Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:131

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-01-2021
Datum publicatie
21-01-2021
Zaaknummer
20-003165-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een brutale diefstal van sieraden en moet de vordering van de benadeelde partij ter hoogte van €1.864,95 betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-003165-19

Uitspraak : 20 januari 2021

TEGENSPRAAK (art. 279 Sv)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 15 oktober 2019 in de strafzaak met parketnummer 02-053132-19 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake diefstal veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken.

Teens is beslist op de vordering van de benadeelde partij.

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter zal bevestigen, met uitzondering van de strafoplegging en de beslissing omtrent de vordering van de benadeelde partij [juwelier] en opnieuw rechtdoende,

  • -

    de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken en

  • -

    de vordering van de benadeelde partij [juwelier] integraal zal toewijzen tot een bedrag van € 1.864,95 met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Wetboek van Strafrecht.

Namens verdachte is een strafmaatverweer gevoerd en is bepleit dat het hof de vordering van de benadeelde partij [juwelier] niet-ontvankelijk zal verklaren conform de politierechter.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [juwelier] en met aanvulling van de strafoverwegingen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sanctie

In hoger beroep is namens de verdachte aangevoerd dat een geheel voorwaardelijke straf passend is gezien de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals deze ter terechtzitting in hoger beroep aan de orde zijn gekomen.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een brutale diefstal van sieraden met een verkoopwaarde van € 4.000,-.

Ten aanzien van de ernst van het bewezenverklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

  • -

    de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

  • -

    de omstandigheid dat diefstallen als deze gevoelens van onveiligheid bij het publiek en ondernemers teweeg brengen;

  • -

    de mate waarin het bewezenverklaarde feit heeft geleid tot financiële schade;

  • -

    de omstandigheid dat verdachte kennelijk slechts heeft gehandeld met het oog op persoonlijk financieel gewin.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 3 november 2020, waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake vermogensdelicten, waaronder winkeldiefstallen, en dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de duur van vier weken zoals door de politierechter is opgelegd. De persoonlijke omstandigheden die de raadsman heeft aangevoerd, doen daar niet aan af.

Vordering van de benadeelde partij [juwelier]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.864,95. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De verdediging heeft zich ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [juwelier] op het standpunt gesteld dat de vordering een te zware belasting vormt voor het strafproces.

Het hof is van oordeel dat, gelet op het handelen van de verdachte en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen, het gevorderde bedrag van € 1.864,95 aan materiële schade, zijnde (kennelijk) de inkoopwaarde van de gestolen sieraden, voldoende is onderbouwd met de overgelegde facturen en de daarop vermelde bedragen van € 1.552,85 voor een gouden armband en van (€ 168,84 en € 143,26 =) € 312,10 voor gouden oorbellen, welke bedragen corresponderen met de bedragen die in het verzoek tot schadevergoeding zijn genoemd. Het gevorderde bedrag zal derhalve worden toegewezen.

Het toe te wijzen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 oktober 2018, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der voldoening.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [juwelier] is toegebracht tot een bedrag van € 1.864,95. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op

te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 oktober 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 63 en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.

Vordering van de benadeelde partij [juwelier]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [juwelier] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.864,95 (duizend achthonderdvierenzestig euro en vijfennegentig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [juwelier] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.864,95 (duizend achthonderdvierenzestig euro en vijfennegentig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 28 (achtentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 10 oktober 2018.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige met inachtneming van het voorgaande.

Aldus gewezen door:

mr. D.A.E.M. Hulskes, voorzitter,

mr. K.J. van Dijk en mr. C.M. Hilverda, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. L.J.M.M. Dielesen, griffier,

en op 20 januari 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. C.M. Hilverda is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.