Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:1318

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-04-2021
Datum publicatie
15-06-2021
Zaaknummer
200.287.226_01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bekrachtiging afwijzing verzoek tot oplegging dwangregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

Uitspraak : 29 april 2021

Zaaknummer : 200.287.226/01

Zaaknummers eerste aanleg : 361690 / FT RK 20/444 (verzoek voorlopige voorziening)

361691 / FT RK 20/445 (verzoek schuldsaneringsregeling)

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. T.E. van der Bent te Zeist,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het verzoek dwangregeling,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. L. Proenings te Deurne.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 10 december 2020.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 17 december 2020, heeft [appellant] het hof verzocht voormeld vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, primair het verzoek tot opleggen van de dwangregeling toe te wijzen en subsidiair het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling te honoreren.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 april 2021. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    namens [appellant], mr. Van der Bent;

  • -

    [geïntimeerde], bijgestaan door mr. Proenings (beiden zijn alleen bij de behandeling van het

primaire verzoek van [appellant] aanwezig geweest, voorafgaand aan de behandeling van

het subsidiaire verzoek van [appellant] hebben zij de zittingszaal verlaten);

- mevrouw [beschermingsbewindvoerder] in haar hoedanigheid van informante, hierna te noemen, de beschermingsbewindvoerder.

[appellant] zelf is, met berichtgeving (via zijn advocaat bij aanvang van de zitting), niet ter zitting in hoger beroep verschenen.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 17 november 2020;

- het indieningsformulier met bijlagen van de advocaat van [appellant] d.d. 13 januari 2021;

- het indieningsformulier met bijlage (verweerschrift) van de advocaat van [geïntimeerde] d.d. 15 april 2021;

- de brief van de advocaat van [appellant] d.d. 20 april 2021.

3 De beoordeling

3.1.

Ter terechtzitting en uit de stukken is gebleken dat over de goederen die aan [appellant] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren een bewind is ingesteld als bedoeld in artikel 1:431 lid 1 BW. Uit haar uitlatingen zoals bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep gedaan blijkt dat de beschermingsbewindvoerder bekend is met het hoger beroep dat [appellant] heeft ingesteld en in het kader daarvan in de gelegenheid is gesteld, van welke gelegenheid zij in appel ook gebruik heeft gemaakt, om haar visie over dit hoger beroep te geven (vgl. HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV4010).

3.2.

[appellant] heeft de rechtbank primair verzocht om [geïntimeerde] te bevelen in te stemmen met de door hem aangeboden schuldregeling en subsidiair verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het primaire verzoek van [appellant] op grond van artikel 287a lid 5 Faillissementswet (Fw) en het subsidiaire verzoek van [appellant] op grond van artikel 288 lid 1 sub b en c Fw afgewezen.

3.3.

[appellant] kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. Hij heeft in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

Wanneer de overwegingen van de rechtbank worden bezien blijkt hieruit volgens [appellant] dat overwegingen een rol hebben gespeeld om te komen tot een afwijzing die niet worden benoemd in de Memorie van Toelichting. Zonder nadere motivatie valt niet in te zien wat de reden is dat het redelijkerwijs voorstelbaar is dat het met een dergelijk verleden en de aard van de vordering, kinderalimentatie, het niet van [geïntimeerde] opgebracht kan worden om in te stemmen met een minnelijke regeling. Daarnaast heeft [appellant] zich de overwegingen van de rechter aangetrokken en is begonnen, naar zijn raadsman begrijpt, met solliciteren en het afbetalen van de schulden. Daarbij is sedert juli 2017 het beschermingsbewind uitgesproken en van de beschermingsbewindvoerder begrijpt de raadsman dat dit traject nu naar behoren loopt.

Met betrekking tot de goeder trouw merkt [appellant] voorts op dat de schulden van enige tijd geleden zijn en dat hij sinds deze periode geen nieuwe schulden heeft laten ontstaan. Daarbij komt dat hij van mening is dat hij de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden onder controle heeft gekregen. Hij heeft een stabiele woonsituatie en heeft zich onder bewind laten plaatsen. [appellant] is zeer

gemotiveerd om de schuldsaneringsregeling tot een goed einde te brengen. Hiermee is naar

zijn oordeel dan ook voldoende aannemelijk dat hij zich zal inspannen om zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling naar behoren na te komen.

