Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:1443

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-05-2021
Datum publicatie
12-05-2021
Zaaknummer
20-003534-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte is ter zake van feitelijk leiding geven aan flessentrekkerij, twee keer flessentrekkerij, poging tot oplichting en oplichting veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van voorarrest. Tevens heeft het hof de openbaarmaking van het arrest na het onherroepelijk worden daarvan, met vermelding van de personalia van de verdachte, door kosteloze publicatie ervan op www.rechtspraak.nl, gelast

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-003534-16

Uitspraak : 12 mei 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats [plaats 6] , van 14 november 2016 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 02-810677-11 en 02-666500-12, tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Vught.

Hoger beroep

De rechtbank heeft de verdachte bij vonnis waarvan beroep vrijgesproken van het onder parketnummer 02-810677-11 onder 1 primair tenlastegelegde, alle overige tenlastegelegde feiten bewezenverklaard en deze gekwalificeerd als:

  • -

    flessentrekkerij (parketnummer 02-810677-11, feit 1 subsidiair);

  • -

    flessentrekkerij (parketnummer 02-810677-11, feit 2 primair);

  • -

    oplichting (parketnummer 02-810677-11, feit 3 primair);

  • -

    poging tot oplichting (parketnummer 02-810677-11, feit 4 primair);

  • -

    flessentrekkerij (parketnummer 02-666500-12 primair).

De rechtbank heeft de verdachte strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van voorarrest. Ten aanzien van de op de beslaglijst d.d. 25 maart 2014 genoemde inbeslaggenomen voorwerpen heeft de rechtbank beslist dat dit beslag gehandhaafd blijft.

Tot slot heeft de rechtbank de schorsing van de voorlopige hechtenis opgeheven.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en de beslissing omtrent het beslag en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

  • -

    de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren en 6 maanden, met aftrek van voorarrest, met als bijkomende straf openbaarmaking van het arrest;

  • -

    de inbeslaggenomen voorwerpen verbeurd zal verklaren.

De raadsvrouw van de verdachte heeft primair integrale vrijspraak bepleit.

Subsidiair, indien het hof komt tot een bewezenverklaring, is een strafmaatverweer gevoerd, waarbij is verzocht om oplegging van een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van het reeds door verdachte ondergane voorarrest, nu de verdachte detentieongeschikt moet worden geacht.

Tot slot is verzocht om teruggave aan de verdachte van de onder hem inbeslaggenomen voorwerpen.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust:

  • -

    met uitzondering van de bewezenverklaring van het in de zaak met parketnummer 02-810677-11 onder 1 subsidiair tenlastegelegde;

  • -

    met verbetering en aanvulling van de bewijsvoering;

  • -

    met uitzondering van de kwalificatie van het onder parketnummer 02-810677-11 onder 1 subsidiair, 2 primair en onder parketnummer 02-666500-12 primair bewezenverklaarde;

  • -

    met uitzondering van de opgelegde straf en strafmotivering;

  • -

    met uitzondering van de beslissing omtrent het beslag;

  • -

    met uitzondering van de door de rechtbank aangehaalde wetsartikelen.

Tenlastelegging van het onder parketnummer 02-810677-11 onder 1 tenlastegelegde

Aan de verdachte is in de zaak met parketnummer 02-810677-11 onder 1 – na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg – tenlastegelegd dat:

1. DELICT 1, 2, 3, 4 en 7 Proces-verbaal)

hij op meerdere althans een tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot

en met 31 december 2009 op na te noemen plaatsen, in elk geval in Nederland, tezamen en

in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een beroep of een gewoonte heeft

gemaakt van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich

en/of (een) ander(en) de beschikking over die goederen te verzekeren, hebbende hij, verdachte,

en/of zijn mededader(s), telkens met voormeld oogmerk, de navolgende goederen - op tijd

en plaats daarbij vermeld - gekocht, te weten:

- 16 oktober 2007 tot en met 26 oktober 2008 te [plaats 1] en/of [plaats 2] een groot aantal

hoge drukreinigers geleverd door [rechtspersoon 1] ter waarde van ongeveer

107.398,40 euro, althans enig geldbedrag en/of

- - 30 oktober 2008 tot en met 31 december 2008 te [plaats 1] en/of [plaats 3]

een hoeveelheid sokken geleverd door [rechtspersoon 2] ter waarde van ongeveer

99.457,36 euro, althans enig geldbedrag en/of

- 1 september 2008 tot en met 20 november 2008 te [plaats 1] en/of te Duitsland een groot

aantal bonbons geleverd door [rechtspersoon 3] ter waarde

van ongeveer 245.009,60 euro, althans enig geldbedrag en/of

- 1 februari 2008 tot en met 2 april 2009 te [plaats 1] en/of [plaats 4] een

grote hoeveelheid cosmetica geleverd door [rechtspersoon 4] ter waarde van ongeveer

27.488,20 euro, althans enig geldbedrag en/of

- - 1 maart 2009 tot en met 8 juni 2009 te [plaats 1] en/of [plaats 5] een groot aantal

paar/paren schoenen geleverd door [rechtspersoon 5] ter waarde van ongeveer 88.440,09

euro, althans enig geldbedrag;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 primair niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[verdachte rechtspersoon] op meerdere, althans een, tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van

