Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:1341

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
19-05-2021
Zaaknummer
200.120.854_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZUT:2007:570
Herstelarrest: ECLI:NL:GHARN:2009:BL8328
Na prejudiciële beslissing van : ECLI:NL:HR:2011:BR0119
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Verwijzing na Hoge Raad
Inhoudsindicatie

Na verwijzing in cassatie. Tegenstrijdig belang. Persoonlijk ernstig verwijt. Transacties waarbij projecten zijn overgedragen aan het partner. Schadestaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.120.854/01

arrest van 4 mei 2021

in de zaak van

1 M.E. Beheer B.V.,

2. Stichting Administratiekantoor M.E. Beheer,

3. Embo Vastgoed B.V.,

4. [appellant 4],

5. [appellant 5],

appellanten 1, 2 en 3 gevestigd te [vestigingsplaats] , appellante 4 wonende te [woonplaats] , appellante 5 wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

advocaat: mr. M.J. Elkhuizen te Amsterdam,

tegen

1 [geïntimeerde 1] ,

2. Weva Consultants B.V.,

3. [geïntimeerde 3],

4. Bo-Investex N.V.,

geïntimeerden 1 en 2 wonende respectievelijk gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerde 3 wonende te [woonplaats] (België) en geïntimeerde sub 4 gevestigd te [vestigingsplaats] (België),

geïntimeerden,

advocaat: mr. Y. Wehrmeijer te Amsterdam,

als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 24 november 2015, 26 juli 2016, 24 oktober 2017, 15 mei 2018, 21 mei 2019 en 14 april 2020 in het geding na verwijzing door de Hoge Raad bij onder zaaknummer 10/01072 gewezen arrest van 14 oktober 2011, waarbij is vernietigd het arrest van het hof Arnhem van 10 november 2009, gewezen onder zaaknummer 200.008.617, in hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Zutphen van 21 mei 2008, gewezen onder zaaknr/rolnr. 82567 / HA ZA 06-1497.

Het hof zal de nummering van het tussenarrest van 14 april 2020 voortzetten.

23 Het tussenarrest van 14 april 2020

Bij genoemd arrest heeft het hof de adviezen van de deskundigen en de standpunten van partijen daarover uiteengezet en een mondelinge behandeling gelast voor een nadere toelichting door de deskundigen en voor nader debat.

24 Het verdere verloop van de procedure

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- de mondelinge behandeling, die heeft plaatsgevonden op 12 januari 2021.

Ten slotte is bepaald dat arrest zal worden gewezen op grond van de overgelegde stukken.

25 De verdere beoordeling

25.1.

Het hof verwijst naar het arrest van 15 april 2020 voor een uitvoerige beschrijving van de adviezen van de deskundigen en de standpunten van partijen daarover.

Het gaat daarbij om de beoordeling van de thema’s “tegenstrijdig belang” en “persoonlijk ernstig verwijt” en de vorderingen van M.E. Beheer c.s. tot vernietiging en tot vergoeding van schade.

25.2.

De deskundigen hebben tijdens de mondelinge behandeling van 12 januari 2021 verklaard dat zij na kennisname van de standpunten van partijen achter hun adviezen staan. Zij hebben deze adviezen ook nader toegelicht. De advocaten hebben verder gereageerd op elkaars standpunten en de adviezen van de deskundigen.

Enkele belangrijke feiten in de cruciale periode vóór en na 15 juli 2005

25.3.

Het hof bespreekt in dit onderdeel de naar zijn oordeel belangrijkste feiten in deze cruciale periode:

- relatie [geïntimeerde 1] - [geïntimeerde 3] , bestuur IJsselinvest, vergadering 15 juli 2005;

- overleg [geïntimeerde 1] -erven/certificaathouders in de aanloop naar 15 juli 2005;

- waardering van € 16 miljoen, zoals besproken in 2005;

- stand van zaken na de bestreden transacties.

25.4.

Het hof nuanceert en preciseert in de eerste plaats bij de nadere beoordeling zijn oordeel over enkele feiten die het hof in de tussenarresten eerder al heeft genoemd (4.7.1-4.7.2, 21.5). Het hof gaat thans op deze punten uit van de volgende feiten, die als onweersproken vaststaan, en laat de overige feitelijke stellingen, die zijn benoemd onder 4.7.1, 4.7.2 en 21.5 van de tussenarresten, in het midden, omdat zij niet kunnen leiden tot een ander oordeel dan hierna wordt gegeven.

( a) [geïntimeerde 3] (via aan hem gelieerde vennootschappen) was in 2005 de Belgische partner van M.E. Beheer voor de uitvoering van vastgoedprojecten in België, die ondergebracht waren in (de groep van) IJsselinvest. [geïntimeerde 3] kende [bestuurder M.E. Beheer] al vanaf de jaren ’80 en werkte met hem samen, eerst als ambtenaar van de gemeente Zwolle en later als partner/projectontwikkelaar.

( b) M.E. Beheer (vertegenwoordigd door [geïntimeerde 1] ) en Bo-Investex (vertegenwoordigd door [geïntimeerde 3] ) waren in 2005 bestuurder van IJsselinvest, samen met een ander.

( c) De erven/certificaathouders hebben tijdens een vergadering van certificaathouders op 15 juli 2005 in elk geval tegen [geïntimeerde 1] gezegd:

(i) dat zij “weinig” vertrouwen in hem hadden (zie de notulen van de vergadering van die dag, waarnaar de advocaat van [geïntimeerde 1] heeft verwezen tijdens de mondelinge behandeling van 12 januari 2021);
(ii) dat zij de handtekening onder een belangrijk document van 24 december 2002 (notulen van een vergadering) betwistten;
(iii) dat zij een onderzoek wensten naar de financiële administratie van M.E. Beheer.

De vergadering van 15 juli 2005 heeft naar het oordeel van het hof veel gewicht bij de beoordeling, omdat de bestreden transacties ongeveer drie weken later (9 augustus 2005), zonder nader overleg met de erven/certificaathouders, zijn uitgevoerd.

25.5.

Het hof wijst er in deze context verder op dat [geïntimeerde 1] in 2005 gedurende vele jaren voor [bestuurder M.E. Beheer] en de onderneming, en ook (indirect) voor de erven/certificaathouders, heeft gewerkt (“met raad en daad ten dienste”), waarbij het ging om inspanningen ter behartiging van hun belangen, en dat [geïntimeerde 1] in de maanden voorafgaand aan 15 juli 2005 meermalen overleg heeft gevoerd met de erven/certificaathouders en hun adviseur [adviseur] . Dit overleg ging over de stand van zaken in de onderneming na het overlijden van [bestuurder M.E. Beheer] en de noodzaak (volgens [geïntimeerde 1] ) om (op korte termijn) maatregelen te treffen. Partijen zijn het hierover eens.