[appellant] is tot slot van mening dat niet, althans onvoldoende, uit het vonnis blijkt dat de rechtbank heeft getoetst aan de hardheidsclausule. Hij stelt dat indien de rechtbank toepassing had gegeven aan deze bepaling (art. 288 lid 3 Fw) de rechtbank tot het oordeel had moeten komen dat hij zijn schulden onder controle heeft gekregen en hem om die reden toe had moeten laten tot de schuldsaneringsregeling. [appellant] merkt op dat hij op dit moment alle schulden onder controle heeft en zijn financiële situatie stabiel is te noemen. Hij is er zeker van dat hij de verplichtingen - welke voorvloeien uit de schuldsaneringsregeling - naar behoren zal nakomen. Daarbij is van belang dat de beschermingsbewindvoerder ook meekijkt en hem met raad en daad kan bijstaan. [appellant] is voorts ook in algemene zin van mening dat er geen gegronde redenen aanwezig zijn om hem niet toe te laten tot de schuldsaneringsregeling.

3.4.

Hieraan is namens [appellant] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. [appellant] is niet verschenen omdat hij dit emotioneel niet aan zou kunnen. Dit heeft hij aldus kort voor de zitting aan zijn advocaat bericht.

Voorts stelt [appellant], met betrekking tot zijn (primaire) verzoek om [geïntimeerde] op te leggen met het door hem aangeboden aanbod akkoord te gaan, dat nu zijn beide kinderen inmiddels meerderjarig zijn hun moeder ([geïntimeerde]) niet meer gerechtigd is om achterstallige alimentatie te vorderen. Dat moeten de kinderen zelf doen. Ook vindt [appellant] dat de omstandigheden die, zoals ook volgens de conclusie van Advocaat-Generaal Timmerman vóór Hoge Raad 14 december 2012, LJN BY069, nr. 2.6. e.v., bij de belangenafweging als bedoeld in artikel 287a Fw een rol spelen, hier niet aan de orde zijn. Het is vooral het gezamenlijke verleden dat voor [geïntimeerde] de grootste drijfveer is om niet met het door [appellant] aangeboden akkoord in te stemmen. Het moge zo zijn dat haar vordering in omvang veruit de grootste schuld is, alle andere schuldeisers hebben echter wel met het akkoord ingestemd.

[appellant] werkt op dit moment ongeveer 8 uren per week. Vanwege pijnklachten is meer werken op dit moment niet mogelijk. [appellant] is slechts voor 27,27% arbeidsongeschikt verklaard, maar hij solliciteert vanwege de pijnklachten niet (aanvullend). Tot slot vindt [appellant] het onjuist dat mevrouw [medewerkster] van de Schulddienstverlening [plaats] de advocaat van [geïntimeerde] telefonisch klaarblijkelijk uiterst inhoudelijk heeft geïnformeerd terwijl zij jegens de advocaat van [appellant] zich aan de telefoon veel terughoudender heeft opgesteld omdat [medewerkster] niet kon verifiëren dat hij daadwerkelijk de advocaat van [appellant] was.

Met betrekking tot zijn (subsidiaire) verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling stelt [appellant] dat hij zijn alimentatie niet heeft voldaan omdat hij hier, vanwege allerlei beslagen, financieel niet toe in staat was. Er was daardoor ook sprake van een huurachterstand. Voorts kent [appellant] ook de nodige psychosociale problematiek, hij ervaart bij tijd en wijle veel stress en raakt daar enorm opgefokt door. Hij overziet dan ook zijn financiële problematiek niet meer.

3.5.

