Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:1352

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
26-05-2021
Zaaknummer
200.262.773_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2018:5919
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2019:3248
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep. Geldleningen tijdens een affectieve relatie. Reëele overeenkomst conform 7A:1791 BW [oud]. Beroep op dwaling faalt.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 8 1791
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.262.773/01

arrest van 4 mei 2021

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. T.P.M. Kouwenaar te 's-Hertogenbosch,

tegen

voorheen de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [de vennootschap] (in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [rechthebbende] ), thans [bewindvoerder] , in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [rechthebbende],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als: [geïntimeerden] .,

advocaat: mr. J.J. Geuze te Best,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 3 september 2019 in het hoger beroep van de door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, onder zaaknummer C/01/323957 / HA ZA 17-510 gewezen vonnissen van 21 november 2018 en 29 mei 2019.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 3 september 2019 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 21 oktober 2019;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord met een productie;

  • -

    de akte van [geïntimeerden] . met een productie.

1.2.

Per 5 december 2019 is [de vennootschap] door de kantonrechter vervangen als bewindvoerder over de goederen van [rechthebbende] door [geïntimeerden] .

[geïntimeerden] . heeft daarvan mededeling gedaan aan het hof in de akte die op 21 juli 2020 is genomen.

Het geding is daardoor geschorst en weer hervat op grond van de artikelen 225 lid 2 Rv en 227 lid 1 sub b Rv.

1.3.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald

2 De vaststaande feiten

2.1.

In hoger beroep kan worden uitgegaan van de feiten zoals die door de rechtbank zijn vastgesteld, nu deze niet zijn bestreden.

2.2.

[appellant] en [rechthebbende] hebben een affectieve relatie gehad en met elkaar samengewoond. Uit deze relatie zijn twee kinderen geboren.

2.3.

[appellant] en [rechthebbende] hebben op 23 mei 2006 een samenlevingsovereenkomst gesloten die in een notariële akte is vastgelegd. Hierin staat – onder meer – vermeld dat de kosten van de huishouding naar evenredigheid van ieders inkomen worden voldaan en, voor zover dit ontoereikend is, naar evenredigheid van ieders vermogen.

2.4.

[rechthebbende] heeft een erfenis van haar vader ontvangen van € 93.207,04. Haar vader is in april 2001 overleden. [rechthebbende] heeft ook een erfenis van haar tante ontvangen van € 300.000,00. Haar tante is in oktober 2008 overleden.

2.5.

Op 21 april 2012 hebben [appellant] en [rechthebbende] een schuldbekentenis getekend. Daarin staat dat [appellant] een bedrag van € 300.000,00 “wegens een geldlening” verschuldigd is aan [rechthebbende] . In de schuldbekentenis staat een rente genoemd van 15% per jaar.

2.6.

Op 1 juni 2021 hebben partijen een stuk getekend waarin staat dat er door [appellant] in totaal € 134.500,00 is geleend, waarop € 13.000,00 is afgelost en een bedrag van € 23.000,00 in mindering is gebracht na “Overname schilderijen” per 1 juni 2012.

2.7.

Vanaf de bankrekening van [rechthebbende] zijn daarna in 2012 en 2013 verschillende bedragen overgemaakt naar [appellant] . Het gaat om de volgende betalingen:

30-10-2012: € 1.000,00 o.v.v. “ [naam] lening”

07-11-2012: € 1.000,00 o.v.v. “ [naam] lening”

12-12-2012: € 5.000,00 o.v.v. “ [naam] lening”

04-01-2013: € 3.000,00 o.v.v. “ [naam] lening”

12-06-2012: € 1.400,00 o.v.v. “ [naam] BV lening”

28-10-2013: € 1.000,00 o.v.v. “lening” t.b.v. [de vennootschap 2]

28-11-2013: € 200,00 o.v.v. “lening” t.b.v. [de vennootschap 2]

04-12-2013: € 5.000,00 o.v.v. “lening” t.b.v. [de vennootschap 2]

Een totaal bedrag van € 17.600,00.