25.6.

Het hof overweegt ook dat de erven/certificaathouders in de periode na het overlijden van [bestuurder M.E. Beheer] successierecht hebben betaald op basis van een waardering van (de onderneming van) M.E. Beheer in de orde van grootte van € 16 miljoen. De erven/certificaathouders hebben deze waardering (in de periode voor de zomer van 2005, en voordat zij successierecht betaalden) besproken met [geïntimeerde 1] . [geïntimeerde 1] heeft de waardering aan hen gepresenteerd en daarbij gezegd dat het ging om een balanswaardering (per eind 2003) en dat een dergelijke waardering afhankelijk was van het succes van lopende projecten en dus niet hetzelfde was als daadwerkelijke opbrengsten of contante middelen. Deze punten staan als onweersproken vast en [geïntimeerde 1] heeft tijdens de mondelinge behandeling van 12 januari 2021 langs deze lijnen verklaard.

25.7.

De feiten na de bestreden transacties zijn dat:
- een aanzienlijk deel (volgens M.E. Beheer c.s. tijdens de mondelinge behandeling van 12 januari 2021 onvoldoende weersproken: 80%) van de ondernemingsactiviteiten van M.E. Beheer was verkocht, te gelde gemaakt en afgewikkeld en dat

- M.E. Beheer een bedrag in de orde van grootte van € 3,2 miljoen en vastgoed in Duitsland heeft ontvangen.

Partijen verschillen van mening over de vraag of het bedrag van € 3,2 miljoen in verband staat met de transacties (dan wel in elk geval zou zijn ontvangen) en over de vraag hoeveel het vastgoed in Duitsland waard is (een paar ton, of bijna een miljoen). Hoe dan ook, in het best case scenario (standpunt [geïntimeerden] ) gaat het om een opbrengst in de orde van grootte van € 4 miljoen voor een aanzienlijk deel (in de orde van grootte van 80%) van een onderneming die enkele weken/maanden eerder, in elk geval op papier met het oog op de betaling van successierecht, werd gewaardeerd op een bedrag in de orde van grootte van € 16 miljoen. In het worst case scenario (standpunt M.E. Beheer) gaat het om een opbrengst van in wezen nihil, omdat het bedrag van € 3,2 miljoen toch zou zijn ontvangen (openstaande vordering) en omdat het Duitse vastgoed weinig waarde had.

25.8.

Het hof memoreert dat de hiervoor weergegeven feiten schreeuwen om een duidelijke, ondubbelzinnige verklaring, zelfs in het best case scenario. Bijvoorbeeld een gedegen onderzoek en een deugdelijke analyse, waaruit serieuze nieuwe ontwikkelingen blijken, waardoor de onderneming het grootste deel van haar waarde in een korte periode heeft verloren of waaruit blijkt dat sprake was van een noodtoestand die noodzaakte tot de ingrijpende maatregelen die [geïntimeerde 1] heeft genomen. [geïntimeerde 1] heeft geen adequate toelichting aangereikt over een dergelijk onderzoek of een dergelijke analyse. Het hof zal zijn oordeel hierover hierna verder uitwerken.

De deskundigen Hoiting en Van Steensel: liquiditeit en maatregelen

25.9.

Het hof acht de rapporten van de deskundigen, bezien in samenhang met de nadere toelichting tijdens de mondelinge behandeling van 12 januari 2021, naar behoren gemotiveerd, betrouwbaar en overtuigend. Het hof neemt de conclusies van de deskundigen over en maakt deze tot de zijne.

25.10.

Het hof verwijst naar de uitvoerige weergave van de rapporten, de conclusies en de motivering in het laatste tussenarrest. De liquiditeit in de zomer van 2005 is weergegeven onder 21.8 en 21.10 (in het laatste tussenarrest). Het hof verwijst verder in het bijzonder naar de toelichting van Hoiting, die is weergegeven onder 21.9 tot en met 21.15 van het laatste tussenarrest, over de liquiditeit en de mogelijke maatregelen.

25.11.

De standpunten van partijen met betrekking tot de rapporten van deskundigen Hoiting en Van Steensel zijn weergegeven in het laatste tussenarrest onder 21.21 tot en met 21.23.

25.12.

Het hof gaat hieronder in op die standpunten, voor zover relevant in dit stadium.

25.13.

Het hof verwerpt het standpunt van M.E. Beheer c.s. dat de deskundigen zich hadden moeten beperken tot de liquiditeitspositie van M.E. Beheer, zonder rekening te houden met gelieerde vennootschappen. Het hof wenste immers inlichtingen te ontvangen over de economische realiteit in de vennootschap en over de ondernemingsactiviteiten van deze vennootschap. Het gaat om een holding, die zich toelegt op projectontwikkeling, in het bijzonder het financieren van projecten, al dan niet met partners, en al dan niet ondergebracht in dochtervennootschappen. Daarom behoren de projecten en de relaties met gelieerde vennootschappen en partners tot de economische realiteit waarmee M.E. Beheer rekening moest houden. Het bestuur van M.E. Beheer moest bij zijn oordeelsvorming in de zomer van 2005 in deze context opereren. De deskundigen hebben dan ook op goede gronden rekening willen houden met de gelieerde vennootschappen.

25.14.

De overige standpunten van M.E. Beheer c.s. kunnen in dit stadium onbesproken blijven. Het gaat bij die standpunten om een aanscherping of precisering van de adviezen van deskundigen op punten die niet van belang zijn voor het oordeel van het hof hierna.

25.15.

[geïntimeerden] is zeer uitvoerig ingegaan op de rapporten van de deskundigen Hoiting en Van Steensel (21.23 van het laatste tussenarrest).

25.16.

Het hof beoordeelt de standpunten van [geïntimeerde 1] c.s hieronder, in aanvulling op de overweging hiervoor.

