeten komen. Het hof bespreekt deze grieven gezamenlijk.

6.9

Het hof stelt het volgende voorop. Onder schulden van de nalatenschap worden, voor zover in deze procedure relevant, verstaan de schulden van de erflater die niet met zijn dood tenietgaan (art. 4:7 lid 1 sub a BW).

Banksaldo

6.10

Volgens [appellante] bedroeg het saldo van de bankrekening van moeder op haar overlijdensdatum om en nabij € 10.000,00. [geïntimeerde] heeft dit betwist, volgens hem bedroeg het saldo van de bankrekening van moeder op haar sterfdatum € 12.744,92. Het hof volgt [geïntimeerde] hierin niet.

6.11

Moeder is overleden op 5 juli 2014. Uit een door [appellante] overgelegd afschrift van de bankrekening van moeder blijkt dat het saldo op 8 juli 2014 € 9.864,84 bedroeg (productie 23 bij akte uitlaten). Volgens [appellante] heeft [geïntimeerde] het bedrag van € 12.744,92 vermoedelijk afgeleid uit een door haar opgesteld overzicht waarin staat welke bedragen ten gunste en ten laste zijn gekomen van de bankrekening van moeder (productie 8 bij mvg). Uit dit overzicht volgt dat van de bankrekening van moeder in totaal € 12.744,92 is voldaan, maar daarbij moet in acht worden genomen dat zij zelf € 2.500,00 op de rekening van moeder had gestort (‘Storting [appellante] ’), aldus [appellante] . [geïntimeerde] heeft dit niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist. Het hof gaat er bij de verdere beoordeling dan ook vanuit dat het saldo van de bankrekening van moeder op haar sterfdatum om en nabij € 10.000,00 bedroeg.

Schulden van de nalatenschap

6.12

Volgens [appellante] bedragen de schulden van de nalatenschap in totaal € 11.954,70 (productie 18b bij akte uitlaten):

Obvion Hypotheken

€ 5.840,12

Essent

€ 2.314,24

BSGW

€ 1.095,88

Verzekeringen [financieel adviseur]

€ 950,29

Pakketverzekering

€ 93,38

Ziggo

€ 741,91

WML

€ 130,91

Abonnement Plus 63

€ 85,50

Bankkosten

€ 67,00

NVVE

€ 17,50

Cent Voeding

€ 25,00

CZ + CAK

€ 326,12

Wakker dier

€ 40,00

Wegenbelasting

€ 165,00

AVRO Tros

€ 61,85.

6.13

[geïntimeerde] heeft erkend dat de volgende bedragen van in totaal € 1.806,08 tot de schulden van de nalatenschap behoren (art. 4:7 lid 1 sub a BW):

Essent jaarafrekening: ad

€ 1.674,00

Essent daadwerkelijke kosten

€ 88,83

Ziggo

€ 33,25

Wakker dier

€ 10,00.

6.14

Het hof overweegt over de resterende bedragen als volgt.


Betalingen aan Obvion Hypotheken, Essent, BSGW, [financieel adviseur] , WML

6.15

De betalingen aan Obvion Hypotheken, Essent, BSGW, [financieel adviseur] en WML hebben betrekking op de woning van moeder. Vast staat dat moeder al in 2012 opdracht had gegeven aan [Makelaardij] om de woning te verkopen tegen een vraagprijs van € 249.000,00. Volgens [appellante] heeft de makelaar in 2016 geadviseerd om de woning uit de verkoop te nemen omdat die in de toenmalige staat niet verkoopbaar was wegens scheurvorming. [appellante] heeft ter onderbouwing hiervan verwezen naar een brief van [Makelaardij] van 19 februari 2016. De makelaar heeft in die brief geschreven dat zij de woning sinds 2012 in haar portefeuille had, dat zij [appellante] heeft geadviseerd om de woning (tijdelijk) uit de verkoop te nemen omdat de woning op dat moment niet, althans niet tegen een normale prijs verkoopbaar was gezien de schade door bouwwerkzaamheden aan de overkant van de straat, met name scheurvorming, en dat zij zelfs met de eerder door haar voorgestelde prijsverlaging de kans om een koper te vinden nihil achtte.

Volgens [geïntimeerde] bedoelt [appellante] te zeggen dat de makelaar heeft aangegeven dat de woning onverkoopbaar is tegen een vraagprijs van € 249.000,00 en heeft de makelaar bedoeld de vraagprijs naar beneden te stellen, maar dit blijkt niet uit de brief van de makelaar en ook overigens is hiervan niet gebleken.

