Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:1382

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-05-2021
Datum publicatie
11-05-2021
Zaaknummer
200.292.011_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Machtiging gesloten jeugdhulp bekrachtigd voor periode 9 maanden; overige gedeelte aangehouden tot nieuwe zitting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 6 mei 2021

Zaaknummer: 200.292.011/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/287296 / JE RK 21-72

in de zaak in hoger beroep van:

[minderjarige] ,

verblijvende in een inrichting voor gesloten jeugdhulp van [inrichting 1] te [plaats 1] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: [minderjarige] ,

advocaat: mr. A.M.A. Kok-Verheijde,

tegen

College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente [gemeente],

gevestigd te

[vestigingsplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: het college,

advocaat: mr. S. Smeets.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de moeder,

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de vader.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

Raad voor de Kinderbescherming,

Regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 28 januari 2021.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 25 maart 2021, heeft [minderjarige] verzocht voormelde beschikking ten aanzien van de verleende machtiging gesloten jeugdhulp met ingang van 28 januari 2021 tot uiterlijk 28 januari 2022 te vernietigen en het inleidende verzoek alsnog af te wijzen c.q. te beperken tot een maximale duur van zes maanden, aldus tot 28 juli 2021. Kosten rechtens.

2.2.

Bij pleitnota met productie, die als verweerschrift wordt beschouwd zoals tijdens de mondelinge behandeling is besproken, ingekomen ter griffie op 16 april 2021, heeft het college verweer gevoerd.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 april 2021. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    [minderjarige] , bijgestaan door mr. Kok-Verheijde;

  • -

    het college, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] en bijgestaan door mr. Smeets;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;

  • -

    de moeder.

De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 28 januari 2021.

3 De beoordeling

3.1.

[minderjarige] is geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] . De moeder oefent alleen het gezag over [minderjarige] uit.

3.2.

Bij de bestreden beschikking van 28 januari 2021 heeft de rechtbank, op verzoek van het college, een machtiging gesloten jeugdhulp verleend met ingang van 28 januari 2021 tot uiterlijk 28 januari 2022.

3.3.

[minderjarige] heeft in het kader van voorlopige hechtenis verbleven in [instelling] te [plaats 2] van 19 december 2020 tot begin maart 2021. Sindsdien verblijft hij in een inrichting voor gesloten jeugdzorg van [inrichting 1] (voordien: [inrichting 2] ) te [plaats 1] .

3.4.

[minderjarige] kan zich met de bestreden beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

[minderjarige] voert – kort samengevat – het volgende aan.

Gedurende de periode dat hij in detentie heeft verbleven en sinds de gesloten plaatsing heeft hij geen behandeling of therapie gehad. Er loopt een NIFP-onderzoek, maar dat is in het kader van zijn strafzaak en ziet niet op behandeling en/of therapie. Voor [minderjarige] is het belangrijk dat hij duidelijkheid krijgt over wat de bedoeling is. Hij realiseert zich dat hij fouten heeft gemaakt en wil de tijd krijgen om te laten zien dat hij meewerkt en het kan, zodat hij na afloop van de machtiging gesloten plaatsing een nieuwe start kan maken, bijvoorbeeld in de vorm van begeleid wonen of beschermd wonen als thuis wonen (nog) niet kan. De termijn van één jaar waarvoor de machtiging is verleend, is te lang. Bij een termijn van een half jaar zit er meer druk achter, zodat er actie komt in wat nodig is voor hem. Hij zit nu iedere dag te wachten, terwijl hij heel graag verder wil. Een kortere termijn dan een jaar biedt hem meer uitzicht en meer motivatie. In een termijn van acht of negen maanden kan hij zich ook vinden.

3.6.

Het college voert – kort samengevat – het volgende aan.

De machtiging gesloten jeugdhulp is op juiste gronden verleend. De ambulante trajecten die eerder ingezet zijn geweest (MST-traject en JIM-traject) hebben geen verandering bij [minderjarige] te weeg gebracht. De gedragswetenschapper heeft ingestemd met het verzoek tot gesloten plaatsing van [minderjarige] . [minderjarige] laat stappen zien in de gesloten plaatsing, maar deze is en blijft noodzakelijk. [minderjarige] heeft hulpverlening nodig en hij geeft dat zelf ook aan. Er is sprake van een fase waarin stabilisatie en diagnostiek moet plaatsvinden. Het kost tijd om vast te kunnen stellen wat [minderjarige] daadwerkelijk gaat helpen, mede doordat [minderjarige] in het begin weerstand heeft getoond en het NIFP-traject nog loopt. De jeugdreclassering voert nu de regie op het vlak van behandeling van [minderjarige] en gaat het behandelplan maken. Het is daarom belangrijk dat [minderjarige] met de jeugdreclassering in gesprek gaat. De jeugdreclassering is bezig om de hulpverlening, bestaande uit systeemgesprekken en emotie-regulatietraining, vorm te geven.

Het college heeft verzocht de machtiging te verlenen voor één jaar. Het verlenen van de machtiging voor een half jaar, zoals [minderjarige] in zijn beroepschrift heeft verzocht, is te kort. Niet aannemelijk is dat de behandeling van [minderjarige] binnen een half jaar is afgerond. Het zal tot teleurstelling bij [minderjarige] leiden als de machtiging wordt afgegeven voor zes maanden en vervolgens verlengd moet worden. Het college kan zich, subsidiair, vinden in verlening van de machtiging gesloten plaatsing voor een termijn van acht of negen maanden.

3.7.

De raad adviseert als volgt.

