Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:1430

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-05-2021
Datum publicatie
27-05-2021
Zaaknummer
200.287.350_01
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Incident artikel 351 Rv en incident 843a Rv

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 351
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 843a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.287.350/01

arrest van 11 mei 2021

gewezen in het incident ex artikel 351 Rv en in het incident ex artikel 843a Rv in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

advocaat: mr. S.X.J. Zuidema te Heerlen,

tegen

[de vennootschap 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat: mr. M.W. van der Heijden te Vught,

op het bij exploot van dagvaarding van 10 december 2020 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 1 april 2020 en 28 oktober 2020, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen appellant – [appellant] – als gedaagde en geïntimeerde – [de vennootschap 1] – als eiseres.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/270876 / HA ZA 19-576)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep met grieven en producties, tevens incidentele vordering ex artikel 351 Rv en incidentele vordering ex artikel 843a Rv;

  • -

    het tegen geïntimeerde verleende verstek;

  • -

    de zuivering van het verstek;

  • -

    de memorie van antwoord in het incident met producties 15-17.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

3 De beoordeling

In het incident ex artikel 351 Rv

3.1.

In het eindvonnis waarvan beroep heeft de rechtbank [appellant] , uitvoerbaar bij voorraad, (samengevat) veroordeeld:

- tot betaling aan [de vennootschap 1] een bedrag van € 117.585,23;

- tot betaling aan [de vennootschap 1] van de verdere contractuele rente van 4% per jaar over € 109.498,76 vanaf 25 oktober 2019;

- in de proceskosten en de beslagkosten, met wettelijke rente.

3.2.

[appellant] vordert in dit incident (naar het hof begrijpt:) dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, de tenuitvoerlegging van het vonnis in eerste aanleg schorst totdat in appel een eindarrest zal zijn gewezen.

3.3.

[appellant] stelt dat het vonnis berust op een kennelijke misslag. Voorts voert [appellant] aan dat zijn belang bij behoud van de bestaande toestand zwaarder weegt dan het belang van [de vennootschap 1] bij uitvoering van het vonnis. Beide partijen hebben de bedoeling gehad om de samenwerking in de vorm van een vennootschap te gieten. [appellant] mocht er op vertrouwen dat de vordering niet langer op [appellant] rustte maar dat deze na inbreng is overgegaan op [de vennootschap 2] . [appellant] kan in privé niet aan de vordering voldoen. Voorts geldt dat [appellant] had afgesproken dat de geldlening zou worden terugbetaald wanneer de uitvinding zou worden vermarkt. [appellant] had bovendien een fiscaal belang bij het opstellen van de geldleningsovereenkomst. Het andersluidende oordeel van de rechtbank is dan ook onjuist.

De uitvinding betreft het levenswerk van [appellant] en indien executie plaatsvindt, kan [de vennootschap 2] definitief haar octrooi kwijtraken. [appellant] biedt (tegen)bewijs aan middels het horen van getuigen.

3.4.

[de vennootschap 1] heeft de incidentele vordering gemotiveerd bestreden.

3.5.

Bij de beoordeling van een incidentele vordering op de voet van artikel 351 Rv als hier aan de orde geldt op grond van HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026, het volgende.

a. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden.

b. Bij de toepassing van de onder sub a genoemde maatstaf moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(en) berust(en) op een kennelijke misslag.

c. Indien de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad in de ten uitvoer te leggen uitspraak is gemotiveerd, moet de eiser, afgezien van het geval dat deze beslissing berust op een kennelijke misslag, aan zijn vordering feiten en omstandigheden ten grondslag leggen die bij het nemen van deze beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de betrokken uitspraak hebben voorgedaan en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.

3.6.

Het hof stelt vast dat de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad in het bestreden vonnis niet is gemotiveerd. Daarom zal de incidentele vordering worden beoordeeld aan de hand van de hiervoor onder 3.5 onder (a) en (b) weergegeven maatstaven.

3.7.

Naar het oordeel van het hof is door [appellant] onvoldoende gesteld dat het bestreden vonnis berust op een kennelijke (feitelijke of juridische) misslag. Het betoog van [appellant] komt er op neer dat de afspraken die zijn gemaakt tussen [appellant] en [de vennootschap 1] anders door de rechtbank hadden moeten worden beoordeeld, maar uit het betoog volgt niet dat sprake zou zijn van een kennelijke misslag van de rechtbank. Het hof ziet geen aanleiding om in het kader van dit incident [appellant] toe te laten tot bewijslevering. Ook overigens is het hof niet gebleken dat het bestreden vonnis berust op een kennelijke misslag.

3.8.