6.16

Nu de woning al voor het overlijden van moeder te koop stond, niet werd verkocht en uiteindelijk in 2016 onverkoopbaar bleek, zijn kosten gemaakt die ten laste van de nalatenschap komen.

6.17

Dit geldt voor de betalingen aan Obvion Hypotheken (€ 5.840,12, bestaande uit 13 maandtermijnen van € 449,24 voor de hypothecaire lening op de woning vanaf juli 2015); aan Essent (€ 551,40 voor de periode van september 2015 tot november 2016), aan BSGW (€ 1.095,88 voor gemeentelijke- en waterschapsbelasting tot eind 2015), aan [financieel adviseur] (€ 950,29 voor een woning- en inboedelverzekering tot december 2015) en aan WML (€ 130,91 voor water in de periode van september 2014 tot ca. september 2015).

Betalingen aan NVVE, Cent Voeding, CZ + CAK, Wegenbelasting, AVRO Tros

6.18

De betalingen aan NVVE (Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig levenseinde), Cent Voeding, CZ + CAK, Wegenbelasting, AVRO Tros zijn éénmalige betalingen geweest. [geïntimeerde] heeft niet, althans onvoldoende weersproken dat dit schulden van moeder waren die niet met haar dood teniet zijn gegaan. Het hof volgt [appellante] dan ook in haar standpunt dat de betalingen aan NVVE van € 17,50, aan Cent Voeding van € 25,00, aan CZ + CAK van € 326,12, aan Wegenbelasting van € 165,00 en aan AVRO Tros van € 61,85 ten laste van de nalatenschap komen.

6.19

Uit het voorgaande volgt dat in elk geval sprake is van een bedrag aan schulden (ten laste) van de nalatenschap van in totaal € 10.970,16 (namelijk € 1.806,08 + € 5.840,12 + € 551,40 + € 1.095,88 + € 950,29 + € 130,91 + € 17,50 + € 25,00 + € 326,12 + € 165,00 + € 61,85).
Dat betekent dat [appellante] haar stelling dat het banksaldo van moeder volledig aan nalatenschapskosten is opgegaan in hoger beroep alsnog voldoende heeft onderbouwd.

6.20

De door [appellante] in het overzicht genoemde overige betalingen behoeven geen bespreking (onder andere de betalingen aan Ziggo, Abonnement Plus 63 en Wakker dier).

Het beheer door [appellante]

6.21

Het hof verwerpt het verweer van [geïntimeerde] dat [appellante] niet bevoegd was om de hiervoor genoemde schulden van de nalatenschap te voldoen.

6.22

Met het overlijden van moeder zijn [appellante] en [geïntimeerde] van rechtswege moeder opgevolgd in haar vermogen en schuldenaar geworden van de schulden van moeder die niet met haar dood teniet zijn gegaan (art. 4:182 BW).

6.23

[appellante] heeft betoogd dat zij [geïntimeerde] nooit heeft uitgesloten van het beheer van de nalatenschap, maar dat zij de enige is geweest die noodgedwongen gebruik heeft gemaakt van deze bevoegdheid omdat zij geen overeenstemming heeft bereikt met [geïntimeerde] over een beheersregeling of een (boedel)volmacht. Daarbij heeft zij steeds gedaan wat in het belang van [geïntimeerde] en haar was, aldus [appellante] .

[geïntimeerde] heeft dit niet, althans onvoldoende weersproken. Volgens [geïntimeerde] is tussen [appellante] en hem sprake van een zeer moeizaam contact, leven zij in onmin met elkaar en is hun onderlinge relatie zeer slecht. Het is dan ook aannemelijk dat [appellante] en [geïntimeerde] geen overeenstemming hebben bereikt over een beheersregeling of (boedel)volmacht.

[geïntimeerde] heeft evenwel onvoldoende onderbouwd gesteld waarom de bedragen, waarvan hij de hoogte niet heeft betwist en die zien op de periode dat de woning niet verkocht kon worden (hiervoor genoemd onder 6.17), voor rekening van [appellante] zouden moeten blijven. Gezien het voorgaande heeft [geïntimeerde] onvoldoende onderbouwd gesteld dat [appellante] deze bedragen niet zonder zijn medewerking mocht voldoen. Het hof oordeelt dat [appellante] bevoegd heeft gehandeld als bedoeld in artikel 3:170 lid 1 BW. Daarnaast brengt de redelijkheid en billijkheid die erfgenamen jegens elkaar in acht dienen te nemen (artikel 3:166 BW) mee dat [appellante] en [geïntimeerde] de kosten, die zien op de periode dat het huis niet verkocht kon worden gezamenlijk dragen.

