Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:1370

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-05-2021
Datum publicatie
07-05-2021
Zaaknummer
200.279.726_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zorgregeling

Kinderalimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 6 mei 2021

Zaaknummer: 200.279.726/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/02/355258 / FA RK 19-859 (echtscheiding)

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. V.C. Serrarens,

tegen

[de vader] ,

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. M. Kalle.

Deze zaak gaat over de minderjarigen [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op

[geboortedatum] 2012, en [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2018.

Als belanghebbende bij de procedure over de zorgverdeling is aangemerkt:

- Stichting Intervence, gevestigd te [vestigingsplaats], hierna te noemen: de GI (gecertificeerde instelling).

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure over de zorgverdeling gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 18 maart 2020.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 16 juni 2020, heeft de

moeder verzocht voormelde beschikking (naar het hof begrijpt: gedeeltelijk) te vernietigen en de door de vader verzochte zorgregeling af te wijzen en een begeleide opbouwende

zorgregeling tussen de vader en de kinderen te bepalen van één middag per twee weken;

- de kinderbijdrage vast te stellen op € 500,- per kind per maand (het hof begrijpt: € 208,- per kind per maand, gelet op de mededeling van de advocaat van de moeder tijdens de mondelinge behandeling), althans op een hoger bedrag dan € 59,50 per kind per maand dan wel op een bedrag dat het hof redelijk acht.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 7 juli 2020, heeft de vader verzocht het hoger beroep van de moeder af te wijzen en de beschikking van de rechtbank te bekrachtigen en een eventuele hogere kinderalimentatie vast te stellen met ingang van de in deze zaak te geven beschikking, met veroordeling van de moeder in de proceskosten van de vader.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 april 2021. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Serrarens;

  • -

    de vader, bijgestaan door mr. Kalle;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad];

  • -

    de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI].

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het V-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder van 19 november 2020;

- het V-formulier met bijlage van de advocaat van de moeder van 8 maart 2021;

- het V-formulier met bijlage van de advocaat van de moeder van 15 maart 2021;

- de brief met bijlage van de GI van 15 maart 2021;

- het V-formulier met bijlagen van de advocaat van de vader van 19 maart 2021;

- het V-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder van 22 maart 2021.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen zijn op 3 november 2014 met elkaar gehuwd.

Uit de relatie van partijen voorafgaande aan het huwelijk respectievelijk uit het huwelijk van partijen zijn geboren:

- [minderjarige 1] (hierna ook: [minderjarige 1]), op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats];

- [minderjarige 2] (hierna ook: [minderjarige 2]), geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2018,

hierna tezamen ook aangeduid als de kinderen.

Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen uit.

De kinderen hebben het hoofdverblijf bij de moeder.

Zij staan sinds 13 augustus 2019 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 13 augustus 2021.

3.2.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 9 april 2020 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij deze beschikking heeft de rechtbank voorts, voor zover thans van belang, een zorgregeling tussen de vader en de kinderen bepaald met een opbouw zoals omschreven onder rechtsoverweging 4.10 van die beschikking en waarin wordt toegewerkt naar de door de vader verzochte zorgregeling van één weekend per veertien dagen alsmede gedurende de helft van de vakanties en de feestdagen, waarbij de regie van die regeling wordt overgelaten aan de GI in die zin dat het aan de gezinsmanager is om de wijze waarop de contacten plaatsvinden en de duur van de contacten, alsmede de (wijze van) uitbreiding daarvan te bepalen.

Ook heeft de rechtbank bepaald dat de vader aan de moeder als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen moet voldoen een bedrag van € 59,50 per kind per

maand met ingang van 9 april 2020.

3.3.

De moeder kan zich met deze beschikking voor zover daarbij een zorgregeling tussen de vader en de kinderen en een bedrag aan kinderalimentatie is bepaald niet verenigen en zij is hiervan in zoverre in hoger beroep gekomen.

Zorgregeling

3.4.

De moeder voert met grief 1, kort samengevat, het volgende aan.

De door de vader verzochte zorgregeling is niet in het belang van de kinderen. Bijkomend probleem is dat de vader inmiddels is verhuisd en nu 45 minuten rijden van de moeder en de kinderen vandaan woont.

De moeder wil via een begeleide opbouwende zorgregeling bij het Omgangshuis toewerken naar een regeling waarbij de kinderen één middag per twee weken bij de vader verblijven. Daarbij moet het tempo van de kinderen worden gevolgd. [minderjarige 1] heeft pas net de traumatische ervaringen met de vader verwerkt. De moeder heeft na huiselijk geweld de relatie met de vader beëindigd. [minderjarige 1] is bang voor de vader en heeft geen goede band met hem. [minderjarige 2] kent de vader niet. De kinderen willen geen contact met de vader en hun wens is leidend voor de moeder. Zij kan de kinderen niet dwingen tot contact met de vader. Een eerder contact tussen de kinderen en de vader is voor de kinderen traumatisch verlopen.