1 januari 2007 tot en met 31 december 2009 op na te noemen plaatsen, in elk geval in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een beroep of

een gewoonte heeft gemaakt van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder

volledige betaling zich en/of (een) ander(en) de beschikking over die goederen te

verzekeren, hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), telkens met voormeld oogmerk, de

navolgende goederen - op tijd en plaats daarbij vermeld - gekocht, te weten:

-- 16 oktober 2007 tot en met 26 oktober 2008 te [plaats 1] en/of [plaats 2] een groot aantal

hoge drukreinigers geleverd door [rechtspersoon 1] ter waarde van ongeveer

107.398,40 euro, althans enig geldbedrag en/of

- 30 oktober 2008 tot en met 31 december 2008 te [plaats 1] en/of [plaats 3]

een hoeveelheid sokken geleverd door [rechtspersoon 2] ter waarde van ongeveer

99.457,36 euro althans enig geldbedrag en/of

- 1 september 2008 tot en met 20 november 2008 te [plaats 1] en/of te Duitsland een groot

aantal bonbons geleverd door [rechtspersoon 3] ter waarde

van ongeveer 245.009,60 euro, althans enig geldbedrag en/of

- 1 februari 2008 tot en met 2 april 2009 te [plaats 1] en/of [plaats 4] een

grote hoeveelheid cosmetica geleverd door [rechtspersoon 4] ter waarde van ongeveer

27.488,20 euro, althans enig geldbedrag en/of

- - 1 maart 2009 tot en met 8 juni 2009 te [plaats 1] en/of [plaats 5] een groot aantal

paar/paren schoenen geleverd door [rechtspersoon 5] ter waarde van ongeveer 88.440,09

euro, althans enig geldbedrag;

tot het plegen van welke strafbare feiten hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke

bovenomschreven verboden gedragingen hij, verdachte, en/of zijn mededadader(s) (telkens)

feitelijke leiding heeft/hebben gegeven.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring van het onder parketnummer 02-810677-11 onder 1 subsidiair tenlastegelegde

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 02-810677-11 onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

[verdachte rechtspersoon] in de periode van 1 februari 2008 tot en met 2 april 2009 in

Nederland een beroep of een gewoonte heeft gemaakt van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich de beschikking over die goederen te verzekeren, hebbende hij, verdachte, telkens met voormeld oogmerk de navolgende goederen gekocht, te weten:

- een hoeveelheid sokken geleverd door [rechtspersoon 2] ter waarde van enig geldbedrag en

- een grote hoeveelheid cosmetica geleverd door [rechtspersoon 4] ter waarde van

enig geldbedrag

tot het plegen van welke strafbare feiten hij, verdachte, telkens opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedragingen hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven;

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Het hof neemt daarbij de overwegingen van de rechtbank over die tot de vrijspraakbeslissing van het onder parketnummer 02-810677-11 onder 1 primair tenlastegelegde alsmede die vrijspraakbeslissing en de partiële vrijspraakbeslissing van het onder parketnummer 02-810677-11 onder 1 subsidiair tenlastegelegde hebben geleid (pagina’s 8-12 van het vonnis). Het hof neemt deze overwegingen van de rechtbank en deze beslissingen, die als hier herhaald en ingevoegd dienen te worden beschouwd, over en maakt die tot de zijne.

Verbetering en aanvulling van de bewijsvoering

Verweren van de verdediging in hoger beroep

De raadsvrouw van de verdachte heeft in hoger beroep integrale vrijspraak bepleit. Daartoe is – op de gronden als verwoord in de pleitnota – het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van het onder parketnummer 02-810677-11 stelt de verdachte dat hij er pas later achter kwam dat er verkooprestricties verbonden waren aan de partijen sokken van [rechtspersoon 2] . Wel is het volgens verdachte zo dat hij geen gebruik heeft gemaakt van een rechtens geldige manier om het voor hem daardoor ontstane probleem op te lossen en heeft hij de goederen niet terug geleverd en het door verkregen bedrag van € 100.000 uit de verkoop van de partij sokken niet aan [rechtspersoon 2] betaald. De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof met betrekking tot het volgende gedeelte van de tenlastelegging: “een hoeveelheid sokken geleverd door [rechtspersoon 2] B. V. ter waarde van enig geldbedrag”.

Ten aanzien van de cosmetica van [rechtspersoon 4] (hierna: [rechtspersoon 4] ) heeft verdachte verklaard dat hij de goederen op voorhand al had verkocht aan een derde partij. Met de opbrengst van die verkoop zou hij [rechtspersoon 4] betalen, hetgeen niet ongebruikelijk is in het handelsverkeer. Dit is vervolgens niet gebeurd omdat de derde partij van afname van de goederen af zag. Uiteindelijk is er een betalingsregeling met [rechtspersoon 4] getroffen en bovendien is sprake van een voortgezette zakenrelatie. Verdachte had bij [rechtspersoon 4] nooit het oogmerk om niet, althans niet volledig, te betalen.

