Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:1344

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
20-05-2021
Zaaknummer
200.236.997_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2017:10539
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2017:4603
Rechtsgebieden
Goederenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

burengeschil; bezit of houderschap? Afzonderlijke overdracht van bezit, zonder overdracht van de eigendom, door een tweezijdige rechtshandeling (zoals i.c. een grondruil) is in beginsel niet mogelijk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.236.997/01

arrest van 4 mei 2021

in de zaak van

[appellant]

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. M. Delnoy-Garske te Maastricht,

tegen

1 [geïntimeerde 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [geïntimeerde 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

hierna aan te duiden als [geïntimeerden] ,

advocaat: mr. F.H.M. Belt te Landgraaf,

op het bij exploot van dagvaarding van 25 januari 2018 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 25 oktober 2017, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerden] als gedaagden.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/233088/HA ZA 17/147)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het daaraan voorafgaande vonnis van 17 mei 2017.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord met productie;

  • -

    het pleidooi, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd;

  • -

    de bij brief van 12 maart 2021 namens [appellant] toegezonden productie 24, die
    mr. Delnoy-Garske tijdens het pleidooi bij akte in het geding heeft gebracht.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 Samenvatting

Partijen zijn buren van elkaar. Sinds enige jaren maken zij elkaar over en weer verwijten die, kort gezegd, verband houden met het eigendomsrecht van hun percelen en het burenrecht.
[appellant] heeft [geïntimeerden] verweten dat zij beplanting en een tuinhek hebben verwijderd en een nieuw slot op de tuinpoort naar de achtertuinen hebben gezet, terwijl deze zaken zich bevonden op een strook grond die [appellant] eerder, door verjaring, in eigendom had verkregen. [appellant] vorderde daarom het herstel hiervan in oude staat. Tevens vorderde hij een verklaring voor recht dat de strook grond door verjaring zijn eigendom is geworden.

[geïntimeerden] hebben op hun beurt [appellant] verweten dat hij afgravingen heeft verricht in de nabijheid van hun woning, waardoor verzakkingen zijn ontstaan en zij vorderden daarom schadevergoeding.
De rechtbank heeft de vorderingen over en weer afgewezen.

In hoger beroep is de vordering van [geïntimeerden] niet meer aan de orde en staat vooral de vraag naar de eigendomsverkrijging door verjaring van de strook grond centraal.
Het hof zal in het hierna volgende deze vordering, net als de rechtbank eerder deed, afwijzen, omdat [appellant] nooit bezitter is geweest van de strook grond.

4 Beoordeling

Feiten

4.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

( i) Partijen zijn buren van elkaar.

(ii) [appellant] woont aan de [adres 1] te [plaats] , sinds hij met zijn ouders en de rest van het gezin in 1959 hiernaartoe is verhuisd. Op 25 maart 1984 heeft hij - samen met zijn moeder en zijn broer en zus - de mede-eigendom van het perceel aan de [adres 1] verkregen en op 7 mei 1997 de onverdeelde eigendom.

(iii) [geïntimeerden] wonen sinds 1989 aan de [adres 2] te [plaats] , nadat zij op (of vlak na) 18 april 1989 dit perceel in eigendom hebben verkregen van [naam 1] .

(iv) Rond 1960/1961 hebben de ouders van [appellant] een volière geplaatst op een strook grond behorende tot de achtertuin van het kadastrale perceel [adres 2] . Deze strook grenst aan het kadastrale perceel [adres 1] . De volière is in of rond 1996 afgebroken. Op de strook grond stond daarna beplanting en een tuinhek.

( v) [appellant] heeft in 1984, grenzend aan zijn woning, een garage gebouwd. Tussen deze garage en de zijgevel/buitenmuur van de woning van [geïntimeerden] is vervolgens een poort met slot geplaatst. De poort staat op het perceel van [adres 2] . [appellant] heeft steeds beschikt over een sleutel van het slot in de poort.

(vi) In 2016 hebben [geïntimeerden] zowel de op de strook grond aanwezige beplanting als het tuinhek verwijderd, en een nieuw slot in de poort gezet.