( a) Standpunt 21.23 (1): er was sprake van een onoverkomelijk liquiditeitstekort.
Het hof acht gelet op de rapporten en de toelichting van de deskundigen Hoiting en Van Steensel bewezen dat in de zomer van 2005 (nog) geen sprake was van een onoverkomelijk liquiditeitstekort, althans het hof is gelet op deze rapporten en toelichting van oordeel dat [geïntimeerde 1] als bestuurder van M.E. Beheer, zonder nader onderzoek en zonder nader overleg met de erven/certificaathouders, niet mocht uitgaan van een dergelijk onoverkomelijk tekort als grondslag voor de bestreden transacties van 9 augustus 2005. [geïntimeerden] wijst op (juridisch afdwingbare dan wel economisch noodzakelijke) verplichtingen om projecten te financieren. [geïntimeerden] meent dat de deskundige Hoiting deze verplichtingen uit het oog heeft verloren. Dat is naar het oordeel van het hof een onjuiste weergave van het advies van deze deskundige. De deskundige Hoiting heeft niet geconcludeerd dat M.E. Beheer had moeten stoppen met het financieren van dochters (dat zou inderdaad tot grote verliezen hebben kunnen leiden), maar hij heeft wel geconcludeerd dat M.E. Beheer in de zomer van 2005 voldoende tijd en ruimte had om de situatie te managen. Dat betekent dat M.E. Beheer voorlopig geen (volledige) financiering zou verstrekken en met alle betrokkenen, zoals de partners en de erven/certificaathouders, overleg zou voeren, bijvoorbeeld over de mogelijke oplossingen (zoals afspraken met partners of schuldeisers). De deskundige Hoiting ziet voldoende ruimte in de situatie in de zomer van 2005 om langs deze lijnen, naar verwachting, aanzienlijk betere oplossingen te bereiken. Het hof neemt dit advies van de deskundige over een verwerpt het standpunt van [geïntimeerden]

( b) Standpunt 21.23 (2)(a)-(h), (j)-(k): vorderingen oninbaar, schulden wel urgent?
Het hof overweegt dat [geïntimeerden] ook hier het advies van de deskundige Hoiting niet juist heeft weergegeven. [geïntimeerden] gaat uit van absolute kwalificaties (oninbaar of niet, urgent of niet?). De deskundige Hoiting heeft een genuanceerder beeld geschetst. In zijn visie was er ook op dit terrein voldoende ruimte in de zomer van 2005 om de situatie te managen. Dat betekent niet dat de (mogelijke) vorderingen direct geheel konden worden geïncasseerd, of de (mogelijke) schulden direct geheel konden worden betaald. De deskundige heeft wel geadviseerd dat het bestuur van M.E. Beheer onderzoek had moeten doen naar de mogelijkheden om (geparafraseerd) alle ballen of de meeste ballen of meer ballen tegelijk in de lucht te houden. Dat hoort volgens de deskundige bij uitstek bij projectontwikkeling. De deurwaarder stond in geen geval voor de deur, aldus de deskundige. De fiscus kon volgens hem naar alle waarschijnlijkheid enige tijd wachten (nog geen aanslag, of beslissing over het pensioenfonds). De erven konden wellicht een substantieel bedrag inbrengen. De partners in België en Duitsland zouden wellicht in overleg bereid zijn een passende, betere oplossing in overweging te nemen. Al deze mogelijkheden moesten volgens de deskundige worden onderzocht. Overleg was geïndiceerd met alle betrokkenen: de partners in België en Duitsland, de inspecteur, de erven/certificaathouders, wellicht ook banken. Dit zijn (met uitzondering van de inspecteur) gelieerde partijen die in een groter geheel samenwerken. Dat biedt ruimte voor overleg. Natuurlijk is het niet goed als bouwprojecten stil liggen, zo heeft de deskundige beaamd in antwoord op kritiek van [geïntimeerden] , maar enige vertraging was zeer wel de moeite waard voor onderzoek en overleg. De deskundige heeft hierbij betrokken dat de bestreden transacties van 9 augustus 2005 zeer ingrijpend waren: verkoop van het grootste deel van de onderneming. Het verwijt aan het bestuur van M.E. Beheer heeft alles te maken met de haast en de timing – de transacties zijn op 9 augustus 2005 uitgevoerd (ongeveer drie weken na het laatste contact met de erven/certificaathouders), het vereiste onderzoek heeft niet plaatsgevonden en het vereiste overleg (in elk geval: specifiek over de voorgenomen transacties en mogelijke alternatieve oplossingen) is niet gevoerd. Het hof neemt de conclusie van de deskundige op deze punten over en verwerpt het standpunt van [geïntimeerden] Het hof herhaalt dat in dit stadium onzeker is of (aanzienlijk betere) alternatieve oplossingen zouden zijn bereikt, indien het bestuur onderzoek zou hebben gedaan. Dat is echter een thema voor de na te melden schadestaatprocedure.

( c) Standpunt 21.23 (i): banksaldi Belgische deelnemingen
[geïntimeerden] sluit “kruisbestuiving” uit: contante middelen bij de Belgische deelnemingen moesten voor de Belgische projecten worden gereserveerd of aangewend en waren volgens hem in de zomer van 2005 niet vrij beschikbaar voor het project in Duitsland of voor andere doeleinden.
Het hof verwijst naar de overwegingen onder (a) en (b) hiervoor. Het gaat steeds om het aspect van de timing en het managen van de situatie. Het klopt ongetwijfeld wel dat de Belgische deelnemingen niet direct alle contante middelen (die op enig moment ook nodig zouden zijn voor hun eigen projecten) hadden willen opgeven, maar de deskundige ziet voldoende ruimte voor onderzoek en overleg met alle betrokkenen, inclusief de Belgische partner [geïntimeerde 3] , en vindt dat er een reële kans was op een betere oplossing. Het hof neemt deze conclusie over en verwerpt het standpunt van [geïntimeerden]

( d) Standpunt 21.23 (m): opbrengst Robex en “denkfout”?

[geïntimeerden] meent dat de deskundige de waarde van het vastgoed uit het oog heeft verloren in het best case scenario.

Het hof verwerpt ook dit standpunt. De deskundige heeft bij zijn best case scenario (bladzijde 28 onderaan) genoteerd: “ontvangt M.E. Beheer (naast vastgoed ad €994K) (…)”. Uit deze passage, in samenhang met de passage daarna, blijkt dat de deskundige zich wel degelijk rekenschap heeft gegeven van de ontvangst van het vastgoed, maar het vastgoed niet heeft beschouwd als liquiditeit. Niets is aangevoerd waaruit volgt dat deze zienswijze van de deskundige, die goed is gemotiveerd is, onjuist zou zijn.