Nu slechts sprake is van één dan wel twee incidenten, kan niet worden gesproken over een ‘beroep of gewoonte’ als bedoeld in artikel 326a Sr. Voorts is geen sprake van enige samenhang tussen dit feit en de andere tenlastegelegde feiten zodat niet over eenzelfde kenmerkende handelswijze kan worden gesproken. Daarbij heeft de raadsvrouw onder meer opgemerkt dat met [verdachte rechtspersoon] in de tenlastegelegde periode ook een groot aantal legitieme transacties is verricht. De verdachte dient dan ook van dit feit te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder parketnummer 02-810677-11 onder 2 en het onder parketnummer 02-666500-12 tenlastegelegde heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van het alias ‘ [naam 1] ’. Verdachte heeft dit ontkend en ter terechtzitting in hoger beroep een uitleg gegeven voor de omstandigheid dat meerdere getuigen wel hebben verklaard dat hij deze [naam 1] is. De verklaring van de verdachte vindt bovendien steun in de voor hem ontlastende getuigenverklaringen van [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] , [getuige 4] , [getuige 5] en [getuige 6] . De verklaringen van [getuige 7] en [getuige 8] zijn daarentegen onbetrouwbaar, nu deze getuigen zelf een belang hadden bij het afleggen van een voor verdachte belastende verklaring. Deze verklaringen dienen daarom niet, althans met grote behoedzaamheid, voor het bewijs te worden gebezigd.

Nu niet kan worden vastgesteld dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van het alias ‘ [naam 1] ’, kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat hij de onder parketnummer 02-810677-11 onder 2 en onder parketnummer 02-666500-12 tenlastegelegde feiten heeft begaan, zodat hij hiervan dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder parketnummer 02-810677-11 onder 3 en 4 tenlastegelegde is primair vrijspraak bepleit omdat dat niet kan worden bewezen dat verdachte gebruik heeft gemaakt van het alias ‘ [naam 2] ’. Verdachte heeft ontkend dat hij van deze naam gebruik maakte en verklaard dat hij geen enkele actieve bemoeienis heeft gehad bij de handelsactiviteiten van [rechtspersoon 6] . Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte verklaard dat [betrokkene] degene is geweest die zich voordeed als [naam 2] . [betrokkene] zelf heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat [naam 2] en verdachte twee verschillende personen zijn. De getuigen [getuige 9] en [getuige 10] daarentegen hadden zelf belang bij het afleggen van een voor verdachte belastende verklaring. Tot slot is verdachte niet herkend door [getuige 11] en [getuige 12] . De verdachte dient derhalve van deze tenlastegelegde feiten te worden vrijgesproken.

Subsidiair stelt de raadsvrouw dat vrijspraak van het onder parketnummer 02-810677-11 onder 3 en 4 tenlastegelegde dient te volgen, nu niet kan worden geconcludeerd dat sprake is van oplichting in de zin van artikel 326 Sr. De wederrechtelijkheid van het oogmerk tot wederrechtelijke bevoordeling ontbreekt, nu er geen civiele verhaalsmogelijkheden zijn omzeild of civiele verweermiddelen zijn afgesneden.

Overwegingen van het hof

I

Het hof verenigt zich met de door de rechtbank in het vonnis gebezigde bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen, zoals weergegeven op pagina’s 8 tot en met 20 van het vonnis en neemt deze over, met verbetering en aanvulling van het hiernavolgende. Het hof houdt daarbij de volgorde van het vonnis aan.

Het hof zal de feiten en omstandigheden zoals deze uit de bewijsmiddelen blijken in onderling verband en samenhang bezien, waarbij het vooropstelt dat de rechter vrij is in de selectie en waardering van de bewijsmiddelen.

II

In de eerste zin bovenaan op pagina 9 van het vonnis dient tussen de woorden “ [verdachte rechtspersoon] ” en “een aanbetaling” te worden toegevoegd: op 4 november 2008.1

III

In voetnoot 2 op pagina 9 van het vonnis dient te worden toegevoegd: in combinatie met het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] , dossierpagina’s 2561-2562.

IV

Uit de zin in de eerste alinea op pagina 9, die begint met de woorden “Uit de verklaring (…)” en eindigt met “ [rechtspersoon 7] ” dient de naam “ [getuige 6] ” te worden geschrapt, en dient het woord “hebben” te worden vervangen door het woord “heeft”.

V

Het hof is van oordeel dat de laatste twee zinnen van de eerste alinea op pagina 9, beginnend met de woorden “Ter zitting (…)” en eindigend met de woorden “(…) terug kreeg.”, voorzien van voetnoot 7, dienen te worden geschrapt.

VI

Het hof vervangt de zin onderaan pagina 10 en bovenaan pagina 11 van het vonnis die begint met de woorden “Hiertoe overweegt de rechtbank (…)” en eindigt me de woorden “(…) hebben plaatsgevonden” door de volgende overweging.

Hiertoe overweegt het hof dat er, onder naam van [verdachte rechtspersoon] , in 2008 twee keer grote bestellingen van goederen zijn geplaatst, telkens met het oogmerk om zonder volledige betaling zich de beschikking over die goederen te verzekeren.

Op 9 september 2008 heeft [verdachte rechtspersoon] , nadat [rechtspersoon 4] nog altijd geen betaling had ontvangen en [aangever 1] herhaaldelijk contact had gezocht met verdachte, een klein bedrag van € 2.000,- aan [rechtspersoon 4] aanbetaald. Nog geen twee maanden later, op 31 oktober 2008, heeft de levering van de [rechtspersoon 2] sokken aan [verdachte rechtspersoon] plaatsgevonden. Op 4 november 2008, is door [verdachte rechtspersoon] een kleine aanbetaling aan [rechtspersoon 2] gedaan. Deze aanbetalingen betroffen in beide gevallen slechts een klein deel van het totaalbedrag, terwijl de rest van de betalingen (ook na aanmaning) nooit heeft plaatsgevonden.

