Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:1347

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
20-05-2021
Zaaknummer
200.247.682_01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

vernietiging verlengingsovereenkomsten voor leerjaar 2 en 3 op grond van dwaling wegens het niet-mededelen van het ontbreken van de vereiste accreditaties c.q. CREBO-nummers; deze schending van de zorgplicht is tevens onrechtmatig; gevorderde verwijzing naar schadestaat is toewijsbaar; geen overeenkomst aangenomen met bij het overleg over overeenkomst leren en presteren betrokken vennootschap, waarmee contracterende vennootschap via samenwerkingsverband verbonden was; concernrelatie leidt niet tot aanmerken als contractpartij; geen doorbraak van aansprakelijkheid en geen bestuurdersaansprakelijkheid;

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.247.682/01

arrest van 4 mei 2021

in de zaak van

Stichting Omring,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante in principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel, ingesteld door [de vennootschap 1] ,

hierna aan te duiden als Omring,

advocaat: mr. F. Westenberg te Hoorn, Noord-Holland,

tegen

1 [de vennootschap 1] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde sub 1 in principaal appel,

appellante in het incidenteel appel,

hierna aan te duiden als [de vennootschap 1] ,

advocaat: mr. R.H.G.M. Kerckhoffs, te Maastricht,

2. [de vennootschap 2] ,
gevestigd te [vestigingsplaats]

geïntimeerde sub 2,

3. [geïntimeerde 3] ,
wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden sub 3,

hierna gezamenlijk aan te duiden als [geïntimeerden] dan wel ieder afzonderlijk als [de vennootschap 2] en [geïntimeerde 3] ,

advocaat: mr. mr. M.Th.S. van Gelder, te Tilburg,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest in het incident van 13 augustus 2019 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, onder zaaknummer C/03/224680 / HA ZA 16-486 gewezen vonnis van 11 juli 2018.

5 Het verloop van de procedure in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 13 augustus 2019 in het vrijwaringsincident waarbij [de vennootschap 1] niet-ontvankelijk is verklaard in haar vordering in het incident tot oproeping in vrijwaring van [de vennootschap 2] en [geïntimeerde 3] en waarbij de zaak naar de rol is verwezen voor opgave verhinderdata pleidooi;

- het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

6 De vaststaande feiten

6.1.

De rechtbank heeft in rov. 4.1 t/m 4.19 van het vonnis waarvan beroep de feiten vastgesteld die zij voor haar beoordeling van belang achtte. In de grieven 1 t/m 6 wordt erover geklaagd, kort gezegd, dat de feitenvaststelling in rov. 4.9.1, 4.9.2, 4.9.3, 4.9.5, 4.17 en 4.18 niet volledig is. Het hof geeft hierna een nieuw overzicht van de relevante feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet betwist tussen partijen vaststaan. Daarbij wordt voor zover het hof dat relevant acht rekening gehouden met de in de grieven 1 t/m 6 bepleite aanvullingen. Waar nodig zal het hof bij de beoordeling van de overige grieven van partijen meer feiten vermelden en in de beoordeling betrekken.

Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

6.1.1.

Omring is een zorgaanbieder in de regio West-Friesland en de Kop van Noord-Holland. Zij levert vooral (intramurale) ouderenzorg en specialistische thuiszorg.

6.1.2.

[de vennootschap 1] houdt zich, kort gezegd, bezig met het verzorgen van opleidingstrajecten.

6.1.3.

Op 30 november 2010 heeft Omring met [de vennootschap 1] een “OVEREENKOMST van OPDRACHT LEREN en PRESTEREN OMRING” (hierna: overeenkomst leren en presteren) gesloten in verband met een opleidingstraject voor haar thuiszorgmedewerkers. Van deze overeenkomst maken deel uit de daaraan gehechte “ZAKENOVEREENKOMST” met twee addenda, een “OVEREENKOMST van OPDRACHT (W)E-services OMRING” en de “ Offerte de Omring Thuiszorg lerend verbeteren”.

6.1.4.

In de overeenkomst leren en presteren zijn Omring en [de vennootschap 1] onder meer het volgende overeengekomen:

“(…) Startdatum

Allereerst hebben wij afgesproken dat het meerjarig traject definitief van start zal gaan in 01-03-2011 en steeds met een looptijd van 1 jaar wordt overeengekomen. De voorbereiding voor dit traject is wel al reeds in 2010 gestart. Voor een volgend jaar wordt steeds een verlengingsovereenkomst gesloten.

(…)

Deelnemers

Het leer- en presteertraject wordt kostenneutraal uitgevoerd mits en voor zover het aantal ingeschreven deelnemers (589 voor BBL) niet meer dan 10% afwijkt. (…)”

6.1.5.

In de offerte, die deel uitmaakt van de overeenkomst, staat (voor zover relevant) het volgende:

“(…) 1. Inleiding

(…)

In het door Omring Thuiszorg (…) geschreven plan van aanpak wordt het streven verwoord om op een duurzame manier de prestaties van de organisatie te verbeteren. [de vennootschap 1] wil graag ondersteunen met effectieve oplossingen, (…). In de kern gaat het dan om de start van verbeterprojecten op de werkvloer, die door het management worden begeleid en leiden tot meetbare prestatieverbetering. (…) Daar waar mogelijk kan dit worden uitgevoerd in praktijkgerichte leervormen die ook nog eens resulteren in landelijk erkende certificering/diplomering voor de deelnemers; daar waar mogelijk in een financieel vriendelijk vorm. (…)

5 Uitvoeren op basis van WVA – Onderwijs

5.1.

Algemeen

(…) [de vennootschap 1] denkt in dit kader graag mee met Omring Thuiszorg door te wijzen op de mogelijkheid om het leertraject uit te voeren in een zogenaamde BeroepsBegeleidende Leerweg (BBL). Een BBL-traject is een scholingstraject dat onder auspiciën van een Regionaal Opleidings Centrum (ROC) door [de vennootschap 1] kan worden uitgevoerd en is bedoeld om beroepsopleidingen vorm en inhoud te geven. Een BBL-traject wordt per definitie gekenmerkt door een combinatie van leren en werken. Daarnaast levert de uitvoering in een BBL-traject twee extra voordelen op: financiële mogelijkheden via de Wet Vermindering Afdracht – Onderwijs (WVA-O) en een landelijk erkend diploma voor de deelnemers (bij succesvolle afronding). (…) [de vennootschap 1] is, als vaste partner van een aantal ROC’s, door de jaren heen expert geworden in het bouwen van leertrajecten die voldoen aan de voorwaarden die verbonden zijn aan het BBL-construct. Wij stellen voor om de geschetste ontwikkeltrajecten (…) uit te voeren in de vorm van een BBL. (…): maatwerk BBL voor Omring Thuiszorg op een manier waarmee wordt voldaan aan de gestelde eisen vanuit het ROC en de kaders van de Wet Educatie Beroepsonderwijs (WEB). (…) [de vennootschap 1] streeft ernaar om het aangeboden ontwikkeltraject zo veel mogelijk kostendekkend te maken en daarmee kostenneutraal te kunnen offreren aan Omring. (…).

5.2.

Specifiek

Voor het verplicht aantal uren wordt verwezen, indien gebruik gemaakt wordt van de BBL-vorm, naar de noodzakelijk op te stellen driepartijen-overeenkomst tussen het ROC, Omring Thuiszorg en [de vennootschap 1] . In deze overeenkomst zijn de wettelijke kaders met betrekking tot BBL-leerwegen beschreven. Daarbij is het ROC de hoofdaannemer en [de vennootschap 1] de onderaannemer.

(…)

6 Uitvoeringscondities

Omring Thuiszorg als opdrachtgever, afnemer en gebruiker

Verantwoordelijkheden Omring Thuiszorg:

Erkenning(en) als leerbedrijf realiseren;

(…)

[de vennootschap 1] als opdrachtnemer, kennispartner en leverancier

Verantwoordelijkheden [de vennootschap 1] business improvers:

Informeren van klant over de voorwaarden om BBL trajecten uit te voeren

(…)

ROC als loket, kwaliteitspartner en toetsingsorgaan

(…)

Verantwoordelijk voor aanleveren van certificaten/diploma’s (…)

7.Investering, financiering van het leer- en verbetertraject

(…)

Overeengekomen is:

(…)

Mocht de regelgeving met betrekking tot de WVA-O op essentiële punten wijzigen of zelfs worden beëindigd, dan vervalt hiermee voor Omring Thuiszorg en [de vennootschap 1] de grondslag van deze overeenkomst.

(…)

De mogelijkheden om onderwijsdiensten in te kopen bij Omring Thuiszorg is gebaseerd op een tweejarige overeenkomst. (…)”

6.1.6. Op 28 april 2011 is het eerste leerjaar, verzorgd door het ROC [locatie] , van start gegaan. Dit opleidingstraject zou twee jaar in beslag nemen.

6.1.7. [de vennootschap 1] heeft op 18 oktober 2011 een overeenkomst gesloten met Opleidingspartners: “Samenwerkingsovereenkomst tussen [de vennootschap 1] en Opleidingspartners ten behoeve van maatwerktrajecten MBO en HBO voor bedrijven en organisaties”. In deze overeenkomst staat onder meer dat Opleidingspartners de beschikking heeft over Vak en Werk School, een MBO instelling volgens de Wet Educatie Beroepsonderwijs (WEB), die beschikt over opleidingen geregistreerd in het Centraal Register Beroepsopleidingen (CREBO). Verder staat in de overeenkomst dat [de vennootschap 1] zich tegenover Opleidingspartners verbindt om als tussenpersoon werkzaam te zijn bij het tot stand brengen van overeenkomsten tussen bedrijven of organisaties met Vak en Werk School. Deze overeenkomst is namens Opleidingspartners getekend door haar (toenmalige) bestuurder [geïntimeerde 3] . Volgens het overgelegde uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel was Opleidingspartners tot 21 november 2013 bestuurder van Vak en Werk School, waarvan ook [geïntimeerde 3] (van 15-12-2011 tot 22-8-2013) bestuurder was.

6.1.8. Eind 2011 was sprake van een wijziging in het financieringsbeleid van de overheid. Daardoor werd – kort gezegd – uitvoering van het onderwijs ten behoeve van Omring voor ROC [locatie] oninteressant en ROC [locatie] wilde daarom stoppen met het aanbieden van de opleidingen aan (thuiszorgmedewerkers van Omring.

6.1.9. In verband daarmee heeft op 30 januari 2012 een gesprek plaatsgevonden tussen Omring en Opleidingspartners, waarbij [de vennootschap 1] aanwezig was.

6.1.10. Bij e-mailbericht van 21 maart 2012 (prod. 5 CvA [de vennootschap 1] ) heeft [P&O beleidsadviseur] (hierna: [P&O beleidsadviseur] ; werkzaam bij Omring als P&O beleidsadviseur Opleiden en Ontwikkelen) aan [directeur Personeel en Organisatie] (hierna: [directeur Personeel en Organisatie] , directeur Personeel en Organisatie bij Omring) en [destijds directeur] (hierna: [destijds directeur] ; destijds directeur Omring Thuiszorg) het volgende geschreven:

“(...) Waar ik nog steeds niet gerust op ben is of Opleidingspartners ons nu “gewoon” op het CREBOnr. kan overschrijven, dus dat wij gaan voor een diplomeringstraject in de wetenschap dat we de toetsing van het kwalificatiedossier niet gaan uitvoeren, omdat wij een deel van dat dossier niet kunnen uitvoeren. Ik denk dat het met deze omvang aan deelnemers toch gezien zal worden als “fraude” door de belastingdienst (is nl. gewoon een bijscholingspakket, en geen beroepskwalificerend traject) en dat daarmee de WVA dus in gevaar is. Helaas ben ik hierin dus niet gerustgesteld. Als dat uiteindelijk de keuze zal worden zie ik geen andere mogelijkheid dan om volledig open kaart te spelen en dus met de belastingdienst om tafel te gaan...(...)”