( e) Standpunt 21.23 (n): liquiditeitsplanningen.
[geïntimeerden] betoogt dat dergelijke planningen wel degelijk zijn opgemaakt, maar dat de erven/certificaathouders geen toegang hebben willen verlenen tot het kantoor waar de planningen beschikbaar waren, na een arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden in het voordeel van de erven/certificaathouders.
Het hof verwerpt dit standpunt omdat [geïntimeerden] niet aan de hand van concrete feiten heeft toegelicht dat hij ooit heeft verzocht toegang te mogen hebben tot het kantoor. Hij heeft zich aldus niet de vereiste redelijke inspanningen getroost om de liquiditeitsplanningen te kunnen aanleveren bij de deskundigen. Zijn standpunt is dan ook onvoldoende onderbouwd.

( f) Standpunt 21.23 (3)(a)-(f) en (4): complexe situatie, geen betere opties.
[geïntimeerden] beschrijft het commerciële risico van het pand in [plaats] en de (juridisch afdwingbare dan wel commercieel noodzakelijke) verplichtingen voor projecten in Duitsland en in België en de kosten voor een project in België. Hij vindt dat hij niet anders kon beslissen dan tot verkoop van de Belgische deelnemingen en Robex, zoals is gebeurd bij de bestreden transacties van 9 augustus 2005.
Het hof verwerpt dit standpunt om de redenen die hiervoor al zijn uiteengezet. Het gaat steeds om het aspect van de timing en het managen van de situatie. De optelsom van alle verplichtingen en kosten levert inderdaad een complexe situatie op, maar het was niet noodzakelijk aan al die verplichtingen direct te voldoen. De deurwaarder stond niet op de stoep. Schuldeisers stonden niet klaar een faillissement aan te vragen. De deskundige Hoiting ziet voldoende ruimte om in een dergelijke situatie betere oplossingen te bereiken, zoals hiervoor is overwogen.
Het hof merkt hierbij op dat een bankfinanciering in de orde van grootte van € 7 miljoen kort na de bestreden transacties van 9 augustus 2005 wel mogelijk is gebleken, zoals M.E. Beheer c.s. onweersproken heeft toegelicht tijdens de mondelinge behandeling van 12 januari 2021. [geïntimeerden] is niet voldoende ingegaan op de vraag waarom en hoe die financiering toen wel mogelijk was, maar vóór de bestreden transacties (volgens hem) niet mogelijk was. Niets is aangevoerd over wezenlijke nieuwe feiten, zoals een zeer kapitaalkrachtige nieuwe partner of nieuwe zekerheden. Integendeel, [geïntimeerde 3] heeft het Belgische project bij die transacties verworven en M.E. Beheer c.s. stelt onweersproken dat hij in die periode bepaald niet kapitaalkrachtig was. Daarom is het standpunt van [geïntimeerden] dat bankfinanciering in de zomer van 2005 niet mogelijk was, niet voldoende onderbouwd. Zoals hiervoor is overwogen, gaat het er in de kern om dat het bestuur van M.E. Beheer op wezenlijke punten zoals een bankfinanciering onvoldoende onderzoek heeft gedaan en onvoldoende overleg heeft gevoerd met alle betrokkenen, inclusief de erven/certificaathouders. [geïntimeerden] is wel uitvoerig ingegaan op bepaalde problemen in de onderneming (onder meer op financieel terrein en in de relaties met banken), waardoor volgens hem nieuwe bankkredieten uitgesloten waren. Deze standpunten, als die al komen vast te staan, nemen niet weg dat [geïntimeerde 1] het vereiste overleg niet heeft gevoerd. Het thema van financiële problemen kan wel aan de orde komen in de na te melden schadestaatprocedure.

25.17.

Het hof heeft de rapporten van de deskundigen Van Steensel en Hoiting hiermee voldoende besproken. Het hof neemt hun conclusies over en maakt deze tot de zijne, zoals hiervoor al is overwogen.

De deskundige Van Heesbeen: vastgoed in Duitsland

25.18.

Het hof acht ook het rapport van de deskundige Van Heesbeen, bezien in samenhang met de nadere toelichting tijdens de mondelinge behandeling van 12 januari 2021, naar behoren gemotiveerd, betrouwbaar en overtuigend. Het hof neemt de conclusies van de deskundige over en maakt deze tot de zijne.

25.19.

Het hof verwijst naar de uitvoerige weergave van het rapport, de conclusies en de motivering in het laatste tussenarrest, in het bijzonder onder 21.17 tot en met 21.19. Het hof neemt bij de beoordeling de gehele inhoud van het rapport in aanmerking.

25.20.

Het standpunt van [geïntimeerden] met betrekking tot de adviezen van de deskundige Van Heesbeen zijn omschreven onder 21.19 en 21.23 (5) van het laatste tussenarrest.

25.21.

De deskundige heeft tijdens de mondelinge behandeling van 12 januari 2021 verklaard dat hij achter zijn adviezen staat en dat hij in zijn eindrapport is ingegaan op de standpunten van [geïntimeerden]

25.22.

Het advies komt er in de kern op neer:

- dat de deskundige zich wel degelijk rekenschap heeft gegeven van de situatie ter plaatse en de regels en gewoontes in Duitsland;

- dat de deskundige de “Bodenrichtwerte” (die voornamelijk van belang zijn voor de heffing van belastingen) bij het onderzoek heeft betrokken;

- dat het voor de bepaling van de marktwaarde in 2005 niet nodig was een “Gutachter” in te schakelen;

- dat een groot deel van de desbetreffende grond niet ontsloten was, waardoor de waarde, gezien de kosten van ontsluiting, gering was (meer in de richting bosgrond dan bouwgrond); en

- dat de waarde dus conform het rapport moet worden vastgesteld en dat de prijzen in de bestreden transacties niet marktconform en niet redelijk waren.

25.23.

Het hof neemt de conclusies van de deskundige over en verwerpt het standpunt van [geïntimeerden] is niet ingegaan op de concrete situatie ter plaatse in 2005 (of ten tijde van het onderzoek of nu). Hij heeft niet uitgelegd dat en waarom het hof zou moeten aannemen dat de (mate van) ontsluiting in 2005, en het niveau van de kosten om tot goede ontsluiting te komen, zodanig waren dat de waarde wezenlijk anders moet zijn dan zoals door de deskundige gerapporteerd. Zijn standpunt dat de waarde veel hoger moet zijn geweest, is dus niet voldoende onderbouwd.

25.24.