VII

In de derde alinea van pagina 12 van het vonnis dient het woord “haar” te worden vervangen door het woord “zijn”.

VIII

In aanvulling op de tweede alinea van pagina 13 van het vonnis, onder “ [rechtspersoon 8] (hierna: [rechtspersoon 8] ) overweegt het hof nog het volgende.

Tijdens een doorzoeking in de woning van de verdachte werd een factuur aangetroffen van het bedrijf [rechtspersoon 9] gericht aan [rechtspersoon 10] d.d. 19 november 2010 ad € 86.958,10, met als omschrijving “partij [rechtspersoon 8] ”.2

Verder acht het hof nog het volgende van belang. ‘ [naam 1] ’ heeft namens [rechtspersoon 11] meermalen telefonisch contact gehad met [rechtspersoon 8] , waarbij namens [rechtspersoon 11] het telefoonnummer [telefoonnummer 1] werd gebruikt. Daarbij straalde dit telefoonnummer in de meeste gevallen aan in [plaats 1] , zijnde de woonplaats van de verdachte.3

Op 29 oktober 2010 heeft [naam 1] in naam van [rechtspersoon 11] een e-mailbericht aan aangever [getuige 5] van [rechtspersoon 8] verstuurd, waarin hij memoreert aan hun ‘prettige gesprek van gisterenmiddag’.4 Uit onderzoek naar de printgegevens is gebleken dat met zowel het telefoonnummer [telefoonnummer 1] als het privénummer van verdachte ( [telefoonnummer 2]5) in de ochtend van 28 oktober 2010 diverse gesprekken zijn gevoerd, waarbij beide telefoons aanstraalden op mastlocaties in de directe omgeving van de woning van verdachte. Omstreeks 12.53 uur kwamen beide telefoons in beweging en vertrokken deze in de richting van [plaats 6] . Tussen 14.31 uur en 15.27 uur wordt door beide telefoonnummers aangestraald op mastlocaties in [plaats 7] in de nabijheid van de locatie van het bedrijf [rechtspersoon 8] aan de [adres 1] .6

Vastgesteld is verder dat het telefoonnummer [telefoonnummer 1] en het privénummer van verdachte [telefoonnummer 2] vaak op dezelfde datum en tijd gebruik maakten van dezelfde zendmast dan wel van zendmasten die dicht bij elkaar zijn gelegen.7

Verder is namens [rechtspersoon 8] Duitsland een journaal verstrekt waarin de contacten tussen [rechtspersoon 8] Duitsland en [rechtspersoon 11] , in het bijzonder haar medewerker [naam 1] waren vastgelegd. Uit dit journaal bleek dat op 26 oktober 2010 [naam 1] een bezoek heeft gebracht aan het magazijn van [rechtspersoon 8] Duitsland.8 [rechtspersoon 8] Duitsland is gevestigd in [plaats 8] . Tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte op 27 april 2011 werd onder andere een tankbonnetje aangetroffen. Hieruit bleek dat op 26 oktober 2010 in Duitsland was getankt aan een benzinestation aan de snelweg A3, ter hoogte van Weibersbrunn. Dit benzinestation lag op de route van [plaats 1] naar [plaats 8] .9

IX

In aanvulling op de laatste alinea onderaan pagina 13 van het vonnis onder “ [rechtspersoon 12] (hierna [rechtspersoon 12] )” overweegt het hof dat uit de historische printgegevens is gebleken dat ook [rechtspersoon 12] diverse malen telefonisch contact heeft gehad met [naam 1] namens [rechtspersoon 11] , te weten met het telefoonnummer [telefoonnummer 1] .10 Het hof verwijst in dat kader naar hetgeen hierboven onder VIII is overwogen.

X

In voetnoot 27 op pagina 14 van het vonnis wordt toegevoegd: in combinatie met de factuur van [rechtspersoon 13] d.d. 17 december 2010, dossierpagina 4071.

XI

In voetnoot 28 op pagina 14 van het vonnis wordt toegevoegd: in combinatie met de ‘Account view van HSBC’, dossierpagina 4076.

XII

In aanvulling op de tweede alinea in het midden van pagina 14 van het vonnis, onder “ [rechtspersoon 14] hierna: [rechtspersoon 14] )” overweegt het hof dat uit de historische printgegevens is gebleken dat ook [rechtspersoon 14] diverse malen telefonisch contact heeft gehad met [naam 1] namens [rechtspersoon 11] , te weten met het telefoonnummer [telefoonnummer 1] .11

XIII

In aanvulling op de derde alinea van pagina 14 van het vonnis, onder “ [rechtspersoon 15] (hierna: [rechtspersoon 15] )” overweegt het hof dat uit de historische printgegevens is gebleken dat ook [rechtspersoon 15] diverse malen telefonisch contact heeft gehad met [naam 1] namens [rechtspersoon 11] , te weten met het telefoonnummer [telefoonnummer 1] .12

Verder merkt het hof het volgende op.