Bij verweerschrift heeft [geïntimeerde] het navolgende gesteld. [appellant] heeft tot op heden niet aangetoond dat er sprake is van bijzondere omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat [geïntimeerde] in redelijkheid niet tot weigering van instemming met het akkoord heeft kunnen komen. De rechtbank heeft terecht het ontstaan van de vordering in de

afweging meegenomen. De vordering van [geïntimeerde] komt voort uit de verbreking van de relatie tussen partijen. Partijen zijn al in 2005 uiteengaan. Al sinds het uiteengaan van partijen verloopt de betaling van de kinderalimentatie niet soepel. Bij beschikking van 24 september 2012 is de kinderalimentatie vastgesteld op een bedrag van € 265,00 per kind per maand. Sinds de beschikking van 2012 heeft [geïntimeerde] meerdere malen het LBIO in moeten schakelen. Bij beschikking van 19 oktober 2018 is de kinderalimentatie gewijzigd naar een bedrag van € 25,00 per kind per maand, omdat [appellant] vanaf medio 2018 een ZW-uitkering ontvangt. Het grootste deel van de achterstallige kinderalimentatie stamt dan ook uit de periode voor 2018. [appellant] had toen gewoon inkomen, maar gaf vaak bij [geïntimeerde] aan dat hij bewust niet fulltime werkte, omdat het LBIO toch beslag zou leggen op al het meerdere.

De verhouding tussen partijen is verstoord en [geïntimeerde] heeft geen enkel vertrouwen in [appellant]. Dit wordt versterkt door het feit dat [geïntimeerde] weet dat [appellant] (zwart) werkt en hij dat inkomen niet heeft opgegeven bij de schulddienstverlening. De aangeboden schuldregeling is derhalve niet het maximaal haalbare. [geïntimeerde] weet dit omdat één van de zonen van partijen met zijn vader mee is geweest. Ze hebben in ieder geval drie dagen samen gewerkt. [appellant] heeft dus inkomen dat niet is opgegeven en niet is meegenomen in de aangeboden schuldregeling.

Daar komt nog bij dat ter zitting in eerste aanleg ook nog bleek dat [appellant] zowel de rechtbank als de schulddienstverlening niet volledig heeft geïnformeerd. [appellant] heeft derhalve direct zijn verplichtingen in het kader van het minnelijke schuldentraject

geschonden. Ook gelet daarop kan van [geïntimeerde] niet worden gevergd dat zij actief meewerkt aan het minnelijk schuldentraject. [geïntimeerde] gelooft niet dat dit aanbod het uiterste is waartoe

[appellant] in staat is. Zij heeft geen enkel vertrouwen in de zogenaamde goede bedoelingen van [appellant], gelet op haar verleden met hem en hetgeen zij ook nu in deze procedure weer met hem meemaakt.

Het financiële aspect dat de schuldeisers in een wettelijk schuldsaneringstraject vermoedelijk minder zullen ontvangen is in dit geval niet zodanig zwaarwegend dat dit de doorslag moet geven. Dit mede gelet op het kleine aandeel van de overige schuldeisers. [geïntimeerde] meent dan ook dat haar belang als weigerende schuldeiser zwaarder weegt dan het belang van [appellant] of de overige schuldeisers.

3.6.

Hieraan is door en namens [geïntimeerde] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het navolgende toegevoegd. Anders dan door de advocaat van [appellant] is gesteld meent [geïntimeerde] dat zij wel degelijk gerechtigd is om de achterstallige alimentatie te vorderen over de periode dat haar kinderen nog minderjarig waren. Die gelden zouden immers ook aan haar en niet aan haar kinderen toe hebben moeten komen. Voorts acht [geïntimeerde] het tekenend voor de situatie dat [appellant] nu niet ter zitting verschenen is. Bij de zitting in eerste aanleg was hij wel verschenen, maar verkeerde daar volgens haar in beschonken toestand. [appellant] belooft van alles maar daar komt nooit iets van terecht. [geïntimeerde] heeft daarom ook totaal geen vertrouwen meer in hem.

De advocaat van [geïntimeerde] heeft gebeld met mevrouw [medewerkster] voornoemd en die heeft aangegeven dat zij niet op de hoogte was van het hoger beroep van [appellant] inzake het dwangakkoord en dat Schulddienstverlening [plaats] ook niet langer meer bereid is om namens [appellant] het minnelijk traject uit te voeren. Dit omdat [appellant] ook jegens Schulddienstverlening [plaats] zijn verplichtingen niet na zou komen. Schulddienstverlening [plaats] heeft dit volgens mevrouw [medewerkster] inmiddels ook aan de overige schuldeisers van [appellant] bericht.

3.7.

