Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:1376

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-05-2021
Datum publicatie
11-05-2021
Zaaknummer
200.290.117_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1:255 BW; kinderen blijven onder toezicht. Hun sociaal-emotionele ontwikkeling wordt bedreigd door het risico van huiselijk geweld tussen de ouders.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 255
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 6 mei 2021

Zaaknummer : 200.290.117/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/03/284183 / JE RK 20-2271

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. J.B.M. Rütten,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de raad.

Deze zaak gaat over de minderjarigen [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats], en [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats].

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

- [de vader], hierna te noemen: de vader;

- Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, hierna te noemen: de GI (gecertificeerde instelling).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 13 november 2020, op schrift gesteld op 27 november 2020, zoals verbeterd bij beschikking van die rechtbank van 22 januari 2021.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 12 februari 2021, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en het verzoek tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] alsnog af te wijzen.

2.2.

Er is geen verweerschrift ingekomen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 april 2021. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Rütten en door de tolk A. Mir;

- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad];

- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI]:

- de vader.

In verband met de coronamaatregelen is de vertegenwoordiger van de GI gehoord met behulp van een tweezijdige beeld- en geluidverbinding.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 13 november 2020.

3 De beoordeling

3.1.

Het internationale karakter van de zaak vraagt om een beoordeling van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter. Het hof is, na dit ambtshalve te hebben onderzocht, met de rechtbank van oordeel dat de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht heeft.

3.2.

De moeder en de vader zijn de ouders van:

- [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1]), geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats];

- [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2]), geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats],

hierna tezamen ook aangeduid als de kinderen.

De ouders oefenen gezamenlijk het gezag over de kinderen uit.

3.3.

Bij de bestreden beschikking, zoals verbeterd bij beschikking van 22 januari 2021, heeft de rechtbank de kinderen onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 13 november 2020 voor de duur van twaalf maanden.

3.4.

De moeder kan zich met deze beschikking niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling - kort samengevat - het volgende aan.

Aan de wettelijke vereisten voor een ondertoezichtstelling wordt niet voldaan.

De zorgen over de kinderen zijn niet terecht, althans niet zodanig ernstig dat een ondertoezichtstelling gerechtvaardigd is. De ouders hebben voldoende in huis om de kinderen zelf op te voeden.

De moeder betwist dat de ouders een instabiele relatie hebben. Met hulp van een psycholoog in Iran via beeldbellen hebben zij vanaf medio 2020 aan hun onderlinge communicatie gewerkt. Eind december 2020 zijn deze gesprekken met wederzijds goedvinden beëindigd. Sinds september 2020 gaat het goed tussen de ouders. Voorheen was er soms sprake van misverstanden en ruzies tussen de ouders omdat de moeder de Nederlandse taal nog niet goed machtig is.

De moeder woont met de kinderen in haar woning in [woonplaats]. Ongeveer twee dagen per week zijn de ouders samen met de kinderen in de woning van de vader of in die van de moeder.

De moeder betwist dat de kinderen onvoldoende worden gestimuleerd in hun taalontwikkeling. De ouders voeden de kinderen tweetalig op. De moeder vindt het belangrijk dat de kinderen ook de Nederlandse taal beheersen. De taalontwikkeling van de kinderen is leeftijdsadequaat.

[minderjarige 1] gaat inmiddels naar de basisschool. [minderjarige 2] gaat drie dagen per week naar het kinderdagverblijf. [minderjarige 1] krijgt logopedie.

Een vrijwillig kader volstaat. De moeder staat open voor hulpverlening. De ouders hebben zelf hulp gezocht bij een psycholoog om hun communicatie en relatie te verbeteren. De moeder heeft ook hulp gehad van Alcander.

De moeder begreep het eerst niet goed, maar zij is nu akkoord met de inzet van het maatschappelijk werk.

3.6.

De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling - in het kort - het volgende naar voren gebracht.

De vader is het niet eens met de ondertoezichtstelling. De ouders zorgen goed voor de kinderen. De vader staat open voor hulpverlening, ook voor het maatschappelijk werk.

De problemen tussen de ouders zijn inmiddels opgelost. Zij hebben gesprekken gevoerd met een psycholoog in Iran. De ouders hebben op advies van de psycholoog meer afstand genomen van familieleden.

Het gaat goed met de kinderen en een ondertoezichtstelling is niet noodzakelijk. De vader vindt dat de gezinsvoogd zich teveel met hun zaken bemoeit.

De vader heeft [minderjarige 2] al aangemeld voor de peuterspeelzaal.

3.7.

De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling - kort samengevat - het volgende aangevoerd.

