Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:1380

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-05-2021
Datum publicatie
11-05-2021
Zaaknummer
200.289.280_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gonorroebesmetting bij minderjarige geconstateerd en sprake van gedragsproblematiek bij minderjarige. Diagnostisch onderzoek moet vanuit rustige en veilige thuissituatie kunnen worden uitgevoerd. Er zijn verder zorgen over de (relatie van) de moeder en de veiligheid in de thuissituatie, gelet ook op de persoonlijke problematiek van de moeder en haar vermogen om de belangen van de minderjarige op de eerste plaats te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2021-0124
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 6 mei 2021

Zaaknummer : 200.289.280/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/03/283871 / JE RK 20-2208

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. R.P.F. Rober,

tegen

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te [vestigingsplaats],

verweerster in hoger beroep,

de gecertificeerde instelling,

hierna te noemen: de GI.

Deze zaak gaat over [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige]), geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats].

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. R.R.J.W. Delsing.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie], hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 26 november 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 28 januari 2021, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en - opnieuw rechtdoende - te bepalen dat het verzoek van de GI tot machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] wordt afgewezen, dan wel de duur van de uithuisplaatsing te verkorten tot 1 maart 2021 dan wel een termijn als het hof juist acht.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 15 maart 2021, heeft de GI verzocht de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek in hoger beroep dan wel dit verzoek af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 april 2021. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Rober;

  • -

    mr. Delsing, die zich bij aanvang van de mondelinge behandeling namens de vader heeft gesteld;

  • -

    [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] namens de GI.

2.3.1.

De vader is, met bericht van verhindering aan zijn advocaat, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.

2.3.2.

De raad heeft bij brieven van 7 februari 2021 en 3 maart 2021 aan het hof bericht niet bij de mondelinge behandeling aanwezig te zullen zijn.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 17 november 2020;

  • -

    het V8-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 12 februari 2021.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader is op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] [minderjarige] geboren.

3.2.

[minderjarige] staat sinds 5 juni 2013 (voorlopig) onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is laatstelijk bij beschikking van 12 augustus 2020 verlengd tot
5 september 2021.

3.3.[minderjarige] is op 28 augustus 2020 met spoed uit huis geplaatst door de GI.

Bij beschikking van 10 september 2020 is de uithuisplaatsing bevestigd en is er een machtiging tot uithuisplaatsing verleend tot uiterlijk 28 november 2020.

3.4.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank machtiging verleend aan de GI om [minderjarige] met ingang van 28 november 2020 tot uiterlijk
5 september 2021 uit huis te plaatsen in een verblijf pleegouder 24-uurs.

3.5.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.6.

De moeder voert het volgende aan.

De uithuisplaatsing vormt een ernstige inbreuk op het recht van familie- en gezinsleven. Dit kan alleen worden gerechtvaardigd wanneer de inbreuk noodzakelijk is om [minderjarige] te beschermen. Weliswaar is het volgens de forensisch arts uitgesloten dat de gonorroebesmetting bij [minderjarige] een andere oorzaak dan seksueel misbruik heeft, zoals kruisbesmetting, maar volgens de GGD-arts, met wie de moeder recent telefonisch contact heeft gehad, is het wel degelijk mogelijk dat [minderjarige] gonorroe via een kruisbesmetting heeft opgelopen.

De moeder heeft, zo verklaart zij tijdens de mondelinge behandeling, kort voor deze besmetting van [minderjarige] (in juli 2020) seksueel contact gehad met de vader. Vervolgens had zij ook een gonorroebesmetting, die zij volgens haar dus enkel via de vader heeft kunnen oplopen.

Het onderzoek door de zedenpolitie is afgerond en er volgt geen verdere vervolging in deze zaak. Er is derhalve geen enkele reden om aan te nemen dat [minderjarige] bij de moeder niet veilig is en om de uithuisplaatsing nog te laten voortduren.

De moeder verblijft voor het grootste deel van de tijd in haar eigen woning, zodat er geen problemen worden voorzien in het kader van de hulpverlening. De moeder krijgt nog steeds hulp van Radar. De fysieke hulp was afgebouwd omdat de moeder zelfstandiger is geworden.
De partner van de moeder, de heer [partner], verblijft voor een groot deel van de tijd bij de moeder. Zij hebben plannen om met elkaar te gaan samenwonen. Het contact tussen de heer [partner] en [minderjarige] is goed en er is geen aanleiding tot zorgen.

De aantijgingen van de GI worden op geen enkele wijze onderbouwd.