6.1.11. En bij e-mailbericht van 23 maart 2012 heeft [P&O beleidsadviseur] aan [directeur Personeel en Organisatie] en [senior consultant] (hierna: [senior consultant] , senior consultant bij [de vennootschap 1] ) laten weten:

“(...) In reactie op het mailtje van [senior consultant] : zie hieronder het antwoord van de belastingdienst op onze vraag rondom een vergelijkbare deelopleiding MMZ (mét CREBO nummer) op maat voor kleinschalige dementiezorg...

Hierop baseer ik mijn voorzichtigheid rondom een mogelijke overstap naar Opleidingspartners. Hoe rekbaar is deze uitleg? (...)”.

6.1.12. Bij dit e-mailbericht is een e-mailbericht van 1 maart 2012 afkomstig van de Belastingdienst gevoegd met als onderwerp “vraag inzake WVA”. Daarin staat:

“De kern is dat werkgevers, werknemers een geregistreerde opleiding laten volgen. Een (of meerdere) module(s) van een opleiding is daar een deel van die bij lange na niet de tijd kost die normaal gesproken aan de gehele opleiding wordt besteed. Dit deel van de opleiding is dan niet als opleiding, maar als cursus te kwalificeren. In 2010 was er een tijdelijke uitbreiding van de WVA, waarbij voor een dergelijke opleiding/cursus (verhoging niveau), gestart in 2010, mogelijk wel afdrachtvermindering bestond, maar die is in 2011 al weer vervallen.”

6.1.13. Op 29 maart 2012 heeft nogmaals een overleg plaatsgevonden tussen [senior consultant] , [geïntimeerde 3] en [opleidingspartner] (Opleidingspartners/Vak en Werk School) en Omring, waarbij (in ieder geval) aan de orde gekomen is het verschil tussen bekostigd en niet bekostigd onderwijs.

6.1.14. [de vennootschap 1] heeft in april 2012 bij Omring een PowerPoint-presentatie verzorgd, getiteld “Ontwerp Leren & Presteren Tweede en derde jaar” (prod. 9 dagv.). Daarin wordt de geschiedenis van het 1e jaar traject leren en presteren geschetst, wordt aangegeven dat er teveel onduidelijkheid is bij het ROC en wordt als mogelijke oplossing een samenwerking tussen Omring, [de vennootschap 1] en Opleidingspartners voorgesteld. Verder bevat deze presentatie een ontwerp voor leerjaar 2 en 3.

6.1.15. In een e-mailbericht van 15 mei 2012 schrijft [directeur Personeel en Organisatie] aan [senior consultant] :

“ [senior consultant] , in vervolg op ons telefoongesprek van gister heb ik gesproken met [destijds directeur] (hof: [destijds directeur] ) en [naam 1] . Ik heb de situatie voorgelegd zoals door jou geschetst. In het kort komt dit hierop neer:

- het ROC biedt aan het 3 jarige traject (waarvan inmiddels een jaar verstreken is) dat met Opleidingspartners is ontwikkeld, ongewijzigd en in een onbekostigd traject uit te voeren. (…)

- het onbekostigde traject bij Opleidingspartners is € 250 per deelnemer duurder dan het huidige bekostigde traject bij het ROC. Bij overgang naar Opleidingspartners neemt [de vennootschap 1] deze extra kosten voor zijn rekening.

- het onbekostigde traject bij het ROC is € 350 per deelnemer duurder dan het huidige bekostigde traject bij ROC. [de vennootschap 1] wil, net als bij een eventuele overgang naar Opleidingspartners, per deelnemer € 250 voor zijn rekening nemen (…)

-overgang van een bekostigd naar een onbekostigd traject bij het ROC brengt geen administratieve werkzaamheden met zich mee voor Omring of voor de medewerkers.

Wij hebben in de overwegingen betrokken dat een overgang naar Opleidingspartners niet alleen veel administratief werk met zich meebrengt (voor Omring, [de vennootschap 1] en de medewerkers) maar ook het risico dat medewerkers gedemotiveerd raken en afhaken.

Alles overwegend kiezen we er voor om het traject voort te zetten in de vorm van een onbekostigd traject bij het ROC. (…)

Ik hoor graag van je of mijn hele korte samenvatting klopt en of een schriftelijke toezegging van het ROC binnen is.”

6.1.16. [senior consultant] reageert bij e-mail van 16 mei 2012:

“Je mail is een goede weergave van hetgeen we telefonisch hebben besproken.

Alleen in de prijsstelling is een foutje geslopen, maar dat doet niets af aan de essentie van het verhaal en de consequenties voor Omring. Het onbekostigde traject bij Opleidingspartners is 350 euro per deelnemer duurder en bij het ROC 450 euro. In beide gevallen, dus zowel bij een keuze voor Opleidingspartners alsook bij de keuze voor het ROC, neemt [de vennootschap 1] 350 euro per deelnemer voor zijn rekening.

Indien we bij het ROC blijven, vraagt [de vennootschap 1] aan Omring om de resterende 100 euro per deelnemer voor rekening te nemen.

De vraag naar een schriftelijke bevestiging van een en ander van het ROC is terecht en is ook voor [de vennootschap 1] een eis. (…) ik stuur jullie de bevestiging als ik ze ontvang.”

6.1.17. Op 29 mei 2012 heeft [senior consultant] aan [geïntimeerde 3] en [opleidingspartner] een e-mail gestuurd, waarin hij onder meer schrijft:

“Tien tegen een ga ik deze week horen dat [locatie] niet door wil in een onbekostigd traject met Omring. Dat betekent dat zij zullen overgaan tot uitschrijving. Gevolg is dat wij met Omring naar Opleidingspartners willen met het traject zoals het door [naam 2] en [naam 3] in overleg met de klant is gebouwd. En bij voorkeur meteen en aansluitend aan de uitschrijvingen door [locatie] ..

Echter;

wat is de consequentie nu blijkt dat de CREBO’s voor MZ 3 en 4 nog niet zijn aangevraagd? en zijn er alternatieven om eventuele consequenties te omzeilen? (…)”

Vervolgens is voor het tweede leerjaar in plaats van ROC [locatie] Vak en Werk School ingeschakeld.

6.1.18. De cursisten zijn (met terugwerkende kracht) per 29 april 2012 bij Vak en Werk School ingeschreven voor het tweede studiejaar. In dat verband is tussen Vak en Werk School als onderwijsinstelling, de cursisten als deelnemers en Omring als praktijkbiedende

organisatie (in juni 2012, maar gedateerd 29 april 2012) een “Praktijkovereenkomst voor beroepsopleidingen” gesloten. Hierin is onder meer het volgende overeengekomen:

“(...) Artikel 2 BPV [hof: beroepspraktijkvorming] beroepsopleiding

1. De deelnemer volgt de BPV in het kader van:

a. Naam opleiding/uitstroomrichting: Medewerker maatschappelijke zorg

b. Code opleiding/uitstroomrichting (CREBO nummer): 92650, voorheen CREBO nummer 10433

c. Kwalificatieniveau: 3

d. Leerweg: Beroepsbegeleidend (BBL).

Artikel 3 Duur en omvang van de BPV

1. (...)

2. (...)

3. De BPV vangt aan op 29-4-2012 en eindigt niet eerder dan 28-4-2013 (...).”

Daarnaast is tussen Vak en Werk School en de deelnemer een “Onderwijsovereenkomst voor beroepsopleidingen” gesloten voor dezelfde opleiding en met hetzelfde CREBO-nummer. Ook voor de opleiding Medewerker maatschappelijk zorg 4 zijn praktijk- en onderwijsovereenkomsten gesloten, in dat geval met CREBO-nummer 92662.

6.1.19. De overeenkomst leren en presteren, gesloten tussen Stichting Omring en [de vennootschap 1] is voor het tweede jaar voortgezet (hierna: overeenkomst Leren en Presteren leerjaar 2). Het opleidingstraject ging van de oorspronkelijk overeengekomen twee jaren naar drie jaren. Deze overeenkomst is niet overgelegd.

6.1.20. Omring heeft met Vak en Werk School een overeenkomst, in de stukken genoemd: Opleidingsplan (hierna: Opleidingsplan), gesloten voor de op het voorblad vermelde MBO-bbl opleidingen Maatschappelijke zorg niveau 3, Crebonummer: 92650, Medewerker maatschappelijk zorg en Maatschappelijke zorg niveau 4, Crebonummer 92662, Persoonlijk begeleider specifieke doelgroepen. Dit opleidingsplan is gedateerd 20 september 2012. Daarin staat, voor zover van belang:

“(...) 1. Deelnemende organisaties

1.1

Vak & Werk School

Vak & Werk School is een officieel op basis van de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB) door het Ministerie van OCW erkende opleider voor MBO onderwijs en verzorgt flexibele MBO opleidingen volgens de beroepsbegeleidende leerweg (BBL). De gehele aanpak en organisatie binnen Vak & Werk School is er op gericht om volwassenen op een aantrekkelijke wijze de kans te bieden tot verdere ontwikkeling binnen de officiële MBO kwalificatiestructuur.

1.2

Omring Thuiszorg

De opleiding wordt verzorgd voor werknemers van Omring, die behoefte hebben aan een opleiding

Maatschappelijke zorg op MBO niveau 3 of Persoonlijk begeleider specifieke doelgroepen op MBO-niveau 4. In samenwerking met Vak & Werk School is invulling gegeven aan een leer/werk traject volgens beroepsbegeleidende leerweg. Het bedrijf wordt in de opleiding betrokken als erkend leerbedrijf en zorgt binnen het programma voor de praktijkbegeleiding.

1.3

[de vennootschap 1]

zal vanwege specifieke deskundigheid en affiniteit met de opdrachtgever ten behoeve van Vak & Werk School binnen het leer/werktraject onderdelen van de opleiding verzorgen. De opleider is bekend met de eisen ten behoeve van de beroepsbegeleidende leerweg. De eindverantwoordelijkheid voor de uitvoering en borging ligt bij Vak & Werk School. (...)

Het opleidingsplan vermeldt als ondertekenaar namens Omring [directeur Personeel en Organisatie] en namens Vak en Werk School [geïntimeerde 3] (het in het geding gebrachte document is niet ondertekend (zie p. 12 van 22)).

6.1.21. Bij brief van 8 februari 2013 heeft het Ministerie van OCW aan Vak en Werk School laten weten dat de op 24 september 2012 ingediende aanvraag voor diploma-erkenning voor de beroepsopleiding Medewerker maatschappelijke zorg (92650) en Persoonlijk begeleider specifieke doelgroepen (92662) is afgewezen.

6.1.22. [de vennootschap 1] en Omring hebben vervolgens een overeenkomst “Diplomeringsjaar 3 Leren en Presteren” (hierna: overeenkomst leerjaar 3) gesloten. Deze overeenkomst is namens [de vennootschap 1] ondertekend op 29 maart 2013 en namens Omring op 16 juli 2013. Hierin staat (voor zover van belang):

“(…) Inleiding

In het kader van het project ‘de Thuiszorg is van ons’ volgen 53 ingeschreven medewerkers een Leer en Presteertraject bij de opleiding MBO Maatschappelijke Zorg, niveau 3 of 4. (…)

Plan van aanpak (…)

Investering [de vennootschap 1]

draagt zorg voor:

(…)

Aanbieden van verplichte programmaonderdelen voor diplomering voor de opleiding MZ niveau 3 en niveau 4; (…)”

6.1.23. Op 5 september 2013 heeft een overleg plaatsgevonden, waarbij aanwezig waren [directeur Personeel en Organisatie] en [P&O beleidsadviseur] namens Omring, [senior consultant] en [naam 4] namens [de vennootschap 1] en [geïntimeerde 3] en [naam 5] namens Opleidingspartners. In de notulen van dit overleg staat het volgende:

Aanleiding

Omring heeft een beschikking ontvangen m.b.t. het Stagefonds schooljaar 2012/2013 waarbij is geconstateerd dat de deelnemers aan het Leren en Presteren traject “de Thuiszorg is van ons” niet opgenomen zijn. Bij niet benutting van het Stagefonds loopt Omring een significant financieel risico.