De beschermingsbewindvoerder heeft ter zitting in hoger beroep – zakelijk weergegeven – desgevraagd nog het volgende aangevoerd. De beschermingsbewindvoerder weet niet hoeveel uur per week [appellant] precies werkt. Ook weet zij niet wat voor werk hij doet. Wel weet zij dat er een aantal betalingsregelingen lopen en dat er zover zij weet recent geen nieuwe schulden zijn ontstaan. Ook onderschrijft zij het bestaan van de psychosociale problematiek bij [appellant]. Hij raakt soms helemaal in paniek en is dan alle overzicht kwijt. [appellant] noemt dat zelf een “black-out”. Of [appellant] tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg daadwerkelijk in beschonken toestand verkeerde weet de beschermingsbewindvoerder niet zeker. Wel maakte hij een wat verwarde indruk en formuleerde hij erg onsamenhangend.

3.8.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

Het (primaire) verzoek in te stemmen met de aangeboden schuldregeling

3.8.1.

Ingevolge het in artikel 287a lid 5 Fw bepaalde wordt een verzoek om in te stemmen met een door de schuldenaar aangeboden schuldregeling toegewezen, indien de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat hij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van de schuldenaar of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad. Uitgangspunt daarbij is dat het elke schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat honderd procent van zijn of haar vordering wordt voldaan en dat een schuldeiser slechts onder zeer bijzondere omstandigheden kan worden gedwongen om in te stemmen met een door de schuldenaar aangeboden dwangakkoord (vgl. HR 12 augustus 2005, LJN AT7799; zie ook Hof ’s-Hertogenbosch 28 juni 2012, LJN BX0359).

3.8.2.

Bij de belangenafweging als bedoeld in artikel 287a Fw zullen onder meer de volgende omstandigheden een rol (kunnen) spelen (vgl. ook de conclusie van Advocaat-Generaal Timmerman vóór Hoge Raad 14 december 2012, LJN BY069, nr. 2.6. e.v.):

  • -

    is het schikkingsvoorstel door een onafhankelijke en deskundige partij getoetst (bijvoorbeeld een gemeentelijke kredietbank);

  • -

    is het schikkingsvoorstel goed en betrouwbaar gedocumenteerd;

  • -

    is voldoende duidelijk gemaakt dat het aanbod het uiterste is waartoe de schuldenaar financieel in staat moet worden geacht;

  • -

    biedt het alternatief van faillissement of schuldsanering enig uitzicht voor de schuldenaar;

  • -

    biedt het alternatief van faillissement of schuldsanering enig uitzicht voor de schuldeiser: hoe groot is de kans dat de weigerende schuldeiser dan evenveel of meer zal ontvangen;

  • -

    is aannemelijk dat gedwongen medewerking aan een schuldregeling voor de schuldeiser concurrentieverstorend werkt;

  • -

    bestaat er precedentwerking voor vergelijkbare gevallen;

  • -

    wat is de zwaarte van het financiële belang dat de schuldeiser heeft bij volledige nakoming;
    hoe groot is het aandeel van de weigerende schuldeiser in de totale schuldenlast;

  • -

    staat de weigerende schuldeiser alleen naast de overige met de schuldregeling instemmende schuldeisers;

  • -

    is er eerder een minnelijke of een gedwongen schuldregeling geweest die niet naar behoren is nagekomen.

Blijkens de Memorie van Toelichting bij Kamerstukken II 2004-2005, 29 942, nr. 3, blz. 19, is de in artikel 287a lid 5 Fw neergelegde toets die de rechter toepast alvorens het verzoek om een gedwongen schuldregeling toe- of af te wijzen “zeer zorgvuldig”, mede in aanmerking genomen dat de gedwongen schuldregeling een beperking vormt “op het eigendomsrecht die in algemene zin voldoet aan de vereisten van het EVRM.”

3.8.3.

