Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:1342

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
19-05-2021
Zaaknummer
200.199.199_01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

waardering onderneming na einde vof

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.199.199/01

arrest van 4 mei 2021

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] .

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: rnr. A.W. Boer te Zeist,

tegen

[de Groep] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: rnr. R.H.J.M. Silvertand te Waalwijk.

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 31 maart 2020 in het hoger beroep

van het door de rechtbank Middelburg gewezen tussenvonnis van 8 augustus 2012 en het

door de rechtbank Zeeland-West-Brabant. zittingsplaats Middelburg onder zaak-/rolnummer

67357 / HA ZA 09-197 gewezen eindvonnis van 9 maart 2016. De nummering van de

paragrafen in voormeld tussenarrest van 31 maart 2020 zal hierna worden voortgezet.

14 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 31 maart 2020;

- het deskundigenbericht van 8 juni 2020:

- de akte na deskundigenbericht van [appellant] ;

- de antwoordmemorie na deskundigenbericht van [geïntimeerde] .

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken.

15 De verdere beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

15.1.

Bij genoemd tussenarrest zijn de deskundige de navolgende nadere vragen gesteld:

a. a) wilt u gemotiveerd aangeven waarom voor het bepalen van de waarde van de

onderneming slechts de arbeidsbeloning voor [appellant] relevant is, of dient ook de

arbeidsbeloning voor [geïntimeerde] in aanmerking te worden genomen?

b) wilt u vermelden wat het bedrag van de arbeidsbeloning voor [geïntimeerde] is en dat

onderbouwen?

15.2.

Op de vraag onder a) heeft de deskundige als volgt geantwoord:

“In eerste instantie dient voor de bepaling van de waarde van de onderneming volgens de

SDCF-methode, de marktconforme vergoeding van [geïntimeerde] ten laste van het

resultaat te worden gebracht. Vervolgens dient deze zelfde marktconforme vergoeding van

[geïntimeerde] ten gunste van het resultaat te worden gebracht. Voor de bepaling van de

SDCF-waarde van de onderneming heeft de marktconforme vergoeding van de kopende

partij, in casu [geïntimeerde] -groep, dus geen invloed op de ondernemingswaarde.

Feitelijk blijft dus alleen de marktconforme vergoeding van [appellant] over die

relevant is.”

15.3.

Voor de bepaling van de waarde in het economische verkeer van de onderneming van de voormalige vennootschap onder firma van partijen dient naar het oordeel van het hof [geïntimeerde] als een derde te worden beschouwd, die de onderneming wil kopen tegen een prijs die daarvoor in het economische verkeer zou worden betaald. Voor de bepaling van die prijs gaat het hof uit van de overwinst van de onderneming, te weten het resultaat, verminderd met de arbeidsbeloningen van de eigenaren van de onderneming, [appellant] en [geïntimeerde] . Voor het weglaten van de arbeidsvergoeding van [geïntimeerde] vanwege het feit dat zij als enig eigenaar de onderneming overneemt en voortzet, ziet het hof voor het bepalen van de waarde van de onderneming geen redelijke grond. Het hof blijft dus bij haar oordeel dat ook de arbeidsbeloning van [geïntimeerde] in aanmerking moet worden genomen voor de bepaling van de overwinst en daarmee van de waarde van de onderneming

15.4.

De deskundige heeft op de vraag onder b) geantwoord:

De arbeidsbeloning voor [geïntimeerde] bedraagt € 62.192.

Voor wat betreft de benadering van een marktconforme vergoeding voor de prestaties van

[geïntimeerde] is aansluiting gezocht bij het functiewaarderingssysteem dat geldt binnen de

GGZ Zorg (FWG 3.0). [geïntimeerde] kwalificeert naar onze mening als een GZ

psycholoog die ingedeeld dient te worden in functiegroep 65. Hierbij geldt een minimum

salaris van € 3.469 en een maximum van € 4.655. Dit komt neer op een gemiddeld salaris

van € 4.062. Op jaarbasis inclusief vakantietoeslag betekent dit € 52.643,52. De kosten

voor een werkgever bedragen dan € 62.192 dit is eveneens de arbeidsbeloning voor

[geïntimeerde] .”

15.5.

Het voorgaande is niet betwist zodat de arbeidsbeloning voor [geïntimeerde] op

€ 62.192,00 wordt vastgesteld.

15.6.

Het resultaat (€ 99.383,25; zie tussenarrest 12.11.2), verminderd met de arbeidsbeloningen van [appellant] (€ 47.401,00) en [geïntimeerde] (€ 62.192,00) is negatief, zodat er geen overwinst is. Het hof zal dus bij de bepaling van de waarde van het aandeel van [appellant] per 31 december 2008 als bedoeld in artikel 14 lid 3 van het vennootschapscontract geen goodwill in aanmerking nemen.

