Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:1378

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-05-2021
Datum publicatie
11-05-2021
Zaaknummer
200.289.263_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 6 mei 2021

Zaaknummer : 200.289.263/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/01/364018 / JE RK 20-1623

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.A.P.J. van den Biggelaar,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de raad.

Deze zaak gaat over:

  • -

    [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] .

  • -

    [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] .

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

- [de vader], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de vader);

- de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant, statutair gevestigd te [vestigingsplaats] , vestiging [vestiging] , (hierna te noemen: de GI);

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, van 5 november 2020.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 27 januari 2021, heeft de moeder het hof verzocht voormelde beschikking te vernietigen en het verzoek van de raad om de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de periode van 5 november 2020 tot 5 november 2021 af te wijzen. Kosten rechtens.

2.2.

Er is geen verweerschrift ingekomen van de kant van de raad.

2.3.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 12 maart 2021, heeft de vader het hof verzocht om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de moeder in haar verzoeken niet-ontvankelijk is, althans deze verzoeken af te wijzen als zijnde ongegrond en/of onbewezen.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 april 2021.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Van den Biggelaar;

- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;

- de vader, bijgestaan door mr. De Vries;

- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] (per telefoon).

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 29 maart 2021;

  • -

    het V8-formulier van de advocaat van de vader met als bijlage de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 9 april 2021, inzake het gezag en de omgang.

Deze beschikking is ook tijdens de mondelinge behandeling, door de advocaat van de moeder, overgelegd.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader zijn - voor zover hier van belang - geboren:

  • -

    [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] .

  • -

    [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] .

3.1.1.

De vader heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] erkend.

3.1.2.

Bij de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 9 april 2021 heeft de rechtbank het gezamenlijk gezag van de ouders beëindigd en bepaald dat voortaan het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan de moeder alleen toekomt.

3.2.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld.

3.3.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.4.

De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, - kort samengevat - aan dat er geen sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij de kinderen. De kinderen hebben een veilige en stabiele basis.

De rechtbank heeft daarom ten onrechte overwogen dat aan de in artikel 1:255 BW genoemde vereisten voor een ondertoezichtstelling is voldaan en dat de huidige situatie een ernstige bedreiging vormt voor de sociaal-emotionele ontwikkeling en identiteitsontwikkeling van de kinderen.

Daarnaast heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat een gedwongen kader van een ondertoezichtstelling nodig is omdat binnen het vrijwillig kader de grenzen zijn bereikt.

De moeder accepteert immers alle zorg en neemt verantwoordelijkheid. Ook is zij in staat de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de kinderen te dragen.

De oorzaak van de ontstane situatie ligt in de psychiatrische problematiek van de vader.

Hij heeft geen ziekte-inzicht en zijn situatie is in de afgelopen vier jaar verslechterd.

De jeugdbeschermer dan wel gezinsvoogd zal dit niet structureel kunnen oplossen.

Een ondertoezichtstelling zal de moeder vooral meer tijd en energie kosten en biedt geen structurele oplossing. De moeder concludeert daarom dat de rechtbank ten onrechte [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht heeft gesteld van de GI voor de duur van één jaar.

3.4.1.

Bij beschikking van de rechtbank van 9 april 2021 heeft de rechtbank het gezamenlijk gezag van de ouders beëindigd en bepaald dat voortaan het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan de moeder alleen toekomt. De beslissing over de omgangsregeling tussen de vader en de kinderen is aangehouden.

De moeder benadrukt dat de door de rechtbank aangehouden uitspraak wat betreft de omgangsregeling een beëindiging van de ondertoezichtstelling niet in de weg staat. De door de rechtbank gewenste rapportage over de omgang tussen de vader en de kinderen kan ook door de ouders zelf gebeuren of door Buro Onderscheiden. Ook zit er een heel netwerk van hulpverlening om de vader heen. De moeder betwist dan ook de toegevoegde waarde van de ondertoezichtstelling.

3.5.

De raad adviseert, tijdens de mondelinge behandeling, mede gelet op de meest recente beschikking van de rechtbank van 9 april 2021 inzake het gezag en de omgang, om de ondertoezichtstelling te handhaven en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

Ten tijde van de bestreden beschikking kwamen de ouders niet gezamenlijk tot een plan in het kader van de omgang tussen de vader en de kinderen. De reeds in het vrijwillig kader ingezette hulpverlening kwam ook niet verder omdat zij geen beslissingsbevoegdheid hadden. Er was destijds daarom voldoende reden om een ondertoezichtstelling te bepalen.

De GI was nodig om op het gebied van de omgang regie te voeren om op die manier alle instanties te spreken en te werken aan de onderlinge communicatie.