Volgens jurisprudentie kan een uithuisplaatsing worden beëindigd indien voortzetting hiervan schadelijker is dan thuisplaatsing. [minderjarige] mist haar moeder en voelt zich bij de moeder veilig. Er is bij [minderjarige] sprake van hechtingsproblematiek. Mogelijk zal [minderjarige] door de uithuisplaatsing nog meer beschadigd raken. Een maatregel van kinderbescherming mag niet langer duren dan noodzakelijk.

3.7.

De GI voert het volgende aan.

Er bestaan bij de GI nog steeds grote zorgen over het feit dat [minderjarige] seksueel is misbruikt.

Er is een gonorroebesmetting bij [minderjarige] vastgesteld die enkel kan worden veroorzaakt door seksueel contact, zo is door de verschillende artsen bevestigd. Dit is voor de GI dan ook een feit en daarom zorgwekkend. De GI heeft de politie gevraagd het onderzoek te heropenen, omdat ook [minderjarige] aanhoudend blijft verklaren over wat haar is overkomen. [minderjarige] doet zorgelijke verklaringen over zowel de partner van de moeder als over de vader. Binnen het pleeggezin laat zij daarnaast zorgwekkend, seksueel afwijkend gedrag zien, dat niet past bij een normale ontwikkeling van een kind in de leeftijd van [minderjarige].

De GI moet zeker weten dat de veiligheid en een goede ontwikkeling van [minderjarige] geborgd kunnen worden voordat zij bij een van de ouders kan gaan wonen. Bij de huidige stand van zaken kan deze veiligheid niet worden gegarandeerd.

Daarnaast is het voor [minderjarige] noodzakelijk dat er gedegen diagnostiek gaat plaatsvinden, zodat duidelijk wordt wat [minderjarige] nodig heeft om veilig op te groeien. Er zijn namelijk ook zorgen over het gedrag van [minderjarige] in het algemeen. Een dergelijk onderzoek kan alleen plaatsvinden als [minderjarige] in een rustige, stabiele thuissituatie verblijft, waarbij zij buiten de conflicten van de ouders blijft. Dit is in de thuissituatie van de moeder niet mogelijk.

De kans dat [minderjarige] tussen haar ouders klem komt te zitten is groot.

Binnen het pleeggezin is er continue zicht op de veiligheid en ontwikkeling van [minderjarige]. Er is sprake van een geheime plaatsing, omdat er zorgen zijn dat de vader of de moeder het adres van [minderjarige] proberen te achterhalen. De moeder en de heer [partner] zijn hier eerder in geslaagd, waardoor [minderjarige] moest worden overgeplaatst naar het huidige pleeggezin.

In verband met de hulpverlening is het noodzakelijk dat de moeder op haar vaste adres verblijft en niet bij de heer [partner] in [plaats]. De financiering van maatwerktrajecten voor de diagnostiek van [minderjarige] en de omgangsregeling komt anders ook in gevaar.

Er zijn bovendien zorgen over de heer [partner]. Hij is altijd bij contacten aanwezig is, waarbij hij allesoverheersend, dwingend en niet helpend is. Uit meldingen van Veilig Thuis blijkt dat er sprake is van fysiek geweld tussen de moeder en de heer [partner] en van drugsgebruik door de heer [partner]. Verder zijn er signalen dat de moeder en de heer [partner] regelmatig naar alcohol ruiken. De GI zal ten slotte naar aanleiding van uitlatingen van de heer [partner] aangifte doen van computervredebreuk.

3.8.

Namens de vader is tijdens de mondelinge behandeling, kort samengevat, het volgende aangevoerd.

De vader vindt het voor [minderjarige] van belang dat veiligheid en rust nu voorop staan. Het gaat niet enkel om het seksueel misbruik. Er speelt meer en er zijn nog veel vragen. De vader vindt het om deze redenen van belang dat de uithuisplaatsing voorlopig voortduurt.

Er is geen sprake van dat de vader het huidige verblijfadres van [minderjarige] probeert te achterhalen. De vader wil wel graag het contact met [minderjarige] herstellen.

3.9.

Het hof overweegt het volgende.

3.9.1.

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.9.2.

Het hof is op grond van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is verklaard van oordeel dat de noodzaak tot uithuisplaatsing van [minderjarige] aanwezig is.

3.9.3.

Het staat vast dat er eind augustus 2020 bij [minderjarige] een gonorroebesmetting is vastgesteld.