Op 7 februari 2011 is onderzoek ingesteld in het pand aan de [adres 2] te [plaats 9] , waar het bedrijf [rechtspersoon 6] van [naam 2] was gevestigd (feit 3, welk feit wordt besproken op pagina 16 en verder van het vonnis). In dit pand werden in een laptoptas diverse bescheiden aangetroffen van het bedrijf [rechtspersoon 11] , waaronder formulieren die waarschijnlijk hebben moeten dienen als bewijsstukken dat bedragen door de HSBC bank zouden zijn overgemaakt naar bedrijven. Voorts werden in het pand 39 pallets met babyvoeding van het merk [rechtspersoon 15] aangetroffen.13

XIV

In aanvulling op de eerste alinea van pagina 15 van het vonnis overweegt het hof dat uit de historische printgegevens is gebleken dat ook [rechtspersoon 16] diverse malen telefonisch contact heeft gehad met [naam 1] namens [rechtspersoon 11] , te weten met het telefoonnummer [telefoonnummer 1] .14

Tijdens het onderzoek in het hiervoor genoemde pand waar [rechtspersoon 6] was gevestigd (zie XIII), zijn daarnaast in de laptoptas vier soortgelijke betalingsbewijzen van de Royal bank of Canada aangetroffen.15

XV

In aanvulling op de tweede alinea op pagina 15 van het vonnis, onder “Wie is [naam 1] ?” overweegt het hof nog het volgende.

Verdachte heeft bij de raadsheer-commissaris d.d. 31 augustus 2018 verklaard wie volgens hem schuilgaat achter [naam 1] . Volgens verdachte heet deze [naam 1] in werkelijkheid [voornaam] en was hij de buurman van [getuige 7] in [land] . Hij verklaarde dat het kan kloppen dat hij is herkend door sommige leveranciers, omdat hij wel eens mee is geweest naar gesprekken en heeft geholpen bij het regelen van drukwerk en reclame. Ook gaf hij aan dat hij regelmatig samen met ‘ [naam 1] ’ in zijn [auto] heeft gereden.

Het hof hecht geen geloof aan deze verklaring. Nog daargelaten dat de verdachte deze verklaring eerst bij de raadsheer-commissaris heeft afgelegd, is zijn verklaring niet aannemelijk geworden. Verdachte heeft slechts een voornaam genoemd van deze vermeende persoon, zodat zijn verklaring niet verifieerbaar is en derhalve niet op juistheid kan worden getoetst. De door verdachte opgegeven reden voor het zeer laat afleggen van deze verklaring – namelijk vanwege bedreigingen aan zijn adres – is naar het oordeel van het hof evenmin onderbouwd of aannemelijk geworden. Voorts merkt het hof op dat de verdachte bij de politie heeft verklaard dat alleen hij en zijn vrouw gebruik maakten van zijn [auto] (dossierpagina 882), zodat hij zichzelf op dat punt zelfs tegenspreekt.

Het hof ziet daarentegen geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 13] , [getuige 14] , [getuige 15] , [getuige 16] , [getuige 7] en [getuige 8] . Deze voor de verdachte belastende verklaringen zijn gedetailleerd en consistent en ondersteunen elkaar op essentiële punten, met name waar het de verklaringen van [getuige 13] , [getuige 14] en [getuige 15] betreft. Laatstgenoemde drie personen hebben immers afzonderlijk van elkaar verklaard dat zij de verdachte herkenden als [naam 1] . Niet valt in te zien waarom deze personen op dit punt een onwaarachtige/onbetrouwbare verklaring zouden hebben afgelegd. Bovendien vinden de verklaringen van voornoemde getuigen naar het oordeel van het hof steun in de overige hiervoor genoemde bewijsmiddelen, meer bepaald in telefoongegevens – waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte de gebruiker was van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] waarmee namens [rechtspersoon 11] contact werd gezocht met de bedrijven – alsmede het bij verdachte aangetroffen tankbonnetje.

Het hof is van oordeel dat de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd met het vorenoverwogene, de conclusie rechtvaardigen dat de verdachte degene is die gebruik heeft gemaakt van het alias [naam 1] . Hetgeen de raadsvrouw ter terechtzitting in hoger beroep daarover nog heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.

XVI

Na de zin in de eerste alinea op pagina 18 die begint met “Immers [getuige 9] (…)” en eindigt met “had verlaten”, overweegt het hof nog het volgende.

Tot slot acht het hof van belang dat uit het dossier een opvallende link is te ontwaren tussen [naam 1] en [naam 2] . Immers in het pand aan de [adres 2] te [plaats 9] waar [rechtspersoon 6] was gevestigd, zijn ook goederen aangetroffen die betrekking hadden op (handelsactiviteiten van) [rechtspersoon 11] (te weten pallets met babyvoeding en de in de laptoptas aangetroffen bescheiden). Naar het oordeel van het hof staat dan ook vast dat verdachte zich (ook) heeft uitgegeven voor [naam 2] . Hetgeen de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep daarover nog heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.

Kwalificatie van het onder parketnummer 02-810677-11 onder 1 subsidiair, 2 primair en onder parketnummer 02-666500-12 primair bewezenverklaarde

Het hof neemt de overwegingen en beslissing van de rechtbank met betrekking tot de strafbaarheid van de feiten en de verdachte over (pagina 22 van het vonnis).