Oorzaken

Toekenning van het Stagefonds geschied op basis van de registratie in BRON (Bureau Registratie Onderwijs Nederland.). De verantwoordelijkheid voor het verkrijgen van het Stagefonds ligt bij Omring waarbij de Vak & Werk School de benodigde informatie dient te verstrekken. De Vak & Werk School dient geaccrediteerd te zijn voor een Stagefonds gerelateerde opleiding, waarbij [de vennootschap 1] verantwoordelijk is voor de inhoudelijke aspecten van de opleiding (vertaling van kwalificatiedossier naar een maatwerktraject).

Sinds 1 oktober 2012 dient het particuliere onderwijs, waar Opleidingspartners onder valt, haar studenten te registeren in BRON. In het verleden was het particuliere onderwijs hiervan uitgesloten. De Vak & Werk School heeft bij de transitie van het eigen studentenadministratiesysteem naar BRON te maken gehad met diverse technische belemmeringen. Dit is begin november 2012 gesignaleerd bij DUO, de beheerder van BRON. Ondanks verwoede pogingen is het niet gelukt om de studenten correct te registeren. In overleg met DUO is in het voorjaar van 2013 besloten om de studenten van o.a. Omring uit BRON te halen, niet realiserend dat dit consequenties heeft voor de benutting van het Stagefonds. Bijkomend aspect is dat de Vak & Werk School vooralsnog niet is geaccrediteerd voor Maatschappelijke Zorg maar wel voor de voorloper van deze opleiding, te weten Sociaal Pedagogisch Werker. In een brief van de huidige minister van Onderwijs blijkt dat deze voorloper wel binnen de regeling van het Stagefonds valt. Het aanvraagformulier is door Omring om verklaarbare rede ingevuld op basis van het crebonummer MZ i.p.v. SPW. Dit gegeven alsmede de niet registratie in BRON maken dat Omring in de huidige situatie het Stagefonds niet kan benutten.

Oplossing (...)

Diploma

In de huidige situatie is het niet mogelijk om een MZ schoolverklaring of diploma uit te schrijven. SPW is echter wel mogelijk maar niet wenselijk. (...) De Vak & Werk School heeft vertrouwen dat de MZ accreditatie alsnog te verkrijgen, de verwachting is voor het einde van 2013.

  • -

    Bijlage 1: Reactie Omring

  • -

    Bijlage 2: Reactie Opleidingspartners

  • -

    Bijlage 3: Reactie Omring

Bijlage 1

(...) Ik [hof: [directeur Personeel en Organisatie] , Omring] heb nog wel een opmerking over de eerste alinea onder het kopje “oorzaken”. Ik ben het overleg gestart met vast te stellen dat Omring een overeenkomst met [de vennootschap 1] heeft waar een business case aan ten grondslag ligt waarbij [de vennootschap 1] ook het stagefonds ter financiële dekking opvoert. Op dringend advies van [de vennootschap 1] hebben wij vorig jaar de overstap gemaakt naar Opleidingspartners. [de vennootschap 1] is voor ons de “hoofdaannemer” die verder de zaken afstemt met Opleidingspartners. [P&O beleidsadviseur] heeft tijdens overleg gezegd dat vlak na de overstap naar Opleidingspartners ook nog expliciet over het stagefonds is gesproken. (...)

Verder mis ik in de tekst dat noch [P&O beleidsadviseur] noch ik (...) geweten hebben dat Opleidingspartner geen accreditatie voor de MZ opleidingen heeft. Wij waren onaangenaam verrast dat dit nu pas duidelijk op tafel komt. (...) Tijdens het overleg hebben wij onze zorgen uitgesproken over de consequenties van het niet tijdig hebben van de accreditatie. (...)

Bijlage 2

(...) Dat betreft dat ik [hof [geïntimeerde 3] , Opleidingspartners] in het gesprek heb aangegeven het ook bijzonder te vinden dat het ontbreken van diploma-erkenning van de opleidingen binnen Vak & Werk School niet bekend was bij Omring.

Wij hebben [de vennootschap 1] voor de start duidelijk gemaakt niet over die opleidingen te beschikken, echter wel over verwante opleidingen eindtermen. De aanvraag diploma-erkenning voor de juiste dossiers is toen van start gegaan, waarbij dit langer duurt dan vooraf op basis van ervaringen reëel gerekend kon worden.

Verder betreft het opleidingen van Vak & Werk School. Opleidingspartners is de organisatie waarvan Vak en Werk School onderdeel van uitmaakt (...)

Bijlage 3

(...) Ik [hof: [directeur Personeel en Organisatie] , Omring] wil duidelijk maken dat met Omring niet gesproken is over het (nog) niet hebben van de accreditatie voor de MZ opleidingen, niet door Opleidingspartners en niet door [de vennootschap 1] . (...)”

6.1.24. Bij brieven van 3 oktober 2013 is namens Omring zowel [de vennootschap 1] als Vak en Werk School/Opleidingspartners aansprakelijk gesteld voor – kort gezegd – de door Omring geleden schade ten gevolge van het feit dat Vak en Werk School niet beschikte over de vereiste erkenning voor de in het opleidingsplan overeengekomen opleidingen (Maatschappelijke Zorg 3 (CREDO-nummer 92650) en Maatschappelijke Zorg 4 (CREBO-nummer 92662)).

6.1.25. Opleidingspartners is vanaf 21 november 2013 [de vennootschap 2] genaamd.

6.1.26. Omring heeft de rechtbank verzocht een voorlopig getuigenverhoor te gelasten en dit verzoek is bij beschikking van 15 juli 2015 toegewezen. Op grond daarvan zijn – voor zover van belang – als getuigen gehoord: [geïntimeerde 3] , [senior consultant] , [P&O beleidsadviseur] en [destijds directeur] . De daarvan opgemaakte processen-verbaal zijn overgelegd (prod. 27 dagv.).

6.1.27. Vak en Werk School is met ingang van 15 oktober 2015 formeel ontbonden en thans gevestigd op een adres op de Seychellen.

7 De vorderingen van partijen en de oordelen en beslissingen van de rechtbank

7.2.1. Omring heeft bij dagvaarding van 1 augustus 2016 – voor zover in hoger beroep van belang – [de vennootschap 1] , [de vennootschap 2] en [geïntimeerde 3] in rechte betrokken en gevorderd (samengevat):

ten aanzien van [de vennootschap 1]

1. te verklaren voor recht dat de door Omring met [de vennootschap 1] gesloten overeenkomst tot voortzetting van de overeenkomst leren en presteren voor het tweede leerjaar met daarbij de inzet [de vennootschap 2] en via deze Vak Werk en School alsook de aanvullende overeenkomst tot verlenging voor een derde leerjaar tot stand zijn gekomen door dwaling en dat de overeenkomsten zullen worden vernietigd met de verplichting tot terugbetaling van hetgeen op grond van deze overeenkomst is betaald, nader op te maken bij staat,

2. te verklaren voor recht dat [de vennootschap 1] jegens Omring onrechtmatig heeft gehandeld door essentiële informatie te onthouden met de kennelijke bedoeling haar te bewegen tot het aangaan van de aanvullende overeenkomst met [de vennootschap 1] , [de vennootschap 2] en Vak en Werk School;

subsidiair

te verklaren voor recht dat [de vennootschap 1] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van genoemde overeenkomsten doordat de voor de overeengekomen opleidingen vereiste accreditaties niet aanwezig waren en ook niet konden worden verkregen en deze overeenkomsten dus niet conform de overeengekomen voorwaarden en eisen konden worden uitgevoerd alsook doordat [de vennootschap 1] zich er onvoldoende van heeft vergewist of de vereiste accreditaties aanwezig waren althans werden verkregen,

met veroordeling van [de vennootschap 1] tot vergoeding van de door Omring als gevolg van de onrechtmatige gedragingen althans wanprestatie geleden schade, nader op de maken bij staat.

ten aanzien van [de vennootschap 2]:

3. te verklaren voor recht dat de met [de vennootschap 2] als hoofdaannemer gesloten overeenkomst met de inzet van haar bedrijfsonderdeel Vak en Werk School te geven opleidingen tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en dat de overeenkomst zal worden vernietigd met de verplichting tot terugbetaling van hetgeen is betaald, nader op te maken bij staat

en

te verklaren voor recht dat [de vennootschap 2] toerekenbaar is tekort geschoten in de nakoming van genoemde overeenkomst doordat de voor de overeengekomen opleidingen vereiste accreditaties niet aanwezig waren en niet konden worden verkregen

alsmede

4. te verklaren voor recht dat [de vennootschap 2] onrechtmatig heeft gehandeld jegens Omring (kort gezegd) door haar essentiële informatie te onthouden met de kennelijke bedoeling haar te bewegen tot het aangaan van de overeenkomst met betrekking tot de door [de vennootschap 2] met de inzet van Vak en Werk School te geven opleidingen, met veroordeling tot vergoeding van de door Omring als gevolg van de onrechtmatige gedragingen althans wanprestatie geleden schade, nader op te maken bij staat.

ten aanzien van [de vennootschap 2] en [geïntimeerde 3]:

5. te verklaren voor recht dat [de vennootschap 2] in de hoedanigheid van aandeelhouder van Vak Werk en School en [geïntimeerde 3] in zijn hoedanigheid van bestuurder van destijds Opleidingspartners althans handelend als vertegenwoordiger van Opleidingspartners en/of Vak en Werk School gezamenlijk dan wel ieder voor zich onrechtmatig jegens Omring hebben gehandeld en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door Omring geleden schade met veroordeling tot vergoeding van de door Omring geleden schade, nader op te maken bij staat.

Dit alles met vergoeding van de kosten van de procedure, waaronder de kosten van het voorlopig getuigenverhoor.

7.2.2. Op de stellingen waarop Omring haar vorderingen heeft gebaseerd, wordt hierna bij de beoordeling van de grieven ingegaan.

7.2.3. [de vennootschap 1] , [de vennootschap 2] en [geïntimeerde 3] hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, hierna aan de orde komen.

7.2.4. [de vennootschap 1] heeft tevens een vordering in reconventie ingediend en in dat verband, kort gezegd, betaling gevorderd van een bedrag van € 53.482,94 wegens aan Omring verstuurde maar onbetaald gebleven facturen, uit hoofde van verrichte werkzaamheden van leerjaar 3. Omring heeft daartegen verweer gevoerd. De stellingen waarop [de vennootschap 1] haar vordering baseert en het verweer van Omring zullen, voor zover in hoger beroep van belang, hierna aan de orde komen.

7.2.5. De rechtbank heeft bij rolbeslissingen van 15 februari 2017 en 22 maart 2017 een comparitie van partijen gelast. Deze heeft op 29 mei 2017 plaatsgevonden en het proces-verbaal van die zitting bevindt zich bij de stukken. Partijen hebben vervolgens op 23 januari 2018 hun zaak bepleit en het daarvan opgemaakte verkort proces-verbaal bevindt zich bij de stukken.