(vii) [appellant] heeft [geïntimeerden] op 8 juli 2016 gesommeerd een en ander in de oude staat te herstellen.

Procedure bij de rechtbank

4.2.

[appellant] heeft [geïntimeerden] in rechte betrokken en in conventie (kort samengevat) gevorderd (i) een verklaring voor recht dat [appellant] , althans zijn rechtsvoorgangers (zijn ouders), de eigendom van de strook grond heeft (c.q. hebben) verkregen door verjaring, met veroordeling van [geïntimeerden] om mee te werken aan het ter zake opmaken van een notariële akte, op straffe van een dwangsom.

Daarnaast vorderde hij (ii) veroordeling van [geïntimeerden] tot herstel van de tuin, tuinhek en poort, waarbij [appellant] als enige in het bezit komt van een sleutel van de poort, eveneens op straffe van een dwangsom, alles met veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten.

In reconventie hebben [geïntimeerden] betaling gevorderd van € 15.412,98,- aan herstelkosten in verband met ontstane verzakkingen.

4.3.

De rechtbank heeft de vorderingen in conventie afgewezen omdat geen sprake kan zijn geweest van verjaring, nu [appellant] nooit het bezit van de strook grond van [geïntimeerden] heeft gehad. Daarom was de verwijdering van het hekje c.a. niet onrechtmatig.

In reconventie is de vordering afgewezen omdat daarvoor onvoldoende was gesteld.

4.4.

De proceskosten zijn over en weer gecompenseerd.

Omvang hoger beroep

4.5.1.

In hoger beroep heeft [appellant] zes grieven aangevoerd tegen het oordeel in conventie. [geïntimeerden] hebben geen (incidenteel) hoger beroep ingesteld.

4.5.2.

Ter gelegenheid van het pleidooi bij het hof heeft [appellant] nieuwe (feitelijke) stellingen ingenomen, ter onderbouwing van zijn grieven tegen de afwijzing van zijn vorderingen door de rechtbank. [geïntimeerden] hebben vervolgens summier op deze nieuwe stellingen gereageerd. Zij hebben geen (uitdrukkelijk of stilzwijgend) bezwaar gemaakt tegen het betrekken van deze feiten bij de beoordeling van de grieven van [appellant] .

Naar het oordeel van het hof komt onder de huidige omstandigheden - het hof verwijst naar zijn oordeel in rov. 4.8.1. e.v. hierna - de toelating van deze nieuwe feiten niet in strijd met de twee-conclusie-regel of de eisen van een goede procesorde zodat het hof hierop acht zal slaan.

Grief over de feitenweergave

4.6.

De eerste grief (en de stellingen in de memorie van grieven onder 6 e.v.) gaat over de weergave van de feiten door de rechtbank. Voor zover het om de keuze daarvan gaat, geldt dat de rechtbank vrij is in de keuze van de feiten die zij aan het begin van het vonnis weergeeft (zo lang daarna maar recht wordt gedaan op basis van alle relevante - vaststaande - feiten). De grief kan daarom niet tot vernietiging van het beroepen vonnis leiden. Voor zover de feitenopsomming onjuist zou zijn (om welke reden dan ook) heeft te gelden dat het hof in rov 4.1. een nieuwe opsomming van de feiten heeft gegeven.

Bezit of houderschap

4.7.1.

De grieven II, III en IV zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellant] , en vóór hem zijn ouders, houders waren van de strook grond voor de familie [naam 2] , en later voor [geïntimeerden] , en dat niet is gebleken dat dit houden voor een ander is overgegaan in bezit (houden voor zichzelf). Daarom kan volgens de rechtbank geen sprake zijn van verkrijgende en/of bevrijdende verjaring (deze laatste gevolgd door verkrijging op grond van artikel 3:105 BW). De rechtbank overwoog in rov 4.5. van het bestreden vonnis dat de ouders van [appellant] , door het vragen van toestemming aan [naam 2] voor het plaatsen van een volière op de strook grond, hebben erkend dat die strook in eigendom aan [naam 2] toebehoorde. Dat de ouders van [appellant] die toestemming hadden gevraagd, bleek uit de eigen stellingen van [appellant] , zoals opgetekend in het proces-verbaal van descente en comparitie van partijen, aldus de rechtbank.