De verklaringen van de forensische arts en de artsen uit het Zuyderlandziekenhuis dat deze besmetting enkel door seksueel misbruik heeft kunnen plaatsvinden heeft de moeder niet weerlegd. Moeders blote stelling, tegenover de verklaringen van de artsen, dat deze besmetting ook heeft kunnen plaatsvinden via kruisbesmetting, heeft zij niet met bijvoorbeeld een schriftelijke verklaring van een deskundige zoals een GGD-arts noch op een andere manier onderbouwd. Daarom wordt aan deze stelling voorbijgegaan.

Het feit dat de Officier van Justitie op dit moment niet tot vervolging overgaat betekent evenmin dat er geen seksueel misbruik bij [minderjarige] heeft plaatsgevonden. Daarbij komt dat [minderjarige] steeds meer zorgelijke uitspraken over zowel de vader als de heer [partner] doet, reden waarom een onderzoek naar de veiligheid van [minderjarige] noodzakelijk is.

3.9.4.

Bovendien is het van belang dat er zo snel mogelijk diagnostisch onderzoek bij [minderjarige] kan plaatsvinden, hetgeen de moeder ook onderschrijft.

[minderjarige] laat ernstige, meervoudige gedragsproblematiek zien (ongeremd gedrag, manipulatief gedrag en signalen die duiden op een dissociatieve stoornis) en het is noodzakelijk dat er hulpverlening kan worden ingezet. [minderjarige] heeft in haar leven al veel meegemaakt, waaronder de hevige strijd tussen de ouders, en uit de stukken is gebleken dat [minderjarige] een kwetsbaar, beschadigd meisje is met mogelijke trauma gerelateerde problematiek.

Het is noodzakelijk dat het diagnostisch onderzoek vanuit een rustige, stabiele en veilige omgeving kan plaatsvinden, waarbij [minderjarige] geen onrust ondervindt van de ex-partnerproblematiek en/of de problemen die op ouderniveau spelen.

In het huidige pleeggezin kan deze rust worden gegarandeerd.

3.9.5.

Ten slotte zijn er zorgen of de moeder, gelet op haar beperkingen en de keuzes die ze maakt, voldoende in staat is om bij de behoeften van [minderjarige] aan te sluiten en deze behoeften voorop te stellen.

Weliswaar heeft de moeder de afgelopen jaren veel stappen gezet, maar [minderjarige] heeft gelet op haar belaste verleden behoefte aan een opvoeder met bovengemiddelde kwaliteiten, terwijl de moeder met persoonlijke problematiek te kampen heeft en er volgens Radar voor wat betreft de opvoeding van [minderjarige] meer hulpverlening nodig is dan er thans wordt ingezet. De inzet van hulpverlening is echter bemoeilijkt, omdat de moeder voor langere tijd bij haar partner, de heer [partner], in [plaats] verbleef. Het hof heeft ook zorgen over deze relatie, omdat de heer [partner] in de contacten met de GI altijd aanwezig is en als allesoverheersend, dwingend en niet helpend wordt ervaren, waarbij de jeugdzorgwerkers zich door de heer [partner] bovendien regelmatig geïntimideerd voelen. Verder zijn er de afgelopen maanden zorgmeldingen binnengekomen over alcoholgebruik en drugsgebruik bij de heer [partner], fysiek geweld tussen de moeder en haar partner en wordt er bij de moeder door meerdere instanties ook regelmatig een alcohollucht waargenomen. Er zijn daarnaast signalen dat de moeder en/of de heer [partner] trachten het verblijfsadres van [minderjarige] te achterhalen, waardoor [minderjarige] mogelijk opnieuw naar een ander pleeggezin moet worden overgeplaatst en [minderjarige] nog langer van hulpverlening verstoken blijft.

3.9.6.

Dit tezamen maakt dat de huidige opvoedsituatie van [minderjarige] bij de moeder als onvoldoende geschikt en onvoldoende veilig kan worden beschouwd.

3.10.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de uithuisplaatsing van [minderjarige] in ieder geval voor de duur van de ondertoezichtstelling, derhalve tot 5 september 2021, in het belang van de verzorging en opvoeding en tot onderzoek van de geestelijke of lichamelijke gesteldheid van [minderjarige] noodzakelijk blijft, teneinde de ontwikkelingsbedreiging bij haar te kunnen wegnemen.

3.11.

Het hof zal als volgt beslissen.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van
26 november 2020;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.N.M. Antens, E.M.C. Dumoulin en A.J.F. Manders en is op 6 mei 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.