7.2.6. In het vonnis van 11 juli 2018 heeft de rechtbank (kort gezegd) de vorderingen van Omring jegens [de vennootschap 1] , [de vennootschap 2] en [geïntimeerde 3] afgewezen en in reconventie de vordering van [de vennootschap 1] toegewezen. De rechtbank heeft daartoe, beknopt weergegeven en voor zover in hoger beroep van belang, het volgende overwogen:

- ten aanzien van de vorderingen jegens [de vennootschap 2] en [geïntimeerde 3]:

dat de verweren van [de vennootschap 2] dat zij geen contractspartij is bij de overeenkomst die is gesloten tussen Omring en Vak en Werk School én dat er geen betalingen van Omring aan [de vennootschap 2] hebben plaatsgevonden slagen; dat Omring ook overigens niet heeft onderbouwd op grond waarvan [de vennootschap 2] desalniettemin aansprakelijk is uit hoofde van dwaling dan wel niet-nakoming van de overeenkomst tussen Omring en Vak en Werk School; dat de enkele stelling dat er een ‘grote verwevenheid van personen bij of achter Vak en Werk School is’ hiertoe onvoldoende is (rov. 6.2);

dat nu Vak en Werk School niet in deze procedure is betrokken, de stelling van Omring dat Vak en Werk School wanprestatie heeft gepleegd dan wel onrechtmatig heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade, niet ter beoordeling voorligt en in deze procedure niet kan worden beantwoord; dat zelfs als de rechtbank ervan uit zou gaan dat er onder bijzondere omstandigheden ruimte is voor aansprakelijkheid van een bestuurder van een vennootschap, dit Omring niet kan baten nu een aansprakelijkheid van Vak en Werk School, laat staan een daarmee samenhangende doorbraak van aansprakelijkheid, niet in deze procedure is vast te stellen; dat ook los daarvan Omring onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat de (in)directe bestuurders van Vak en Werk School persoonlijk een ernstig verwijt te maken valt (rov. 6.4);

- ten aanzien van de vorderingen jegens [de vennootschap 1]:

dat het beroep van [de vennootschap 1] op verjaring met betrekking tot dwaling niet slaagt (rov. 6.7);

dat contractspartijen een eigen verantwoordelijkheid hebben, een en ander bezien in het kader van de Haviltex-criteria en dat zowel Omring als [de vennootschap 1] hun eigen rol en verantwoordelijkheid minimaliseren door te stellen dat de wederpartij deze verantwoordelijkheid – kennelijk – voor een aanzienlijk deel heeft overgenomen, welk standpunt de rechtbank in zijn algemeenheid niet volgt (rov. 6.11);

dat de rechtbank als niet relevant voorbij gaat aan de vraag op wiens initiatief contact is gelegd met Vak en Werk School (dit is niet relevant voor het beroep op dwaling) en wie na 5 september 2013 al dan niet oplossingen heeft voorgesteld met betrekking tot de ontbrekende accreditering (rov. 6.12);

dat de rechtbank [de vennootschap 1] niet volgt in haar verweer dat uit e-mailberichten van [de vennootschap 2] aan Omring blijkt dat er een directe communicatie tussen hen was en dat Vak en Werk School een leidende rol had, nu die berichten van na 5 september 2013 zijn en dat alleen een bericht van 5 juni 2013 onvoldoende is om aan te nemen dat Vak en Werk School een leidende rol had en (veelvuldig) met Omring communiceerde, zodat de rechtbank hieraan voorbijgaat (rov. 6.14);

dat het gelet op de gebruikelijke gang van zaken bij niet-bekostigd onderwijs, bezien in samenhang met het e-mailbericht van 23 maart 2012 van Omring aan [de vennootschap 1] waarin voorzichtigheid wordt geuit rond de mogelijke overstap naar Opleidingspartners, de verklaring van [geïntimeerde 3] dat uitvoerig is gesproken over de verschillen tussen bekostigd en niet-bekostigd onderwijs, de verklaring van [senior consultant] dat het normaal gesproken vrij eenvoudig is om CREBO-nummers om te wisselen, de rechtbank van oordeel is dat zowel voor Omring als voor [de vennootschap 1] ten tijde van het sluiten van de overeenkomst leren en presteren leerjaar 2 (ergens in 2012) voldoende duidelijk moet zijn geweest dat Vak en Werk School geen accreditatie voor een opleiding met CREBO-90.000-nummers had; dat daarbij komt dat in de offerte, behorende bij de overeenkomst leren en presteren, staat dat [de vennootschap 1] vooral bekend was met ROC’s die permanent geaccrediteerd waren, dat er op dat moment geen aanleiding was om te veronderstellen dat de accreditatie, die Vak en Werk School opnieuw moest aanvragen, niet zou worden verleend, zodat er geen grond is om te oordelen dat sprake is van dwaling, een toerekenbare tekortkoming dan wel een onrechtmatige daad van de kant van [de vennootschap 1] ten aanzien van de overeenkomst leerjaar 2 (rov. 6.15);

dat met betrekking tot de overeenkomst leren en presteren leerjaar 3 de rechtbank uit de getuigenverklaring van [destijds directeur] afleidt dat zij en daarmee Omring omstreeks eind 2012 ervan op de hoogte moet zijn geweest dat er een probleem was met de inschrijving bij DUO en de accreditatie voor de opleidingen die Omring bij Vak en Werk School afnam; dat gelet hierop Omring dus ruim voordat de overeenkomst voor leerjaar 3 met [de vennootschap 1] is aangegaan, ervan op de hoogte was dat geen accreditatie was verkregen; dat het op de weg van Omring had gelegen om dienaangaande een actievere houding aan te nemen en dat gelet hierop niet kan worden geoordeeld dat Omring heeft gedwaald of dat [de vennootschap 1] een mededelingsplicht zou hebben geschonden en kan evenmin worden geoordeeld dat [de vennootschap 1] toerekenbaar is tekort geschoten of onrechtmatig jegens Omring heeft gehandeld (rov. 6.16);

- ten aanzien van de reconventionele vordering (betaling facturen leerjaar 3):

dat Omring de werkzaamheden verricht door [de vennootschap 1] en de factuurbedragen niet heeft betwist, zodat de bedragen kunnen worden toegewezen en dat de wettelijke rente vanaf de dag van het instellen van de eis in reconventie toewijsbaar is (rov. 6.22 en 6.23).

8 De beoordeling van het principaal en incidenteel hoger beroep

8.1.

Omring is van dit vonnis in hoger beroep gekomen en heeft daarbij tevens haar eis voorwaardelijk gewijzigd. Het hof komt niet toe aan beoordeling van deze eiswijziging aangezien de voorwaarde waaronder Omring haar eis heeft gewijzigd - te weten dat [de vennootschap 1] incidenteel zou appelleren tegen de uitleg door de rechtbank van de vordering van Omring tot vernietiging van de overeenkomsten op grond van dwaling - niet in vervulling is gegaan. Overigens heeft ook het hof deze vordering van Omring begrepen zoals door de rechtbank uitgelegd.

8.2.

Omring heeft tegen het vonnis negentien grieven opgeworpen en geconcludeerd tot het alsnog toewijzen van haar vorderingen.

De grieven 1 t/m 6 zijn hiervoor al behandeld. De grieven 7 t/m 14 richten zich, kort gezegd, tegen de afwijzing van de vorderingen jegens [de vennootschap 1] , grief 15 tegen de toewijzing van de vordering in reconventie van [de vennootschap 1] , de grieven 16 t/m 18 tegen de afwijzing van de vorderingen op [de vennootschap 2] en [geïntimeerde 3] en volgens grief 19 is Omring ten onrechte in de proceskosten is veroordeeld.

8.3.

[de vennootschap 1] heeft op haar beurt incidenteel hoger beroep ingesteld en daarin vier grieven aangevoerd. Grief 1 richt zich tegen rov. 6.7, waarin het beroep op verjaring van de dwalingsvordering is afgewezen en de grieven 2, 3 en 4 richten zich respectievelijk tegen de rov. 6.11, 6.12 en 6.14. In incidenteel hoger beroep heeft [de vennootschap 1] geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis ten aanzien van genoemde rechtsoverwegingen en in principaal en incidenteel hoger beroep tot bekrachtiging respectievelijk tot bekrachtiging voor het overige, met veroordeling van Omring in de kosten alsmede de nakosten.

8.4.

Met deze grieven liggen de vorderingen van Omring tegen [de vennootschap 1] , [de vennootschap 2] en [geïntimeerde 3] (zie rov. 6.2.1) alsook de vordering van [de vennootschap 1] tot betaling (in hoofdsom) van het bedrag van € 53.482,94 in hoger beroep opnieuw ter beoordeling voor. Hierna wordt bij de beoordeling zo nodig op de grieven afzonderlijk ingegaan.

in de zaak Omring - [de vennootschap 1]

de vordering van Omring onder 1: vernietiging overeenkomst op grond van dwaling (grieven 7 t/m 14 en de incidentele grieven 1 t/m 4)

8.5.

Omring stelt (samengevat) dat [de vennootschap 1] het onderwijs van de door Omring ingekochte opleidingen op basis van de overeenkomst zou verzorgen. Voor de uitvoering daarvan had [de vennootschap 1] een onderwijsinstelling nodig die over de vereiste accreditaties beschikte. Dat was immers een essentiële eis in het kader van WVA-O (en het Stagefonds). [de vennootschap 1] had ook zelf bij de financiering van de overeenkomst de koppeling gemaakt met de mogelijkheid tot vermindering afdracht loonbelasting in het kader van de WVA-O. Toen het ROC deze rol niet meer kon of wilde vervullen en [de vennootschap 1] Vak en Werk School als alternatief voorstelde, mocht Omring op grond van de overeenkomst erop vertrouwen dat aan deze vereisten werd voldaan. Uit de getuigenverhoren in samenhang met de stukken blijkt dat [de vennootschap 1] zowel ten tijde van de totstandkoming van de verlengingsovereenkomst voor het tweede jaar als van de overeenkomst voor diplomeringsjaar 3 wist dat Vak en Werk School niet over de vereiste accreditaties beschikte. Dat wist Omring niet, en als zij dat wel had geweten dan had zij die overeenkomsten niet gesloten. Omring is van mening dat op [de vennootschap 1] de verplichting rustte om Omring te informeren over het feit, dat de accreditatie ontbrak. Deze verplichting had [de vennootschap 1] niet alleen op het moment dat Omring op voordracht van [de vennootschap 1] besloot om met Vak en Werk School in zee te gaan, maar ook gedurende het verdere verloop van de overeenkomst.

Deze informatie is pas op 5 september 2013 aan Omring meegedeeld. Omring heeft daardoor gedwaald omtrent feiten die voor haar van essentieel belang zijn en deze dwaling is te wijten aan het feit dat [de vennootschap 1] heeft gezwegen daar waar zij had moeten spreken.

8.6.

[de vennootschap 1] betwist (kort gezegd) dat de overeenkomsten onder invloed van dwaling zijn gesloten. Zij voert daartoe aan dat zowel zij als Omring bij het aangaan van de overeenkomsten voor leerjaar 2 en 3 wisten dat Vak en Werk School niet over de vereiste accreditaties beschikte. Volgens [de vennootschap 1] heeft zij geen mededelingsplicht geschonden, zij staat immers buiten de verhouding Omring en Vak en Werk School. In het traject dat leidde tot de overeenkomst tussen Omring en Vak en Werk School is er uitgebreid overleg geweest en is er zelfs een voorziening getroffen voor het geval de juiste CREBO-nummers er niet zouden zijn. Het lag op de weg van Omring om zelf onderzoek te doen naar de onzekerheid over de ontbrekende accreditering. Als er sprake is van dwaling, dan behoort die voor rekening en risico te blijven van Omring. De contacten vonden ook altijd rechtstreeks plaats tussen Vak en Werk School en Omring. Volgens [de vennootschap 1] vervulde zij een opleidingskundige adviesrol, die zich beperkte tot het op maat maken van het opleidingsprogramma en het uitvoeren van het opleidingstraject onder toezicht van Vak en Werk School (als erkende onderwijsinstelling). Omring was zelf verantwoordelijk voor het aangaan van de overeenkomsten met Vak en Werk School. [de vennootschap 1] bood slechts ondersteuning.

Verder beroept [de vennootschap 1] zich ook in hoger beroep erop dat de vordering tot vernietiging wegens dwaling is verjaard op grond van artikel 3:52 lid 1 sub c BW. Zij stelt in de toelichting bij grief 1 dat Omring in ieder geval op 21 maart 2012 doch op zijn laatst op 29 maart 2012 de verjaring heeft ontdekt. Derhalve is de vordering verjaart sedert 21 maart 2015 doch in ieder geval op 29 maart 2015, terwijl de dagvaarding eerst is uitgebracht op 1 augustus 2016.

8.7.

Bij beantwoording van de vraag of sprake is van dwaling bij het sluiten van de overeenkomsten tot verlenging voor leerjaar 2 en 3 dient eerst te worden vastgesteld wat Omring en [de vennootschap 1] in de overeenkomst leren en presteren, gesloten op 30 november 2010, zijn overeengekomen, meer in het bijzonder welke verplichtingen voor [de vennootschap 1] als opdrachtnemer uit deze overeenkomst voortvloeien. Het hof overweegt als volgt.

8.7.1.