Het hof stelt allereerst vast dat, zoals ter zitting in hoger beroep ook is erkend, [appellant] in zijn beroepschrift geen grief heeft gericht tegen de overweging van de rechtbank dat de vordering van [geïntimeerde] circa 70% van de totale schuldenlast bedraagt, de rechtbank er geen vertrouwen in heeft dat [appellant] tijdens de minnelijke regeling wel zal voldoen aan de op hem rustende informatie- en inspanningsverplichting, [appellant] het feit dat het arbeidsdeskundig onderzoek reeds had plaatsgevonden, het bestaan van het rapport en de uitkomst van het onderzoek (27,27% arbeidsongeschikt) niet eerder dan 16 november 2020, één dag voor de zitting, aan Schulddienstverlening [plaats] kenbaar heeft gemaakt, [appellant] op grond van de uitkomst van dit onderzoek niet meer voor een Ziektewetuitkering in aanmerking komt en dat [appellant] na 13 mei 2020 niet gesolliciteerd heeft naar werk passend bij zijn arbeidsmogelijkheden. Doordat tegen deze overwegingen geen grief is gericht, is dit oordeel thans in hoger beroep rechtens onaantastbaar geworden.

3.8.4.

Op grond van de inhoud van het procesdossier alsmede van het hetgeen ter zitting in hoger beroep door en namens partijen is aangedragen is het hof van oordeel dat onvoldoende vast is komen te staan dat het aanbod zoals dat door [appellant] aan zijn schuldeisers gedaan is het uiterste is waartoe hij financieel in staat moet worden geacht en overweegt daartoe als volgt.

3.8.5

Het hof stelt allereerst vast dat de vordering van [geïntimeerde] een aanzienlijk

aandeel vormt van de totale schuldenlast, afgerond 70%. Daarbij merkt het hof op dat [geïntimeerde], anders dan namens [appellant] eerst bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep is gesteld, wel degelijk gerechtigd is om de achterstallige alimentatie welke betrekking heeft op de periode dat de kinderen nog minderjarig waren van [appellant] te vorderen. Reeds daarom zal naar het oordeel van het hof niet snel kunnen worden geoordeeld dat [geïntimeerde] in redelijkheid niet tot weigering tot instemming van de schuldregeling heeft kunnen komen. Slechts onder zeer bijzondere omstandigheden kan er worden overgegaan tot een bevel tot instemming waarbij het in beginsel op de weg van de schuldenaar ligt de specifieke feiten en omstandigheden te stellen en, zo nodig, te bewijzen, waaruit kan worden afgeleid dat de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met het akkoord heeft kunnen komen.

3.8.6.

In onderhavige zaak komen de vorderingen van [geïntimeerde] voort uit de verbroken relatie tussen haar en [appellant] en de daaruit voor [appellant] voortvloeiende alimentatieverplichtingen jegens [geïntimeerde] welke hij niet, althans verre van volledig, is nagekomen. Naar het oordeel van het hof valt redelijkerwijs in te zien dat het met een dergelijk verleden alsmede gelet op de aard van de vordering, kinderalimentatie, het niet door [geïntimeerde] opgebracht kan worden om in te stemmen met het door [appellant] voorgestelde akkoord. De verhouding tussen [appellant] en [geïntimeerde] is evident diepgaand en duurzaam verstoord. Het financiële aspect (dat in geval van een dwangakkoord geen bewindvoerderssalaris betaald hoeft te worden) is in dit geval naar het oordeel van het hof niet zodanig zwaarwegend dat dit de doorslag moet geven. Dit betreft ten opzichte van de totale schuldenlast en zeker ook ten opzichte van de vordering van [geïntimeerde] welke afgerond circa € 16.000,00 bedraagt, immers een betrekkelijk gering bedrag.

3.8.7.

Uit de overgelegde stukken alsmede het verhandelde ter zitting in hoger beroep is voorts gebleken dat het arbeidsdeskundig onderzoek waaruit volgt wat de arbeidsbelasting is van [appellant] reeds in mei 2020 heeft plaatsgevonden en het rapport van dit onderzoek op 13 mei 2020 aan [appellant] ter beschikking is gesteld. In het verzoekschrift Van [appellant], dat op 13 augustus 2020 door de rechtbank is ontvangen, staat echter vermeld dat [appellant] nog steeds in afwachting is van een onderzoek door een arbeidsdeskundige.