Het hof bespreekt nog twee standpunten van [geïntimeerden] :

( a) [geïntimeerden] voert aan dat het gaat om een waarde die door [bestuurder M.E. Beheer] zelf is vastgesteld.
Echter, naar het oordeel van het hof is onweersproken dat dat voor [bestuurder M.E. Beheer] een verkoopprijs was (de waarde die de onderneming daarvoor minimaal wilde hebben in de markt). Die opvatting van [bestuurder M.E. Beheer] kan daarom niet zonder nadere toelichting, die ontbreekt, als rechtvaardiging worden gebruikt voor de prijs in het kader van een transactie waarbij de grond aan M.E. Beheer (dus de holding van de onderneming zelf) wordt verkocht. Het hof verwerpt dit standpunt van [geïntimeerden]

( b) [geïntimeerden] voert ook aan dat de waarde, gezien de constructie van de transacties van 9 augustus 2005, niet uitmaakt. De gedachte is (lijkt te zijn) dat een deel (het restant) van de vordering van M.E. Beheer toch wegvalt als oninbaar of na verrekening of overdracht, en dat het dus niet uitmaakt of een groter of kleiner deel van de vordering als koopprijs voor de grond wordt verrekend.
Het hof verwerpt ook dit standpunt. Het klopt wel dat de waardering van de grond, bezien vanuit deze invalshoek, wellicht niet veel toevoegt aan de verwijten. Maar de waardering onderstreept de verwijten wel. Het gaat bij de verwijten om het algehele effect van de transacties en om het ontbreken van voldoende onderzoek en voldoende overleg met alle betrokkenen, zoals meermalen hiervoor is overwogen.

25.25.

Het hof heeft hiermee het rapport van de deskundige Van Heesbeen voldoende besproken. Het hof neemt de conclusies van de deskundige over en maakt deze tot de zijne, zoals hiervoor is overwogen.

Het vervolg van de beoordeling, in het licht van de adviezen van de deskundige

25.26.

De stand van zaken is nu als volgt:

( a) M.E. Beheer en Embo vorderen (tussenarrest, 4.5.6)

- verklaring voor recht, niet gebonden aan de transacties

- vernietiging van de transacties en verklaring voor recht, M.E. Beheer en Embo zijn rechthebbende gebleven van de aandelen

- verklaring voor recht, [geïntimeerde 3] heeft onrechtmatig gehandeld

- verklaring voor recht, [geïntimeerde 1] en Weva Consultants zijn tekortgeschoten en hebben onbehoorlijk bestuurd

- levering van de aandelen (voor zover dit niet al is gebeurd)

- veroordeling van [geïntimeerde 3] , [geïntimeerde 1] en Weva Consultants tot vergoeding van schade

- de proceskosten.

( b) Het gevorderde jegens Bo-Investex ligt niet meer voor (tussenarrest, 4.5.5).

( c) Het hof heeft al beslist over de volgende grieven in het principaal hoger beroep:

- grief III behoeft geen beoordeling (tussenarrest, 4.5.7)

- grieven IV, V, VII en X falen (tussenarrest, 4.6.2 slot, 4.8 slot, 4.9 slot en 4.11.6) en grief IX faalt gedeeltelijk (tussenarrest, 4.9 slot).

( d) De grieven VI, VIII, IX gedeeltelijk en XI en verder in het principaal hoger beroep, en de grief in incidenteel hoger beroep, moeten nog aan de orde komen in het licht van de adviezen van de deskundigen (tussenarrest, 4.7.5, 4.10 en 4.12).

( e) De nadere behandeling spitst zich dus toe op (de nummering volgt de grieven in principaal hoger beroep):
I-II bevoegdheid
VI, VIII-IX, XI-XII: de transacties
XIII-XIV: schadevergoeding
XV-XX: proceskosten, afwijzing en reconventie

en de grief in het incidenteel hoger beroep.

25.27.

Het hof gaat uit van de feiten zoals omschreven in de tussenarresten en hiervoor in dit arrest (zowel de feiten vanaf 25.3 hiervoor en de feiten zoals deze zijn komen vast te staan door de adviezen van de deskundigen).

25.28.

Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde 1] het vereiste persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt (artikel 2:9 BW, artikel 6:162 BW) in zijn hoedanigheid als bestuurder van M.E. Beheer. Dit betekent dat [geïntimeerde 1] aansprakelijk is en de schade, die door het verwijtbaar handelen is veroorzaakt, moet vergoeden. Grieven VIII, IX en XI slagen.

Het hof verwijst naar al het voorgaande en in het bijzonder naar de feitelijke beschouwingen vanaf 25.3 hiervoor en de bevindingen van de deskundige Hoiting onder 25.9 hiervoor. Het hof herhaalt hier de belangrijkste aspecten.

[geïntimeerde 1] (als bestuurder van M.E. Beheer) heeft onvoldoende onderzoek gedaan en hij heeft onvoldoende overleg gevoerd met alle betrokkenen, in het bijzonder de erven/certificaathouders. Hij heeft de erven/certificaathouders ook – na hen gedurende lange tijd “met raad en daad ten dienste” te zijn geweest – op het verkeerde been gezet doordat [geïntimeerde 1] eerst meermalen met hen dan wel hun vertegenwoordiger [adviseur] overleg heeft gevoerd, en vervolgens, zonder nader overleg en zonder informatie over de voorgenomen transacties voor te leggen, zeer snel (binnen ongeveer drie weken na 15 juli 2005) de transacties heeft uitgevoerd. De voor [geïntimeerde 1] kenbare belangen van de erven/certificaathouders en de relatie tussen deze partijen, gedurende lange tijd, zijn belangrijke elementen in de beoordeling, evenals de vertrouwensband die daaruit volgt. [geïntimeerde 1] heeft het concrete plan voor de transacties niet aan de erven/certificaathouders voorgelegd en hij heeft de erven/certificaathouders niet gewaarschuwd dat hij op zeer korte termijn een aanzienlijk deel van de onderneming ging verkopen/vereffenen om de lopende problemen op te lossen. Er was tijd voor het vereiste onderzoek, zoals de deskundige Hoiting heeft geconcludeerd. Hij heeft de erven/certificaathouders, die de wens hadden geuit om een onderzoek uit te voeren, de kans daartoe ontnomen, evenals de kans om andere, betere oplossingen voor te stellen.

Dit geldt ook indien hij in het overleg in de zomer van 2005 de volgens hem bestaande noodzaak met bekwame spoed actie te nemen heeft benadrukt en daarbij het verkopen van dochtervennootschappen als een serieuze optie heeft genoemd (zoals [geïntimeerden] aanvoert en ME Beheer c.s. betwist). Het overleg langs deze lijnen moet worden geplaatst in een verkennende fase, waarin allerlei mogelijkheden aan de orde kunnen komen, maar nog geen harde plannen voor definitieve actie op zeer korte termijn bestaan. Dergelijk overleg is daarom niet voldoende voor het in deze zaak vereiste concrete overleg over de voorgenomen transacties (inclusief de timing, namelijk binnen enkele weken).