Door omgangsbegeleiding kan de moeder mogelijk weer vertrouwen in de vader krijgen.

Ook door deelname aan de SCHIP-therapie zou het vertrouwen van de moeder in de vader weer kunnen groeien. De moeder vindt het dan ook jammer dat de vader de SCHIP-therapie tijdelijk heeft stopgezet.

De moeder vindt eigenlijk dat contact met de vader voor de kinderen weinig toegevoegde waarde heeft, omdat zij de vader niet als een goede opvoeder ziet van de kinderen. Het gaat beter met de kinderen wanneer zij de vader niet zien. De kinderen missen de vader ook niet.

De moeder wil nu eerst de resultaten van de SCHIP-therapie afwachten, voordat stappen gezet kunnen worden richting het contact tussen de vader en de kinderen.

3.5.

De vader voert, kort samengevat, het volgende aan.

Er zijn geen contra-indicaties voor onbegeleid contact tussen de vader en de kinderen. De vader betwist met klem dat er sprake is geweest van huiselijk geweld in de relatie van de ouders. De moeder doet er alles aan om het contact tussen de vader en de kinderen tegen te houden. Zij lapt rechterlijke uitspraken aan haar laars. De ondertoezichtstelling van de kinderen heeft nog niet veel opgeleverd.

Er heeft eenmaal contact tussen de vader en [minderjarige 2] plaatsgevonden. Dat contact verliep goed. Het contact tussen de vader en [minderjarige 2] zou alvast kunnen worden opgestart.

De SCHIP-therapie heeft de vader tot nu toe zeer veel stress en een geestelijke inzinking opgeleverd. De vader vond de therapeut vooringenomen. De vader is wel van plan met de SCHIP-therapie verder te gaan, afhankelijk van het verloop van een gesprek met de therapeut dat nog op de agenda staat.

3.6.

De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling – in het kort – het volgende naar voren gebracht.

De moeder legt de bestreden beschikking naast zich neer. Zij heeft veel weerstand tegen contact tussen de vader en de kinderen. De moeder ziet niet in dat het in het belang van de kinderen is dat zij contact hebben met de vader. De GI heeft geprobeerd om de moeder in

beweging te krijgen, maar het traject is nog niet op gang gekomen. Ook informeert de moeder de vader onvoldoende over de kinderen.

De GI is van plan om op de ingezette lijn door te gaan. De eerste stap om het contact tussen de vader en de kinderen op gang te brengen moet alsnog worden gezet. Tegelijkertijd moeten

de ouders aan de schiptherapie deelnemen.

De GI is bovendien van mening dat ook voor de moeder zelf therapie noodzakelijk is om beter met haar emoties te leren omgaan.

Een uithuisplaatsing van de kinderen zou als drukmiddel voor de moeder kunnen werken, maar de GI is daar voorzichtig mee, omdat een uithuisplaatsing zeer ingrijpend voor de kinderen is.

3.7.

De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling het hof geadviseerd de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen. De moeder heeft zeer veel weerstand tegen het contact tussen de vader en de kinderen. De GI doet er verstandig aan het verloop van de SCHIP-therapie intensief te volgen en tussentijdse evaluatiemomenten in te lassen.

Eventueel zou alvast het contact tussen de vader en [minderjarige 2] kunnen worden opgestart. [minderjarige 2] heeft geen weerstand tegen contact met de vader.

Al in het raadsrapport heeft de raad te kennen gegeven dat de moeder persoonlijke hulpverlening nodig heeft.

De belasting voor de kinderen wordt steeds groter. De raad kan zich een uithuisplaatsing van de kinderen als mogelijke optie voorstellen.

3.8.1.

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd.

In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:253a lid 2, aanhef en sub a, BW, een regeling vaststellen.

De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

3.8.2.

Het hof stelt voorop dat het uitgangspunt van de wetgever is dat een regelmatig en onbelast contact van kinderen met hun beide ouders voor hun evenwichtige ontwikkeling van groot belang is.

Sinds het feitelijk uiteengaan van partijen in juni 2018 heeft de vader niet of nauwelijks contact meer gehad met de kinderen. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank een opbouwende reguliere zorgregeling tussen de vader en de kinderen vastgesteld. Aan deze beschikking is door de moeder geen uitvoering gegeven, zodat ook in het afgelopen jaar geen contact tussen de vader en de kinderen tot stand is gekomen.