De rechtbank heeft het onder parketnummer 02-810677-11 onder 1 subsidiair, 2 primair en het onder parketnummer 02-666500-12 primair bewezenverklaarde telkens gekwalificeerd als ‘flessentrekkerij’. Het hof is van oordeel dat de kwalificatie van deze feiten als volgt behoort te luiden:

Het onder parketnummer 02-810677-11 onder 1 subsidiair bewezenverklaarde levert op:

opdracht geven tot dan wel feitelijk leiding geven aan een beroep of een gewoonte maken van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich de beschikking over die goederen te verzekeren.

Het onder parketnummer 02-810677-11 onder 2 primair bewezenverklaarde levert op:

een beroep of een gewoonte maken van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich de beschikking over die goederen te verzekeren.

Het onder parketnummer 02-666500-12 primair bewezenverklaarde levert op:

een beroep of een gewoonte maken van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich de beschikking over die goederen te verzekeren.

Op te leggen straf

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan – kort gezegd – (opdracht geven tot dan wel feitelijk leiding geven aan) flessentrekkerij, oplichting en poging tot oplichting. Hoofdzakelijk bestond de handelwijze van de verdachte hierin dat hij zich voordeed als een tussenhandelaar die (onder andere) restpartijen kon doorverkopen. Hij bewoog de bedrijven om – tegen intern beleid in – goederen te leveren zonder dat de (volledige) koopsom was voldaan. Daar waar bedrijven voet bij stuk hielden, bewoog verdachte hen tot afgifte van goederen door een vals overschrijvingsbewijs of een valse betalingsopdracht te tonen. Dit heeft verdachte gedurende een lange periode gedaan en hiermee waren grote bedragen gemoeid. De verdachte heeft met zijn handelen grote schade toegebracht aan de betrokken bedrijven en daarbij misbruik gemaakt van het in hem gestelde vertrouwen. Niet alleen doet dit afbreuk aan het vertrouwen binnen de markt, ook is verdachte eraan voorbij gegaan dat de bedrijven waar hij de goederen afnam door zijn handelen in financiële problemen konden geraken. Verdachte heeft hier geen enkele rekening mee gehouden, maar heeft zich alleen bekommerd om zijn eigen financiële gewin. Het hof rekent dit alles de verdachte zwaar aan. Het hof vreest voor herhaling omdat het van oordeel is dat verdachte onverbeterlijk is. De getuige [getuige 3] geeft een treffend inkijkje in de mentaliteit van verdachte wanneer hij uit de mond van verdachte optekent: “Ik kan het niet laten om goederen van anderen, wanneer ze in een loods staan, te verkopen” (dossierpagina 2757), welke uitlating de getuige ten overstaan van de Rechter-Commissaris tijdens zijn verhoor op 28 juni 2012 heeft herhaald.

Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, in verband met een juiste normhandhaving en vanuit het oogpunt van vergelding en speciale preventie, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de Pro Justitia-rapportages van psychiater drs. W. Eland d.d. 30 januari 2012, van psycholoog drs. W.J.L. Lander d.d. 6 februari 2012, van psychiater drs. H.E.M. van Beek d.d. 28 mei 2016 en van psycholoog drs. T. ’t Hoen d.d. 23 juni 2016. Het hof neemt de motivering van de rechtbank met betrekking tot de toerekenbaarheid van de verdachte, weergegeven op pagina’s 23 en 24 van het vonnis, over en maakt deze tot de zijne. Er is het hof ter terechtzitting in hoger beroep niet gebleken dat aan genoemde rapportages gelet op het tijdsverloop geen actuele betekenis meer kan worden toegekend. Het hof is derhalve met de rechtbank van oordeel dat de feiten volledig aan de verdachte kunnen worden toegerekend.

Blijkens het de verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 5 februari 2021 is hij voorafgaand aan de bewezenverklaarde feiten reeds eerder onherroepelijk veroordeeld ter zake van (onder meer) oplichting en flessentrekkerij. Verdachte is hiervoor veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren (parketnummer 21-000369-07). Het hof houdt in strafverzwarende zin rekening met deze veroordeling. De bewezenverklaarde feiten zijn bovendien grotendeels gepleegd in de proeftijd van deze eerdere veroordeling.

Uit voornoemd uittreksel volgt verder dat verdachte op 12 maart 2019, aldus na het plegen van de thans bewezenverklaarde feiten, is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 54 maanden ter zake van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, en een beroep of gewoonte maken van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich of een ander de beschikking over die goederen te verzekeren (flessentrekkerij) (parketnummer 01-865039-17). Het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft de verdachte op 6 augustus 2019 niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep en voormeld vonnis is op 21 augustus 2019 onherroepelijk geworden.

Het strafmaximum in de onderhavige strafzaak bedraagt – met toepassing van de samenloopbepaling ex artikel 57 Sr – 5 jaren en 4 maanden.

Gelet op het bepaalde in artikel 63 Sr dient het hof rekening te houden met de laatstgenoemde veroordeling met de daarvoor opgelegde straf, in die zin dat het hof in een geval als het onderhavige

  1. moet nagaan wat de maximaal op te leggen tijdelijke gevangenisstraf zou zijn geweest indien alle feiten gevoegd zouden zijn behandeld en dus tot één rechterlijke uitspraak zouden hebben geleid, terwijl

  2. in ieder geval geen hogere straf zal mogen opleggen dan overeenkomt met het hiervoor onder a) bedoelde maximum verminderd met de eerder opgelegde straffen en

  3. in geen geval hoger mag straffen dan tot het maximum van de vrijheidsstraf die is gesteld op het door hem te berechten feit (HR 19 april 2005, LJN AS5556 en HR 29-11-2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2227).