Doel van de overeenkomst leren en presteren was om te komen tot een prestatieverbetering van de thuiszorgmedewerkers van Omring. Dit gebeurde door middel van het implementeren van een leer- en presteerprogramma op maat. Daarbij is gekozen voor een zogenaamd BBL-traject. Zoals [de vennootschap 1] bij pleidooi nader heeft toegelicht bestond dit traject onder meer uit het begeleiden van bijeenkomsten voor medewerkers en teamleiders door aan te sluiten bij werkoverleggen alsook door het verzorgen van twaalf onderwijsbijeenkomsten per jaar door [de vennootschap 1] . Uit de overeenkomst leren en presteren volgt dat het BBL-traject kostenneutraal wordt uitgevoerd en dat dit mogelijk is op grond van de WVA-O. Verwezen wordt naar punt 5.1 van de offerte, zoals hiervoor in rov. 6.1.5 weergegeven alsook naar het op pagina 21 van de offerte opgenomen overzicht van de investeringen en kosten. Daaruit blijkt, kort gezegd, dat de kosten van Omring bij 589 deelnemende thuiszorgmedewerkers € 988.177,08 per jaar zijn en dat indien Omring de WVA-O kan benutten zij de kosten maandelijks bij de afdracht loonheffing kan verrekenen.

Verder blijkt uit punt 7 van diezelfde offerte dat het hier om een essentieel vereiste van de overeenkomst gaat. Daar staat namelijk (zie rov. 6.1.5):

“Mocht de regelgeving met betrekking tot de WVA-O op essentiéle punten wijzigen of zelfs worden beëindigd, dan vervalt hiermee voor Omring Thuiszorg en [de vennootschap 1] de grondslag van deze overeenkomst”

8.7.2.

Tussen partijen is niet in discussie dat om voor de vermindering loonbelasting op grond van de WVA-O in aanmerking te komen de aangeboden opleidingen moeten voldoen aan de vereisten van de WEB. Dit betekent dat de opleidingen moeten worden verzorgd door een erkende c.q. geaccrediteerde onderwijsinstelling. Erkende onderwijsinstellingen zijn opgenomen in de Basisregistratie Instellingen (BRIN), een register van het Ministerie van Onderwijs en Cultuur (OCW). Erkende onderwijsinstellingen, houders van een BRIN-nummer, mogen onderwijs verzorgen en toetsen afnemen. Daarnaast is er een Centraal Register Beroepsopleidingen (CREBO), dat de gegevens bevat over de door erkende (publieke bekostigde en particuliere niet-bekostigde) onderwijsinstellingen verzorgde beroepsopleidingen met bijbehorende opleidings- en exameneisen. Een erkende onderwijsinstelling mag werk uitbesteden aan een onderaannemer, mits wordt voldaan aan de eisen die de WEB stelt. [de vennootschap 1] is zelf geen onderwijsinstelling en zij beschikt dus niet over CREBO-nummers. Zoals in de offerte onder 5.2 is vermeld, is het noodzakelijk een erkende onderwijsinstelling in te schakelen. Voor het eerste leerjaar was dat het ROC [locatie] . ROC’s zijn bekostigde onderwijsinstellingen en zij verkrijgen voor door hen verzorgde opleidingen CREBO-nummers zonder expliciete aanvraag. Na het afhaken van het ROC [locatie] is Omring voor het tweede en derde leerjaar met Vak en Werk School in zee gegaan. Vak en Werk School is een particuliere, dus niet door de overheid bekostigde, onderwijsinstelling. Zij dient voor door haar verzorgde opleidingen specifieke CREBO-nummers aan te vragen. Vak en Werk School heeft op 24 september 2012 (zie rov. 6.1.21), dus na het sluiten van de overeenkomst met Omring, bij het Ministerie van OCW een aanvraag ingediend voor CREBO-nummers voor opleidingen MZ 3 en MZ 4. Bij brief van 8 februari 2013 is die aanvraag afgewezen.

8.7.3.

Het geschil tussen Omring en [de vennootschap 1] spitst zich toe op de vraag of [de vennootschap 1] op grond van de overeenkomst aan Omring een onderwijsinstelling had moeten aandragen die over de vereiste accreditaties beschikte dan wel dat zij Omring erop had moeten wijzen dat Vak en Werk School daarover niet beschikte. Omring stelt dat uit de overeenkomst volgt dat [de vennootschap 1] daartoe verplicht was, terwijl [de vennootschap 1] dat betwist. Zij stelt, kort samengevat, dat uit de overeenkomst volgt dat zij een opleidingskundige adviesrol vervulde en met Omring meedacht, maar onjuist is dat zij een leidende rol had in het vinden van een erkende onderwijsinstelling om uitvoering te geven aan de overeenkomst leren en presteren.

Het hof volgt [de vennootschap 1] niet in deze (te) beperkte taakopvatting. In de – door [de vennootschap 1] opgestelde – overeenkomst is overeengekomen dat deze overeenkomst voor Omring kostenneutraal zou worden uitgevoerd door gebruikmaking van de WVA-O alsook dat dit een essentieel vereiste was voor het aangaan van de overeenkomst. Daaruit volgt naar het oordeel van het hof dat Omring op grond van de overeenkomst mocht verwachten dat [de vennootschap 1] na het afhaken van het ROC een onderwijsinstelling zou aandragen die over de vereiste accreditaties - waarmee is bedoeld: de vereiste CREBO-nummers - beschikte. Het gaat hier, met andere woorden, om een uit de overeenkomst voortvloeiende zorgplicht van [de vennootschap 1] . Deze omvat meer dan het enkele meedenken, zoals [de vennootschap 1] stelt. De incidentele grief 2, met het verwijt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [de vennootschap 1] haar verantwoordelijkheid verkleint, is ongegrond.

Op wiens initiatief heeft Omring overeenkomst gesloten met Vak en Werk School? (grief 8)

8.7.4.

Uit de vaststaande feiten – zie m.n. rov. 6.1.9 t/m 6.1.14 – leidt het hof af dat het inderdaad [de vennootschap 1] is geweest die Opleidingspartners en via haar Vak en Werk School bij Omring heeft aangedragen als mogelijke opvolger van het ROC [locatie] . Vaststaat namelijk dat er op 30 januari 2012 bij Omring een gesprek heeft plaatsgevonden tussen Omring en Opleidingspartners, waarbij [de vennootschap 1] aanwezig was. Daarna heeft er nogmaals op 29 maart 2012 een overleg plaatsgevonden tussen Omring, [de vennootschap 1] en Opleidingspartners/Vak en Werk School. Vervolgens heeft [de vennootschap 1] in april 2012 bij Omring een PowerPoint-presentatie verzorgd, waarbij als mogelijke oplossing een samenwerking tussen Omring, [de vennootschap 1] en Opleidingspartners wordt voorgesteld. Vaststaat dat Omring vervolgens voor het tweede leerjaar met Vak en Werk School in zee is gegaan. Dat Omring zelf de overeenkomst met Vak en Werk School heeft gesloten, doet er niet aan af dat zij naar aanleiding van het voorstel van [de vennootschap 1] daartoe heeft besloten. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat dit een omstandigheid is die voor de beoordeling van het beroep op dwaling relevant is. Grief 8 klaagt terecht over het andersluidende oordeel van de rechtbank.

8.7.5.

Ook staat vast dat [senior consultant] , en daarmee dus ook [de vennootschap 1] , wist dat Vak en Werk School niet, althans nog niet, over de vereiste accreditaties c.q. CREBO-nummers beschikte. Het hof verwijst naar het e-mailbericht van [senior consultant] van 29 mei 2012 (zie rov. 6.1.17) aan [geïntimeerde 3] en [opleidingspartner] (hof: beiden van Opleidingspartners). Daarin schrijft [senior consultant] :

“Echter; wat is de consequentie nu blijkt dat de CREBO’s voor MZ 3 en 4 nog niet zijn aangevraagd? en zijn er alternatieven om eventuele consequenties te omzeilen?”

Uit de hiervoor genoemde zorgplicht van [de vennootschap 1] volgt naar het oordeel van het hof dat zij Omring had moeten informeren over het feit dat Vak en Werk School niet beschikte over de vereiste accreditaties. Zij wist immers dat het voor Omring van essentieel belang was dat zij aanspraak kon maken op de WVA-O. [de vennootschap 1] heeft erkend dat zij Omring niet heeft geïnformeerd, maar volgens haar hoefde zij Omring niet te informeren omdat Omring wist dat de accreditaties ontbraken.

Wetenschap Omring dat accreditaties ontbraken bij verlenging overeenkomst leerjaar 2? (grieven 2, 3, 9 t/m 12)

8.7.6.

De rechtbank heeft in rov. 6.15 van het beroepen vonnis (kort gezegd) geoordeeld dat het zowel voor Omring als [de vennootschap 1] ten tijde van het sluiten van de overeenkomst voor leerjaar 2 voldoende duidelijk moet zijn geweest dat Vak en Werk School geen accreditaties had voor de overeengekomen opleidingen. Met de grieven 2, 3 en 9 t/m 12 wordt dit oordeel bestreden. De toelichting op grief 9, gelezen in samenhang met de grieven 2 en 3, komt er in de kern op neer dat de rechtbank het interne e-mailbericht van [P&O beleidsadviseur] van 21 maart 2012 aan [directeur Personeel en Organisatie] en [destijds directeur] en haar e-mailbericht van 23 maart 2012 aan [directeur Personeel en Organisatie] en [senior consultant] onjuist heeft geïnterpreteerd. Het hof is van oordeel dat uit deze e-mailberichten, gelezen in onderling verband en samenhang met het e-mailbericht van de belastingdienst van 1 maart 2012 (het hof verwijst kortheidshalve naar de inhoud van deze berichten zoals weergegeven in rov. 6.1.10 en 6.1.11), volgt dat de door [P&O beleidsadviseur] uitgesproken zorgen niet zien op de accreditering, maar dat zij zich juist afvraagt of het opleidingstraject via Opleidingspartners wel zou voldoen aan de eisen van de WVA-O. Zoals hiervoor al is aangegeven, was het feit dat de opleidingen moesten voldoen aan de voorwaarden van de WVA-O voor Omring van essentieel belang. De conclusie van de rechtbank dat mede op grond van deze e-mailberichten ervan moet worden uitgegaan dat Omring op de hoogte was van het ontbreken van de vereiste accreditaties bij Vak en Werk School volgt het hof daarom niet. Daarbij neemt het hof mede in aanmerking dat tussen Omring en [de vennootschap 1] niet in discussie is dat het Omring niet zozeer te doen was om diplomering van haar zorgmedewerkers. Prestatieverbetering was de belangrijkste doelstelling, zoals ook duidelijk in de overeenkomst leren en presteren is vermeld.

8.7.7.

Naast genoemde e-mailberichten heeft de rechtbank ook de getuigenverklaringen van [geïntimeerde 3] en [senior consultant] bij haar oordeel dat Omring voorafgaande aan de verlenging van de overeenkomsten voor leerjaar 2 wist van de ontbrekende accreditaties in aanmerking genomen. Grief 10 bestrijdt de juistheid van dit oordeel. Het hof geeft hierna de relevante passages uit de getuigenverklaringen van [geïntimeerde 3] , [senior consultant] , [P&O beleidsadviseur] en [destijds directeur] weer.

8.7.8.

[geïntimeerde 3] , destijds bestuurder van Vak en Werk School, heeft als getuige onder meer het volgende verklaard:

“In het voorjaar van 2012 zijn er contacten gelegd met Omring, geïnitieerd door [de vennootschap 1] . Ik herinner mij een verkennend gesprek in [plaats] , in het bijzijn van de heer [senior consultant] van [de vennootschap 1] . Vanuit Omring kwam de vraag naar een andere MBO-organisatie voor een leertraject dat op dat moment in uitvoering was.

(…)

In dit gesprek is het onder meer gegaan over het verschil tussen bekostigd en onbekostigd onderwijs. Ik heb daar vrij gedetailleerde uitleg over gegeven. Omring vroeg verder of binnen niet-bekostigd onderwijs toch ook de WVA (…) van toepassing kon zijn. Voor de beantwoording van de vraag heb ik Omring doorverwezen naar een accountantskantoor. (…)

(…)Uit het feit dat de vraag in der tijd door Omring aan mij gesteld werd, leid ik af dat het voor Omring van belang was dat er financiële tegemoetkoming zou zijn voor het te geven onderwijs.