4.7.2.

In de toelichting op deze grieven heeft [appellant] betwist dat hij tijdens de comparitie/descente heeft gezegd dat zijn ouders toestemming aan [naam 2] hebben gevraagd voor de bouw van een volière op de grond van [naam 2] , althans dat die toestemming door zijn ouders is gevraagd. Op grond van een (hierna te bespreken) eerder gesloten overeenkomst zou [naam 2] de bouw van de volière niet hebben kunnen tegenhouden, maar de ouders van [appellant] wilden een en ander toch met [naam 2] bespreken vanuit de gedachte van goed nabuurschap. De opmerkingen van [appellant] zijn verkeerd terechtgekomen in het proces-verbaal, aldus [appellant] , althans (dat is tijdens het pleidooi namens hem gesteld:) de uitlating zou wel goed zijn opgenomen in het proces-verbaal, maar zou door de rechtbank verkeerd zijn uitgelegd. [geïntimeerden] betwisten dat het proces-verbaal in verband met de uitlating van [appellant] een fout bevat, en betwisten ook de uitleg die [appellant] thans aan zijn afgelegde verklaring geeft.

4.7.3.

Wat in het proces-verbaal is vermeld ten aanzien van de verklaringen die partijen ten overstaan van de behandelend rechter en de griffier hebben afgelegd, levert in beginsel dwingend bewijs op. (In dit geval was overigens zelfs sprake van een rechter in opleiding, haar opleider, en de griffier, zodat de verklaringen door drie justitiële ambtenaren zijn gehoord.) Het betreffende proces-verbaal is door de rechter in opleiding en de griffier echter eerst achteraf opgemaakt en ondertekend. Partijen hebben hun verklaringen in dat proces-verbaal niet ondertekend. Niet is gebleken dat aan de advocaten van partijen de gelegenheid is gegeven om na de datum van afgifte van het proces-verbaal bij brief op- of aanmerkingen te maken indien zij van mening waren dat (de hoofdlijn van) hetgeen ter comparitie/descente is gezegd niet (geheel) juist en/of volledig in het proces-verbaal is weergegeven. Evenmin is gebleken dat partijen uitdrukkelijk hebben ingestemd met het opmaken van het proces-verbaal buiten hun aanwezigheid. Aan de andere kant heeft [appellant] na de afgifte van het proces-verbaal nog een akte uitlating partijen willen nemen. Deze akte is door de rechtbank geweigerd, maar is door [appellant] wel bij het fourneren van de stukken aan het hof overgelegd. In die akte wordt op een ander punt het door [appellant] verklaarde ter comparitie/descente gecorrigeerd, maar niet ten aanzien van de passage over de door de ouders van [appellant] verzochte en door [naam 2] gegeven toestemming.

J [geïntimeerde 1] heeft tijdens het pleidooi - onbetwist - verklaard dat hun verkoper - juffrouw [naam 2] - had verteld dat de volière destijds met haar toestemming (althans die van haar ouders) op de strook was gebouwd door de ouders van [appellant] , dat de poort op het pad naar de achtertuinen op haar grond stond en dat [naam 2] toen [geïntimeerden] ook de sleutels van de poort heeft gegeven.

Om deze redenen in onderling verband beschouwd acht het hof het zeer onwaarschijnlijk dat de passage over de gevraagde en gegeven toestemming onjuist is weergegeven in het proces-verbaal, althans dat de uitleg die de rechtbank daaraan gaf niet overeen zou komen met het door [appellant] meegedeelde tijdens de comparitie/descente. [appellant] heeft evenwel (ongespecificeerd) bewijs aangeboden van al zijn stellingen. Het hof zal [appellant] echter niet in de gelegenheid stellen om (tegen)bewijs tegen de bewuste vermelding in het proces-verbaal te leveren, op grond van wat het hof hierna zal overwegen.