Voor wat betreft de belangenafweging overweegt het hof als volgt. Uit de hiervoor weergegeven maatstaven volgt dat het belang van [de vennootschap 1] bij handhaving van de uitvoerbaarheid bij voorraad in beginsel is gegeven.

Voor het belang van [appellant] bij schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van het bestreden vonnis geldt dat de door [appellant] gegeven onderbouwing van zijn belang grotendeels steunt op zijn stellingen zoals hij die in eerste aanleg naar voren heeft gebracht en waarover de rechtbank anders heeft geoordeeld. Voor zover [appellant] betoogt dat in hoger beroep zijn verweren tot een andere uitkomst dan het vonnis zullen leiden, geldt dat de kans van slagen van het hoger beroep in beginsel buiten beschouwing dient te blijven. [appellant] heeft onvoldoende aangevoerd om van dit uitgangspunt af te wijken.

Dat [appellant] naar eigen zeggen financieel niet in staat is om aan de veroordeling te voldoen, is evenmin reden om de uitvoerbaarheid bij voorraad te schorsen.

Voor zover door [appellant] naar voren is gebracht dat geen beslag kan worden gelegd op het octrooi, nu het octrooi geen eigendom is van [appellant] maar van [de vennootschap 2] , geldt dat [appellant] , daarvan uitgaande, geen belang heeft bij zijn ingestelde vordering.

3.9.

Op grond van het voorgaande is de slotsom dat onvoldoende is gebleken dat het belang van [appellant] bij behoud van de bestaande toestand tot op het hoger beroep is beslist, zwaarder weegt dan het belang van [de vennootschap 1] bij (voortzetting van) de tenuitvoerlegging van het vonnis.

3.10.

De incidentele vordering zal worden afgewezen. De beslissing over de kosten van het incident zal worden gereserveerd tot de einduitspraak.

In het incident ex artikel 843a Rv

3.11.

[appellant] vordert op grond van artikel 843a Rv dat [de vennootschap 1] een afschrift overlegt van haar jaarstukken en winst- en verliesrekening met toelichting over de jaren 2013, 2014, 2015 en 2016. In die jaarstukken moet een vorderingsrecht zijn opgenomen van € 90.000,- en [appellant] heeft een rechtmatig belang om in te zien op wie [de vennootschap 1] de vordering heeft. Indien blijkt dat [de vennootschap 1] in haar jaarstukken een vordering op [de vennootschap 2] heeft verantwoord, is dit mede een grond waarop de door [appellant] gestelde contractsovername kan worden gebaseerd. Voorts vordert [appellant] dat de jaarstukken worden voorzien van een accountantsverklaring die de juistheid van de jaarstukken staaft.

3.12.

[de vennootschap 1] heeft bij haar memorie van antwoord in het incident de kolommenbalansen 2013-2018, het jaarrapport 2013 en de jaarrapporten 2015-2018 van [de vennootschap 1] met daarbij een verklaring van de accountant overgelegd. Het jaarrapport 2014 is nooit opgemaakt en de jaarstukken 2014 zijn gepubliceerd bij de kamer van koophandel. Volgens [de vennootschap 1] heeft [appellant] nooit eerder om deze stukken gevraagd.

3.13.

Het hof stelt bij de beoordeling van de incidentele vordering voorop dat op grond van artikel 843a lid 1 Rv degene die daarbij rechtmatig belang heeft op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel kan vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorganger partij is, van degene die de bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft.

3.14.

Voor zover [appellant] heeft gevorderd dat de jaarstukken worden voorzien van een accountantsverklaring die de juistheid van de jaarstukken staaft, zal de vordering worden afgewezen. Artikel 843a Rv biedt de mogelijkheid tot het verkrijgen van inzage in/afschrift van bestaande stukken die een partij onder zich heeft. Daaronder valt niet tevens de verplichting tot het opmaken van nieuwe stukken.

3.15.

Nu [de vennootschap 1] voor zover mogelijk aan de incidentele vordering heeft voldaan, heeft [appellant] naar het oordeel van het hof geen belang bij zijn incidentele vordering. Het hof zal de incidentele vordering van [appellant] op grond van artikel 843a lid 1 Rv afwijzen.

3.16.

Het hof zal de beslissing over de proceskosten in het incident aanhouden tot de einduitspraak in de hoofdzaak.

In de hoofdzaak

3.17.

De zaak wordt naar de rol verwezen voor memorie van antwoord. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4 De beslissing

Het hof:

in het incident ex artikel 351 Rv:

wijst de vordering af;

houdt de beslissing over de proceskosten aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak;

in het incident ex artikel 843a Rv:

wijst de vordering af;

houdt de beslissing over de proceskosten aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak;

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rol van 22 juni 2021voor memorie van antwoord;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, E.H. Schulten en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 11 mei 2021.

griffier rolraadsheer