In de genoemde beschikking van 9 april 2021 heeft de rechtbank de regie van de omgang bij de GI bepaald om na te gaan of het reeds bepaalde contact tussen de vader en de kinderen bestendigd kan worden en of er een uitbreiding plaats kan vinden. Er dient daarbij steeds gekeken te worden wat haalbaar is. De gezinsvoogd heeft verder met alle andere hulpverleners contact en kan haar visie daarna terugkoppelen aan de rechtbank.

De raad acht derhalve handhaving van de ondertoezichtstelling tot 5 november 2021 noodzakelijk om te kijken of bestendiging van de huidige situatie kan plaatsvinden.

3.6.

De vader voert aan dat het beroepschrift van de moeder veel onwaarheden bevat.

Hij betreurt het dat de moeder niet inziet dat de kinderen thans zodanig opgroeien dat zij in hun ontwikkeling worden bedreigd en dat de zorg die noodzakelijk is niet of onvoldoende door haar wordt geaccepteerd.

De moeder ziet de ondertoezichtstelling als een straf voor de kinderen met als oorzaak de psychiatrische problematiek van de vader. De moeder blijft volhouden dat hij psychotisch is, terwijl zij weet dat dit niet het geval is. Deze houding van de moeder zorgt ervoor dat de kinderen in hun ontwikkeling worden bedreigd.

Hoewel de moeder aangeeft dat zij vindt dat de kinderen contact mogen hebben met de vader, verzint zij allerlei redenen om de omgang te frustreren. Buro Onderscheiden heeft al medio september 2020 verklaard dat er onbegeleide omgang mogelijk moet zijn. De moeder wilde daar niets van weten.

De vader maakt zich ernstige zorgen over de kinderen, met name over [minderjarige 1] . [minderjarige 1] heeft paardentherapie en logopedie. Op school laat hij gedragsproblemen zien en de vader maakt zich zorgen over zijn gebit.

De vader wilde zijn zorgen over de kinderen en de impasse in de communicatie en omgang met de moeder bespreken bij een mediator. De moeder wilde toen niet meewerken en dit maakte dat de grenzen van het vrijwillig kader waren bereikt.

De vader is open over zijn contacten met de GGzE en over zijn ADHD. Hij bagatelliseert zijn aandoening niet en het is juist de moeder die het overdrijft door hem steeds een ziekte en psychiatrische problematiek aan te praten.

Zonder de ondertoezichtstelling was het niet gelukt om de medewerking van de moeder te krijgen om de omgang deels onbegeleid te laten plaatsvinden en uit te breiden, zoals nu gebeurt. De ondertoezichtstelling is daarom terecht opgelegd.

3.7.

De GI voert ter mondelinge behandeling aan dat zij voornamelijk een regiefunctie uitoefent en van daaruit een opdracht heeft gegeven aan Buro Onderscheiden. Daarbij was het van belang om te onderzoeken of de ouders zonder de hulp van Buro Onderscheiden tot afspraken konden komen over onder meer de omgang tussen de vader en de kinderen.

De GI benadrukt dat er stappen zijn gezet bijvoorbeeld in het opstellen van het veiligheidsplan met vader. Hoewel dit kleine stappen zijn, zou dit in het vrijwillig kader niet zijn gelukt.

In het licht van de beschikking van 9 april 2021, zal de GI alle informatie verzamelen van de diverse hulpverleners om op die manier een en ander terug te koppelen aan de rechtbank.

Als dit alles goed verloopt dan kan de ondertoezichtstelling beëindigd worden. De GI ziet op dit moment echter nog wel de meerwaarde van de ondertoezichtstelling en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

3.8.

Het hof overweegt het volgende.

3.8.1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

3.8.2.

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat ten tijde van de bestreden beschikking was voldaan aan de wettelijke vereisten van artikel 1:255 BW.

3.8.3.

Het hof stelt voorop dat uit de stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat de moeder het belangrijk vindt dat de kinderen een goed contact hebben met hun vader en zij heeft er in feite steeds op aangedrongen dat er een omgangsregeling kwam tussen hem en de kinderen. Het komt het hof voor dat de moeder niet de intentie heeft om de kinderen bij de vader weg te houden. Zij heeft er immers al een langere periode aan gewerkt om de vader te ontzorgen. De vader heeft op zijn beurt, ook met de beste bedoelingen, willen bijdragen aan de ontwikkeling van de kinderen. Dit temeer nu hij tijdens de relatie van partijen als huisvader voor de kinderen zorgde.