Bij al het voorgaande komt nog dat [geïntimeerde 1] een belang had in de nieuwe situatie (hij behield dezelfde functie bij de vennootschap). Dit belang is onvoldoende om vernietiging op grond van tegenstrijdig belang aan te nemen (zie hierna), maar het weegt wel mee bij de beoordeling van het persoonlijk ernstig verwijt.

[geïntimeerden] voert aan dat de erven/certificaathouders eind augustus 2005 door tussenkomst van hun advocaat zouden hebben ingestemd met de bestreden transacties. Het enige concrete feit dat [geïntimeerden] in dit verband noemt is echter dat de advocaat “met begrip” heeft gereageerd en heeft geschreven dat de “gegeven uitleg op de besproken geschilpunten niet onaannemelijk voorkwam”. Uit die bewoordingen kan, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, geen instemming (of afstand van recht) worden afgeleid. Dit geldt ook in samenhang met het standpunt van [geïntimeerden] dat weken voorbij zijn gegaan zonder nadere acties van de erven/certificaathouders om de bestreden transacties tegen te houden en dat zij hebben meegewerkt aan de afwikkeling. Het hof verwerpt dit standpunt als onvoldoende onderbouwd.

De conclusie is dat [geïntimeerde 1] een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het gaat hier om een onmiskenbare tekortkoming waarover geen redelijk oordelend en verstandig ondernemer twijfelt.

Het hof overweegt ten aanzien van Weva Consultants dat [geïntimeerde 1] tot aan het overlijden van [bestuurder M.E. Beheer] door tussenkomst van Weva Consultants werkzaamheden heeft verricht voor M.E. Beheer (tussenarrest, 4.1 onder e). Na het overlijden van [bestuurder M.E. Beheer] , in de relevante periode in de zomer van 2005 en daarna, heeft [geïntimeerde 1] zelf als bestuurder (dan wel mede als gemachtigde) van M.E. Beheer gehandeld (dus niet door tussenkomst van Weva Consultants). Het hof is van oordeel dat Weva Consultants bij deze stand van zaken niet (op grond van een tekortkoming of een onrechtmatige daad) aansprakelijk is in verband met de bestreden transacties. Weva Consultants had met die transacties niets te maken, althans de vereiste mate van betrokkenheid is tegenover de betwisting door [geïntimeerden] niet voldoende toegelicht aan de hand van concrete feiten. Het gevorderde tegen Weva Consultants zal dan ook worden afgewezen.

Ook het gevorderde op de grondslag van een tekortkoming van [geïntimeerde 1] (en Weva Consultants) in de nakoming van de overeenkomst van opdracht zal worden afgewezen. De handelwijze van [geïntimeerde 1] , waar het M.E. Beheer c.s. om gaat, betreft de periode na het overlijden van [bestuurder M.E. Beheer] . In die periode, voor zover relevant, heeft [geïntimeerde 1] als bestuurder (dan wel mede als gemachtigde) van M.E. Beheer gehandeld, niet op basis van de overeenkomst van opdracht. De overeenkomst van opdracht doet bij deze stand van zaken, en bij gebreke van een nadere toelichting, niet ter zake.

25.29.

Het hof is verder van oordeel dat ook [geïntimeerde 3] jegens M.E. Beheer c.s. onrechtmatig heeft gehandeld. Het hof neemt hierbij de volgende omstandigheden in aanmerking:

- [geïntimeerde 3] was niet zomaar een derde; hij was de Belgische partner van de onderneming,

- [geïntimeerde 3] werkte al geruime tijd in het Belgische project samen met de onderneming,

- [geïntimeerde 3] werkte al vele jaren (vanaf eind jaren ’80 in elk geval) samen met [bestuurder M.E. Beheer] .

Het hof maakt uit deze omstandigheden op dat er tussen enerzijds [geïntimeerde 3] en anderzijds de familie ( [bestuurder M.E. Beheer] en in het verlengde daarvan de erven/certificaathouders) een vertrouwensband bestond. [geïntimeerde 3] wist dat [bestuurder M.E. Beheer] in 2005 was overleden. [geïntimeerde 3] moest bij deze stand van zaken in verhoogde mate rekening houden met de gerechtvaardigde belangen van de familie. De transacties betroffen een aanzienlijk deel van de gehele onderneming van (indirect) de familie en zijn in een korte periode, na het overlijden van [bestuurder M.E. Beheer] , opgekomen, uitgewerkt en uitgevoerd. Het lag daarom op de weg van [geïntimeerde 3] om onderzoek te doen en overleg te voeren. Hij moest zich vergewissen dat de transacties op zorgvuldige wijze tot stand kwamen en dat de belangen van de familie (erven/certificaathouders) in voldoende mate werden behartigd. Hij heeft niets aangevoerd waaruit volgt dat hij het vereiste onderzoek heeft gedaan en het vereiste overleg heeft gevoerd. Hij heeft onrechtmatig gehandeld door onder die omstandigheden de transacties uit te voeren.

Grief XI slaagt.

25.30.

De vordering tot vergoeding van schade in natura (namelijk: teruglevering van de aandelen, door [geïntimeerde 3] ) is naar het oordeel van het hof gegrond.

M.E. Beheer en Embo waren vanaf 9 augustus 2005 geen rechthebbende van de aandelen: de rechtshandelingen (transacties) zijn en kunnen niet worden vernietigd (zie hierna, 25.34-25.35). Deze vordering moet daarom worden behandeld.

Het hof is van oordeel dat de teruglevering van de aandelen, als schadevergoeding in natura, een passende reactie is op het ongeoorloofd handelen van [geïntimeerden] Daarbij komt dat M.E. Beheer en Embo (en de erven/certificaathouders) belang hebben bij schadevergoeding in deze vorm. Zij wilden de onderneming terug hebben. Zij mogen daarvoor kiezen, in aanvulling op of in plaats van schadevergoeding in geld. Grief XIII slaagt.

25.31.

Het hof acht de mogelijkheid voldoende aannemelijk dat M.E. Beheer c.s., ook los van en na de teruglevering van de aandelen, schade heeft geleden door het gewraakte handelen van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] . Dit volgt al uit de aard van de zaak: het vereiste onderzoek en het vereiste overleg hebben niet plaatsgevonden, maar waren wel nodig om betere oplossingen te bereiken, zoals de deskundige Hoiting in kaart heeft gebracht. Het is in dit stadium niet zeker dat betere oplossingen haalbaar waren, maar de mogelijkheid daarvan is wel aannemelijk gemaakt. Het hof verwijst daarbij naar het rapport van de deskundige Hoiting. Het hof zal dan ook de vordering tot vergoeding van schade, nader op te maken bij staat, toewijzen. Grief XIV slaagt.