[de vennootschap 2] is de persoonlijke vennootschap van [appellant] .

2.8.

Bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 26 juli 2016 is het vermogen van [rechthebbende] wegens verkwisting of het hebben van problematische schulden onder bewind gesteld. De (toenmalige) bewindvoerder heeft [appellant] aangemaand tot betaling van € 480.000,00 (de hoofdsom van € 300.000,00 vermeerderd met de reeds vervallen overeengekomen rente).

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1.

De (toenmalige) bewindvoerder van [rechthebbende] vorderde veroordeling van [appellant] tot betaling van – kort gezegd – € 300.000,00 te vermeerderen met de overeengekomen rente van 15% per jaar en met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

3.2.

In het verstekvonnis van 28 juni 2017 is die vordering toegewezen, zij het dat de gevorderde rente gematigd is tot de wettelijke rente.

3.3.

[appellant] is tijdig in verzet gekomen tegen het verstekvonnis. De rechtbank oordeelde dat op de geldleningen het recht van voor 1 januari 2017 van toepassing is op de overeenkomsten van geldlening. Uit artikel 7A:1791 BW (oud) volgt dat de overeenkomst van geldlening onder het oude recht een reële overeenkomst was. Dit betekent dat de overeenkomst van geldlening pas tot stand komt op het moment dat er wilsovereenstemming is tussen partijen én de afgesproken geldsom ter beschikking is gesteld aan de geldnemer.

3.4.

Na vermeerdering en vermindering van eis vorderde de (toenmalige) bewindvoerder van [rechthebbende] veroordeling van [appellant] tot betaling van € 300.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding en afgifte van een met name genoemd schilderij, althans veroordeling van [appellant] tot betaling van € 1.000,00.

3.5.

Na bewijslevering heeft de rechtbank het verstekvonnis vernietigd. Vast is komen te staan dat niet het gehele bedrag van € 300.000,00 als geldlening is verstrekt, maar dat [rechthebbende] en [appellant] beoogden dat het bedrag van de erfenis van de tante van [rechthebbende] aan haar zou worden terugbetaald. In eerste aanleg kon de bewindvoerder ook niet onderbouwen dat het volledige bedrag van € 300.000,00 aan [appellant] is verstrekt. Na bewijslevering heeft de rechtbank geoordeeld dat de in het stuk van 1 juni 2012 genoemde betalingen (zie overweging 2.6 hiervoor) en de betalingen die blijken uit de bankafschriften (zie overweging 2.7 hiervoor) wel door [rechthebbende] aan [appellant] als lening zijn verstrekt. De in het stuk van 1 juni 2012 genoemde aflossingen moeten daarop in mindering worden gebracht, zij het dat één schilderij, dat partijen waarderen op een waarde van € 1.000,00, niet meer afgegeven kan worden. De rechtbank heeft [appellant] veroordeeld tot betaling van € 116.100,00 (vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 juli 2017) aan [de vennootschap] (de toenmalige bewindvoerder van [rechthebbende] ) en veroordeling tot betaling van € 1.000,00. De rechtbank heeft de proceskosten gecompenseerd.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1.

Met drie grieven komt [appellant] op tegen de uitgesproken veroordeling.

4.2.

Met grief 1 betoogt [appellant] dat beide partijen uitgingen van een onjuiste voorstelling van zaken, zodat – aldus [appellant] – de leningsovereenkomst vernietigbaar is op grond van dwaling.

4.3.

