Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:1375

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-05-2021
Datum publicatie
11-05-2021
Zaaknummer
200.284.400_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezagsbeëindigende maatregel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 6 mei 2021

Zaaknummer : 200.284.400/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/03/269686 / FA RK 19-3621

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. S. Selbach,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de raad.

Deze zaak gaat over [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] (Gambia), en [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] .

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

- Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, de gecertificeerde instelling (hierna: de GI);

- [de vader] (hierna: de vader);

- de pleegouders van [minderjarige 1] (hierna: de pleegouders van [minderjarige 1] );

- de pleegouders van [minderjarige 2] (hierna: de pleegouders van [minderjarige 2] ).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 10 juli 2020.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met één productie, ingekomen ter griffie op 8 oktober 2020, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en het verzoek van de raad af te wijzen als ongegrond, kosten rechtens.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 4 januari 2021, heeft de GI – naar het hof begrijpt – verzocht het hoger beroep van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 januari 2021. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Selbach;

- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;

- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] ;

- de vader;

- de pleegmoeder van [minderjarige 2] ;

- de pleegvader van [minderjarige 1] .

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 29 mei 2020;

  • -

    het V-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder, ingekomen op 23 november 2020.

Na de mondelinge behandeling zijn met toestemming van het hof nog ingekomen:

  • -

    de brief van de raad d.d. 10 februari 2021;

  • -

    de brief van de GI d.d. 12 februari 2021;

  • -

    de brief met bijlage van de GI d.d. 8 maart 2021;

  • -

    de brief met bijlagen van de raad d.d. 10 maart 2021;

  • -

    de brief van de GI d.d. 23 maart 2021.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de moeder zijn – voor zover hier van belang – [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren. Blijkens voornoemde brief van de GI van 8 maart 2021 en de brief van de raad van 10 maart 2021 was, anders dan tot uitgangspunt is genomen door de rechtbank ten tijde van het geven van de bestreden beslissing, de gezagssituatie met betrekking tot de kinderen zo, dat door het huwelijk dat tussen de moeder en de vader is gesloten in Senegal op 21 augustus 2015, inmiddels in Nederland erkend, zowel de vader als de moeder het gezag uitoefenden.

3.2.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] staan sinds 8 juni 2018 onder toezicht van de GI en zij zijn sindsdien op grond van een daartoe strekkende machtiging uit huis geplaatst. De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zijn laatstelijk verlengd tot 8 juni 2021. [minderjarige 1] verblijft sinds oktober 2018 in het huidige perspectief biedende pleeggezin en [minderjarige 2] verblijft sinds 8 juni 2018 in het huidige perspectief biedende pleeggezin.

3.3.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank het gezag van de moeder over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] beëindigd en de GI tot voogd benoemd.

3.4.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De moeder voert, kort samengevat, het volgende aan.

De moeder erkent dat in het verleden niet alles goed is verlopen, maar er moet gekeken worden naar de positieve ontwikkeling die zij heeft doorgemaakt en niet alleen naar gebeurtenissen uit het verleden. De moeder heeft veel begeleiding en hulpverlening gehad en er heeft een psychologisch onderzoek plaatsgevonden. De moeder heeft inzicht in haar problematiek en gaat hieraan werken. Zij wordt begeleid door het FACT-Team. De moeder werkt mee met de GI, ook ten aanzien van medische zaken. Het is dan ook te vroeg om het gezag van de moeder te beëindigen. Gezien de duur van de maatregelen en de jonge leeftijd van de kinderen is de aanvaardbare termijn nog niet verstreken. Er is nog voldoende tijd om de moeder weer een grotere rol in het leven van de kinderen te geven en langzaam toe te werken naar een thuisplaatsing. Uit niets blijkt dat, als de moeder meewerkt en het goed met de gezondheid van de kinderen gaat, er niet gewerkt kan worden aan een hernieuwde band tussen de moeder en de kinderen en de moeder met goede begeleiding niet stap voor stap haar opvoedingstaken kan gaan vervullen.

3.6.

De raad voert, kort samengevat, het volgende aan.

De gezagsbeëindiging moet in stand blijven. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn heel jong. [minderjarige 2] was nog maar een paar maanden oud op het moment van de uithuisplaatsing. De kinderen zijn veilig gehecht in de pleeggezinnen en daar gaat het goed. Het is niet in het belang van de kinderen om hen nu naar de moeder over te plaatsen. De moeder toont nauwelijks aan wat er daadwerkelijk is verbeterd aan haar situatie. Terug naar de ondertoezichtstelling is ook niet wenselijk omdat er zo vaak vervangende toestemming nodig is geweest.

3.7.

De GI voert, kort samengevat, het volgende aan.