25.32.

Het hof beslist met betrekking tot de grieven XV tot en met XX overeenkomstig het arrest van het hof Arnhem van 10 november 2009 onder 11.1 tot en met 11.7.

25.33.

De overwegingen hiervoor maken al duidelijk dat M.E. Beheer c.s. in dit geschil het gelijk aan haar zijde heeft en dat haar vorderingen (nagenoeg geheel) moeten worden toegewezen, zoals het hof Arnhem bij arrest van 10 november 2009 al heeft beslist.

25.34.

Grief VI (tegenstrijdig belang) moet echter nog worden beoordeeld. In deze grief is de vraag aan de orde of de rechtshandelingen (de transacties van 9 augustus 2005) zijn of kunnen worden vernietigd op de genoemde grondslag. Het praktische belang hierbij is gering omdat de aandelen na dat arrest van 10 november 2009 al terug zijn geleverd.

25.35.

Het hof heeft in het eerste tussenarrest na verwijzing de maatstaf voor de beoordeling van grief VI nog eens uiteengezet (4.7.3), gelet op het arrest van de Hoge Raad. Het hof is van oordeel dat de vorderingen met betrekking tot vernietiging op de grondslag “tegenstrijdig belang” moeten worden afgewezen. De vaststaande feiten, met inbegrip van de adviezen van de deskundigen, zijn onvoldoende om aan te kunnen nemen dat [geïntimeerde 1] , in de zomer van 2005, als bestuurder van M.E. Beheer, een persoonlijk belang (in de zin zoals uiteengezet onder 4.7.3) had dat tegenstrijdig was met het belang van de vennootschap en de daaraan verbonden onderneming en dat zodanig van invloed kan zijn geweest op zijn besluitvorming dat hij zich niet in staat had mogen achten het belang van de vennootschap en de daaraan verbonden onderneming met de vereiste integriteit en objectiviteit te behartigen en zich van de transacties had moeten onthouden. Een aanmerkelijke, invloedrijke extra beloning als gevolg van de transacties, in welke vorm dan ook (salaris, fee, equity-deelneming in de projecten) is niet komen vast te staan en kan, bij gebreke van voldoende gemotiveerde stellingen, niet nader worden onderzocht. Uit de rapporten van de deskundigen volgt dat het steeds gaat om het ontbreken van voldoende onderzoek en overleg. Niets is gesteld waaruit volgt dat [geïntimeerde 1] het vereiste onderzoek niet had kunnen uitvoeren en het vereiste overleg niet had kunnen voeren. De breuk in de vertrouwensrelatie tussen hem en de erven/certificaathouders vanaf 15 juli 2005 is, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet voldoende voor een andere conclusie. De mogelijkheid om via de transacties in functie te blijven (tegen ongeveer dezelfde beloning, later in enige mate verhoogd), ondanks deze breuk, is niet voldoende om het vereiste tegenstrijdig belang aan te nemen. Grief VI faalt. Het hof zal hierna in de beslissing, bij de verklaringen voor recht over de gebondenheid aan de verkoop en over wie eigenaar is van de aandelen, verduidelijken dat het gaat om de situatie vanaf/na de inmiddels plaatsgevonden teruglevering van de aandelen.

25.36.

Grief XII (misbruik van omstandigheden) is in dit stadium niet aan de orde omdat het oordeel van het hof Arnhem hierover (arrest van 10 november 2009 onder 9.4) in cassatie niet is bestreden.

25.37.

Het hof beslist wat betreft grieven I-II (bevoegdheid van de Nederlandse rechter en de rechtbank Zutphen, toepasselijk recht) overeenkomstig het arrest van het hof Arnhem van 10 november 2009 onder 5.1 tot en met 5.8, 5.10-5.11 en 6.1-6.4. Grieven I en II slagen (voor zover nu nog aan de orde). Het hof voegt daar nog het volgende aan toe, in de plaats van overweging 5.9 (over onbevoegdheid van de bestuurder), die het hof in het licht van het arrest van de Hoge Raad niet juist acht.

Na cassatie en verwijzing is het thema van de bevoegdheid van de Nederlandse rechter en de vraag of het Nederlandse recht geldt niet meer (duidelijk) aan de orde gekomen. In het cassatiemiddel maakt [geïntimeerden] er nog wel een punt van (3.2). Het hof gaat er dan ook vanuit dat ook deze punten nu nog moeten worden beoordeeld.

[geïntimeerden] stelde, ter onderbouwing van zijn beroep op onbevoegdheid van de Nederlandse rechter, dat bij de transacties van 9 augustus 2005 een exclusieve forumkeuze is gemaakt, op grond waarvan de rechter te Antwerpen bevoegd is.

Partijen hebben na verwijzing (in 2011) niets meer naar voren gebracht over een lopende procedure bij de rechtbank Antwerpen en de vragen rondom een gevoegde behandeling van het gehele geschil ten overstaan van die rechtbank. Het hof verwerpt reeds daarom het beroep op onbevoegdheid, voor zover het gaat om een gevoegde behandeling in Antwerpen. Daaruit volgt dat het beroep op onbevoegdheid ook moet worden verworpen wat betreft de thema’s tekortkoming, onrechtmatige daad (inclusief het gestelde persoonlijk ernstig verwijt), onbehoorlijk bestuur en schadevergoeding. Partijen zijn het erover eens dat de Nederlandse rechter in beginsel op deze terreinen bevoegd is, afgezien van de gevolgen van mogelijke relaties met een in Antwerpen lopende procedure.

Resteert de vordering tot vernietiging van de transacties (tegenstrijdig belang).

Het hof stelt wat betreft het thema tegenstrijdig belang voorop dat artikel 22, aanhef en onder b, Brussel I-Verordening van toepassing is (gezien het tijdstip van het instellen van de rechtsvorderingen in dit geding). Het gaat bij tegenstrijdig belang primair om het besluit van het bestuur van de vennootschap. Een handeling in strijd met de regels over tegenstrijdig belang leidt tot vernietigbaarheid van het besluit. Uit artikel 22, aanhef en onder b, Brussel I-Verordening volgt dat de Nederlandse rechter bevoegd is om een oordeel te geven over het thema tegenstrijdig belang. Het beroep op onbevoegdheid faalt dus in zoverre.