De mening van de moeder dat de vader niet van toegevoegde waarde is bij de opvoeding van de kinderen en dat de kinderen zonder hem beter af zijn, vindt geen steun in de stukken. Er is niet gebleken van in de persoon van de vader gelegen contra-indicaties om met een opbouw tot een reguliere onbegeleide zorgregeling tussen de vader en de kinderen te komen. Het hof is dan ook van oordeel dat van omstandigheden die nopen tot vaststelling van een meer beperkte zorgregeling zoals de moeder in hoger beroep heeft verzocht, niet is gebleken.

Ook de overige gronden die de moeder heeft aangevoerd, die erop neerkomen dat zij meent dat de kinderen geen contact met de vader willen en dat het forceren hiervan niet in het belang van de kinderen en zelfs schadelijk voor hen is, heeft de moeder niet onderbouwd

met verifieerbare gegevens.

Het hof maakt zich met de raad en de GI grote zorgen over de door de moeder

gestelde weerstand die de kinderen tegen contact met de vader hebben. Dit is een alarmerend

gegeven voor een evenwichtige ontwikkeling van de kinderen.

Gelet op deze zorgelijke situatie dringt het hof er bij de GI op aan de opbouw van de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling voortvarend en met grote inzet ter hand te nemen en het verdere traject nauwgezet te regisseren, om eventueel meer ingrijpende maatregelen te voorkomen.

Uit het voorgaande volgt dat grief 1 van de moeder niet slaagt.

Kinderalimentatie

3.9.

De moeder voert met grief 2 aan dat de rechtbank een hoger bedrag aan kinderalimentatie had moeten vaststellen. Bij beschikking van de voorlopige voorzieningenrechter van 26 februari 2019 is het netto besteedbaar inkomen van partijen voor scheiding becijferd op € 2.142,- per maand. Hieruit volgt een behoefte van de kinderen van € 208,- per kind per maand.

De vader heeft voldoende draagkracht om een hogere kinderbijdrage te betalen dan de bijdrage die de rechtbank heeft bepaald. Zijn draagkracht moet gelijkelijk over zijn drie kinderen worden verdeeld. De vader had verlaging van zijn bijdrage voor zijn zoon [zoon] moeten verzoeken, maar dat heeft hij nagelaten. De vader heeft geen aanspraak op een zorgkorting omdat er geen sprake is van een contactregeling.

De moeder heeft een inkomen op bijstandsniveau.

3.10.

De vader heeft deze grief van de moeder gemotiveerd bestreden.

3.11.

De moeder is in hoger beroep gekomen met de stelling dat de vader de draagkracht heeft om een hogere kinderbijdrage te betalen dan de rechtbank heeft vastgesteld. Het had mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de vader en het oordeel van de rechtbank dat de moeder haar stellingen onvoldoende heeft onderbouwd, op de weg van de moeder gelegen om in hoger beroep haar stellingen deugdelijk, met relevante en recente financiële stukken, te onderbouwen. Dit heeft zij echter nagelaten. Haar stelling over de behoefte van de kinderen heeft zij niet onderbouwd met financiële stukken. De enkele verwijzing naar een beschikking van de voorlopige voorzieningenrechter is onvoldoende. Verder geven de door de moeder wel overgelegde financiële stukken, waaronder een door haar opgesteld financieel overzicht van haar eenmanszaak over 2020, zonder toelichting onvoldoende inzicht in haar financiële situatie en in die van haar onderneming. Gelet op het voorgaande kan de draagkracht van de moeder niet worden beoordeeld en daarmee kan deze evenmin worden vergeleken met de draagkracht van de vader om zo het aandeel van ieder van de ouders in de kosten van de kinderen te becijferen. Dit komt voor rekening en risico van de moeder. Grief 2 van de moeder slaagt niet.

3.12.

Nu de moeder haar grieven tevergeefs heeft voorgedragen, zal het hof de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, bekrachtigen.

3.13.

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn. In hetgeen de vader heeft aangevoerd, ziet het hof geen aanleiding om af te wijken van de gebruikelijke regel in familierechtelijke zaken dat de proceskosten tussen

partijen worden gecompenseerd. Het verzoek van de vader om de moeder te veroordelen in

de proceskosten in hoger beroep zal het hof dan ook afwijzen.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 18 maart 2020, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

compenseert de proceskosten in hoger beroep tussen partijen aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.P. de Beij, C.N.M. Antens en E.M.C. Dumoulin

en is op 6 mei 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.