Na dit gesprek was het enige tijd stil, en in mei 2012 hoorde ik van [de vennootschap 1] dat Omring toch door wilde met ROC [locatie] . Even later, ik denk in juni, vertelde [de vennootschap 1] mij dat men toch met Vak en Werkschool in zee wilde gaan. De contacten hierover liepen via [de vennootschap 1] , ook de formele contacten zijn via [de vennootschap 1] gegaan. Met name over het opleidingsplan moest inhoudelijk natuurlijk nogal wat gecommuniceerd worden om wensen van diverse partijen goed op een rij te krijgen. Dat liep steeds via [de vennootschap 1] .

In die fase van de contractsluiting is met de heer [senior consultant] van [de vennootschap 1] ook besproken dat Vak en Werkschool op dat moment geen accreditatie had voor de gewenste opleidingen Maatschappelijke Zorg 3 respectievelijk 4 met Crebonummers 92650 respectievelijk 92662, (…). Deze informatie heb ik niet aan een van de werknemers of bestuurders van Omring meegedeeld, omdat ik nu eenmaal nog steeds contacten had met [de vennootschap 1] .”

8.7.9.

[senior consultant] heeft als getuige onder meer het volgende verklaard:

“Op een gegeven moment hadden wij contact gekregen met het bedrijf Vak en Werkschool. In januari 2012 hebben wij aan Omring voorgesteld om gezamenlijk een bespreking te hebben met Vak en Werkschool, om te zien wat deze kon betekenen in geval het ROC [locatie] inderdaad niet geïnteresseerd zou zijn in voortzetting van de opleiding.

In januari 2012 heeft er een bespreking plaatsgevonden in Hoorn bij Omring. Van Omring waren aanwezig [directeur Personeel en Organisatie] en nog een andere dame van wie ik de naam even kwijt ben; van de Vak en Werkschool, voor zover ik mij herinner, [geïntimeerde 3] en de [opleidingspartner] en ikzelf. Ik heb toen de wensen van het traject bij Omring herhaald, het programma, de organisatie en de planning besproken en aan opleidingspartners (Vak en Werkschool) gevraagd of zij dat onder dezelfde voorwaarden konden doen. Daarmee bedoel ik dan ook dezelfde voorwaarden met betrekking tot WVA-O en vergoeding uit Stagefonds.

(…)

Het was voor mij duidelijk dat Vak en Werkschool op dat moment geen Crebonummer had voor die MZ opleiding, maar voor de oude SPW 4 opleiding. Er is duidelijk aan de orde gekomen dat de uitstroom moest zijn op basis van die nieuwe MZ opleiding. Ik denk, maar kan dat niet met zekerheid verklaren, dat het feit dat Vak en Werkschool nog geen accreditatie had voor MZ opleiding, in die bespreking in 2012 aan de orde is geweest. Er lagen in elk geval brochures op tafel van Vak en Werkschool waaruit bleek dat er nog geen MZ accreditaties waren. Of die brochures toen zijn ingezien door Omring en of ze zijn achtergelaten, weet ik niet.

(…)

In februari, maart 2012 werd de dreiging dat ROC [locatie] wilde stoppen met het opleidingstraject groter. (…) Er is toen een bespreking geweest, ik denk in april 2012, in [plaats] waarbij namens Vak en Werkschool ofwel [geïntimeerde 3] ofwel [opleidingspartner] aanwezig waren, dat weet ik niet meer; namens Omring [directeur Personeel en Organisatie] en [P&O beleidsadviseur] , en ikzelf. In die bespreking is ook expliciet gesproken over het probleem van de Crebo’s. Gezamenlijk is toen de conclusie getrokken dat de Vak en Werkschool geen probleem zag in het verkrijgen van de nieuwe MZ Crebo’s bij inruil van de Crebo SPW 4. Omdat de Vak en Werkschool het geen probleem vond, zagen noch ikzelf noch Omring het als een probleem.

(…)

Ik heb regelmatig met Omring contacten gehad over de status van de accreditatieaanvraag. Het resultaat daarvan was dat ik dan weer bij Vak en Werkschool aan de bel ging trekken. Ik hoorde pas in september 2013 op het hoofdkantoor van Omring dat de accreditatie MZ niet was verkregen. Ook toen nog, ik herhaal, heeft [geïntimeerde 3] me verzekerd dat die accreditatie er écht zou komen.”

8.7.10.

[P&O beleidsadviseur] heeft als getuige op 13 januari 2016 de volgende verklaring afgelegd:

“Ik ben betrokken geweest bij de opleidingen die Omring had georganiseerd voor haar medewerkers. Dan doel ik op de twee opleidingen maatschappelijke zorg (MZ), niveau 3 en het iets hogere niveau 4. (…) Die opleiding zat eerst bij de ROC [locatie] . Dat was verzorgd in nauwe samenwerking met [de vennootschap 1] . [de vennootschap 1] verzorgde het onderwijs, de ROC [locatie] zat er in verband met de erkenningen. Mijn taak was het om een link te leggen tussen de theoretische opleidingen en de praktijk van de medewerkers van Omring.

Op een gegeven moment ontstond er een probleem, omdat ROC [locatie] in verband met de regelgeving het traject Omring niet verder wilde of kon voortzetten. Er is toen gezocht naar alternatieven. Daarvoor zijn in elk geval twee bijeenkomsten geweest met Vak en Werkschool, [de vennootschap 1] en Omring. Ik ben bij de tweede bespreking aanwezig geweest, dat was in maart 2012. (…) Deze bijeenkomst was op initiatief van [de vennootschap 1] om de mogelijkheid van overname van de ROC contracten door Vak en Werkschool te bespreken. (…) In die bespreking is niet aan de orde geweest of Vak en Werkschool een accreditatie had voor de opleidingen met 90.000 nummers. Het ging steeds over die MZ opleidingen. (…)

Ik heb vervolgens samen met medewerkers van [de vennootschap 1] gekeken hoe we nu de opleiding elders zouden voortzetten, waarbij ik met name op het inhoudelijke gedeelte heb gelet. Dat liep via [de vennootschap 1] . Hun medewerker [naam 3] had de contacten met ons over het inhoudelijke en stemde dat dan vervolgens af met Vak en Werkschool. Samen met [naam 3] van [de vennootschap 1] ben ik met name betrokken geweest bij het leerplan (…).”

8.7.11.

[destijds directeur] heeft als getuige verklaard over een eerste gesprek met Vak en Werk School. Zij verklaart daarover:

“Ik ben aanwezig geweest bij een eerste gesprek met Vak en Werkschool, een klein jaar na de start van het onderwijstraject in april 2011. Het initiatief van dat eerste gesprek was [senior consultant] . Verder waren aanwezig [directeur Personeel en Organisatie] en een zekere [geïntimeerde 3] van Vak en Werkschool. (hof: [geïntimeerde 3] ) (…) Aan de orde is gekomen hoe het nu kon dat Vak en Werkschool wel het traject kon voortzetten. Dat was omdat zij vrijer konden omgaan met het curriculum en de vorm van het onderwijs dan ROC [locatie] . Zij konden dat, omdat zij niet waren gesubsidieerd. Het betekende niet dat Omring geen recht zou krijgen op stagefondsgelden.

In die bespreking is het woord accreditering of afgeleide woorden daarvan niet gevallen. Ik ging er zonder meer van uit dat dat goed zou zijn, omdat [de vennootschap 1] alle regels kende en de aanleiding voor het gesprek nu juist was dat er probleempjes waren met de voortzetting van het traject bij ROC dat immers wel geaccrediteerd was. Het was niet alleen voor mij geen onderwerp, maar ik herinner me ook niet dat het überhaupt in de bespreking aan de orde is geweest.”

8.7.12.

Op grond van deze getuigenverklaringen, mede beschouwd in onderling verband en samenhang met de in de procedure overgelegde stukken, kan niet worden geconcludeerd dat Omring voor het sluiten van de verlengingsovereenkomst voor leerjaar 2 wist dat Vak en Werk School niet over de voor de opleidingen MZ 3 en 4 vereiste accreditaties beschikte.

De verklaring van [senior consultant] staat geheel op zichzelf en voor zijn verklaring is ook geen enkele ondersteuning te vinden in de tussen Omring en [de vennootschap 1] gewisselde e-mailberichten. [geïntimeerde 3] verklaart wel dat hij tijdens een overleg in het voorjaar – naar het hof aanneemt is dit het overleg op 29 maart 2012 geweest, waarbij ook [P&O beleidsadviseur] aanwezig was – een gedetailleerde uitleg heeft gegeven over het verschil tussen bekostigd en niet-bekostigd onderwijs, maar daarbij geeft hij niet aan dat hij het heeft gehad over de op dat moment nog ontbrekende accreditaties. Hij merkt daarover alleen op dat Omring toen een vraag stelde over de WVA-O. Dat sluit geheel aan bij de hiervoor besproken e-mailberichten van [P&O beleidsadviseur] van 21 en 23 maart 2012, waaruit volgt dat er bij [P&O beleidsadviseur] juist op dat punt zorgen waren. Verder verklaart [geïntimeerde 3] als getuige expliciet dat hij Omring niet over de ontbrekende accreditaties heeft geïnformeerd. Ook op dit punt stemt de verklaring van [geïntimeerde 3] overeen met de verklaring van [P&O beleidsadviseur] . Ook volgens [P&O beleidsadviseur] is daarover in maart 2012 niet gesproken, terwijl volgens [destijds directeur] er tijdens de eerste bespreking ook niet over is gesproken.

8.7.13.

De rechtbank heeft daarnaast de clausule, die onderaan pagina 6 van het opleidingsplan Omring - Vak en Werk School staat, in aanmerking genomen.

Daar staat:

“Indien Vak & Werk School om welke reden dan ook niet kan beschikken over de geselecteerde opleiding, wordt in overleg met de opdrachtgever aangesloten op de best passende alternatieve MBO-opleiding volgens beroepsbegeleidende leerweg met bijbehorende nummer 10433. Dit wordt doorgevoerd in de definitieve te ondertekenen onderwijsovereenkomsten en praktijkovereenkomsten waarbij het betreffende onderwijs en examenregeling van toepassing is. (...)”

[P&O beleidsadviseur] heeft daarover als getuige het volgende verklaard:

“U houdt mij voor dat op pagina 6 van het leerplan een clausule staat waarin wordt aangegeven dat als Vak en Werkschool niet kan beschikken over de geselecteerde opleiding, in overleg met de opdrachtgever aangesloten wordt op de best passende alternatieve Mbo-opleiding volgens beroepsbegeleidende leerweg met bijbehorend nummer 10433. Ik heb toen gezien dat dat er in stond, maar ik dacht dat dit een algemeen gebruikelijke clausule was. Er is niet specifiek over gesproken met [naam 3] , nog (het hof leest: noch) met iemand anders van [de vennootschap 1] . Nogmaals: in de gesprekken met [naam 3] ging het steeds over de inhoudelijkheid van de voortzetting van de opleidingen waarvan het eerste jaar net was afgerond, dus de 90.000 nummers.

Ik heb hier geen contacten over gehad met de Vak en Werkschool. Ik heb na de bespreking van maart 2012 geen contacten gehad met Vak en Werkschool tot september 2013.”

Ook [geïntimeerde 3] is als getuige gevraagd naar deze clausule en hij heeft daarover als volgt verklaard:

“De clausule op pagina 6 van de overeenkomst (…), waarin staat dat onder bepaalde voorwaarden een alternatieve opleiding met een 10.000-nummer zal worden gegeven, is ingevoerd in overleg met [senior consultant] van [de vennootschap 1] , omdat wij op dat moment nog niet over de accreditatie voor de 90.000-nummers beschikten. Ik herhaal dat er behoorlijk wat overleg is geweest over dit document, via [de vennootschap 1] , maar waarbij ook Omring zijn inbreng heeft gehad. Vanuit Vak en Werk School zijn er geen juristen bij betrokken geweest bij de totstandkoming van deze clausule. De overeenkomst is opgesteld op basis van een door ons gehanteerd model, maar zoals gezegd met de inbreng van [de vennootschap 1] en Omring, hoewel bij deze laatste buiten mijn gezichtsveld.”