[appellant] stelt dat hij zich (tot en met het uitbrengen van de verzetdagvaarding) niet gerealiseerd had dat hij en [rechthebbende] een samenlevingsovereenkomst hadden. Hij was de kostwinner en hij en [rechthebbende] leefden van zijn vermogen en inkomen, totdat zijn inkomen wegviel in 2007/2008. Partijen hebben daarna geleefd van het vermogen van [rechthebbende] . De dwaling betreft – volgens [appellant] – het aangaan door partijen van de schuldbekentenis d.d. 21 april 2012, en ook het overzicht doorlopende lening van 1 juni 2012. Als partijen zich bewust waren geweest van de samenlevingsovereenkomst met de daaruit voor [rechthebbende] verplichting om uit haar vermogen bij te dragen in de kosten van de huishouding , zouden partijen geen lening zijn aangegaan, althans zou [appellant] geen schuldbekentenis hebben getekend en het overzicht doorlopende lening niet zo hebben opgesteld, zo begrijp het hof de stellingen van [appellant] .

4.4.

Het hof verwerpt dit betoog. [rechthebbende] betwist dat [appellant] en zijzelf op dit punt hebben gedwaald en beroept zich op verjaring. Het verjaringsberoep faalt omdat [appellant] zich op dwaling heeft beroepen ter afwering van rechtsvorderingen als bepaald in art. 3:51 lid 3 BW. Dat [appellant] zich “niet realiseerde” dat er een samenlevingsovereenkomst bestond, is op zichzelf onaannemelijk nu het hier een, ook voor hem, in zijn leven essentiële overeenkomst betreft. Het had dan op de weg van [appellant] gelegen omstandigheden aan te voeren die onderbouwen dat hij niettemin zich niet dan wel onvoldoende van het bestaan van de overeenkomst bewust is geweest. Dat heeft hij niet gedaan. Het hof gaat daarom voorbij aan het beroep van [appellant] op dwaling. Ten overvloede merkt het hof nog op dat – als partijen daarover niets geregeld zouden hebben – in beginsel het uitgangspunt is dat beide partijen in een relatie bijdragen aan de kosten van hun gezamenlijke huishouding. Ook als juist zou zijn dat [appellant] dwaalde over het bestaan of de inhoud van de samenlevingsovereenkomst, is daarmee nog niet uitgelegd waarom [appellant] ten onrechte meende dat hij de volledige kosten van de gezamenlijke huishouding zou moeten dragen.

4.5.

Partijen hebben er destijds voor gekozen om overeenkomsten van geldlening te sluiten. Die overeenkomsten kunnen, zoals hiervoor geoordeeld, niet vernietigd worden op grond van dwaling. [appellant] heeft in eerste aanleg aangeboden te bewijzen dat de bedragen die [appellant] van [rechthebbende] heeft geleend, (met uitzondering van een bedrag van € 40.000,00) vervolgens zijn aangewend voor de gezamenlijke huishouding. Grief 2 ziet op de beslissing van de rechtbank op dat punt: [appellant] is niet in de gelegenheid gesteld dat bewijs te leveren. De grief daartegen faalt omdat voor de, uit de overeenkomsten van geldlening voortvloeiende, verplichting het geleende terug te betalen niet van belang is waarvoor [appellant] het geleende geld heeft gebruikt. Voor zover [appellant] heeft bedoeld zich bij memorie van grieven ter afwering van de terugbetalingsverplichting uit hoofde van de geldlening, te beroepen op verrekening met een vordering van hem op [rechthebbende] , geldt het volgende. De concrete bedragen die hij noemt van € 81.676,00 en € 10.225,00 zien op (volgens [appellant] ) gezamenlijke schulden. Hij stelt niet dat hij op die schulden meer heeft afgelost uit zijn vermogen dan het gedeelte dat hem in de onderlinge verhouding met [rechthebbende] aangaat, zodat hij onvoldoende onderbouwt dat hij uit hoofde van deze schulden ook vorderingen op [rechthebbende] heeft. Met betrekking tot de overige kosten van de huishouding, weerspreekt [appellant] onvoldoende dat [rechthebbende] ook uit haar vermogen rechtstreeks (buiten de leningen om) heeft bijgedragen aan de kosten van de gezamenlijke huishouding. Om vast te kunnen stellen dat [appellant] hier een vordering heeft op [rechthebbende] zou, voor ieder jaar, duidelijkheid moeten komen over het inkomen en vermogen van beide partijen en het totaal van de kosten van de gezamenlijke huishouding van dat jaar. De stellingen van [appellant] over zijn uitgaven en de financiële situatie van zijn persoonlijke vennootschap zijn dus niet voldoende om vast te kunnen stellen dat [appellant] op deze gronden vorderingen op [rechthebbende] heeft. Het hof maakt daarom gebruik van de in artikel 6:136 BW neergelegde bevoegdheid een beroep op verrekening te passeren, omdat de gegrondheid van het verweer niet op eenvoudige wijze is vast te stellen.