15.7.

Het hof blijft bij haar overwegingen en beslissingen, zoals weergegeven in haar tussenarrest van 31 maart 2020.

Bewijsaanbiedingen.

15.8.

De bewijsaanbiedingen van partijen worden gepasseerd omdat er geen -niet vaststaande- stellingen van hen zijn die, indien zij na bewijslevering zouden komen vast te staan, tot een ander oordeel zouden kunnen leiden dan hiervoor en in eerdere arresten is overwogen.

Slotsom.

15.9.

De slotsom op grond van het voorgaande is dat de door [appellant] gevorderde vergoeding van de waarde van zijn aandeel in het vermogen van [geïntimeerde] Zeeland per 31 december 2008 op grond van artikel 14 lid 3 van het vennootschapscontract op nihil wordt gewaardeerd. De hierop betrekking hebbende grieven van [appellant] falen dus.

15.10.

Aangezien het kapitaal van [appellant] bij einde van de vennootschap onder firma

€ 192,00 is, zoals vastgesteld in het deskundigenbericht van 9 augustus 2019 (par. 8, antwoord op vraag 1, eerste zin), welke vaststelling het hof overneemt, heeft [appellant] tot dat bedrag een vordering op grond van artikel 14 lid 7 van het vennootschapscontract. In zover slagen de grieven van [appellant] en voor het overige worden die grieven verworpen. Het voorgaande leidt tot vernietiging van het vonnis van 9 maart 2016 voor zover daarbij in conventie de vordering van [appellant] tot een bedrag van € 192,00 is afgewezen. Voor het overige is die vordering terecht afgewezen en zal voormeld vonnis in conventie voor dat overige worden bekrachtigd.

15.11.

De vordering van [geïntimeerde] vanwege opnamen door [appellant] na 31 december 2008 zal op grond van onverschuldigde betaling worden toegewezen tot een bedrag van

€ 11.565,00, zoals vastgesteld in het deskundigenbericht van 9 augustus 2019, welke vaststelling het hof overneemt. Grief VIII van [appellant] slaagt dus voor zover de rechtbank meer dan voornoemd bedrag heeft toegewezen. De grieven van [geïntimeerde] , voor zover daarin wordt betoogd dat haar in reconventie € 25.071,00 toekomt worden verworpen. Het vonnis van 9 maart 2016 in reconventie gewezen zal worden vernietigd en voornoemd bedrag van € 11.565,00 zal worden toegewezen. De wettelijke rente zal als gevorderd worden toegewezen omdat de in artikel 14 lid 9 van het vennootschapscontract bedongen rente geen betrekking heeft op onverschuldigde betaling. De ingangsdatum van de wettelijke rente zal het hof op 1 januari 2010 stellen, omdat de onttrekkingen in 2009 zijn gedaan.

Proceskosten.

15.12.

[appellant] zal in het principale hoger beroep als de nagenoeg geheel in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in hoger beroep worden veroordeeld. Die kosten worden begroot op door [geïntimeerde] betaald griffierecht van € 1.957,00 en op € 13.112,00 aan salaris van haar advocaat (Tarief V in hoger beroep: € 3.278,00; 4 punten). De kosten van de deskundige bedragen € 15.972,00 en € 1.597,20 en zullen geheel door [appellant] moeten worden gedragen. Het door [geïntimeerde] betaalde deel bedraagt € 7.986,00 en € 798,60 en dit zal [appellant] aan [geïntimeerde] moeten vergoeden. De totale kostenveroordeling beloopt dan € 23.853,60.

15.13.

In het incidentele hoger beroep wordt [geïntimeerde] als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen. Deze worden begroot op € 6.556,00 aan salaris advocaat (de helft van het tarief in principaal hoger beroep).

16 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt het vonnis van 9 maart 2016 uitsluitend voor zover in conventie een bedrag van

€ 192,00 is afgewezen en in zover opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerde] aan [appellant] € 192,00 te betalen;

vernietigt het vonnis van 9 maart 2016 uitsluitend voor zover in reconventie een bedrag van € 14.390,49 is toegewezen en in zover opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [appellant] aan [geïntimeerde] € 11.565,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 1 januari 2010;

veroordeelt [appellant] aan [geïntimeerde] haar proceskosten in het principaal hoger beroep te betalen, welke kosten worden begroot op € 23.853,60;

veroordeelt [geïntimeerde] aan [appellant] zijn proceskosten in het incidenteel hoger beroep te betalen, welke kosten worden begroot op € 6.556,00;

verklaart voormelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden vonnissen voor het overige;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. O.G.H. Milar, J.J. Verhoeven en G.J.S. Bouwens en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 4 mei 2021.

griffier rolraadsheer