Het hof is van oordeel dat [P&O beleidsadviseur] enkel op grond van de tekst van deze clausule niet hoeft te hebben begrepen dat Vak en Werk School op dat moment al niet beschikte over de accreditaties voor de opleidingen MZ 3 en 4. Er staat namelijk slechts in algemene termen ‘om welke redenen dan ook niet kan beschikken’, hetgeen nog niet, althans niet zonder meer, betekent dat dat reeds het geval was. Nu dat wel zo was, had het op de weg van [de vennootschap 1] , bijvoorbeeld [naam 3] , gelegen om [P&O beleidsadviseur] daar expliciet op te wijzen. Vaststaat evenwel dat dit niet is gebeurd. Het is daarom alleszins begrijpelijk dat [P&O beleidsadviseur] deze clausule heeft opgevat zoals zij heeft gedaan, namelijk als een gebruikelijke clausule voor het geval zich later problemen mochten voordoen. Daarbij acht het hof mede van belang dat in de tussen Omring en Vak en Werk School gesloten overeenkomst zonder enig voorbehoud de MZ 3 en MZ 4 opleidingen worden vermeld met de juiste CREBO-nummers. Ook de met de cursisten gesloten praktijk- en onderwijsovereenkomst zijn geheel toegesneden op de MZ 3 en 4 opleidingen met eveneens vermelding van de daarbij behorende CREBO-nummers.

De verklaring van [geïntimeerde 3] brengt het hof niet tot een ander oordeel. Hij verklaart namelijk enkel dat er over dit document behoorlijk wat overleg is geweest, waarbij ook Omring inbreng heeft gehad. Verder verklaart hij dat de inbreng van Omring buiten hem om is gegaan. Dus dat de clausule uitdrukkelijk met Omring is besproken kan uit zijn verklaring niet worden afgeleid. Daar staat tegenover dat [P&O beleidsadviseur] heel duidelijk heeft verklaard dat haar inbreng in het overleg met [naam 3] van [de vennootschap 1] ging over de inhoudelijkheid en voortzetting van de opleidingen.

8.7.14.

Op grond van het voorgaande is de conclusie dat Omring op het moment dat zij met [de vennootschap 1] de verlengingsovereenkomst voor leerjaar 2 sloot - en in het verlengde daarvan ook de overeenkomst/opleidingsplan met Vak en Werk School voor leerjaar 2 - niet wist dat Vak en Werk School niet over de vereiste accreditaties beschikte. Aldus was er op dat moment bij Omring sprake van een onjuiste voorstelling van zaken. De grieven 2, 3, 9, 10, 11 en 12 slagen, voor zover de rechtbank wordt verweten geen onjuiste voorstelling van zaken te hebben aangenomen.

Wetenschap Omring dat accreditaties ontbraken bij verlenging overeenkomst leerjaar 3?

(grief 13)

8.7.15.

Vervolgens is de vraag of ook bij het sluiten van de overeenkomst voor leerjaar 3 van een onjuiste voorstelling van zaken sprake was. De rechtbank heeft in rov. 6.16 op grond van de getuigenverklaring van [destijds directeur] geconcludeerd dat zij eind 2012 door [senior consultant] ervan op de hoogte is gesteld dat er een probleem was met de inschrijvingen bij DUO en met de accreditatie voor de opleidingen die Omring bij Vak en Werk School afnam. Met grief 13 wordt de juistheid van dit oordeel bestreden.

8.7.16.

[destijds directeur] heeft als getuige daarover het volgende verklaard:

“We zijn, als ik het goed reconstrueer, in april 2012 met Vak en Werkschool in zee gegaan. Ongeveer begin 2013 – maar naar eer en geweten heb ik geen exacte herinnering aan de datum, maar we zaten in ieder geval in het tweede leerjaar – heb ik toen voor het eerst gehoord dat er een probleem was met de accreditatie.

(…)

We hebben eerder wel vergoedingen uit het stagefonds verkregen, maar er ontstond ineens een probleem toen bleek dat de bulk van onze medewerkers kennelijk niet of niet correct was ingeschreven zodat we daarop geen subsidie konden krijgen. We zitten dan denk ik ruim in het tweede jaar van de opleiding. [senior consultant] kwam toen naar Omring toe om ons te vertellen dat er een probleem bleek te zijn met de accreditatie. Vak en Werkschool had kennelijk geen accreditatie voor de opleidingen die we hadden gecontracteerd.”

8.7.17.

Het hof is met Omring van oordeel dat op grond van deze getuigenverklaring niet kan worden aangenomen dat [destijds directeur] begin 2013 op de hoogte was van het ontbreken van de accreditaties. Zij noemt deze datum wel, maar geeft daarbij duidelijk aan geen exacte herinnering te hebben aan die datum. Uit hetgeen zij verder verklaart, volgt dat zij het moment waarop zij van de ontbrekende accreditaties vernam koppelt aan de problemen met de inschrijvingen. Zij denkt dat dat was in het tweede jaar. Vaststaat dat er op 5 september 2013 een overleg heeft plaatsgevonden en volgens de notulen van die bespreking was de aanleiding daarvoor juist het ontbreken van de inschrijvingen in BRON (waarvan DUO de beheerder was). Dat was dus, anders dan [destijds directeur] dacht, tijdens het derde jaar. Uit de notulen van het overleg op 5 september 2013 blijkt dat toen – als bijkomend aspect – is gemeld dat Vak en Werk School vooralsnog niet over de vereiste accreditaties beschikte. Uit de bij notulen gevoegde bijlagen 1 en 3 volgt dat [directeur Personeel en Organisatie] heeft aangegeven dat zij in de tekst van notulen mist dat noch zij noch [P&O beleidsadviseur] geweten hebben dat er geen accreditatie voor de MZ opleidingen was. Dit betekent dat Omring evenmin ten tijde van het sluiten van de verlengingsovereenkomst voor leerjaar 3 op de hoogte was van het ontbreken van de vereiste accreditaties. Ook ten aanzien van deze overeenkomst is sprake van een onjuiste voorstelling van zaken. Grief 13 treft doel.

8.7.18.

Uit het voorgaande volgt tevens dat de rechtbank het verjaringsverweer van [de vennootschap 1] terecht heeft verworpen. Vaststaat immers dat Omring eerst op 5 september 2013 wist van het ontbreken van de accreditaties en dus is de inleidende dagvaarding van 1 augustus 2016 tijdig, want binnen drie jaar na ontdekking van de dwaling, uitgebracht.

Dit betekent dat grief 1 in incidenteel appel faalt.

8.7.19.

Dit alles leidt tot de conclusie dat bij Omring bij het sluiten van beide verlengingsovereenkomsten sprake was van een onjuiste voorstelling van zaken.

Deze onjuiste voorstelling van zaken bij Omring is te wijten aan schending van de mededelingsplicht door [de vennootschap 1] voorafgaande aan dan wel bij de totstandkoming van die overeenkomsten in 2012 respectievelijk maart/juli 2013 (zie rov. 6.1.18, 6.1.19 en 6.1.22).

Om die reden zijn ook de incidentele grieven 3 en 4 van [de vennootschap 1] ongegrond. Dat het vooral Vak en Werk School is geweest die na 5 september 2013 heeft getracht om met het Plan van Aanpak van 13 november 2013 met Omring tot een oplossing te komen, zoals [de vennootschap 1] in haar toelichting op haar grief 3 stelt, doet aan de schending van de mededelingsplicht door [de vennootschap 1] niet af. Dat er na genoemde datum sprake is geweest van een directe communicatie tussen Omring en Vak en Werk, zoals [de vennootschap 1] in haar grief 4 opmerkt, laat eveneens onverlet dat [de vennootschap 1] daaraan voorafgaand haar mededelingsplicht heeft verzaakt.

8.7.20.

Nu vaststaat dat er bij Omring bij het sluiten van beide verlengingsovereenkomsten sprake was van een onjuiste voorstelling van zaken, is vervolgens de vraag of voldaan is aan het vereiste van causaal verband.

Omring stelt in hoger beroep bij grief 12 dat als zij zou hebben geweten dat er bij aanvang geen accreditatie was, zij nooit met Opleidingspartners c.q. Vak en Werk School in zee zou zijn gegaan. Accreditatie is immers doorslaggevend bij de aanspraken op de WVA-O, op basis waarvan de opleiding feitelijk werd gefinancierd. Voor [de vennootschap 1] zou dat hebben betekend, dat de overeenkomst voor het tweede jaar niet zou zijn voortgezet, aldus Omring.

[de vennootschap 1] betoogt in nr. 128 van haar memorie van antwoord dat de stelling, dat indien Omring had geweten van de ontbrekende accreditatie bij Vak en Werk School, zij niet met [de vennootschap 1] dan wel Opleidingspartners – bedoeld zal zijn Vak en Werk School – in zee zou zijn gegaan, geen stand kan houden, maar zij heeft deze betwisting niet nader onderbouwd. Zij herhaalt alleen dat Omring wel degelijk op de hoogte was van de ontbrekende accreditaties.

Zoals hiervoor is gebleken, klopt dit niet aangezien vaststaat dat Omring niet op de hoogte was. [de vennootschap 1] heeft nagelaten toe te lichten waarom ingeval Omring op hoogte zou zijn geweest van de ontbrekende accreditaties, zij alsdan ook met Vak en Werk School in zee zou zijn gegaan en de beide verlengingsovereenkomsten met [de vennootschap 1] zou hebben gesloten.

Bij gebreke van een voldoende deugdelijke betwisting, moet van de juistheid van de stelling Omring worden uitgegaan. Dus staat vast dat Omring alsdan de verlengingsovereenkomsten voor leerjaar 2 en 3 niet zou hebben gesloten.

8.7.21.

Dit betekent dat is voldaan aan de vereisten voor vernietiging van de overeenkomsten op grond van dwaling. De grieven 7 t/m 14 slagen. En zoals hiervoor al is overwogen, zijn de incidentele grieven 1 t/m 4 ongegrond.

De vordering onder 1 van Omring zal worden toegewezen, zij het met uitzondering van de gevorderde veroordeling van [de vennootschap 1] tot terugbetaling van al hetgeen door Omring op grond van die overeenkomsten is betaald. Het hof verwijst in dat verband naar artikel 6:210 lid 2 BW. Daaruit volgt dat een vernietiging op grond van dwaling nog niet, althans niet zonder meer, betekent dat Omring in het geheel geen vergoeding aan [de vennootschap 1] verschuldigd is. Het gaat in dit geval namelijk om prestaties - het verzorgen van onderwijs - die uit hun aard uitsluiten dat zij ongedaan worden gemaakt. In dat geval treedt voor zover dat redelijk is en - voor zover thans van belang - indien de ontvanger door de prestatie is verrijkt, een vergoeding van de waarde daarvoor in de plaats. Noch Omring noch [de vennootschap 1] hebben zich daarover in deze procedure uitgelaten. Nu hierna zal blijken dat de zaak naar de schadestaat wordt verwezen, gaat het hof ervan uit dat partijen aldaar dit zullen meenemen.

De vordering sub 2 van Omring: onrechtmatige daad subsidiair wanprestatie

8.8.

Naast vernietiging wegens dwaling vordert Omring - naar het hof begrijpt: cumulatief - onder 2 (kort gezegd) een verklaring van recht dat [de vennootschap 1] onrechtmatig heeft gehandeld jegens Omring dan wel toerekenbaar tekort is geschoten en voorts vordert zij de veroordeling van [de vennootschap 1] tot vergoeding van de door Omring als gevolg van de onrechtmatige gedragingen althans wanprestatie geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en te vermeerderen met de wettelijke rente zoals nader in het petitum van de dagvaarding omschreven.

8.8.1.