De kinderen zijn gehecht in de pleeggezinnen en zij komen hier tot ontwikkeling. Door de manier waarop de moeder tegenover medische behandeling en ingrijpen staat worden de kinderen – door hun kwetsbare gezondheid – in hun ontwikkeling bedreigd als zij bij de moeder verblijven. De kinderen hebben behoefte aan duidelijkheid en stabiliteit en kunnen vanuit het pleeggezin de zorg en behandeling krijgen die zij nodig hebben.

Voor de kinderen is er geen perspectief meer om bij de moeder te wonen. De omgangsmomenten tussen de moeder en de kinderen hebben hierover duidelijkheid gegeven. De kinderen moeten niet in onzekerheid blijven wachten of de moeder in staat is de opvoeding op zich te nemen. De moeder laat weinig inzicht, probleembesef of eigen verantwoordelijkheid zien. Volgens de moeder is er niks mis met haar, heeft zij geen persoonlijke problematiek en komen de aandachtspunten slechts voort uit haar traumatische jeugd. De GI ontvangt weinig informatie van de moeder over haar situatie. De moeder blijft vasthouden aan haar levensvisie en ziet medisch ingrijpen als strafbaar feit. De intrinsieke motivatie is bij de moeder nog weinig merkbaar. De samenwerking met de moeder verloopt soms moeilijk doordat zij bepaalde zaken als inbreuk op haar privacy ziet. Zij blijft zich ook verzetten tegen de uithuisplaatsing van de kinderen.

Met de vader hebben de kinderen begeleid contact.

3.8.

De pleegvader van [minderjarige 1] voert, kort samengevat, het volgende aan.

Het gaat goed met [minderjarige 1] . Hij speelt met anderen kinderen en voelt zich thuis in het pleeggezin. [minderjarige 1] is inmiddels geopereerd. Dit heeft geholpen en sindsdien is hij niet meer ziek geweest.

3.9.

De pleegmoeder van [minderjarige 2] voert, kort samengevat, het volgende aan.

Het gaat in principe goed met [minderjarige 2] . Hij is vrolijk en actief en gaat graag naar school. Hij vindt het thuis ook leuk. Toen [minderjarige 2] in het pleeggezin kwam was hij heel vaak ziek. Het is eindelijk duidelijk dat sprake is van een lactose intolerantie. Er wordt nu nog verder onderzocht of dat het gehele probleem is.

3.10.

De vader voert, kort samengevat, het volgende aan.

De vader spreekt geen Nederlands. Hij probeert te integreren, maar daarvoor moet hij Nederlandse les hebben. Hij probeert om een verblijfsvergunning te krijgen. Hij heeft geen partner.

3.11.

Het hof overweegt het volgende.

3.11.1.

Partijen noch de rechtbank hebben zich uitgelaten over de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter in de onderhavige zaak. Het hof begrijpt dat zij er vanuit zijn gegaan dat met betrekking tot het verzoek tot beëindiging van het gezag van de moeder de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt, hetgeen het hof onderschrijft.

3.11.2.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft het hof de aanwezigen voorgehouden dat gebleken is dat de moeder op 21 augustus 2015 te Senegal met de vader is gehuwd en dat dit huwelijk is ingeschreven in Nederland. Voorts is het hof gebleken dat de vader [minderjarige 1] heeft erkend. Door het huwelijk oefent de vader eveneens het gezag over de kinderen uit. Weliswaar heeft dit geen gevolgen voor de gezagspositie van de moeder, maar indien er nog een andere ouder is die is belast met het gezag, kan de GI niet tot voogd benoemd worden. In de door de GI overgelegde beschikking van 3 maart 2021, in het kader van de ondertoezichtstelling van [zoon] , de andere zoon van de moeder en de vader, is de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, ervan uitgegaan dat het tussen de moeder en de vader gesloten huwelijk een rechtsgeldig huwelijk betreft dat in Nederland op grond van artikel 10:31 van het Burgerlijk (BW) wordt erkend. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking een e-mail van de gemeente Heerlen waarin is vermeld dat de huwelijksakte van de ouders door de IND is gecontroleerd en echt is bevonden, waarna de gemeente de akte in de Basisregistratie Personen heeft verwerkt. Na dit ambtshalve te hebben onderzocht is het hof met de rechtbank van oordeel dat sprake is van een rechtsgeldig huwelijk. Voorts is het hof, evenals de raad en de GI, van oordeel dat Nederlands recht van toepassing is nu de moeder de Nederlandse nationaliteit heeft, [minderjarige 2] in Nederland is geboren, [minderjarige 1] de Nederlandse nationaliteit heeft en betrokkenen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben. Nu [minderjarige 2] staande het huwelijk is geboren, oefenen ingevolge artikel 1:251 BW zowel de moeder als de vader het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] uit. Door het huwelijk is de vader ook over [minderjarige 1] het ouderlijk gezag gaan uitoefenen, nu hij [minderjarige 1] heeft erkend.