Daarop is bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in eerste aanleg aan het licht gekomen dat [appellant] het feit dat het onderzoek reeds had plaatsgevonden, het bestaan van het rapport en de uitkomst van het onderzoek niet eerder aan Schulddienstverlening [plaats] kenbaar had gemaakt. Dit heeft hij pas op 16 november 2020 gedaan, één dag voor voornoemde zitting. Hierdoor heeft Schulddienstverlening [plaats] geen verzoekschrift in kunnen dienen dat is gebaseerd op juiste informatie, reden waarom mevrouw [medewerkster] voornoemd tijdens deze zitting heeft aangegeven dat zij van mening is dat het verzoek van [appellant] niet kan worden gehandhaafd. [appellant] wenste het verzoek desalniettemin te handhaven.

Uit het arbeidsdeskundig rapport volgt dat [appellant] 27,27% arbeidsongeschikt is, dat hij niet in staat is om als loodgieter/verwarmingsmonteur te werken, maar wel geschikt is om ander werk te verrichten. Gesteld noch gebleken is dat [appellant] na de datum waarop hij voormelde rapportage heeft ontvangen, 13 mei 2020, gesolliciteerd heeft naar bij zijn arbeidsmogelijkheden passend werk.

Naar het oordeel van het hof is derhalve vast komen te staan dat [appellant] reeds gedurende het minnelijke schuldtraject niet heeft voldaan aan de op hem rustende informatieverplichting. Hij heeft Schulddienstverlening [plaats] niet tijdig en volledig geïnformeerd en deze heeft er daarom ook niet op kunnen toezien of [appellant] voldeed aan de inspanningsverplichting.

Het hof heeft mede op basis hiervan er geen enkel vertrouwen in dat hij wel zal voldoen aan de op hem rustende informatie- en inspanningsverplichting tijdens de minnelijke regeling, daargelaten nog dat hij ter zitting in hoger beroep niet verschenen is omdat hij hiertoe, naar eigen zeggen zonder verdere onderbouwing, mentaal niet in staat zou zijn.

Daar komt bij dat het minnelijk aanbod is gebaseerd op basis van de Ziektewetuitkering, die [appellant] thans niet meer ontvangt, waarbij dus ook geen rekening is gehouden met de omstandigheid dat [appellant] geacht moet worden voor 72,73% loonvormende arbeid te kunnen verrichten.

Door [appellant] is voorts gesteld dat geen van de omstandigheden die bij de belangenafweging als bedoeld in artikel 287a Fw een rol spelen (en zijn opgesomd bij r.o. 3.8.2. van dit arrest) hier aan de orde zou zijn. Het hof volgt [appellant] hierin niet nu deze omstandigheden immers onder meer vereisen dat het schikkingsvoorstel goed en betrouwbaar gedocumenteerd is. Gelet op het vorengaande kan van een betrouwbaar gedocumenteerd schikkingsvoorstel naar het oordeel van het hof geen enkele sprake zijn.

3.8.8.

Gelet op het vorengaande is het hof dan ook van oordeel dat [geïntimeerde] in

redelijkheid tot weigering van instemming met de door [appellant] aangeboden schuldregeling

heeft kunnen komen en komt tot de slotsom dat de rechtbank het verzoek dwangregeling terecht en op goede grond heeft afgewezen.

Het hof komt vervolgens toe aan het beoordelen van het (subsidiaire)verzoek van [appellant] tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.

Het ( subsidiaire) verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsanering

3.8.9.

Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest. Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren.

Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub c Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

3.8.10.

Het hof verwijst allereerst naar hetgeen reeds is overwogen in r.o. 3.8.6. van dit arrest. Gebleken is dat [appellant] vanaf 13 mei 2020 tot 16 november 2020 (het moment dat de proefplaatsing is gestart) en vanaf 16 januari 2021 (het moment dat de proefplaatsing is beëindigd) tot heden geen (betaald) werk heeft verricht en niet heeft gesolliciteerd met betrekking tot het gedeelte (72,73%) dat hij arbeidsgeschikt is verklaard. [appellant] heeft zich daarmee de belangen van zijn schuldeisers onvoldoende aangetrokken zodat hij ten aanzien van het onbetaald laten van zijn schulden niet te goeder trouw is.

3.8.11.