De mogelijk nog niet geheel verwerkte ex-partner problematiek en de onderling groeiende communicatieproblemen maakten echter dat er een impasse ontstond tussen de ouders, waarbij er met name zorgen bestonden over de stagnatie van de omgang tussen de vader en de kinderen. Het hof is van oordeel dat ten tijde van de bestreden beschikking de ondertoezichtstelling nodig was. De ernstige bedreigingen in de ontwikkelingen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] waren aanwezig omdat zij, in meer of mindere mate, werden belast met de ex-partnerstrijd tussen de ouders en de voornoemde stagnatie in de omgang tussen de vader en de kinderen. Het hof heeft er oog voor dat deze stagnatie mede te maken had met de psychische gesteldheid en de beperkte belastbaarheid van de vader.

Inmiddels is er door de ouders vanaf 5 november 2020 tot op heden, al dan niet door de invloed van de ondertoezichtstelling, veel bereikt. Dit alles conform het advies van de raad waaruit volgde dat de ouders (om te zorgen dat de kinderen ongedwongen contact konden hebben met de vader) tot afspraken dienden te komen die het belang van de kinderen voorop zetten, de zorgen over de belastbaarheid van de vader weg te nemen en de rust laten terugkeren. Feit is dat er thans - na een periode van begeleide omgang die begeleid werd door Buro Onderscheiden - al weer enige maanden sprake is van een goed lopende onbegeleide omgang tussen de vader en de kinderen gedurende twee middagen per week.

Daarnaast zijn ook de andere doelen behaald en wordt er nu voldaan aan de voorwaarden die in het kader van de ondertoezichtstelling door de GI waren gesteld, waaronder de duidelijkheid rondom de rollen van de ouders. Verder ligt er een communicatieplan.

De vader heeft inmiddels persoonlijke hulp via mevrouw [medewerkster] van GGzE, die hem helpt om te gaan met zijn gevoelens ten aanzien van het (in zijn ogen) aanwezige onrecht en te kijken naar wat hem meer kan helpen.

Ook is er met de vader een veiligheidsplan opgesteld. Dit dient echter nog met de moeder te worden gedeeld en besproken.

Er zijn thans geen signalen meer van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van de kinderen. Weliswaar bestaan er zorgen over [minderjarige 1] , maar nog niet duidelijk is of dit te maken heeft met kindeigen problematiek dan wel de problematiek tussen de ouders. Het is echter in zijn belang dat er bestendiging van de huidige situatie plaatsvindt zodat er rust komt. Van daaruit kan er verder worden gekeken wat nodig is.

De moeder heeft sinds de beschikking van 9 april 2021 het eenhoofdig gezag over de kinderen. In die beschikking heeft de rechtbank nog geen beslissing genomen ten aanzien van de omgangsregeling gelet op het feit dat er nog geen duidelijkheid bestaat over de mogelijkheid van de uitbreiding van de huidige omgangsregeling, waarbij de draagkracht van de vader ook een grote rol speelt.

Het hof ziet thans, ondanks dat er geen sprake meer is van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van de kinderen, nog de toegevoegde waarde van de ondertoezichtstelling voor een korte periode. Dit alleen met het oog op de laatste nog te nemen stappen in het kader van de voornoemde veiligheidsplan. Dit plan moet met alle betrokkenen helder gecommuniceerd en besproken worden, zodat er meer rust en duidelijkheid kan ontstaan. Het hof acht de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] daarom tot 1 juni 2021 nog noodzakelijk.

Het hof verzoekt met oog op deze termijn de GI met klem om zo spoedig mogelijk met de ouders hiermee (verder) aan de slag te gaan.

Daarbij verwacht het hof dat de GI in de komende periode ook de gelegenheid heeft om de indicatie ten aanzien van Buro Onderscheiden, die tot 31 mei 2021 loopt, te verlengen.

De inzet van Buro Onderscheiden wordt wenselijk geacht om de thans lopende omgangsregeling tussen de vader en de kinderen zo goed mogelijk te laten verlopen, eventueel nadere afspraken te maken over de omgang tijdens de vakantie en de ouders nog een poosje actief te begeleiden in hun onderlinge communicatie en bij het maken van afspraken over hoe te handelen bij onverwachte situaties. Het hof gaat er daarbij vanuit dat Buro Onderscheiden op verzoek van (één van) de ouders te zijner tijd schriftelijk verslag zal doen om de rechtbank van informatie te voorzien in het kader van de nog te nemen omgangsbeslissing.

3.9.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking gedeeltelijk wordt vernietigd.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt met ingang van 1 juni 2021 de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, van 5 november 2020,

en, in zoverre, opnieuw recht doende:

wijst met ingang van 1 juni 2021 alsnog af het inleidend verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] ;

bekrachtigt de genoemde beschikking voor wat betreft de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] over de periode van 5 november 2020 tot 1 juni 2021;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.P. de Beij, J.C.E. Ackermans-Wijn en H.M.A.W. Erven en is door C.N.M. Antens op 6 mei 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.