Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:1366

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-05-2021
Datum publicatie
07-05-2021
Zaaknummer
200.283.117_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2020:5165
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vernietiging beslissing rechtbank. Voldaan aan vereisten artikel 1:253n BW, leidt er toe dat moeder eenhoofdig gezag krijgt. De vader is zeer slecht bereikbaar en als hij bereikbaar is geeft hij niet zonder meer toestemming voor de benodigde beslissingen voor de kinderen. Nood voor de kinderen ivm hierdoor stopgezette hulpverlening is hoog.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2021-0118
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 6 mei 2021

Zaaknummer: 200.283.117/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/271290 / FA RK 19-4219

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. L.E.I.K. Jaminon,

tegen

[de vader] ,

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. P. Winkens.

Deze zaak gaat over:

  • -

    [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats];

  • -

    [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats].

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

de heer en mevrouw [pleegouders],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de pleegouders.

Als informant is aangemerkt:

de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

gevestigd te [vestigingsplaats],

hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (de GI).

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie],

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 15 juli 2020.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift van 2 september 2020, met producties, ingekomen bij het hof op 4

september 2020 heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek van de moeder om eenhoofdig met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te worden belast, toe te wijzen.

2.2.

Bij verweerschrift van 27 oktober 2020, met producties, ingekomen bij het hof op diezelfde datum, heeft de vader verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3.

Het hof heeft voorts kennis genomen van:

- het V6-formulier van de advocaat van de moeder van 2 oktober 2020, met bijlage, ingekomen bij het hof op diezelfde datum;

- de brief van de pleegvader van 22 februari 2021, ingekomen bij het hof op 24 februari 2021;

- het V6-formulier van de advocaat van de moeder van 16 maart 2021, met bijlagen, ingekomen bij het hof op diezelfde datum;

- het V6-formulier van de advocaat van de moeder van 26 maart 2021, met bijlagen, ingekomen bij het hof op diezelfde datum.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 maart 2021. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI];

- de pleegouders.

2.4.1.

De raad heeft via een telefonische verbinding deelgenomen aan de mondelinge behandeling bij het hof.

2.5.

Het hof heeft de hierna te noemen minderjarige [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hiervan, met berichtgeving vooraf, geen gebruik gemaakt.

3 De beoordeling

3.1.

Uit het inmiddels ontbonden huwelijk van de ouders zijn geboren:

  • -

    [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige 1]);

  • -

    [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige 2]).

3.2.

De ouders oefenen van rechtswege het gezamenlijk ouderlijk gezag uit over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].

3.3.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn met ingang van 13 oktober 2017 onafgebroken onder toezicht

gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 13 oktober 2021.

3.4.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn op grond van een daartoe strekkende machtiging tot uithuisplaatsing met ingang van 2 november 2019 geplaatst in het pleeggezin van de heer en mevrouw [pleegouders].

3.5.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de moeder tot beëindiging van het gezamenlijk ouderlijk gezag afgewezen, en de proceskosten gecompenseerd.

3.6.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.6.1.

De moeder voert - kort samengevat - het volgende aan. De persoonlijke problematiek en de opvattingen van de vader zorgen er steeds opnieuw voor dat het voor de moeder onmogelijk is om met de vader in overleg te treden over de kinderen. De vader is onbereikbaar, en het komt voor dat zijn verblijfplaats tijdenlang onbekend is. De vader werkt pas mee, nadat hij meermalen is benaderd door de advocaat van de moeder. De vader heeft in een periode van een half jaar geweigerd mee te werken aan: wisseling school, afgifte paspoorten, wisseling voetbalclub, deeltijd pleegzorg en vrijwillige uithuisplaatsing. Daarnaast wil de vader ook in het geheel geen contact meer met de kinderen. Het voorgaande resulteert erin dat de kinderen klem en verloren zijn tussen de ouders. Voor zover dit alles al niet voldoende zou zijn voor het eenhoofdig gezag is er, anders dan de rechtbank heeft overwogen, zeker aanleiding de raad een onderzoek te laten doen.

3.7.

De vader voert - kort samengevat - het volgende aan. De vader heeft een verblijfplaats gevonden in de opvang en is bereikbaar. De vader betwist dat hij niet binnen een redelijke termijn alsnog toestemming heeft gegeven op de verzoeken van de moeder. De enkele vrees van de moeder dat de vader niet mee zal werken is onvoldoende voor een beëindiging van het gezag. De moeder heeft haar stelling dat de kinderen klem en verloren raken tussen de ouders niet onderbouwd en hij acht haar verzoek erg voorbarig.

3.8.

De pleegouders vertellen – kort samengevat – het volgende. [minderjarige 1] heeft een verstandelijke beperking en klapt snel dicht. Hij heeft een sterke band met zijn vader, maar heeft hem al geruime tijd niet meer gezien.

3.9.