Toepassing van het voorgaande op het onderhavige geval leidt tot de vaststelling dat ingeval van voeging van alle hiervoor vermelde feiten het hof maximaal een gevangenisstraf voor de duur van 96 maanden (zes jaren vermeerderd met een derde ex artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht) had mogen opleggen. Het voorgaande leidt ertoe dat thans nog een maximum gevangenisstraf resteert van 42 maanden.

Het hof is van oordeel dat de ernst van de feiten en de hardnekkigheid waarmee verdachte is gerecidiveerd, het rechtvaardigen deze maximale strafruimte te benutten. Alles afwegende acht het hof dan ook oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van voorarrest, in beginsel passend en geboden. Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak het volgende.

Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.

Ten aanzien van de berechting in eerste aanleg overweegt het hof als volgt. Op 27 april 2011 is verdachte in verzekering gesteld en is jegens hem een handeling verricht waaraan hij in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem door het Openbaar Ministerie strafvervolging zou worden ingesteld. De rechtbank heeft op 14 november 2016 – vijfeneenhalf jaren en derhalve niet binnen twee jaren na dit moment – vonnis gewezen.

Bij de beoordeling of de redelijke termijn is overschreden kunnen bijzondere omstandigheden een rol spelen, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of de verdediging op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

Deze overschrijding is naar het oordeel van het hof gedeeltelijk toe te schrijven aan de herhaalde aanhoudingsverzoeken van de verdediging en aan het feit dat door de verdediging onderzoekswensen – te weten het horen van getuigen bij de rechter-commissaris – zijn ingediend.

Niettemin kan worden geconcludeerd dat de redelijke termijn in eerste aanleg in forse mate is overschreden en dat deze overschrijding voor het grootste deel niet voor rekening van de verdachte dient te komen.

Ten aanzien van de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep overweegt het hof als volgt. De verdachte heeft op 18 november 2016 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof op 12 mei 2021 – en derhalve niet binnen twee jaren na het instellen van hoger beroep – arrest wijst. De redelijke termijn in hoger beroep is hierdoor met bijna 2 jaren en 6 maanden overschreden.

Hoewel er in deze zaak op verzoek van de verdediging getuigen door de raadsheer-commissaris zijn gehoord en de zaak ter terechtzitting van 14 oktober 2020 op verzoek en in het belang van de verdediging is aangehouden, is het hof van oordeel dat die omstandigheden niet het gehele tijdsverloop kunnen verklaren. Van andere bijzondere omstandigheden die het tijdsverloop rechtvaardigen is niet gebleken.

Het hof zal derhalve de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat de op te leggen gevangenisstraf zal worden gematigd met 12 maanden. Derhalve is een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest passend en geboden.

Dit betekent ook dat het hof geen aanleiding ziet tegemoet te komen aan het verzoek van de verdediging te volstaan met de oplegging van een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest. De oplegging van een dergelijke straf doet in het geheel geen recht aan de ernst van het bewezenverklaarde en is in onderhavige zaak onvoldoende normstellend.

De persoonlijke omstandigheden van verdachte waarop de raadsvrouw in dit verband heeft gewezen en die zouden moeten leiden tot het oordeel dat verdachte detentieongeschikt is, brengen het hof niet tot een ander oordeel.

Hoewel het hof begrijpt dat verdachte te kampen heeft met diverse lichamelijke en/of psychische problemen/beperkingen die het ondergaan van een gevangenisstraf zwaarder maken, is het hof niet aannemelijk geworden dat deze zodanig zijn dat hij in het geheel niet in staat is om een gevangenisstraf te ondergaan. De omstandigheid dat verdachte zou lijden aan (de meest ernstige vorm van) PNEA acht het hof onvoldoende om tot dit oordeel te komen. M.C. van Overduin en J.C. Laheij concluderen in hun rapport d.d. 24 maart 2021 weliswaar dat verdachte ‘volledig detentieongeschikt’ is. Echter, dit blijkt in het geheel niet uit de informatie die op 6 april 2021 door de GZ-psycholoog/behandelcoördinator Speessen van het PPC Vught is verstrekt. Zij geeft kort gezegd aan dat verdachte thans verblijft op een afdeling binnen het PPC met het hoogste zorg- en beveiligingsniveau, dat er gedurende de dag (en nacht) continu begeleiding is om verdachte waar nodig te ondersteunen en tijdig in te grijpen wanneer hij een PNEA heeft. Verdachte wordt door de PI vooralsnog detentiegeschikt bevonden; de PI acht zich voldoende in staat de nodige zorg te leveren om betrokkene zijn detentie te laten ondergaan.

Tegen deze achtergrond kan het hof niet beoordelen of verdachte thans als detentieongeschikt dient te worden aangemerkt.

Het is aan de autoriteiten, die zijn belast met de executie van de straf, om zorg te dragen voor een humane tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf van de verdachte en zo nodig rekening te houden met de zich daarbij voorkomende bijzonderheden. Met de genoemde problematiek van de verdachte kan, naar het oordeel van het hof, in beginsel rekening worden gehouden tijdens zijn detentie, mede gelet op de intensieve zorg die in de afdeling van het PPC mogelijk is waar verdachte thans in het kader van een andere gevangenisstraf reeds verblijft. Eventueel kan in het kader van de executie van de thans aan de verdachte op te leggen gevangenisstraf (indien geïndiceerd) nader onderzoek worden gedaan naar de eventuele detentieongeschiktheid op dat moment.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van voorarrest.