4.8.1.

Ter gelegenheid van het pleidooi is zijdens [appellant] namelijk gesteld dat in 1959, toen hij met zijn ouders in de woning aan de [adres 1] kwam wonen, met hun buren, familie [naam 2] , afspraken over een grondruil zijn gemaakt. In eerste aanleg zou [appellant] dit ook al met zijn advocaat besproken hebben. Dat is toen niet in de stukken van de procedure terechtgekomen, aldus [appellant] , noch tijdens de comparitie/descente besproken, maar [appellant] wil het nu graag alsnog meedelen. Deze afspraak met familie [naam 2] hield in dat [appellant] ’s ouders een strook grond van de achtertuin van [naam 2] in bezit zouden krijgen (en daarnaast de achterzijde van het pad naar de poort en de poort zelf) en dat familie [naam 2] in ruil daarvoor een stuk van de voortuin van [appellant] in bezit zouden krijgen.

Vanwege de onderlinge afspraak met [naam 2] over die “grondruil” hebben [appellant] ’s ouders op de strook in de achtertuin de volière kunnen en mogen bouwen: dat deel van de grond was al in hun bezit, aldus [appellant] , en dat bezit is nooit geëindigd, ook niet na het afbreken van de volière. Het was de bedoeling van [appellant] ’s ouders en [naam 2] dat de eigendomssituatie van de geruilde stukken grond op enig moment via de notaris zou worden aangepast, maar dat is nooit zo vastgelegd en is ook nooit gebeurd, aldus nog steeds [appellant] .

[geïntimeerden] hebben de stellingen over de grondruil bij gebrek aan wetenschap betwist en hebben nogmaals gewezen op de gevraagde en gegeven toestemming van [naam 2] aan [appellant] ’s ouders, om de volière te bouwen.

4.8.2.

Het hof zal bij de beoordeling uitgaan van de door [appellant] zelf gestelde grondruil. Deze grondruil met [naam 2] heeft niet, zoals [appellant] stelt, tot gevolg gehad dat zijn ouders het bezit hebben verkregen van het deel van het pad, de poort en de strook grond in de achtertuin. Dat bezit zouden zijn ouders hebben verkregen als de grondruil notarieel zou zijn vastgelegd en de daarvan opgemaakte akte zou zijn ingeschreven in de openbare registers. In dat geval zouden [appellant] ’s ouders, met de eigendom, ook het bezit van pad, poort en strook grond hebben verkregen. Doordat geen akte is opgemaakt en ingeschreven is [naam 2] ook eigenaar daarvan gebleven. [appellant] ’s ouders enerzijds en [naam 2] anderzijds konden in 1959 niet hun bezit van de grond, enkel door een daarop gerichte overeenkomst, scheiden van het hoofdrecht, de eigendom. Een dergelijke scheiding van bezit en eigendom is in strijd met het wettelijk stelsel. Met een overeenkomst die strekt tot overdracht van bezit, terwijl de vervreemder zich zijn eigendomsrecht (uitdrukkelijk of impliciet) voorbehoudt, wordt in beginsel geen bezitsovergang bewerkstelligd. Zie Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/149: recht en bezit van (onroerende) zaken kunnen niet door een daartoe strekkende overeenkomst worden gescheiden. Dit kan onder omstandigheden anders zijn, wanneer vooruitlopend op een geplande levering in het kader van een eigendomsoverdracht een koper krachtens de rechtsverhouding met de verkoper wordt gerechtigd om zich over het verkochte de feitelijke macht te verschaffen en deze macht op zodanige wijze uit te oefenen dat naar de in het verkeer geldende opvattingen de koper moet worden beschouwd als bezitter van het verkochte. Dat van een dergelijke uitzonderingssituatie in dit geval sprake was, is echter gesteld noch gebleken.

4.8.3.