4.6.

Grief 3 richt zich tegen het bewijsoordeel van de rechtbank dat ook de bedragen die [rechthebbende] per bank heeft overgemaakt (zie onder 2.7 hiervoor) door [appellant] geleend zijn. Volgens hem kunnen door [rechthebbende] aan hem betaalde bedragen tot een saldo van € 17.600,00 niet worden beschouwd als betalingen uit hoofde van de geldleningsovereenkomst van 21 april 2012. Die schuldbekentenis betreft immers niet een doorlopend krediet.

4.7.

Deze grief faalt eveneens. De juistheid van de afschriften en de betalingen zelf zijn niet betwist, zodat in deze procedure vast staat dat de bedragen inderdaad zijn overgemaakt naar [appellant] , met steeds het woord “lening” in de omschrijving van de betaling. De rechtbank heeft vastgesteld dat deze bedragen betaald zijn “ten titel van geldlening” (r.o. 2.5. van het vonnis van 29 mei 2019). Dat wil zeggen: dat partijen op een manier zijn overeengekomen dat deze bedragen door [appellant] zijn geleend. Ook hier is niet van belang of [appellant] de betaalde bedragen al dan niet heeft aangewend voor de gezamenlijke huishouding. Voldoende is dat partijen (destijds) over en weer bedoelden en begrepen dat het om geleend geld ging, dat [appellant] diende terug te betalen. Uit de feiten dat [appellant] eerder geld van [rechthebbende] geleend had (zoals blijkt uit de schuldbekentenis en het stuk van 1 juni 2012) en dat bij deze betalingen steeds uitdrukkelijk het woord “lening” staat vermeld, leidt ook het hof af dat partijen hebben bedoeld en begrepen dat hier betaald werd in het kader van een of meer overeenkomst(en) van geldlening. [appellant] stelt geen feiten en omstandigheden waaruit zou volgen dat destijds iets anders bedoeld of begrepen is, althans anders begrepen mocht worden. Dat [appellant] achteraf meent dat [rechthebbende] ook (meer) diende bij te dragen aan de kosten van het huishouden, is niet van belang.

5 De slotsom

5.1.

De grieven falen. De bestreden vonnissen zullen worden bekrachtigd.

5.2.

Daarbij merkt het hof ambtshalve het volgende op. De uitgesproken veroordeling houdt in dat [appellant] moet betalen aan “[de vennootschap] in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [ [rechthebbende] , hof]”. [de vennootschap] is per 5 december 2019 vervangen door [geïntimeerden] . als bewindvoerder. In het licht van de gedingstukken brengt een redelijke uitleg van het dictum van het vonnis en dit arrest mee dat [appellant] in de toekomst dient te betalen aan degene die (op dat moment) de bewindvoerder is over de goederen van [rechthebbende] (en de betaling geschiedt dan aan die persoon in die hoedanigheid).

5.3.

Nu het geschil nauw samenhangt met de samenleving destijds van partijen zullen de kosten van het hoger beroep worden gecompenseerd zoals hierna vermeld.

6 De uitspraak

Het hof, recht doende in hoger beroep:

6.1.

bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank Oost-Brabant van 21 november 2018 en 29 mei 2019;

6.2.

bepaalt dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

6.3.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.J. van Sandick, O.G.H. Milar en J.G.A. Struycken en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 4 mei 2021.

griffier rolraadsheer