Het hof overweegt wat betreft het toepasselijk recht dat partijen het erover eens zijn, naar het hof begrijpt, dat het Nederlandse recht van toepassing is op de door ME Beheer c.s. gestelde thema’s tekortkoming, onrechtmatige daad (inclusief het gestelde persoonlijk ernstig verwijt), onbehoorlijk bestuur en schadevergoeding. Dit zijn de grondslagen die het hof hiervoor heeft gehonoreerd.

Het hof laat de kwestie van het toepasselijk recht voor het overige onbesproken. Het gaat hier om de rechtskeuze in de transacties, voor zover het geschil de vernietiging van de transacties betreft. [geïntimeerden] heeft (in dit stadium, vele jaren na de aanvang van het debat) geen belang (meer) bij een (nadere) behandeling van zijn standpunten op dit punt. Het gevorderde wordt in zoverre niet toegewezen en [geïntimeerden] zal, gezien de vorderingen die wel worden toegewezen, toch in de proceskosten worden veroordeeld.

25.38.

De grief in incidenteel hoger beroep ( [geïntimeerde 1] /Weva Consultants en [geïntimeerde 3] afzonderlijk, maar min of meer gelijkluidend) faalt. Het hof verwijst naar al het voorgaande. In deze grief ligt niets anders besloten dan de stelling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er geen noodzaak zou zijn om de aandelen te verkopen. Dit onderwerp is hiervoor al uitvoerig behandeld. Het gaat er in de kern om dat er in de zomer van 2005 niet direct een noodzaak was om, zonder voldoende onderzoek en zonder voldoende overleg met alle betrokkenen, al op 9 augustus 2005 de transacties aan te gaan.

25.39.

Het hof vat voor de goede orde de beoordeling hiervoor samen in de tabel waarin de grieven en de beslissing aan de orde komen.

grief (principaal hoger beroep)

Beslissing

I-II bevoegdheid

slagen 25.37 (voor zover aan de orde)

III niet-ontvankelijkheid

geen behandeling 4.5.7

IV-V, VII en X enkele verwijten

falen 4.6.2, 4.8-4.9, 4.11.6

VI en XII: transacties/vernietiging

falen/niet aan de orde 25.34-25.36

VIII, IX en XI [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3]

slagen 25.28-29 (4.9: IX faalt gedeeltelijk)

XIII-XX schadevergoeding, proceskosten, afwijzing, reconventie

slagen/behoeven deels geen bespreking, 25.30-32

grief in incidenteel hoger beroep

faalt 25.38

25.40.

Uit het voorgaande volgt dat het door [geïntimeerden] in reconventie gevorderde moet worden afgewezen.

25.41.

Het hof zal [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] als de grotendeels in het ongelijk gestelde partijen in de proceskosten veroordelen in beide instanties. M.E. Beheer c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van Weva Consultants worden verwezen, welke kosten worden begroot op nihil aangezien niet is gesteld of gebleken dat Weva Consultants eigen kosten heeft gemaakt.

25.42.

De deskundigen Van Heesbeen en Van Steensel hebben kosten gedeclareerd voor de mondelinge behandeling van 12 januari 2021. Deze kosten vallen niet onder het voorschot. Het hof zal op de voet van artikel 199 lid 2 Rv ten laste van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] hoofdelijk een bevelschrift als na te melden uitspreken tot vergoeding van deze kosten.

26 De uitspraak

Het hof:

26.1.

vernietigt het vonnis van de rechtbank Zutphen van 21 mei 2008;

en opnieuw rechtdoende

26.2.

verstaat dat STAK, [appellant 4] en [appellant 5] op goede gronden niet-ontvankelijk in hun vorderingen onder I en II zijn verklaard door het hof Arnhem in het arrest van 10 november 2009 en dat dit thema niet langer aan de orde is in het geding;

26.3.

verklaart voor recht dat M.E. Beheer c.s. thans, na de teruglevering van de aandelen, niet gebonden zijn aan de verkoop van de aandelen in IJsselinvest, Minnewater, Het Zoute en Hollebeke door M.E. Beheer en Embo aan [geïntimeerde 3] op 9 augustus 2005;

26.4.

verklaart voor recht dat M.E. Beheer en Embo eigenaren van de aandelen in die vennootschappen zijn vanaf de teruglevering daarvan en verstaat dat de levering van de aandelen aan M.E. Beheer en Embo al heeft plaatsgevonden;

26.5.

verklaart voor recht dat [geïntimeerde 1] zich schuldig heeft gemaakt aan onbehoorlijk bestuur jegens M.E. Beheer en Embo door namens deze de overeenkomsten van 9 augustus 2005 aan te gaan;

26.6.

verklaart voor recht dat [geïntimeerde 3] onrechtmatig jegens M.E. Beheer en Embo heeft gehandeld door zich aan de aan deze toebehorende aandelen in IJsselinvest te doen overdragen en de feitelijke zeggenschap daarover aan M.E. Beheer en Embo te onttrekken;

26.7.

veroordeelt [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, aan M.E. Beheer en Embo te vergoeden de door hun hiervoor bedoelde tekortkoming onderscheidenlijk onrechtmatig handelen veroorzaakte schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het vallen der schade tot de dag van betaling;

26.8.

veroordeelt [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] hoofdelijk in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van M.E. Beheer c.s. op € 273,10 aan dagvaardingskosten, op € 248,00 aan griffierecht en op € 1.808,00 (conventie) en € 904,00 (reconventie) aan salaris advocaat in eerste aanleg en op € 71,80 aan dagvaardingskosten, op € 303,00 aan griffierecht, op € 32.907,50 aan kosten deskundigen en op € 2.682,00 (tot het arrest van het hof Arnhem) en € 16.503,00 (na verwijzing) aan salaris advocaat voor het principaal hoger beroep en op € 447,00 (tot het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden) en nihil (na verwijzing) aan salaris advocaat voor het incidenteel hoger beroep;

26.9.

veroordeelt M.E. Beheer in de proceskosten van Weva Consultants, welke worden begroot op nihil;

26.10.

beveelt op de voet van artikel 199 lid 2 Rv de tenuitvoerlegging van deze uitspraak door deskundigen Van Heesbeen en Van Steensel ten laste van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] hoofdelijk voor een bedrag van:
Van Heesbeen: € 952,88 inclusief btw;

Van Steensel: € 1.430,22 inclusief btw;

26.11.

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

26.12.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. O.G.H. Milar, W.J.J. Los en L.S. Frakes en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 4 mei 2021.

griffier rolraadsheer