De GI voert – kort samengevat – het volgende aan. De GI kan op dit moment geen contact meer krijgen met de vader. De vader is telefonisch en via de mail niet bereikbaar. Ook mag de GI van de vader geen post sturen naar zijn verblijfsadres in de opvang. De vader werkt niet mee aan de benodigde hulp voor de kinderen, waardoor de hulpverlening stil komt te liggen. De GI hoopt dat de vader gaat meewerken aan diagnostiek en behandeling voor zijn persoonlijke problematiek. De moeder werkt daarentegen goed mee.

3.10.

De raad voert – kort samengevat – het volgende aan. De kinderen zitten klem tussen de ouders. Bij [minderjarige 1] stagneert de hulpverlening op dit moment bovendien, vanwege de ontbrekende toestemming daarvoor van de vader. Bij de vader is hierin geen vooruitgang te zien, en de grote nood die er is aan in te zetten hulpverlening maakt dat de kinderen hier niet langer op kunnen wachten. Het is in het belang van de kinderen dat de moeder het eenhoofdig gezag krijgt.

3.11.

Het hof overweegt het volgende.

3.11.1.

Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van

onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

De rechter bepaalt dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien:

a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of

b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

3.11.2.

Gezamenlijke uitoefening van het gezag vereist dat de ouders het mogelijk maken dat beslissingen over de verzorging en opvoeding van het kind tot stand komen op een wijze die niet belastend is voor het kind en zijn veiligheid niet in gevaar brengt. In het geval ouders niet (meer) samenleven en moeizaam of niet communiceren is het van belang dat, waar nodig, de verzorgende ouder die beslissingen kan nemen die voor het dagelijkse leven en de veiligheid van (spoedeisend) belang zijn voor het kind en dat de niet-verzorgende ouder deze beslissingen niet blokkeert. Ook is het van belang dat ouders die niet in staat zijn de strijd met elkaar te staken, tenminste in staat zijn het kind buiten die strijd te houden. Indien bovengenoemde omstandigheden aanwezig zijn, ligt gezamenlijk gezag in de rede, tenzij andere redenen eenhoofdig gezag noodzakelijk maken.

3.11.3.

Het hof stelt vast dat de moeder en de vader na de echtscheiding gezamenlijk met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] belast zijn gebleven. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] staan met ingang van 13 oktober 2017 onder toezicht en zijn sinds november 2019 uit huis geplaatst. Dit betekent dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden die een inhoudelijke beoordeling van het verzoek van de moeder rechtvaardigt.

3.11.4.

Gebleken is dat het voor de moeder en de GI zeer moeilijk is om met de vader in contact te komen. De vader heeft weliswaar inmiddels een verblijfplaats binnen de opvang van ‘[opvang]’ in [woonplaats], maar is telefonisch, per mail, via de post of huisbezoek vrijwel onbereikbaar. Dit is zorgelijk, aangezien dit de gezamenlijke gezagsuitoefening met de moeder ernstig belemmert. Daar komt bij dat de vader – indien er wel contact is gelegd – niet zonder meer zijn toestemming verleent voor belangrijke beslissingen aangaande [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Recentelijk heeft dit er toe geleid dat de hulpverlening voor [minderjarige 1] met betrekking tot de behandeling van zijn trauma’s en zijn seksuele ontwikkeling is gestopt. De GI heeft daarom een verzoek om vervangende toestemming voor de behandeling van [minderjarige 1] ingediend bij de rechtbank.

Voorts is gebleken dat het leggen van contact met de vader of het verkrijgen van de benodigde toestemming in de afgelopen jaren vaker zeer moeizaam is verlopen. Dit was bijvoorbeeld het geval bij de schoolwissel van [minderjarige 2], het verkrijgen van hulpverlening (voor de begeleide omgang), de aanmelding bij pleegzorg, het maken van veiligheidsafspraken voor de begeleide bezoeken en het maken van afspraken over de paspoorten van de kinderen. Daar komt bij dat de vader de kinderen inmiddels ongeveer 2 jaar niet meer heeft gezien, op een incidenteel contactmoment na. De advocaat van de vader heeft toegelicht dat de vader het niet voor elkaar krijgt de contacten met de kinderen vorm te geven zoals dat nodig wordt geacht.

Vanwege de problematiek van de kinderen, en met name die van [minderjarige 1], is het van groot

belang dat er snel geschakeld kan worden. De vader is hiertoe niet in staat, of vindt het

moeilijk daar aan mee te werken. De raad heeft hierover aangegeven niet te verwachten dat dit zal verbeteren, terwijl de nood voor het verkrijgen van hulpverlening voor de kinderen groot is. De kinderen kunnen niet wachten op het moment waarop de vader zijn toestemming

verleent.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] klem zitten tussen de ouders en bestaat niet de verwachting dat dit binnen afzienbare tijd voldoende zal

verbeteren. Het hof ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding een raadsonderzoek te gelasten. Alles overziende is het hof van oordeel dat is voldaan aan de vereisten van artikel 1:253n BW.

3.12.

Het voorgaande leidt er toe dat de bestreden beschikking zal worden vernietigd, en de moeder met eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zal worden belast.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 15 juli 2020, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voortaan aan de moeder alleen toekomt;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van

deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het centraal gezagsregister;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.E. Ackermans-Wijn, H. van Winkel en P.M.M. Mostermans en is op 6 mei 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.