[minderjarige] moet behandelklaar zijn. Hij laat al een stukje positieve verandering zien en daar moet op voortgeborduurd worden. Het NIPF-onderzoek moet nog worden afgerond en er moet een behandelplan worden opgesteld. In mei/juni zal duidelijk zijn wat nodig is voor [minderjarige] en kan gestart worden met behandeling. Als [minderjarige] niet meer in een gesloten instelling verblijft, dan moet hij voldoende klaar zijn voor sturing vanuit begeleid wonen en moeten de ouders daar ook klaar voor zijn. Door te zorgen dat er een goed plan ligt en het vervolg in stapjes op te splitsen, is voor [minderjarige] en de betrokken personen om hem heen duidelijk waar naar toegewerkt wordt en wat van hen wordt verwacht. Gelet hierop kan de raad zich voorstellen dat de machtiging gesloten plaatsing wordt verleend voor een periode van acht of negen maanden en het verzoek voor het overige wordt aangehouden, ook om de jeugdreclassering en de instelling scherp te houden.

3.8.

De moeder is het eens met de raad, dat gekeken moet worden naar wat nodig is voor [minderjarige] en dat gezorgd moet worden dat iedereen in de actiestand komt. Qua behandeling vindt zij het te langzaam gaan. Zij begrijpt het gevoel van [minderjarige] over het verloop, maar ziet ook dat er nog veel moet gebeuren.

3.9.

Het hof overweegt het volgende.

3.9.1.

Ingevolge artikel 6.1.1 lid 2 Jeugdwet (Jw) is de minderjarige in zaken betrekking hebbende op jeugdhulp als bedoeld in artikel 6.1.2 Jw bekwaam om in rechte op te treden.

Op die grond komt aan [minderjarige] een zelfstandig recht van hoger beroep toe.

3.9.2.

Op grond van het bepaalde in artikel 6.1.2 lid 1 Jw kan de rechter op verzoek een machtiging verlenen om een jeugdige in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven. Gelet op artikel 6.1.2 lid 2 Jw staat ter beoordeling of:

- er bij [minderjarige] sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren, en;

- de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat [minderjarige] zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken.

3.9.3.

Een machtiging kan op grond van artikel 6.1.2 lid 3 bovendien slechts worden verleend indien (a) de jeugdige onder toezicht is gesteld, (b) de voogdij over de jeugdige bij een gecertificeerde instelling berust of (c) degene die, anders dan bedoeld onder b, de wettelijke vertegenwoordiger is, met de opneming en het verblijf instemt.

3.9.4.

Ingevolge artikel 6.1.2 lid 5 Jw kan een machtiging voorts slechts worden verleend indien het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft, of de gecertificeerde instelling die de ondertoezichtstelling uitvoert of de voogdij uitoefent, heeft bepaald dat een voorziening op het gebied van jeugdhulp en verblijf niet zijnde verblijf bij een pleegouder nodig is.

Tot slot behoeft het verzoek op grond van artikel 6.1.2 lid 6 Jw de instemming van een gedragswetenschapper die de minderjarige met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht.

3.9.5.

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat voldaan is aan de hiervoor vermelde wettelijke vereisten van artikel 6.1.2 lid 2 Jw. [minderjarige] heeft ernstige opgroei- of opvoedproblemen die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf ook nu nog noodzakelijk zijn om te voorkomen dat hij zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of door anderen zal worden onttrokken, zodat plaatsing in gesloten jeugdhulp gecontinueerd moet worden. [minderjarige] is het daarmee eens en erkent dat hij behandeling nodig heeft, zo is tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep gebleken.

3.9.6.

De behandeling van [minderjarige] was ten tijde van de procedure in hoger beroep nog niet gestart. Naar verwachting zal na afronding van het NIPF-onderzoek in mei / juni 2021 een behandelplan worden opgesteld. De verwachting is dat de behandeling die daarna kan starten, zes maanden in beslag zal nemen. Het is nu nog niet duidelijk wat voor behandeling [minderjarige] nodig heeft en wat van hem en zijn ouders in het kader daarvan wordt verwacht. Wel is noodzakelijk, zoals hiervóór is overwogen, dat [minderjarige] gesloten geplaatst blijft, ook tijdens zijn behandeling. Gelet op het voorgaande zal het hof de machtiging gesloten jeugdhulp vooreerst verlenen voor de periode van 28 januari 2021 tot 28 oktober 2021, aldus voor de duur van negen maanden, en de beslissing op het verzoek tot gesloten plaatsing over de periode van 28 oktober 2021 tot 28 januari 2022 aanhouden. De mondelinge behandeling van dit verzoek zal op 28 september 2021 om 10.00 uur plaatsvinden.

Het college dient het hof uiterlijk 14 september 2021 te informeren over de stand van zaken en daarbij aan te geven of het verzoek tot gesloten plaatsing van [minderjarige] voor de resterende periode wordt gehandhaafd.

3.10.

Op grond van het voorgaande zal het hof beslissen als volgt.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 28 januari 2021 voor zover het de periode tot 28 oktober 2021 betreft;

houdt voor de periode daarna iedere verdere beslissing aan tot de nadere mondelinge behandeling van 28 september 2021 om 10.00 uur;

bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor [minderjarige] en zijn advocaat, het college, de raad en de ouders om te verschijnen op de mondelinge behandeling van 28 september 2021 te 10.00 uur in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 in ’s-Hertogenbosch;

bepaalt dat het college het hof uiterlijk 14 september 2021 informeert over de stand van zaken en daarbij zijn standpunt over het resterende deel van het verzoek kenbaar maakt, zoals hiervoor overwogen in rechtsoverweging 3.9.6.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, J.F.A.M. Graafland-Verhaegen en M.J.C. van Leeuwen en is in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.