Evenmin is gesteld of gebleken dat de ouders van [appellant] het bezit van de strook grond hebben verkregen door ondubbelzinnige inbezitneming. Gelet op de gestelde overeenkomst van “grondruil” en de stelling van [appellant] dat het de bedoeling was om ooit de eigendomssituatie daaraan te passen (maar dat het er nooit van gekomen is) zal [naam 2] bij de ingebruikneming van de strook grond door [appellant] ’s ouders niet hebben gedacht, noch hebben hoeven denken, dat [appellant] ’s ouders de strook grond voor zichzelf wilden houden, maar juist dat zij deze strook tot aan de eventuele overdracht van (bezit en) eigendom voor [naam 2] hielden. Daarom kon, los van de eventuele wil om te bezitten van [appellant] ’s ouders en van [appellant] zelf, ook geen sprake zijn geweest van ondubbelzinnig bezit.

Gesteld noch gebleken is dat er in een later stadium sprake van is geweest dat [appellant] ’s ouders of [appellant] door een handeling van [naam 2] (respectievelijk van [geïntimeerden] ) bezitter zijn geworden van de strook grond, of dat zij tegenspraak hebben gedaan van het recht van [naam 2] c.q. [geïntimeerden] op de wijze als door artikel 3:111 BW bedoeld.

4.8.4.

Dit betekent, uitgaande van de door [appellant] gestelde “grondruil”, dat [appellant] ’s ouders slechts het houderschap voor [naam 2] over de “geruilde” grond hebben verkregen, en geen bezit. Zij hebben dus ook nooit meer dan het houderschap daarover aan [appellant] en zijn broer en zus kunnen verschaffen. Evenmin is sprake van een in artikel 3:111 BW beschreven situatie, die maakt dat [appellant] ’s ouders of [appellant] alsnog van houder tot bezitter zijn geworden. [appellant] is in 1984 mede-houder voor [naam 2] geworden, en nadat de eigendom van de strook grond in 1989 op [geïntimeerden] overging, werd hij eerst mede-houder voor [geïntimeerden] en later volledig houder voor hen.

4.8.5.

Tijdens het pleidooi heeft [appellant] nog gesteld dat een vergelijkbare “grondruil”- overeenkomst vóór 1959 al was gesloten tussen de familie [naam 2] en de rechtsvoorgangers van zijn ouders. Niet duidelijk is geworden of deze afspraak toen, vóór 1959, al was nagekomen zodat deze slechts werd herbevestigd door [naam 2] met de ouders van [appellant] , of dat de ouders van [appellant] daaraan voor het eerst in 1959 uitvoering hebben gegeven. Voor de hierboven gegeven overweging maakt dit niet uit. In het eerste geval is de positie van de rechtsvoorgangers van [appellant] ’s ouders overgegaan op die ouders, en werden zij met betrekking tot die strook slechts houders voor [naam 2] . Ook in dat geval hebben zij daarna niet meer dan dat kunnen nalaten/overdragen aan hun kinderen.

4.9.

Dit betekent dat, nu [appellant] slechts houder is geweest van de strook grond (en het deel van het pad met daarop de poort) voor éérst [naam 2] en daarna [geïntimeerden] , er geen verkrijgende of (verkrijging na) bevrijdende verjaring kan zijn opgetreden op 1 januari 1993 (of daarna). Het hof verwijst naar de overwegingen van de rechtbank in rov 4.3. en 4.4. van het bestreden vonnis op dit punt, en maakt deze tot de zijne.

De grieven falen daarmee.

4.10.

Grief V is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerden] niet onrechtmatig hebben gehandeld. Deze grief faalt eveneens, omdat [geïntimeerden] als eigenaren van de strook grond, gerechtigd waren te handelen zoals zij deden, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen.

Slot

4.11.

Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Daarmee is gegeven dat grief VI, gericht tegen de proceskostenveroordeling, eveneens faalt. In hoger beroep zal [appellant] , als in het ongelijk gesteld partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis, op 25 oktober 2017 tussen partijen gewezen door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht,

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerden] tot op heden begroot op € 318,00 aan griffierecht en € 3.342,00 aan salaris advocaat;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.G. Fikkers, W.J.J. Beurskens en R.W. Karskens en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 4 mei 2021.

griffier rolraadsheer