Gelet op het grote gevaar voor herhaling, blijkend uit de eerdere onherroepelijke veroordelingen en uit de onverminderde voortzetting van zijn laakbare, brutale strafbare praktijken, zal het hof uit een oogpunt van bescherming van de maatschappij als bijkomende straf de openbaarmaking van dit arrest gelasten.

De openbaarmaking zal dienen te geschieden nadat dit arrest onherroepelijk is geworden en wel door middel van publicatie van dit arrest op de internetpagina van de rechterlijke macht, te weten www.rechtspraak.nl, zonder de gegevens van de verdachte te anonimiseren. Eenieder kan mitsdien via internet op de hoogte geraken van de praktijken van de verdachte. Met de oplegging van deze bijkomende straf beoogt het hof te voorkomen dat anderen wederom slachtoffer worden van de (flessentrekkerij-/oplichtings)praktijken van de verdachte. Aangezien hiermee geen op de verdachte te verhalen kosten gemoeid zijn, zal het hof met toepassing van artikel 36, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht de kosten van openbaarmaking op nihil schatten.

Beslag

Voor wat betreft de hierna in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen goederen is het hof van oordeel dat er geen strafvorderlijk belang meer is bij handhaving van het beslag. Het hof zal ten aanzien van deze goederen daarom de teruggave gelasten aan de verdachte, zijnde de redelijkerwijs als rechthebbende van die voorwerpen aan te merken persoon.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36, 45, 51, 57, 63, 326, 326a en 339 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring van het in de zaak met parketnummer 02-810677-11 onder 1 subsidiair tenlastegelegde, de kwalificatie van het onder parketnummer 02-810677-11 onder 1 subsidiair, onder 2 primair en onder 02-666500-12 primair bewezenverklaarde, de opgelegde straf en de beslissing omtrent het beslag en doet in zoverre opnieuw recht;

verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-810677-11 onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 02-810677-11 onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

kwalificeert het onder parketnummer 02-810677-11 onder 1 subsidiair, onder 2 primair en onder 02-666500-12 primair bewezenverklaarde als hiervoor vermeld;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

gelast de openbaarmaking van dit arrest na het onherroepelijk worden daarvan, inclusief de vermelding van de personalia van de verdachte, door kosteloze publicatie ervan op www.rechtspraak.nl;

gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten de volgende op de beslaglijst genoemde goederen:

- meerdere visitekaartjes op meerdere namen;

- nota voor visitekaartjes;

- diverse schriftelijke bescheiden;

- een stempel op naam van [rechtspersoon 6] ;

- een zwartgrijze laptoptas (273266);

- een visitekaart (273270);

- een ordner met leveringsbonnen, vrachtbrieven (273271);

- een ordner met o.a. een huurcontract en rekeningen (273273);

- een losse pakbon van coffee fresh (273275);

- een vrachtbrief van mediagigant (273276);

- een notitieboekje en zwarte kaft/IBN code BRZ175.03;

- een A4 met handgeschreven aantekeningen code [code] ;

- kopieën uit dossier textielfabr. [rechtspersoon 11] en [rechtspersoon 11] ;

bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige met inachtneming van het vorenoverwogene.

Aldus gewezen door:

mr. O.M.J.J. van de Loo, voorzitter,

mr. K.J. van Dijk en mr. S. Riemens, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.E. van Dijk , griffier,

en op 12 mei 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 17] , dossierpagina 2593, in combinatie met een uitdraai van het rekeningrapport, dossierpagina 2582.

2 Factuur van [rechtspersoon 9] , dossierpagina 3929 in combinatie met dossierpagina 3714.

3 Historische printgegevens, dossierpagina’s 3796-3806 in combinatie met dossierpagina’s 3700-3705.

4 Het e-mailbericht van [naam 1] aan [getuige 5] d.d. 29 oktober 2010, dossierpagina’s 3757-3758. Uit dit mailbericht blijkt dat [naam 1] als mobiel nummer [telefoonnummer 1] heeft.

5 Dossierpagina’s 13-14, 669 en 672. Verdachte verklaart op p. 880: Voor contacten met de klanten communiceer ik (…) telefonisch met (…) mijn GSM [telefoonnummer 2] .

6 Historische printgegevens, dossierpagina’s 3800-3806.

7 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 augustus 2011, dossierpagina’s 224-303.

8 Het journaal ‘Ablauf “Geschaft mit [rechtspersoon 11] -International’, dossierpagina 3809.

9 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 september 2011, dossierpagina’s 3807-3808, in combinatie met het bonnetje op dossierpagina 3810 en een uitdraai van de ANWB routeplanner, dossierpagina 3811.

10 Historische printgegevens, dossierpagina’s 3992-3994.

11 Historische printgegevens, dossierpagina’s 4178-4180.

12 Historische printgegevens, dossierpagina’s 4389-4390.

13 Het proces-verbaal van zaaksdossier delict 16, dossierpagina’s 4367-4368.

14 Historische printgegevens, dossierpagina’s 4654-4656.

15 Het proces-verbaal van zaaksdossier delict 18, dossierpagina’s 4634-4635.