Op grond van hetgeen hiervoor onder 8.7 e.v. is overwogen, staat vast dat [de vennootschap 1] haar uit de overeenkomst leren en presteren, gesloten op 30 november 2010 (zie rov. 6.1.3), voortvloeiende zorgplicht jegens Omring heeft geschonden. Zij heeft immers essentiële informatie achtergehouden. Deze schending van de zorgplicht is in de gegeven omstandigheden, zoals eveneens onder 8.7 e.v. geschetst, onrechtmatig, want in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid die [de vennootschap 1] jegens Omring in acht dient te nemen. Verder volgt uit hetgeen onder 8.7 e.v. is overwogen dat dit aan [de vennootschap 1] toerekenbaar is.

8.8.2.

Dit betekent dat de onder 2 (primair) gevorderde verklaring van recht zal worden toegewezen op de wijze als in het dictum verwoord. Ook de daarbij gevorderde verwijzing naar de schadestaat is toewijsbaar. Omring heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij schade heeft geleden. Bij pleidooi is desgevraagd namens Omring verklaard dat de afdracht loonbelasting er dankzij veel kunst en vliegwerk is gekomen, maar dat de van het Stagefonds ontvangen subsidie € 150.000 lager was. Daarnaast heeft Omring gewezen op de door haar gemaakte extra kosten die nodig waren om de gevolgen van het ontbreken van de accreditaties voor de cursisten op te heffen.

De vordering in reconventie van [de vennootschap 1] tot betaling van € 53.482,94 (grief 15)

8.9.

De rechtbank heeft deze vordering toegewezen en daartegen richt zich grief 15.

Thans is komen vast te staan dat de tussen partijen gesloten overeenkomst voor leerjaar 3 vernietigbaar is op grond van dwaling en door het hof in dit arrest wordt vernietigd.

Daarmee is de grondslag voor toewijzing van deze vordering komen te ontvallen. Vernietiging heeft immers terugwerkende kracht. Maar zoals hiervoor in rov. 8.7.20 is overwogen, betekent dit nog niet, althans niet zonder meer, dat Omring geen redelijke vergoeding aan [de vennootschap 1] verschuldigd zou kunnen zijn. Partijen hebben zich daar in het geheel niet over uitgelaten. Om die reden kan niet worden vastgesteld of en zo ja, welk bedrag Omring verschuldigd is. De vordering is daarom niet toewijsbaar. Grief 15 treft doel.

Het vonnis in reconventie wordt vernietigd.

In de zaken Omring – [de vennootschap 2] en Omring – [geïntimeerde 3]

De vorderingen van Omring sub 3, 4 en 5 jegens [de vennootschap 2] en [geïntimeerde 3] (de grieven 16, 17 en 18)

8.10.

Omring heeft jegens [de vennootschap 2] dezelfde vorderingen ingesteld als jegens [de vennootschap 1] . De rechtbank heeft in rov. 6.2 de vordering jegens [de vennootschap 2] afgewezen (kort gezegd) omdat het verweer van [de vennootschap 2] dat zij geen contractspartij is bij de overeenkomst die is gesloten tussen Omring en Vak en Werk School slaagt en dat de enkele stelling dat er sprake is van een grote verwevenheid van personen bij of achter Vak en Werk School onvoldoende is om aansprakelijkheid op grond van overeenkomst aan te nemen.

8.10.1.

Grief 16 richt zich tegen dit oordeel. In de kern stelt Omring dat ook als de rechtbank terecht zou hebben geoordeeld, dat Opleidingspartners in tegenstelling tot Vak en Werk School geen contractpartij is, dat niet met zich brengt dat Omring Opleidingspartners niet in rechte zou kunnen aanspreken. Een directe contractuele relatie is niet noodzakelijk voor het aannemen van aansprakelijkheid van Opleidingspartners. De aansprakelijkheid vloeit in dit geval voort uit de hechte concernrelaties en het handelen van de bestuurder [geïntimeerde 3] (directe bestuurdersaansprakelijkheid). [de vennootschap 2] heeft een en ander gemotiveerd betwist.

8.10.2.

Het hof overweegt als volgt.

Vaststaat dat er tussen Omring en Opleidingspartners geen overeenkomst is gesloten. Omring verwijst in haar toelichting op grief 16 naar een driepartijen-overeenkomst die gesloten zou zijn tussen Omring, [de vennootschap 1] en Opleidingspartners. Een dergelijke overeenkomst is niet overgelegd, zodat er niet van kan worden uitgegaan dat een dergelijke overeenkomst daadwerkelijk tot stand is gekomen. Dat Opleidingspartners betrokken is geweest bij de besprekingen met Omring in januari en maart 2012 is onvoldoende om op grond daarvan Opleidingspartners aan te merken als contractspartij. Dat sprake is van hechte concernverhoudingen is daarvoor ook naar het oordeel van het hof ontoereikend. Dat Vak en Werk School destijds deel uitmaakte van Opleidingspartners, zijnde een samenwerkingsverband van diverse opleidingsinstellingen, laat onverlet dat Vak en Werk School een zelfstandige vennootschap is, zoals [de vennootschap 2] terecht opmerkt. De stelling van Omring dat Vak en Werk School een werktuig was van Opleidingspartners zonder zelfstandige bevoegdheid wordt daarom gepasseerd.

8.10.3.

Omring heeft nog verwezen naar jurisprudentie van de Hoge Raad waaruit volgt dat uit een hechte concernrelatie een zorgplicht kan ontstaan (HR 19 februari 1988, NJ 1988, 487 (Albada Jelgersma) en HR 21 december 2001, NJ 2005, 96 (Sobi Hurks 2)). Deze arresten zien echter op een geheel andere situatie dan in dit geval aan de orde is. Anders dan in die arresten het geval was, kan in deze zaak niet worden gezegd dat Opleidingspartners als moedermaatschappij intensieve bemoeienis heeft gehad met het beleid van haar dochter Vak en Werk School. [de vennootschap 2] heeft er juist op gewezen dat het aan Vak en Werk School zelf is om te beslissen of en met wie zij een overeenkomst aangaat.

8.10.4.

Kortom: de destijds tussen Opleidingspartners en Vak Werk School bestaande concernverhouding leidt niet tot de conclusie dat Opleidingspartners als contractpartij moet worden aangemerkt.

8.10.5.

Evenmin kan aansprakelijkheid van [geïntimeerde 3] worden aangenomen op grond van een gestelde doorbraak van aansprakelijkheid. Het hof overweegt als volgt.

Omring heeft er in deze procedure voor gekozen om Vak en Werk School niet te dagvaarden. Dit heeft tot gevolg dat in deze procedure niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming van Vak en Werk School. Dat leidt ertoe dat een eventuele aansprakelijkheid van [geïntimeerde 3] in zijn hoedanigheid van (toenmalig) bestuurder van Vak en Werk School in deze procedure niet aan de orde is. Anders dan Omring stelt, is daarvoor namelijk vereist dat vaststaat dat Vak en Werk School bij de uitvoering van de overeenkomst is tekort geschoten. Eerst daarna kan worden onderzocht of [geïntimeerde 3] als haar bestuurder daarvan een ernstig verwijt valt te maken.

Omring beroept zich voorts, zo begrijpt het hof, op het arrest inzake de Spaanse villa (HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2628). In dat arrest ging het er om dat naast aansprakelijkheid voor het handelen in hoedanigheid van bestuurder ook aansprakelijkheid van de betrokkene in persoon aan de orde kan zijn als hij jegens een derde een op hem persoonlijk rustende zorgplicht heeft geschonden. Alsdan gelden de gewone regels van onrechtmatige daad en is niet vereist dat deze persoon een ernstig verwijt van zijn handelen kan worden gemaakt. Ook dit beroep faalt aangezien gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde 3] in het kader van de besprekingen met Omring anders heeft gehandeld dan in zijn hoedanigheid van bestuurder van Vak en Werk School en/of Opleidingspartners.

8.10.6.

Dit betekent dat de vorderingen van Omring jegens [de vennootschap 2] en [geïntimeerde 3] terecht zijn afgewezen. De grieven 16 t/m 18 falen.

Resumé

8.11.

Dit alles leidt ertoe dat in de zaak Omring – [de vennootschap 1] het principaal hoger beroep (grotendeels) slaagt. Het vonnis waarvan beroep wordt zowel in conventie als reconventie vernietigd en opnieuw rechtdoende zullen de vorderingen onder 1 en 2 worden toegewezen op de wijze zoals hierna in het dictum vermeld. De vordering in reconventie wordt afgewezen. [de vennootschap 1] wordt als in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van de eerste aanleg in de conventie en de reconventie en in de kosten van het principaal hoger beroep.

Het incidenteel appel van [de vennootschap 1] faalt. Aangezien de grieven zijn gericht tegen overwegingen van de rechtbank en niet tegen het dictum, acht het hof het niet nodig om het vonnis wat betreft de ten onrechte bestreden overwegingen te bekrachtigen. [de vennootschap 1] wordt veroordeeld in de proceskosten van het incidenteel hoger beroep.

8.12.

In de zaken Omring – [de vennootschap 2] en [geïntimeerde 3] falen de daarin in hoger beroep opgeworpen grieven. Het vonnis voor zover in die zaken gewezen wordt bekrachtigd, met veroordeling van Omring in de kosten van het hoger beroep.

7 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep in de zaak Omring - [de vennootschap 1]

vernietigt het vonnis waarvan beroep,

en opnieuw rechtdoende:

in conventie:

verklaart voor recht, dat de door Omring met [de vennootschap 1] gesloten overeenkomst tot voortzetting van de “overeenkomst van opdracht leren en presteren Omring” voor het tweede leerjaar, in de dagvaarding aangeduid als “overeenkomst leren en presteren leerjaar 2”, met daarbij de inzet van Opleidingspartners B.V., thans [de vennootschap 2] , en via deze Vak en Werk School B.V., alsook de aanvullende overeenkomst tot verlenging van deze overeenkomst voor het derde leerjaar, in de dagvaarding aangeduid als “overeenkomst leren en presteren diplomeringsjaar 3”, tot stand zijn gekomen onder invloed van dwaling;

dat het hof de “overeenkomst leren en presteren leerjaar 2” en de “overeenkomst leren en presteren diplomeringsjaar 3” vernietigt;

verklaart voor recht, dat [de vennootschap 1] jegens Omring onrechtmatig heeft gehandeld door haar essentiële informatie te onthouden;

met veroordeling van [de vennootschap 1] tot vergoeding van de door Omring als gevolg van de onrechtmatige gedragingen geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na datum van dit arrest tot aan de dag der algehele voldoening;

wijst het meer of anders onder 1 en 2 door Omring gevorderde af;

in reconventie

vernietigt het vonnis waarvan beroep,

en opnieuw rechtdoende:

wijst af de vordering tot betaling van € 53.482,94;

in conventie en reconventie

veroordeelt [de vennootschap 1] in de proceskosten van de eerste aanleg in conventie, en begroot deze kosten tot op heden aan de zijde van Omring op € 98,86 aan dagvaardingskosten, € 619,00 aan griffierecht en € 3.258,00 aan salaris advocaat;

veroordeelt [de vennootschap 1] in de proceskosten van de eerste aanleg in reconventie, en begroot deze kosten tot op heden aan de zijde van Omring op € 2.148,00 aan salaris advocaat;

veroordeelt [de vennootschap 1] in de proceskosten van het principaal hoger beroep en begroot deze kosten tot op heden aan de zijde van Omring op € 98,01 aan dagvaardingskosten, € 1.978,00 aan griffierecht en € 6.093,00 aan salaris advocaat;

veroordeelt [de vennootschap 1] in de proceskosten van het incidenteel hoger beroep en begroot deze kosten tot op heden aan de zijde van Omring op € 3.046,50;

verklaart dit arrest voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad;

op het hoger beroep in de zaken Omring – [geïntimeerden]

bekrachtigt het beroepen vonnis voor zover in genoemde zaken gewezen;

veroordeelt Omring in de kosten van het hoger beroep en begroot deze kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerden] op € 1.978,00 aan griffierecht en € 6.093,00 aan salaris advocaat, met de bepaling dat de proceskosten binnen 14 dagen na dit arrest moeten worden betaald;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.W. Vermeulen, Y.L.L.A.M. Delfos-Roy en G. Creutzberg en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 4 mei 2021.

griffier rolraadsheer