Ten aanzien van de bedragen genoemd onder 6.18 geldt dat [geïntimeerde] onvoldoende heeft weersproken dat dat dit schulden van moeder waren die niet met haar dood teniet zijn gegaan. Gezien het voorgaande kan [geïntimeerde] zich er in redelijkheid (artikel 3:166 BW) niet op beroepen dat deze betalingen voor rekening van [appellante] komen omdat deze zonder medewerking van [geïntimeerde] hebben plaats gevonden.
Bewijslevering is niet aan de orde.

6.24

Uit het voorgaande volgt dat de grieven VI en VII slagen. Grief VIII verwijst naar de andere grieven, heeft geen zelfstandige betekenis en behoeft daarom geen bespreking.

De overige standpunten van [appellante]

6.25

heeft zich in haar akte uitlaten op het standpunt gesteld dat:
- een bedrag van € 7.955,67 van de netto-opbrengst van de verkoop van de woning aan [geïntimeerde] toekomt en dat het restant van € 33.175,52 aan haar moet worden voldaan, waarbij het volgens haar juist is dat zij in totaal een bedrag van € 21.700,00 aan huurtermijnen heeft ontvangen voor de verhuur van de woning in de periode van 1 juni 2017 tot en met 31 december 2019 die voor de helft aan [geïntimeerde] toekomen; en
- dat een bedrag van € 517,00 dat door de voormalig advocaat van moeder in depot wordt gehouden ook in de verdeling van de nalatenschap moet worden betrokken, in die zin dat dat bij helfte moet worden verdeeld zodat aan ieder een bedrag van € 250,50 toekomt.

6.26

Deze standpunten van [appellante] behoeven geen bespreking. De verdeling van de nalatenschap is in deze procedure niet aan de orde. In de eerdere tussen [geïntimeerde] en [appellante] gevoerde bodemprocedure heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, immers bij vonnis van 6 juli 2016 op vordering van [geïntimeerde] de verdeling van de nalatenschap van moeder ten overstaan van een notaris bevolen (rov. 3.1.3 van het tussenarrest).

Slotsom en proceskosten

6.27

De slotsom is dat de beslissing van de rechtbank om de (wijze van) verdeling van de onverdeelde nalatenschap te gelasten in die zin dat het banksaldo van € 10.000,00 wordt toegedeeld aan [appellante] , die in verband daarmee een overbedelingsvergoeding van € 5.000,00 aan [geïntimeerde] verschuldigd is, niet in stand kan blijven.

6.28

Het hof zal die beslissing vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vordering van [geïntimeerde] tot betaling van € 5.000,00, bestaande uit de helft van het banksaldo van moeder per sterfdatum, te vermeerderen met wettelijke rente, alsnog afwijzen (inleidende dagvaarding blz. 6, vijfde gedachtestreepje).

6.29

De veroordeling van [appellante] tot betaling van een dwangsom aan [geïntimeerde] wordt ook vernietigd. De vordering van [geïntimeerde] met betrekking tot het opleggen van een dwangsom ten laste van [appellante] zal alsnog worden afgewezen (zie onder 6.5).

6.30

Het bestreden vonnis zal voor het overige worden bekrachtigd.

6.31

Gelet op de omstandigheid dat [appellante] en [geïntimeerde] in familierechtelijke betrekking tot elkaar staan, zullen de kosten van de procedure in hoger beroep worden gecompenseerd zoals hierna vermeld. Het arrest zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, zoals door [appellante] gevorderd.

7 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep uitsluitend voor zover in rov. 5.1 onder g en in rov. 5.2 is beslist:

het banksaldo van € 10.000 wordt toegedeeld aan de zus, die zij in verband daarmee aan de broer een overbedelingsvergoeding van € 5.000 verschuldigd is,” en

veroordeelt de zus tot betaling van een dwangsom aan de broer van € 100 per dag voor elke dag na de dag van betekening van dit vonnis dat zij in gebreke blijft aan het in de beslissing onder 1 onder d bepaalde te voldoen, zulks tot een maximum van € 50.000,

in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst de vordering van [geïntimeerde] tot betaling van € 5.000,00, bestaande uit de helft van het banksaldo van moeder per sterfdatum, te vermeerderen met wettelijke rente, af;

wijst de vordering van [geïntimeerde] met betrekking tot het opleggen van dwangsom ten laste van [appellante] af;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Y.L.L.A.M. Delfos-Roy, M.E. Smorenburg en P.S. Kamminga en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 mei 2021.

griffier rolraadsheer

.