3.11.2.

Ingevolge artikel 1:266 BW kan het gezag van een ouder over een of meer van zijn kinderen beëindigd worden indien:

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in

artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of,

de ouder het gezag misbruikt.

3.11.3.

Naar het hof is gebleken is geen sprake van een situatie waarin de moeder het gezag misbruikt.

3.11.4.

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof – na eigen onderzoek en afweging – overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zodanig opgroeien dat zij in hun ontwikkeling ernstig worden bedreigd en dat de moeder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aanvaardbaar te achten termijn. In aanvulling op hetgeen de rechtbank aan haar beslissing ten grondslag heeft gelegd overweegt het hof nog het volgende.

Naar het hof is gebleken, is bij de moeder sprake van ernstige persoonlijke problematiek. Uit het bij haar afgenomen psychologisch onderzoek blijkt dat zij moeite heeft met gezag en dat zij trekken heeft van een narcistische en borderline persoonlijkheid. Door haar onvoorspelbaarheid, persoonlijke problematiek en levensvisie, mede ten aanzien van medisch handelen en ingrijpen, kan de moeder [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geen stabiele en veilige opvoedomgeving bieden. De maatregelen van ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing hebben nauwelijks tot een verbetering van de situatie geleid. Ten gevolge van hun gezondheidstoestand zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kwetsbare kinderen. De moeder heeft in het verleden geweigerd haar toestemming te geven voor gewone zaken die voor de kinderen geregeld moesten worden, maar eveneens ten aanzien van vrijwel iedere medische behandeling, met als gevolg dat de pleegouders en hulpverleners de belangen van de kinderen niet adequaat hebben kunnen behartigen en de GI meerdere malen om vervangende toestemming heeft moeten verzoeken en eenmaal een schorsing van het gezag van de moeder nodig is geweest. Sinds haar detentie zou de moeder een positieve ontwikkeling doormaken. Voor zover dit al juist is, gelet op de lange voorgeschiedenis, is deze ontwikkeling nog heel pril en onvoldoende bestendig gebleken. Het is ook onvoldoende duidelijk of deze ontwikkeling voortkomt vanuit een intrinsieke motivatie van de moeder, nu de ondersteuning door het FACT-team is opgelegd op grond van strafrechtelijke voorwaarden. Voorts stond de moeder niet direct open voor de door de GI noodzakelijk geachte hulpverlening vanuit AnaCare omdat zij vond dat er al te veel hulpverleners betrokken waren.

Het hof neemt voorts in overweging dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] respectievelijk bijna zes en drie jaar oud zijn. Zij zijn sinds juni 2018, dus al bijna drie jaar, uit huis geplaatst. [minderjarige 2] verblijft sindsdien, dus vanaf dat hij een half jaar oud was, in het huidige perspectief biedende pleeggezin, en [minderjarige 1] sinds oktober 2018, dus al bijna de helft van zijn leven. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben thans behoefte aan duidelijkheid over hun toekomstperspectief. Door de onduidelijkheid omtrent dit perspectief worden de kinderen in hun ontwikkeling bedreigd, temeer nu de moeder de uithuisplaatsing niet accepteert. Een jaarlijkse verlenging van de maatregelen van ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing brengt met zich dat de situatie jaarlijks moet worden bekeken, met alle spanning en onzekerheid voor de kinderen van dien. Doordat de moeder de uithuisplaatsingen niet accepteert, bestaat er een reëel risico althans is voldoende aannemelijk dat de moeder zich ook in de toekomst tegen de verlengingen van de machtiging tot uithuisplaatsing zal verzetten. De feiten en omstandigheden in de door de moeder aangehaalde uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 juli 2020 (ECLI:NL:RBROT:2020:6530) verschillen van onderhavige casus, onder meer doordat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet in een netwerkpleeggezin verblijven.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de aanvaardbare termijn voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] inmiddels is verstreken.

3.12.

Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing tot gezagsbeëindiging van de moeder bekrachtigen en benoeming van de GI tot voogd vernietigen, nu er nog een andere ouder is die is belast met het gezag over de kinderen.

3.13.

Gelet op de aard van de procedure ziet het hof geen aanleiding om af te wijken van de gebruikelijke regel die inhoudt dat de proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 10 juli 2020, voor zover daarbij de GI tot voogd over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is benoemd;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de op dit hoger beroep gevallen proceskosten tussen partijen c.q. belanghebbenden aldus, dat ieder van hen de eigen kosten draagt.

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor het overige;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.D.M. Lamers, C.A.R.M. van Leuven en A.M. Bossink en is op 6 mei 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.