Voorts blijkt uit de door [appellant] overgelegde schuldenlijst dat er sprake is van een belastingschuld die deels is ontstaan binnen de periode van vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend. Een belastingschuld die is ontstaan als gevolg van het niet (tijdig) verstrekken van (inkomens)gegevens, een opgelegde boete, het niet nakomen van aangifteverplichtingen of het niet nakomen van verplichtingen tot afdracht van (omzet)belasting dient ingevolge punt 5.4.4. van de “Bijlage III landelijk uniforme beoordelingscriteria toelating schuldsaneringsregeling” behorend bij het procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken en welke bepaling uiting geeft aan de jurisprudentie op dit punt, naar zijn aard in beginsel te worden aangemerkt als een schuld welke niet te goeder trouw is ontstaan.

Het hof is op grond hiervan van oordeel dat niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat [appellant] ten aanzien van zowel het ontstaan als het onbetaald laten van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het betreffende verzoekschrift is ingediend immer te goeder trouw is geweest.

3.8.12.

Voorts is gebleken dat [appellant] kampt met een psychosociale problematiek, hetgeen bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep ook door zowel zijn advocaat als zijn beschermingsbewindvoerder niet is bestreden. Ingevolge punt 5.4.3. van voornoemde bijlage wordt een verzoeker met psychosociale problemen in beginsel alleen toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, indien aannemelijk is dat deze problemen al enige tijd beheersbaar zijn, in die zin dat de verzoeker zich in maatschappelijk opzicht staande weet te houden en voldoende hulp of een voldoende sociaal vangnet aanwezig is. Dat de psychosociale problemen beheersbaar zijn, dient te worden bevestigd door een hulpverlener of door een hulpverlenende instantie. Een dergelijke verklaring is door [appellant] niet overgelegd, noch is gebleken dat [appellant] voor deze problematiek, welke hem bijvoorbeeld het bijwonen van onderhavige zitting heeft belet, enige therapie volgt dan wel professionele hulp gezocht heeft.

Het hof is op grond hiervan en op grond van hetgeen hiervoor onder 3.8.6 is overwogen van oordeel dat niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat [appellant] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal (kunnen) nakomen en zich zal (kunnen) inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

3.8.13.

Voorts is het hof van oordeel dat het beroep van [appellant] op de hardheidsclausule ex art. 288, lid 3 Fw niet kan slagen nu [appellant], gelet op het vorengaande, niet voldoet aan de vereisten van artikel 288 lid 1 sub c Fw (zoals verwoord in r.o. 3.8.11. van dit arrest). De toepassing van de hardheidclausule ex artikel 288 lid 3 Fw kan uitsluitend betrekking hebben op omstandigheden als bedoeld in artikel 288, lid 1 onder b Fw, dan wel art. 288, lid 2 onder c Fw. Een beoordeling van de door [appellant] in het kader van zijn beroep op de hardheidsclausule aangedragen omstandigheden ten aanzien van artikel 288 lid 1 sub b Fw kan daardoor naar het oordeel van het hof achterwege blijven. Derhalve ten overvloede merkt het hof op dat deze door [appellant] aangedragen omstandigheden, kortgezegd het feit dat er thans geen nieuwe schulden meer zouden ontstaan en hij af zou lossen op bestaande schulden, slechts (niet nader onderbouwde) constateringen betreffen maar niet, zoals artikel 288 lid 3 Fw wel vereist, daadwerkelijk blijk geven van enig inzicht aan de zijde van [appellant] met betrekking tot de omstandigheden welke bij het ontstaan van deze schulden een doorslaggevende rol hebben gespeeld noch een antwoord geven op de vraag waarom deze omstandigheden thans als duurzaam onder controle dienen te worden beschouwd.

3.8.14.

Al hetgeen hiervoor is overwogen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang beschouwd, voert het hof dan ook tot de slotsom dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat zowel het primaire verzoek van [appellant] om [geïntimeerde] te gelasten om in te stemmen met het door hem voorgestelde akkoord alsmede het subsidiaire verzoek van [appellant] om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling moeten worden afgewezen.

Daar komt nog bij dat [appellant] ter zitting in hoger beroep niet is verschenen en derhalve geen gebruik heeft gemaakt van de geboden gelegenheid een (persoonlijke) toelichting te geven op het door hem in hoger beroep gedane verzoeken. Naar het oordeel van het hof dient dit voor rekening en risico van [appellant] te komen.

3.9.

Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, H.K.N. Vos en M.W.M. Souren en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2021.