Bij de aanvang van de ondertoezichtstelling waren er grote zorgen over het huiselijk geweld tussen de ouders en over de taal- en sociaal-emotionele ontwikkeling van de kinderen.

Aanvankelijk wilden de ouders niet dat de kinderen naar het kinderdagverblijf gingen.

Sinds eind maart 2021 gaat [minderjarige 1] naar de basisschool. [minderjarige 1] doet het daar goed. Zij is vrolijk en heeft contact met andere kinderen. [minderjarige 1] heeft logopedie. De GI heeft nog onvoldoende zicht op haar taalontwikkeling.

[minderjarige 2] gaat inmiddels gedurende drie dagen per week naar het kinderdagverblijf. Het gaat daar goed met hem. Hij zoekt contact met andere kinderen. [minderjarige 2] is wel vaak erg moe. Dit kan komen omdat hij te laat naar bed gaat.

De GI wil meer zicht op de thuissituatie van de kinderen. De ouders staan op de wachtlijst voor het project Spel aan Huis. Dit is een project voor jonge kinderen van allochtone ouders.

Op dit moment is de veiligheid van de kinderen de grootste zorg. Voor de GI is nog onvoldoende duidelijk of het huiselijk geweld tussen de ouders is gestopt. Het maatschappelijk werk is ingezet om de relatie tussen de ouders te onderzoeken. De ouders hebben de maatschappelijk werker echter niet binnengelaten.

Daarnaast vraagt de GI zich af of [minderjarige 2] wel op de kinderopvang zal blijven. De GI wil dat nog volgen.

3.8.

De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling gezegd dat de kinderen onder toezicht gesteld moeten blijven. Er zijn zorgen over de sociaal-emotionele ontwikkeling van de kinderen. De moeder maakt die zorgen kleiner dan ze zijn. Het incident dat in juni 2020 heeft plaatsgevonden is fors en heeft veel (negatieve) invloed op de kinderen gehad. De ouders hebben onvoldoende besef van wat huiselijk geweld voor negatieve gevolgen voor de kinderen heeft.

Vrijwillige hulpverlening komt niet van de grond. Een gezinsvoogd dient de veiligheid van de kinderen te volgen.

3.9.

Het hof overweegt het volgende.

3.9.1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

3.9.2.

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen onderzoek en afweging overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat voldaan is aan de wettelijke vereisten van artikel 1:255 BW. Het hof voegt daar nog het volgende aan toe.

3.9.3.

Niet in geschil is dat dat zich tijdens de relatie van partijen in juni 2020 een geweldsincident heeft afgespeeld. De vader heeft hiervoor vijf dagen in voorarrest gezeten en aan hem is een tijdelijk huisverbod opgelegd. Het gaat echter niet alleen om dit incident. Uit de stukken van de procedure bij de rechtbank en uit de rapportage van de raad van 23 oktober 2020 volgt dat de grootste zorg die de raad heeft over de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2], ligt in de invloed die de ruzies tussen de ouders hebben (gehad) op de kinderen. De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep aangegeven dat de hulpverlening zich met name daarop zal gaan richten. Het is voor de GI en de raad duidelijk dat er een ernstige ontwikkelingsbedreiging is bij de kinderen en dat hulpverlening noodzakelijk is. Het hof sluit zich aan bij die bevindingen. Het valt, gezien de instabiliteit van de relatie tussen de ouders in het verleden, niet uit te sluiten dat het risico op escalatie en huiselijk geweld zich opnieuw openbaart. Verder lijken de ouders onvoldoende inzicht te hebben in wat de schadelijke gevolgen zijn voor de kinderen, wanneer zij - direct of indirect - getuige zijn van het verbaal en fysiek huiselijk geweld van hun ouders. De enkele toezegging van de ouders dat zij in het vrijwillig kader willen meewerken aan de geboden hulpverlening, acht het hof in dit opzicht onvoldoende. De ouders laten namelijk door hun houding en in wat zij tijdens de mondelinge behandeling bij het hof hebben gezegd, zien dat zij het niet nodig vinden dat er ondersteuning voor hen komt. In het belang van de kinderen is het hof van oordeel dat de gezinsvoogd de vinger aan de pols moet houden en moet volgen dat de ouders hun toezegging om ditmaal wel met de hulpverlening in zee te gaan, nakomen.

Dit betekent dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 13 november 2020, op schrift gesteld op 27 november 2020, zoals verbeterd bij beschikking van die rechtbank van 22 januari 2021;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.F.A.M. Graafland-Verhaegen, E.M.C. Dumoulin en M.J.C. van Leeuwen en is op 6 mei 2021 uitgesproken in het openbaar door

mr. E.M.C. Dumoulin in tegenwoordigheid van de griffier.